Bijbeltekst: 1 Korinthiërs 5:7-8

gemeente van Christus, Het avondmaal is een liefdemaaltijd. Ik nodig u straks uit om rond de tafel zitten, want daar, aan de maaltijd met elkaar verbonden, vieren we dat wat ons allen samenbindt. Wie zich nog het oude avondmaalsformulier herinnert, weet dat dat eindigde met de zin: 'Want zoals uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele druiven -er werd gezegd beziën, ik vroeg mij als kind altijd af wat dat nu waren, maar het zijn gewoon druiven- samengeperst zijnde één wijn en drank vliedt, zo weten we ons aan het avondmaal in liefde aan elkaar verbonden. Zo klink dat. Heel veel graankorrels, maar het wordt één brood, heel veel druiven, maar het is één wijn die daar uit voortvloeit. Dat hoort inderdaad gezegd te worden bij de viering van het avondmaal. Het is een liefdemaaltijd. Maar, toch zou die liefdemaaltijd verschrompelen en gaan tanen als we niet vooral ook in het oog hielden dat het in de eerste plaats een offermaaltijd is. Daar bedoel ik niet mee alsof wij aan het avondmaal steeds opnieuw zouden offeren, dat is een oude rooms-katholieke visie op de mis, daar hebben we in de reformatie afstand van genomen, en terecht.

Maar wel is het een maaltijd nadat het grote offer eens en voor altijd is volbracht! Zoals Israël dat vierde, nadat er geofferd was. Dan ging men samen aan tafel, en aan die maaltijd werd dat wat geofferd was, gevierd. Zo spreekt ook de apostel Paulus erover, als hij het heeft over de nieuwtestamentische gemeente en het feest dat zij viert, dan zegt hij: 'Want ook ons Paaslam is geslacht.' Heel uitdrukkelijk wordt zo de viering van het avondmaal verbonden aan het Pascha, de viering van het paasfeest in Israël. Daarom lazen we daarover uit Exodus. Het Pascha was een offermaaltijd. De Here droeg aan Israël op, bij de uittocht, dat ze moesten samenkomen. Het was een inzetting voor al de geslachten, vooral die eerste nacht, toen de verderfengel voorbijging, dan moesten ze samenkomen, er moest er een lam geslacht worden en het bloed van dat lammetje moesten ze aan de deurpost strijken. En toen in de nacht de verderfengel voorbijkwam, ging hij ook echt voorbij aan al de huizen waar bloed aan de deurpost was gestreken. En dat betekent Pascha ook: voorbijgaan. De verderfengel gaat voorbij aan het huis waar het bloed van het lam aan de deurpost is gestreken.

Paulus zegt: Zo is Jezus Christus voor ons als het Paaslam gestorven. Eens en voorgoed is het Paaslam voor ons geslacht, en u hoeft niet meer bang te zijn voor de verderfengel. Wanneer wij schuilen bij Hem, het Offerlam aannemen en het avondmaal vieren, dan is het alsof wij steeds weer opnieuw het bloed van dat Lam aan de deurpost van ons leven aanbrengen, en geen verderf al ons meer treffen. Dat is een sterk woord, en toch is het zo. Wat aan pijn en verdriet nog over ons komt verandert van karakter. Het is niet meer het gericht van God, maar het is een meelijden met wat nog overblijft van het lijden van Christus. Dat zegt Paulus. Ik moet hierbij altijd denken aan het bekende woord uit de catechismus, wat zegt: Zelfs de dood is niet meer een straf voor de zonde, maar een afsterven van de zonde en een doorgang naar het eeuwige leven. En dat danken we aan het Paaslam wat voor ons door de dood is heengegaan, zichzelf heeft geofferd, en God heeft Hem opgewekt uit de doden. In lied 346 wordt dat kleine gebeuren –Israël, een klein volk, een geschiedenis van 2200 à 2300 jaar geleden in Egypte- dat wordt hier in dat lied kosmisch uitgebeeld.

De nacht van Pasen maakt ons vrij, de doodsengel gaat aan ons voorbij, de tirannie heeft afgedaan, waarmee de Farao ons wou slaan. Iedereen voelt dat het hier niet meer gaat over Israël toen, maar over de gemeente van Christus van alle tijden. De belichaming van de boze, de Farao, is overwonnen, en Christus heeft als offerlam de poort van de hel verbroken. Wat daar en toen in het klein gebeurde, is alleen nog maar een zwakke voorafschaduwing van wat er door Christus aan het kruis op Golgotha voor ons allemaal is gebeurd en wat wij hier aan de tafel vieren. Het avondmaal voert ons samen terug naar de voet van het kruis op Golgotha, want daar is het gebeurd, daar is de toorn van God tegen het menselijk geslacht weggedragen, daar is hij, zoals het avondmaalsformulier zegt, gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden. Daar heeft Hij ontelbare smaