IS GOD EEN PROJEKTIE ?

Er bestaat een gelijkenis die bedacht is door een Engelse theoloog, John Wisdom.(zie ‘Logic and Language’A.Flew p.192) Er kwamen eens twee ontdekkingsreizigers midden in het oerwoud onverwacht op een open plek. Ze hadden een weg gekapt door de bossen en ineens kwamen ze daar op een grasveld, midden in het bos. Op die open plek groeiden veel bloemen! De ene ontdek-kingsreiziger zegt: “Een of andere tuinman is hier bezig geweest, dat kan niet anders!” Maar de andere ontdekkingsrei-ziger ontkent het en zegt: “Welnee, het is gewoon puur toeval; geen sprake van een tuinman”.

Om te zien wie er gelijk heeft slaan ze een tent op en zetten een wacht. Maar geen tuinman komt ooit opdagen. Dan zegt die ene ontdekkingsreiziger (die zei dat het het werk van een tuinman was):”Ja, maar die man komt ongemerkt, s’nachts, als wij slapen”. “Goed”, zegt die ander,”oke, dan zetten we een omheining om dat gedeelte”. Ze zetten een omheining rondom dat mooie gedeelte daar in het oerwoud, ze laten bloedhonden patrouilleren. Maar wat gebeurt er? Geen beweging, geen geblaf verraadt de komst van een indringer!

Toch is die ‘gelovige’ ontdekkingsreiziger, zo noem ik hem maar, nog niet overtuigd. Hij zegt: “En toch is er een tuin-man, maar hij is onzichtbaar en hij is ongevoelig voor bloed-honden, hij maakt geen geluid en hij komt heimelijk in onze tuin, waar hij van houdt en voor zorgt”. Dan komt de scepti-sche ontdekkings-reiziger tot wanhoop, en hij zegt: “Maar wat is er dan nog van je oorspronkelijke bewering overgebleven? Waarin verschilt nu wat jij een onzichtbare tuinman noemt van een denkbeeldige tuinman?”

Denkbeeldig

Waarin verschilt een onzichtbare tuinman van een denkbeeldige tuinman...? Dat is het onderwerp van dit hoofdstuk. Is God niet denkbeeldig? Dit is eigenlijk een van de centrale vragen in het denken van de moderne mens: is God geen projectie? Talloos vele buitenstaanders kijken vandaag zo tegen het christelijk geloof aan. Als een produkt van zelfinbeelding van de mens! Maar ook talloos veel insiders, mensen die zich christenen noemen, spreken zo over het christelijk geloof. H.Kuitert schrijft in ‘Zonder geloof vaart niemand wel’ op pag.27: “Ook het christelijk geloof is een geloof dat mensen er op nahouden, dat wil zeggen: het bestaat uit projecties, woorden, gebruiken die hier beneden en niet in de hemel be-dacht zijn”.

Dus dat wil zeggen: ook christenen zelf zijn met deze vraag vandaag bezig. Niet alleen theologen, maar ook niet-theologen; en ik denk dat er haast niemand is die niet eens een keer door die vraag wordt bekropen: is het niet allemaal zelf-inbeel-ding, is bidden niet een zaak van auto-suggestie? Zelfs Don Camillo, in de bekende roman, staat op een gegeven moment voor het beeld van de gekruisigde Christus, en als hij daar bidt, stil in de kerk, dan is het ineens alsof een stem hem influis-tert: het is allemaal zelf-inbeelding, je bidt tot niets dan jezelf, dacht je werkelijk dat je stem doorklonk tot buiten deze ruimte?

Wat is het verschil tussen een onzichtbare tuinman en een denkbeeldige tuinman? Of: is God niet projectie, de zelfgebak-ken constructie van een behoeftig mens? Dat is de vraag.

Projectie

Projectie, dat is een heel plastisch beeld. Projecteren, dat doe je als je een beeld in een filmprojector doet en je pro-jecteert het op de wand tegenover je. Stel je voor, dat ik u een dia tonen zou van het meer van Genäve. Dan zou ik met mijn vinger op het scherm kunnen aanwijzen:” kijk, dat zijn de Dents du Midi en dat is het Chateau Chillon, en daar het meer van Geneve”. Maar het is daar niet! Het is maar een afbeelding van iets dat eigenlijk in die machine zit! Zo zegt de projec-tie-theorie: wat wij geloven bestaat niet buiten ons, het zit in ons hoofd, en wij projecteren het op het scherm van de eeuwigheid. Hier ligt de diepste aanvechtingen van de twintig-ste eeuwse mens!

Brethold Brecht

Als het waar is, dat alle mensen van alle tijden zich goden hebben geprojekteerd, waarom hebben zij dat gedaan? Daarop geeft Bertold Brecht een antwoord op als hij in een boek, “Kalendergeschichten”, schrijft in een klein stukje “De vraag of er een God bestaat”: “Iemand vroeg meneer K. of er een God bestaat. Toen antwoordde meneer K.: “Ik raad je aan eens na te denken of je gedrag na mijn antwoord op deze vraag zal veran-deren, Is dat niet het geval, dan konden we deze vraag beter maar niet stellen. Verandert je gedrag wel, dan kan ik je op zijn minst zover behulpzaam zijn je te zeggen, dat je reeds gekozen hebt! Je hebt een God nodig!” Het angeltje achter dat kleine korte bericht, dat verhaal van Bertold Brecht, dat is dit, dat hij zegt; ja, waarom, projec-teren mensen eigenlijk? Waarom geloven ze in een God? wel, omdat ze hem nodig hebben! Du brauchst ein Gott! Zo simpel is het! Het is voor de meeste mensen onmogelijk te leven in de totale leegte van een godloze wereld (natuurlijk op enige heroische twintigste eeuwers na!) Een mens heeft een God nodig en daarom schept hij hem door middel van een ingewikkeld projectiemechanisme in de menselijk geest. We voelen allemaal hoezeer dit het christelijk geloof tot aan de wortel raakt!

Nu wil ik in drie gedeelten deze gedachte bespreken. Eerst in een terugblik: waar komt het vandaan? In dit deel vereenzelvigen wij ons voor een moment met de athe-ãst (vgl. Paulus in 1 Kor.9:21). Dan kom ik met een rondblik: een beoordeling met op zich niet-christelijke argumenten, een intrinsieke argumentatie dus: we denken ons in dat ze gelijk hebben en gaan dan proberen van binnenuit deze gedachte te beoordelen. En in de derde plaats richten wij de blik omhoog, bij wijze van spreken, om deze projektie-leer vanuit de bijbel als Gods openba-ring te beoordelen. Dus drie punten.

A. Waar komt deze gedachte vandaan?

In de eerste plaats: waar komt deze gedachte vandaan? Wanneer is het voor het eerst in onze cultuur opgekomen? Daarvoor moeten we teruggaan naar de filosofie van de vorige eeuw, en met name naar de Duitse filosoof Feuerbach. Hij leefde van 1804 tot 1872, werd opgevoed in een vroom gezin, wilde eerst ook theologie gaan studeren, maar is van de theologie overge-stapt op de filosofie, en daarna heeft hij ook Hegel en de filosofie afgezworen en is wat je vandaag zou noemen antropo-loog geworden. Deze Feuerbach, een van de leermeesters van Karl Marx werd zijn leven lang nooit professor, omdat de gedachten die hij uitsprak toen nog ongehoord waren. Hij heeft boeken geschreven waarin hij als eerste uitdrukking gaf aan de projectie-leer. Vooral in zijn voornaamste werk “Das Wesen des Christentums”.

In dit boek zegt hij: God is niets anders dan het ideaalbeeld dat de mens van zichzelf heeft. Het absolute Wezen, de God der mensen, is zijn eigen wezen. Deze filosofie van Feuerbach is eigenlijk een reactie op het christendom à la Hegel. Degenen die Hegel kennen weten dat hij zei: in het zelfbewustzijn van de mens komt God tot zelfbewustzijn. Goed, zei Feuerbach, maar dan is God niets anders dan het zelfbewustzijn van de mens! Dit laatste stelt Feuerbach.

Alle theologie is voor hem antropologie, dat wil zeggen: het vertelt niets over God (die er niet is) maar alles van de mens, namelijk welke wondere processen er in zijn geest werk-zaam zijn! Dat op deze wijze heel de christelijke religie in een ongunstig daglicht komt te staan is duidelijk: in feite hebben alle gelovigen van alle tijden zich aan een illusie vertroost. Daarom behandelt Feuerbach de religie als psychische pathologie, maar dan naar de methode van de natuurweten-schappen.

Ik geef slechts een paar citaten, want het is allemaal vanuit dezelfde gedachte geborduurd. “De mens streeft naar geluk, naar volheid en naar harmonie; hij treft in zichzelf alleen maar onmacht aan; dus fantaseert hij zich zelf een almachtige God. Hij treft in zichzelf sterfelijkheid aan, dat dwingt hem om in de hemel te geloven. Hij voelt zichzelf alleen en nie-tig; dat roept een goddelijk vaderbeeld in hem op. Alleen de arme man heeft een rijke God!” ( pag. 71). Dat is Feuerbachs visie. “De absolute persoonlijkheid - en hier gebruikt hij voor het eerst het woord projectie - “is God als projectie van het eigen wezen van de mens: een illusie is het te menen dat dat object van zijn speculatie niet zijn eigen zelf, maar een goddelijk zelf is”.(Zie L. Feuerbach, profeet van het athe-sme, p.111).

Zo wijst Feuerbach de realiteit van een bestaand God af. Maar de realiteiten in God erkent hij als belangrijke elementen uit de persoonlijkheid van de mens. God wordt vermenselijkt! Tegelijk geldt: de mens wordt vergoddelijkt. (a.w., p.145,210-,301). Het is dan ook heel veelzeggend, dat Feuerbach op zijn grafsteen heeft laten zetten: homo homini deus, wat in het Latijn betekent: de mens is zijn eigen god!

Karl Marx

Na Feuerbach is er een school van filosofen en geleerden gekomen, die deze gedachte hebben overgenomen en ieder op hun eigen vakgebied hebben uitgewerkt.Zoals gezegd: Feuerbach was een van de leermeesters van Marx. Marx heeft deze gedachte van Feuerbach ondersteund met zijn analyse van de maatschappij. Van hem komt de uitspraak,dat niemand de twintigste eeuw zal binnengaan, of hij zal door deze ‘vuurbeek’ van Feuerbach’s godsdienstkritiek heen moeten. Wat Feuerbach filosofisch onder woorden bracht, vertaalde Marx maatschappelijk, doordat hij zei: religieuze projectie is het gevolg van zelf-vervreem-ding. De maatschappij vervreemdt de mens van zichzelf door hem het bezit van de productiemiddelen te onthouden en zo de beschikking over het werk van zijn handen. Ten gevolge van die vervreemding is de mens niet meer zich-zelf, kan hij zichzelf, zijn eigenlijke zelf niet meer reali-seren. En uit die nood maakt hij een deugd, hij projecteert zijn innerlijk zelf in de eeuwigheid op het doek van de hemel. Dat gebeurt in de kerk, als priesters en dominees het volk een gouden toekomst in de hemel beloven. Zulke godsdienst is als het ware de opium van het volk. Het zou echter beter zijn de oorzaak van de vervreemding weg te nemen. Dan verandert de maatschappij zo, dat de mens niet meer van zichzelf vervreemdt en dan heeft het volk geen opium meer nodig. Als je honderd jaar na Marx leeft, dan is dat op zichzelf intussen gelogenstraft door de feiten. Want hoe zeer ook de maatschapelijke zelfvervreemding wordt opgeheven, de religie verdwijnt daardoor niet.

Erich Fromm

Deze visie van Marx wordt tot vandaag toe overgenomen door bijvoorbeeld een man als Erich Fromm, die het in zijn boek “De gezonde samenleving” ook weer breedvoerig heeft over projec-tie. Hij citeert dan haast letterlijk Feuerbach: “De mens projecteert zijn vermogen tot liefde en vrede in God”. En hij zegt ook: “Hij heeft de hele rijkdom van zijn wezen in de ander geprojecteerd” (zie: Sane Society, p.113). Dat zijn allemaal termen van Feuerbach.

Sigmund Freud

Naast Marx met zijn maatschappelijke vertaling van deze atheã-stische godsdientskritiek, heb je ook een psychologische vertaling van Feuerbachs stellingen, en dat met name in de figuren van Freud en Jung. Freud versterkte deze gedachte vanuit zijn eigen vakgebied, de psychiatrie, waar hij de innerlijke wetmatigheid in het gevoelsleven van de mens op-merkte, die naar zijn inzicht het ontstaan van het godsgeloof uitputtend verklaart. Hij heeft daar een ingewikkelder theorie over dan in de populaire weergave weleens wordt gedacht - het heeft bij hem te maken met het bestaan van een Oedipuscomplex-maar in de populaire vertaling van Freud’s gedachtengoed knoopt men meestal aan bij het in 1927 verschenen boek: ‘Die Zukunft einer Illusion’ (De toekomst van een illusie). Let wel: met die illusie bedoelt Freud de godsdienst. Freud neemt hier zijn uitgangspunt in de hulpeloosheid van de mens oog in oog met de machten van de natuur. Door deze te vermenselijken, hen hartstochten en wil toe te schrijven voelt hij zich thuis in een onherbergzame wereld. Door zo te hande-len zet de mens de situatie van zijn kindheid voort, toen hij zijn vader vreesde en tevens alle hulp van hem verwachtte ( p.338). Bij Freud is dus religie iets neurotisch, een neuroti-sche rest van de kinderjaren. Een gevoel van binnen wordt verlegd naar een waarneming van buiten. Zo omschrijft hij projectie in het boek ‘Totem en taboe’ (p.IX) “Geloofsvoorstellingen zijn illusies, vervullingen van de oudste, sterkste, dringendste wensen der mensheid; het geheimenis van hun sterkte is de sterkte van deze wensen” ( p.352). Als je volwassen en gezond wil worden, dan moet je die voortgezette kinderlijkheid, die je erft van de mensheid vanaf haar eerste stadium, van je afschudden! Een ontwikkelde mens-heid schudt door middel van het gezonde verstand deze resten van onvolwassenheid van zich af.

Carl Gustav Jung

Jung heeft vooral deze laatste stelling van Freud (dat je dus het collectieve godsgeloof, dat wij van de oudheid erven, als iets van de kindheid moet afschudden) aangevallen. Jung ge-looft ook dat godsdienst, geloven in alle vormen, projectie is. Door breedvoerige bestudering van vele godsdiensten, vooral van China en India, meent hij te kunnen aantonen uit dromen, mythen, visioenen en heilige boeken hoe alle gezichten over God en het goddelijke ten allen tijde een projectie zijn van collectief onbewuste zielsinhouden! De mens projecteert zijn eigen wezen naar buiten toe. In allerlei symbolen en mythen.

Het grote verschil met Freud is alleen, dat Jung deze reli-gieuze projectie niet als negatief ziet, als een ziektebeeld, maar juist als positief, als onmisbaar voor de gezondheid en het evenwicht van de mens. Hij zegt: in mijn praktijk is gebleken dat de mens zonder religie ongezond wordt, in uiter-ste verwarring raakt! Denk maar aan de nihilistische mens van vandaag. Daarom heeft hij religie nodig! Natuurlijk is het ‘t fijnst als dit niet meer gebeurt in de vorm van de traditione-le projecterende godsdiensten: het mooiste is natuurlijk als dat via de analytische en zichzelf bechouwende en bespiegelen-de en aanbiddende psychologie van Jung gebeurt. De psycholo-gie van Jung die eigenlijk de diepten van de menselijke ziel als goddelijke diepten aanbidt is daarin een voortzetting van de oude gnostiek.

Nederland na de oorlog

Welnu, deze twee beschouwingen - gebaseerd op Feuerbach - de psychologische vertaling van Freud en Jung en daarnaast de maatschappelijke van Marx en het communisme van vandaag, leiden tot onze eigen tijd. Nederland neemt in het geheel van Europa een aparte plaats in, omdat het het enige land is waar deze zaken van projectie publiek in discussie zijn geraakt, namelijk door het verschijnen van Vestdijks boek “ De toekomst der religie”. In dat boek geeft Simon Vestdijk, hoewel hij het nergens zegt, een definitie van religie die als twee druppels water lijkt op die van Feuerbach. Vestdijks definitie luidt:” religie is het streven naar de vereniging met of naar de realisering van het ideaal van een natuurlijk volmaakt mens, de eeuwige mens”.( p.160 e.v.) Dus in de religie streeft de mens naar de vereniging van zijn persoon met dat heilige ideaal van een natuurlijk volmaakt mens, de eeuwige mens! Op de verschijning van dit boek volgde een stroom van reac-ties. Deze waren bijna allemaal kritisch en negatief - het boek is ook niet zo zeer vanuit een wetenschappelijk oogpunt geschreven. EÇn theoloog verdedigde Vestdijk, namelijk F. Sierksma. Hij publiceerde in 1957 het boek “De religieuze projectie”. In dit boek gaat Sierksma te werk als antropoloog. Hij plaats het verschijnsel religieuze projectie in het brede-re kader van projectie in het algemeen. En dan zegt hij:

“Zelfs dieren projecteren. Als een roodborstje een stokje met een roodborstveertje eraan waarneemt, vult hij de ‘objectieve` buitenwereld met ‘subjektieve’ gedachteninhoud. Hij kwiere-liert, alsof het een roodborstvrouwtje is. Zo doet ook de mens, zegt Sierksma, als een uit het lood geslagen zoogdier. Mensen projecteren wanneer een bepaald verschijnsel in hun omgeving hen onbegrijpelijk voorkomt. Wanneer ze er door hun bewustzijn geen greep op kunnen krij-gen, dan projecteren ze en ‘vullen’ zo die angstgevende reali-teit buiten hen met religieuze voorstellingen, onbewust, zodat die onbekende werkelijkheid hen vertrouwd wordt!” Hij zegt:

“Zolang de mens door techniek en wetenschap die onbekende wereld niet te lijf kon gaan, moest hij wel projecteren”. Bijvoorbeeld: als Eskimo’s in een barre winter een tijd lang geen zeehonden gevangen hebben - een zeer bedreigend ver-schijnsel! - dan projecteren ze in hun geloofsvoorstelling een godin die op de bodem van de zee alle zeehonden vast houdt! De werkelijkheid wordt er niet minder erg door - er zijn nog geen zeehonden die je kunt vangen - maar het verschijnsel is toch begrijpelijk geworden, je hebt er door projectie vat op gekre-gen. Maar wanneer de wetenschap en de techniek toenemen, deprojecteert de mens, neemt hij zijn projecties terug. Dege-nen die daar in onze tijd het verst in gaan zijn de Boeddhis-ten.

Sierksma heeft voor dit deprojecteren een heilig ontzag. Met Vestdijk en Sierksma zijn we dicht bij huis en in onze eigen tijd gekomen.

Prof. H.S. Versnel

Hoe aktueel dit denken is, bleek onlangs nog, toen prof. Versnel in het dagblad Trouw van 28 december 1990 de stelling verdedigde: “wie gelooft in God, gelooft in een eigen con-structie, waarvoor men niettemin algemene geldigheid postu-leert”. Waarom doen mensen dat, vraagt hij zich af. Het ant-woord - u kunt het al raden, als u het voorgaande gelezen hebt - luidt: omdat mensen nu eenmaal een werkelijkheid zonder God niet aan kunnen. Zij missen de moed om hun zelfgemaakte God op te geven.

Is het een wonder dat veel mensen vandaag, als ze zo’n indruk-wekkende lijst van wijsgeren, psychologen en theologen horen praten, zelf ook gaan twijfelen en terugvallen op gevoelens zoals we die in de inleiding beschreven? Dragen we niet alle-maal bewust of onbewust die moderne mens in ons? We kunnen er dus niet aan ontkomen om deze gedachte te doordenken!

B Interne beoordeling

Dat leidt mij tot het tweede gedeelte, waarin ik deze gedachte van projectie wil beoordelen van binnenuit: niet met christe-lijke argumenten maar door mee te denken: stel je voor dat het waar is. Waar kom ik dan uit? Dan lopen dagelijks miljoenen mensen zich op te schroeven tot een godsgeloof dat psycholo-gisch te verklaren valt! Dan zijn generaties van mensen - want hoe lang is de mensheid dan verlicht?: de laatste drie secon-den op de eeuwigheid!- opgegroeid, hebben geleefd, zijn ge-storven en hebben zich vertroost met een illusie! Maar verder nog, stel je voor dat het zo is, dat alles wat te maken heeft met God - en met het bestaan van God. Daaraan zijn grote dingen verbonden: de toekomst, liefde, de cantates van Bach en de Sixtijnse kapel (allemaal zonder geloof in God ondenkbaar). Stel je voor, dat dat alles berust op dwaling en leugen, waarmee blijf ik dan over? Wat houd ik dan uiteindelijk in handen? Dan houd ik in handen een wereld, die draait naar de vaste wetten van gevolg en oorzaak, waarin ik een produkt ben van evolutie, waarin alles een verklaring heeft, of een nog niet ontdekte verklaring, en waarin ik eigenlijk slechts een klein radertje ben in een grote toevallig ontstane machine. Dit levensgevoel komen we ook tegen bij de moderne kunst. Dan krijg je beelden zien zoals prof. H.R. Rookmaaker die afdrukte op de voorpagina van zijn boek “Modern art and the death of a culture”. Als dit alles is, een wereld die bestaat uit neutronen en protonen die daar om elkaar cirkelen, dan ga je gillen! Dit kan toch nooit alles wezen? Dat is het wat Francis Bacon in beeld brengt op de voorpagina van dat boek van Rookmaaker. Een man die, verbijsterd, het tenslotte alleen maar uit kan schreeuwen, gevangen in een glazen kooi.

The spell of the witch

Datzelfde brengt ook C.S.Lewis onder woorden in één van zijn kinderboeken: “The silver chair”. Het gaat er om dat de jongen en het meisje uit het boek een bepaalde aanwijzing volgen en dan tenslotte op een zilveren stoel gaan zitten, want dan ontwaakt een heel paradijselijk koninkrijk, dat door de heks is betoverd. Het is natuurlijk een sprookjesverhaal, maar er zitten allerlei diepzinnigheden in. Ook ons probleem wordt hierin besproken, maar dan op een manier dat zelfs kinderen het kunnen begrijpen. Op een gegeven moment komen die jongen en dat meisje terecht in een “onderwereld” - het is onder de grond, er is geen zon, er is niets te zien, het is alles grijs en grauw - en dan komen ze de heks tegen. En wat doet zij? Ze gooit in het gebouw waarin ze zijn aange-land stilzwijgend wat vergif in het open haardvuur, waardoor ze allemaal een beetje bedwelmd en betoverd raken. Dan gaat ze heel verleidelijk spreken: “Vertel eens, wat is dat voor een land waar jullie vandaan komen?” “Nou”,zegt de jongen,”dat is een land waar het altijd licht is” - dat was het eerste wat hem inviel- “ en daar is een zon”. “Wat”, zegt ze, “een zon? Vertel me dan eens wat een zon is”. “Ja” zegt de jongen “ hoe moet ik dat nou verklÖren aan iemand die nog nooit de zon heeft gezien, nou, weet je, ‘t is een soort lamp die hangt aan het plafond”. Dan zegt zij: “Wat? een lamp die aan het plafond hangt? Maar dat kan toch niet! Waar hangt dat dan aan?” “Denk nou eens helder na”. “Ja” zegt de jongen, “inderdaad, waarschijnlijk ben ik een beetje in de war geraakt; misschien bestaat de zon wel niet”. “Welnee”, zegt de heks, “die bestaat helemaal niet! Tenslotte stemt de jongen ermee in. Zo wordt vervolgens heel de wereld waar hij van vertelt ontleed, zodat het verlangen om naar deze goede wereld terug te keren de jongen en het meisje wordt ontnomen. Tenslotte, aan het eind, zijn ze er allemaal van overtuigd: inderdaad, Narnia, dat is hun eigen wereld, de mooie, goede wereld, waar de zon is en waar bloemen groeien en waar het fijn is, die wereld bestaat niet! De heks heeft hen betoverd.

Dan trapt iemand, de marshwiggle Puddlegum, in het vuur en doordat hij zijn voet verbrandt ontwaakt hij uit de betove-ring. En dan zegt hij: “één woordje mevrouw, u zult allemaal wel gelijk hebben, dat zou me niet verbazen. Ik ben iemand, die altijd het ergste wil weten om er dan het beste van te maken. Dus zal ik niets van wat u gezegd heeft ontkennen, maar een woordje zal toch nog gezegd moeten worden. Stel dat we alleen maar droomden, stel dat we al die dingen, bomen, gras en zon en maan en sterren en Aslan zelf (bij Lewis het beeld van Jezus Christus) slechts verzonnen hebben, stel dat we dat alles droomden, dan kan ik alleen maar zeggen, dat in dat geval de verzonnen dingen heel wat belangrijker zijn dan de echte.

Stel dat deze zwarte onderwereld, dit rijk van u, de enige wereld is, stel dat het waar is, dan komt ze mij bepaald niet aantrekkelijk voor! Dat is toch eigenlijk raar, als je daar over nadenkt. Als u gelijk hebt zijn wij alleen maar kinderen, die een spel verzinnen, een speelgoedwereld. Maar dan een speelgoedwereld die stukken beter is dan uw echte wereld. Omdat die beter is, houden wij ons maar aan die speelgoedwe-reld.

Ik sta aan de kant van Aslan, zelfs als er geen Aslan is om leiding te geven. Ik leef als een Narniaan, zelfs als er geen Narnia is! Dank u vriendelijk voor de maaltijd, zodra deze mensen en de jongedame klaar zijn, gaan wij uw hof verlaten en stappen de duisternis in om in ons verdere leven te zoeken naar het land aan de Overzijde. Niet dat we, denk ik, lang zullen leven, maar dat is ook geen groot verlies als de wereld echt zo’n saaie boel is als u beweert”.

Dit verhaal boeit me zeer, omdat Lewis hier het waagstuk aandurft om mee te gaan tot het einde, om te zeggen; okÇ, stel je voor dat het waar was! Stel je voor dat het waar was wat Feuerbach, Marx en Freud zeggen, met wat voor wereld blijf je dan achter? “Die zwarte onderwereld van u” Nou, dan houdt ik het maar liever bij Narnia en Aslan, wat zij een denkbeeldige wereld noemen. Goed, het is een gewaagd argument, maar natuur-lijk argumenteert Lewis hier niet mee. En toch geloof ik dat het goed is om zo’n gedachtenwereld tot op de kern te laten doordringen. Omdat dan ineens het moment ontstaat waarop je tegen diegenen die het werkelijk geloven, kunt zeggen: maar man, stel je nou eens voor dat je werkelijk gelijk hebt? Ook Schulte Nordholt doet ditzelfde! In een oud nummer van Wending, “Het verworpen beeld”, staat een gedicht over projec-tie van hem. Een paar strofen hieruit:

Ben ik het hart, het licht dat schijnen zal, wordt het geboren uit mijn open hand, zal het mijn oog zijn dat het zonlicht spant, rondom het glazen hulsel van ‘t heelal?

Ik zit er zelf gevangen midden in,

met al de grote dromen die ik heb,

de draden van het uitgespannen web

zijn al mijn zekerheid en al mijn zin.

Ik kan wel zitten tasten met mijn pen in het verschrikkelijk weefsel om mij heen totdat ik, zoals ik gekend ben, ken, maar dan stort heel mijn glazen huis ineen: kan er geen waarheid buiten mij bestaan, dan moet ik in mijzelf ten onder gaan.

Dat werkt hij verder uit in dit gedicht, vooral dat laatste:

“kan er geen waarheid buiten mij bestaan, dan moet ik in mijzelf ten onder gaan!”

Waarheids-element

Dit zijn een aantal benaderingen vanuit de diepte (stel je voor dat het waar was) , nu gaan we van binnenuit deze visie op projectie beoordelen. In de eerste plaats: er zit iets in dat duidelijk en direkt aanspreekt. We hebben een oud-hollands spreekwoord dat luidt: zoals de waard is, zo vertrouwt hij zijn gasten. Welnu, dat is eigenlijk ook al projectie! Z¢als de waard is, z¢ vertrouwt hij zijn gasten, dat wil zeggen: als er iemand binnenkomt, dan projecteert hij in de gast die eigenschap, die verdrongen bij hem zelf leeft! Dus het blijkt dat dit verschijnsel nu ook weer niet z¢ modern is. Dat is ook het eerst aansprekende van de projectie-gedach-te, en het is ook goed om dat waarheidselement vast te houden. Ik denk dat we ook als gelovige projecteren! Ik noem een voorbeeld dat voor ons misschien ver weg staat. We kunnen denken aan nonnen in een klooster, die Jezus als de Bruidegom aanbidden. Zijn daar niet psychische motieven aan te wijzen, verdrongen gevoelens enzovoorts? Maar we kunnen ook dichter bij huis blijven. In een gereformeerd kerkblad schreef een dominee letterlijk over een andere dominee die hem had ge-kwetst: “Hier laait de toorn van God”. Verbijsterend! Maar de man kennende dacht ik: hier laait niet de toorn van God, hier laait de toorn van dominee X, verder niets! Dat is vaak zo, dat verdrongen gevoelens die je eigenlijk als mens niet mag hebben binnen christelijke kring dan maar even vrolijk in God worden geprojecteerd. Dat is natuurlijk een verschrikkelijk verschijnsel, maar dat is dan ook gelijk het waarheidselement in de gedachte van projectie. Intussen blijft de vraag: moeten we nu deze theorie dan daarom aanhangen? Nee, ik geloof nÖmelijk niet dat we, ook niet op niet-christelijke, zogenaamd neutrale gronden, gedwongen worden om deze visie aan te nemen, en wel om drie redenen.

1. Psychologische beoordeling

In de eerste plaats: er is vandaag een tegenbeweging gekomen tegen dit hele denken over godsdienst als projectie vanuit de psychologie zelf. En dan bedoel ik hier niet christelijke psychologie, maar psychologie zoals ze bijvoorbeeld werd gedoceerd aan de universiteit van Utrecht! Ik denk nu aan dat boekje van Römke,”Karakter en aanleg in verband met ongeloof”. Hij komt hierin tot de verbazende conclusie, dat zijn ervaring het omgekeerde heeft geleerd. Waar mensen niet geloofden, niet wilden geloven, of zelfs niet konden geloven, daar was het zijn ervaring dat dit altijd kwam door een of andere neuroti-sche of psychische ziekte.

En zodra een mens na therapeutische behandeling weer psychisch gezond werd, dan kon het volgens RÅmke gebeuren dat die per-soon ‘als vanzelf’ het geloof (her)vond. Die mens kwam opnieuw tot een geloofshouding die geworteld is in een diep vertrou-wen. Letterlijk zegt hij: “In mijn ervaring heb ik steeds weer gemerkt dat wanneer iemand bij mij in behandeling was, zodra zijn psychische moeite wegraakte, ook zijn geloof weer ruim baan kreeg”. En verderop: “Ik meen door zuiver invoelen een geloof dat op projectie berust fenomenologisch te kunnen onderscheiden van een echt geloof. En wanneer men vraagt: welke zijn dan die verschillen? dan kan ik slechts weinig antwoorden. Ik kan zeggen: het gehalte is anders, het heeft een ander gewicht, het ligt op een ander geestelijk niveau; de innerlijke houding die erin weerspiegelt wordt is een andere. En ik kan wijzen op de produktieve kracht van het echte ge-loof”. Het echte geloof stimuleert de menselijke creativiteit, zoals oa. gebleken is in de enorme schat aan religieuze kunst-werken.

Later komt hij dan tot de volgende formulering: “Ik kan de echtheid en de onechtheid heus ook nog wel aangeven”. Welke trekken in de verhouding tot God verraden de infantiele her-komst van het godsbeeld, behalve het fenomenologische onder-scheid? Daarvan zegt hij: “Het infantiele treedt dus op waar de God-als-vader gedachte te sterk op de voorgrond treedt. Of waar de rebellie tegenover God te persoonlijk geladen is. Of waar een te grote familiariteit is, of een te sterk rekenen op beloning, of een te grote angst: een ons teleurgesteld afwen-den wanneer we onze zin niet krijgen, of onze zin niet dade-lijk krijgen. Kortom, als God een te duidelijke gelijkenis heeft met onze lijfelijke vader”.

Dan noemt hij dat dus onecht. Maar hij zegt ook: “Wanneer die vaderbindingen die daar onbewust leven op een gegeven moment verwerkt worden, geãntegreerd worden, dan blijkt dat er een volwassen vertrouwen in God oprijst, dat authentiek en echt is”.

Een boomerang

Dit zijn ook woorden van een psychiater! Het hoofdargument van Freud en Versnel werkt als een boomerang. Wie zegt: mensen geloven uit angst, of behoefte moeten niet klagen als hun ongeloof aan een zelfde onderzoek wordt onderworpen. Is het voor een twintigste eeuws mondig mens niet uiterst bedreigend gesteld te worden tegenover een God, die rekenschap vraagt? Maar, nog vervelender voor Freud’s theorie: als deze assumptie (geloof berust op verdrongen behoefte of angst) zowel het ene als het tegenovergestelde verklaart, heeft die assumptie dan niet zijn verklarende kracht verloren en is het op zijn beurt dan zelf niet tot een mythe geworden?

Bulverisme

In “God in the dock” van C.S.Lewis komt een treffend stuk voor: “De laatste jaren ben ik steeds meer een bepaalde on-frisse manier van denken tegengekomen. Tenslotte heb ik er een naam voor bedacht. Ik noem het Bulverisme. Eens zal ik de biografie schrijven van de denkbeeldige uitvinder ervan. Ezechiel Bulver, wiens levenslot werd bepaald op zijn vijfde jaar, toen hij zijn moeder hoorde zeggen tegen zijn vader, die volgehouden had dat twee hoeken van een driehoek samen groter zijn dan de derde: “O, dat zeg je omdat je een man bent.” “Op dat moment”, verzekert E.Bulver ons, “flitste door mijn ont-luikend brein de grote waarheid, dat weerlegging geen noodza-kelijk onderdeel van de discussie is. Ga ervan uit dat je tegenstander het mis heeft, verklaar dan zijn vergissing en de wereld zal aan je voeten liggen. Probeer te bewijzen dat hij het mis heeft of, nog erger, probeer uit te vinden of hij gelijk heeft of ongelijk en de nationale dynamiek van ons tijdperk zal je tegen de muur slingeren”. Zo werd Bulver een van de scheppers van de twintigste eeuw. Ik kom de vruchten van deze ontdekking overal tegen. Zo zie ik mijn godsdienst afgedankt op grond van het feit dat “de welge-dane dominee alle reden had om de negentiende-eeuwse arbeider te verzekeren dat armoede beloond zou worden in een andere wereld”. Nu, dat had hij ongetwijfeld. Uitgaande van de veron-derstelling dat het christelijk geloof een vergissing is kan ik gemakkelijk inzien dat sommige mensen toch nog een motief kunnen hebben om het erin te prenten. Ik zie dat zo gemakke-lijk in dat ik het balletje uiteraard terug kan spelen door te zeggen dat “de moderne mens alle reden heeft om te proberen zichzelf ervan te overtuigen dat er geen eeuwige sancties staan achter de moraal die hij verwerpt”. Want het Bulverisme is een echt democratisch spelletje in die zin, dat je het de hele dag door kunt spelen en dat het geen oneerlijke voorsprong geeft aan de aanstootgevende minderheid die logisch nadenkt. Maar het brengt ons natuurlijk geen centimeter dichter bij het antwoord op de vraag of de christe-lijke godsdienst in feite waar of onwaar is. Die vraag moet worden beslist op grond van heel andere overwegingen en is een onderwerp voor een filosofische en historische discussie. Hoe het antwoord ook zou uitvallen, de onjuiste motieven van sommige mensen om het te geloven (of niet) blijven wat ze zijn.

Prof. H. Fortmann

Naast Rumke noem ik de boeken van Fortmann, een roomskatholiek godsdienstpsycholoog, “Als ziende de Onzienlijke”. Fortmann heeft deze psychologische argumenten nog weer nader uitge-diept. In deze boeken geeft hij alle visies van psychologen en sociologen op godsdienst weer. Hij komt tot een merkwaardi-ge conclusie: hij weigert namelijk te geloven dat überhaupt projectie bestaat. En hij begint bij wat we zojuist zagen als het waarheidselement. Hij zegt: “Zelfs als je zegt, z¢als een waard is, z¢ vertrouwt hij zijn gasten, zelfs dan is het zo, dat je toch niet moet spreken van projectie. Want je kunt zeggen: heeft die waard er geen reden voor? Als hij zelf onbetrouwbaar is, en er komen gasten bij hem binnen, en hij denkt dat ze allemaal onbetrouwbaar zijn - is er wel één mens voor honderd procent betrouwbaar? Er is altijd wel reden voor argwaan, want een vleugje onbetrouwbaarheid schuilt in ieder mens! Maar dan is projectie niet het plaatsen van een in mij bestaande gevoelsinhoud buiten mij, maar dan is het het al bestaan van iets buiten mij verkeerd waarnemen, vergroten of in karikatuur vorm zien”.

En Fortmann verdedigt op psychologische gronden, dat in alle gevallen waarin men van projectie spreekt, men zou moeten spreken van verkeerd, karikaturaal waarnemen. Ook zelfs dat beeld van de non die zich houdt aan het beeld van Jezus als bruidegom. Je kunt zeggen dat de bijbel daar zelf een basis voor geeft: er is een element van waarheid in, in de Bijbel wordt Jezus zelfs de bruidegom van de gemeente genoemd. Met andere woorden: wanneer de gelovige voor zijn eigen besef niet projecteert, dan berust dat op waarheid, want hij projecteert niet, maar hij ziet iets buiten zichzelf wat hij natuurlijk verkeerd kan waarnemen. Met veel verhalen en voorbeelden toont hij dat aan.

EÇn daarvan is het voorbeeld van de jager in het bos; hij is de hele dag aan het jagen geweest en heeft niets gevangen - en dan, als de schemer valt, denkt hij een haas te zien en hij schiet. Maar..., het is een paaltje. Dan kun je zeggen: ja, dat is projectie. Iemand die de hele dag al hoopte een haas te schieten en ja hoor, hij ziet wat en schiet. Maar, zegt Fort-man, als je het nader beschouwt, is dat geen projectie maar onjuiste waarneming. Want hij schoot niet op de kruin van een populier - zo stom was hij niet- maar hij zag iets en hij nam het niet goed waar: hij dacht dat het een haas was! Maar dan heb je al iets buiten je, dat je verkeerd waarneemt. Projectie in de zin van een niet bestaand iets als bestaand buiten je poneren, daarvan ontkent Fortmann öberhaupt het bestaan. Het is op zijn minst interessant om van zijn theorie kennis te nemen. Hij spreekt dus liever van verschraalde waarneming of van vervorming van de werkelijkheid (a.w., deel 2, blz. 65) Je mag ook zeggen: je hebt een verkeerde bril voor, of oogkleppen op. Dat is dus het psychologische tegenar-gument.

Roscam Abbing

Roscam Abbing distantieert zich iets van Fortmann. Hij deelt diens visie dat heel veel projecteren geen projecteren is in de zin van Freud, maar gewoon verkeerd waarnemen. Tegenover Sierksma zegt hij: je kunt in dat geval beter spreken van subjectiveren dan van projecteren. Projecteren veronderstelt namenlijk dat men iets niet-bestaands als bestaand aanneemt, en dat is in de visie van Sierksma niet het geval. Roscam Abbing meent daarom dat wij veel minder krampachtig op projec-teren moeten reageren. Is het niet volop menselijk dat wij projecteren? Als wij projecteren nu eens heel scherp van hallucineren afbakenen, waarom zouden wij projecteren dan altijd negatief beoordelen? Kan een mens wel leven zonder te projecteren?

Toegepast op God: als God zich Vader noemt, projecteren wij dan niet in onze invulling van dat vaderbeeld onze eigen openlijke of stilzwijgende gedachten en gevoelens over wat een vader moet wezen? Zeker moet dat genormeerd worden. Je kunt verkeerde gevoelens op God projecteren, maar ook gerechtvaar-digde. Ik zou hier graag een van de laatste gedachten van van Rijnsdorp citeren: “De openbaring sluit aan op het projecte-rend vermogen van de mens. De projectie-theorie ziet slechts een halve waarheid. Het voedsel voor elk wezen komt van bui-ten, het creatuur schept zijn eigen voedsel nooit, maar is er op gebouwd om het tot zich te nemen en te nuttigen. Zo is ook de mens op openbaring geschapen”.

Filosofische beoordeling

Vandaag ondersteunt niemand meer de gedachte dat de projectie-theorie een totaalverklaring van de religie biedt. Dit is mede te danken aan de filosifische kritiek die de projectietheorie heeft opgeroepen. Eduard von Hartmann, zelf geen christen, heeft het scherp geformuleerd. Hij zei: de enige originele gedachte van Feuerbach was dat de goden naar buiten geprojec-teerde verlangens van de mens zijn. “Nu is het geheel juist dat iets niet bestaat omdat men het wenst. Maar het is natuur-lijk ook niet juist, dat iets niet kan bestaan omdat men het wenst”.

Bij enig doordenken blijkt dit zeer logisch. Als een psycho-loog mijn diepste droombeelden over de ideale vrouw zou analy-seren en beschrijven en vervolgens naar aanleiding van mijn eigen woorden er de eigenschappen van mijn vrouw naast zou leggen, om dan te constateren dat die twee beschrijvingen verdacht veel op elkaar lijken, is er dan enige grond voor de bewering dat die gelijkenis ons dwingt tot de conclusie dat mijn vrouw niet bestaat? De werkelijkheid zal hem wel anders leren. Gelukkig zijn er heel veel dingen die wij op heel diepe wijze wensen en die tegelijk ook bestaan. Een tweede filosofisch argument is verwoord door F.A. Schaef-fer, namelijk dat er een verborgen wijsbegeerte zit achter de voorkeur van de hedendaagse mens om te spreken over projectie. Dit is een filosofie die het zich voorstelt alsof de werke-lijkheid bestaat uit een buitenwereld, die objectief is en zonder betekenis, een mechanische buitenwereld tegenover mijn binnenwereld, mijn subjectieve beleving, mijn bewustzijn. Ik moet nu vanuit mijn subject die neutrale buitenwereld laden met betekenis, ik projecteer die betekenis er op. Schaeffer noemt die subjectieve wereld ‘de bovenverdieping’ en de objectieve neutrale wereld de ‘onderverdieping’. Maar op deze wijze kan volgens Schaeffer de werkelijkheid niet uiteen worden getrokken: in denkende subjecten en neutrale objecten. Het ‘relationele’ heeft in deze filosofie geen enkele plaats. Ook de zin of betekenis van de geschapen dingen zelf wordt daarin veronachtzaamd, want in deze visie bloeit alle zin en waarde op uit het innerlijk van de mens.

Antropologische kritiek

Dieper nog dan deze filosofische kritiek is de kritiek vanuit de antropologie. Filosofische antropologen hebben de projec-tie-denkers gevraagd: Wat zijn jullie eigenlijk aan het doen? Menen jullie werkelijk dat alle mooie dingen waarin een mens zich verheugt hun oorsprong hebben in het bewustzijn van de mens? Denken jullie echt dat er een objectieve, kille mechani-sche buitenwereld is, tegenover een subjectieve, zingevende menselijke binnenwereld? Is dan de mens niet een monade (een enkelvoudig wezen), verloren in een kil universum, dat hij nu uit bittere nood met zijn eigen geest zinvol moet kleuren? Interessant is de lange uiteenzetting van Roscam Abbing over de methode van de godsdienstpsychologie. Hij wijst hierin het geborneerde verklaren zonder verstaan uit finale oorzaken af. Bovendien wijst hij er op dat er tussen mens en niet-mens relaties zijn die veelkleuriger zijn dan alleen verklarend en dat een mens pas mens is in relaties.

Hij schrijft:” Ik meen dat aan de mens in ieder geval vier dimensies onderscheiden moeten worden, wil men hem recht doen. Hij is een object, een ding, zoveel kilo wegend, zoveel ruimte innemend. Hij is meer nog subject, ik-zegger; hij is nog meer relatie, subject in betrokkenheid op werkelijkheden, namelijk op de wereld om hem heen, op de medemensen daarin. Hij is het meest geschiedenis, relatie in de tijd, zelf veranderend en verandering oproepend”.

Met deze antropologie stelt Roscam Abbing zich tegenover Sierksma, die de Ik-Gij relatie antropologisch niet essentieel acht, en het ethisch appäl, dat van de naaste uitgaat, niet als een fundamenteel antropologisch gegeven heeft verdiscon-teerd. Ook bij Sierksma is de mens ten diepste eenzaam. Hij heeft wel een ‘tegenover’ in de wereld - waarin de naasten als onderdelen zijn opgenomen - die hij waarneemt, maar niet in de “gij” van de naaste, laat staan in die van God. Over projecteren heeft Roscam Abbing de volgende mening: “Ik ... kan menen dat alles illusoir is, maar ik kan ook geloven dat dit projecteren adequaat is. Ik kan leven uit het welbe-wuste diepe gel¢¢f dat aan mijn projecteren..... een werke-lijkheid, buiten mij bestaand, beantwoordt. Dan leef ik niet alsof hij een illusie is, - ook niet als¢f hij werkelijheid is, omdat anders het leven niet leefbaar is, maar in de diepe overtuiging dat ik in relatie sta met een aan mij vreemde werkelijkheid. Dan ben ik in dialoog met een gij die mij aanspreekt”.

“Tenslotte gaat het niet slechts om een overtuiging dat aan mijn projecteren een een adequate werkelijheid beantwoordt, maar gaat het om een openbaring van een ander aan mij, die mij ervan overtuigt dat mijn absolutistisch ik-besef een leugen is”. Het is op dit gebied van de antropologie dat de beslis-singen vallen.

C. Kritiek vanuit bijbels standpunt

Het christelijk geloof berust niet op gevoel, ook niet op onbewuste verlangens, maar op historische feiten. Gevoel, ervaring, beleving en bevinding zijn gevolg en niet de oorzaak van geloof. Ze hebben geen bewijskracht voor de waarheid ervan, maar dienen wel als versterking van het geloof. Het is de echo van het kruis in mijn gevoels- en ervaringswereld. De boodschap van het kruis zelf echter is naar zijn wezen procla-matie, evangelie, goede tijding aangaande iets wat buiten mij ‘toen en daar’ is geschied.

Dit staat, naar het getuigenis van de bijbel, zelfs dwars op mijn gevoelsleven en gaat in tegen mijn religieuze behoeften (vgl. 1 Cor.1:20-25) De bijbel vindt ervaring wel belangrijk (Ef.5:18-21), maar wat opvalt is, dat het heil en de waarheid van God nooit op onze ervaring worden gebaseerd. Het is een van de meest opvallende dingen dat de bijbel geloof niet verankert in behoeften of de bevrediging daarvan, maar in historische gebeurtenissen. Het christelijk geloof staat of valt met historische gebeurtenissen.

Het tweede wat opvalt is: de bijbel zelf blijkt niets zo te haten als projectie! Het tweede gebod is hieraan gewijd. Dit zegt: “gij zult u geen gesneden beeld maken noch enig gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is”. Drieduizend jaar voor Feuerbach zegt Mozes tegen het volk Israâl: Gij hebt geen gestalte waargenomen (Deut.4:15), en daarom wordt het verboden dat een mens zichzelf een beeld maakt van God. Dit verbod geldt niet alleen letterlijk, maar wordt ook psycholo-gisch uitgewerkt in psalm 50. Hierin wordt Israâl door God voor zijn rechterstoel gedaagd. God zegt: “dacht je nu werke-lijk dat ik stierevlees at of bokkebloed dronk? (vs.13) Mij behoort alles toe; als Ik honger had, zou Ik het u heus niet zeggen” (vs.12) .

God speelt hier ironisch in op de gedachte dat het offeren - de pilaar van Israâls cultus- diende om God gunstig te stem-men. Deze gedachte is uitgedrukt in de Latijnse spreuk “Do ut des”; je geeft iets om er wat voor trug te krijgen. Israâl dacht blijkbaar: als we maar veel offeren, dan zegent God ons en krijgen we een goede oogst. Deze gedachte verafschuwt God! God wijst de oorsprong hiervan aan: “Gij beeldt u in dat Ik geheel ben als gij” (vs.21). Israâl dacht dat ze met God een handeltje konden drijven, maar dit godsbeeld berustte geheel op zelfinbeelding. De gedachte dat God is zoals wij komt vaak bij ons op - we hoeven dat niet te ontkennen - maar wordt door God verfoeid!

In het Nieuwe Testament vinden we opvallend gelijke trekken. Rond het hoofdthema van het NT, de boodschap van Christus’ opstanding, vinden we vaak de gedachte dat dit projectie zou zijn. Wanneer de vrouwen op de paasmorgen van het graf terug-komen en aan de discipelen vertellen dat Jezus is opgestaan, zeggen dezen: “dat is zotteklap” (Lk.24:11) Wij zouden zeggen: logisch, je gaat naar het graf met het diep verdrongen verlan-gen om Jezus weer te zien, het is vroeg in de morgen en sche-merig, je weet hoe dat dan gaat. Zo hebben de discipelen waarschijnlijk ook gedacht. Maar wanneer dan diezelfde dag Jezus zelf in hun midden verschijnt, is dat het wat hun ge-dachte aan projectie doorbreekt. Alleen de historische ver-schijning van de levende Heer kan deze ongeloofsgedachte doorbreken.

De nadruk hierop is in de bijbel zeer groot. Zie b.v. 1 Cor 15, waar Paulus zegt dat heel zijn evangelie staat of valt met de opstanding van Jezus Christus als historisch feit. Het is zelfs z¢ plastisch en historisch dat hij erbij vertelt: “Er zijn vijfhonderd mensen die Hem tegelijk hebben gezien, en het merendeel van hen is nog in leven”. Paulus zegt dus dat je zijn mededelingen kunt gaan verifiâren! Ook in andere brieven treffen we dezelfde toon aan. In zijn eerste brief schrijft Johannes in H. 1:1: “Wat we gezien hebben, wat we gehoord hebben, wat onze handen getast hebben van het Woord des le-vens, dat verkondigen wij u”.

Alsof hij de gedachte wilde voorkomen: jullie verkondigen verdrongen gevoelens, heimelijke ideaalbeelden, datgene wat jullie diep verborgen willen. Nee, dat niet! Johannes verkon-digt wat hij gezien en getast heeft, feiten in de geschiede-nis. Wat dat betreft is het evangelie van de gekruisigde Christus niet naar de mens. Alles berust op het kruis en de opstanding van Christus. Ook Petrus doet dezelfde uitspraak in 2 Petr. 1:16: “Wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels - in het grieks staat daar: mythen - nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkon-digd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit”. Het woord Evangelie op zichzelf duidt hier al op. Evangelie en kerugma (prediking) hebben altijd te maken met oog- en oorge-tuige zijn, en vandaaruit met heraut-zijn. Het gaat dus altijd om in de geschiedenis verwortelde feiten. Het geloof berust op deze heilsfeiten! Zeker is het zo dat datgene wat in het evangelie op heilsfeiten gebaseerd wordt en ons verkondigd wordt, correspondeert met diepe verlangens in het mensenhart. Misschien hebben sommige ze niet, dan verwekt het evangelie deze hunkeringen. Maar de hunkering op zich zegt niets over het al dan niet bestaan van God.

Zekerheid aangaande God

In de vraag naar zekerheid aangaande God moeten we allereerst nadenken over de betrouwbaarheid van de bijbel, want nog steeds geldt; wie God wil leren kennen, moet de bijbel lezen (Rom. 10:8). Nu willen velen voor ze de bijbel gaan lezen de betrouwbaarheid daarvan bewezen zien. Dit nu is onmogelijk, want het waarheidsbewijs van de bijbel is alleen in de bijbel zelf te vinden. Alleen wie het woord van God leest kan zijn stem horen! Wanneer we de Schrift lezen, worden we erdoor aangesproken. Terwijl we lezen spreekt God tot ons, en daarom is het bewijs van de waarheid van de bijbel in zichzelf gele-gen. Gaat het dus alleen om een gevoel? Nee, ook het verstand wordt ingeschakeld. Duidelijk zie je dat in Hand. 17:10-12 “Zij dan onderzochten of deze dingen zo waren”. Paulus’ woor-den werden niet klakkeloos aangenomen maar ze werden degelijk onderzocht!

De eerste stap om God te leren kennen is dus bekend te worden met het geheel van de Schrift. Voor een boek dat in een perio-de van 1400 jaar is samengesteld kent de bijbel een verbluf-fende eenheid. Wanneer we dit boek eerlijk en zonder vooroor-deel lezen zal God tot ons spreken. We zullen Hem leren ken-nen. Dat is een geloofsuitspraak, maar eentje die niet-gelovi-gen uitnodigt en uitdaagt om het zelf te ontdekken. Naast het lezen van de bijbel hebben we ook de mogelijkheid om de waarheden die we erin ontdekken te toetsen aan de werke-lijkheid. We zullen dan ontdekken dat de bijbelse boodschap overeenkomt met hoe de wereld in elkaar steekt, met de mense-lijke existentie en de geschiedenis. Het is van het grootste belang te stellen dat we de waarheden van de Schrift, die uitspraken van God zijn, bevestigd zien in de wereld om ons heen. God openbaart zich immers ook in de natuur, zijn schep-ping (Rom. 1:19)? Gods wetten vinden ook weerklank in ons geweten (Rom. 2:15).

Dat leidt mij tot de laatste vraag: als ik aan deze zogenaamde ‘kentheoretische’ voorwaarden heb voldaan, hoe kan ik dan zeker weten dat ik God nu echt ken? Hoe weet ik zeker dat het God is die tot me spreekt? Mijn antwoord daarop is: Zekerheid over het kennen van God vind ik niet door zelf kriteria op te stellen over hoe God moet zijn. Veeleer komen we op de tegen-overgestelde weg tot kennis van God: als ik de bijbel lees dan merk ik, dat Iemand tot mij spreekt, Iemand die mij kent, die weet wie ik ben. Zoals Paulus zegt dat het feit dat God hem kent, geeft hem de zekerheid geeft, dat Hij tot hem spreekt. Over het probleem van het kennis hebben van God gebaseerd op menselijk inzicht spreekt Paulus duidelijk in 1 Cor.8:1-3. Hij bekritiseert de trots en de hoogmoed die uit deze houding spreekt. Wie zo beweert God te kennen kent Hem niet echt, want echte kennis van God weet dat het er niet om gaat dat wij God kennen maar dat Hij ons kent (Gal. 4:9). Alleen wie de gekrui-sigde Christus als zijn persoonlijke verlosser van schuld en dood aanneemt, kan God werkelijk kennen, want hij voelt zich volledig begrepen, maar ook ontmaskerd. Alleen hier wordt het het zoeken naar ware kennis volledig bevredigd: in het mij aanvaard weten door het werk van Jezus Christus voor mij persoonlijk.

Conclusie

We begonnen met een oerwoud met daarin twee ontdekkingsreizi-gers, de gelovige en de ongelovige. Als de werkelijkheid rondom ons alleen uit bloemen, gras en de zon bestond, dan zou ik me de gedachtengang van de ongelovige ontdekkingsreiziger goed kunnen indenken. Maar daar staan wij niet. Wij staan met Maria van Magdala in de tuin, als die van Jozef van Arimathea. Niet het gras en de bloemen brengen ons tot de vraag naar de tuinman, maar het geopende graf en alles wat dat impliceert. De hele menselijke situatie. Er is een geopend graf uit onze geschiedenis niet weg te denken en niet weg te verklaren, en dat doet ons zoeken naar de tuinman. Die intussen vlak achter ons staat, en die ons doet uitroepen: Rabbi!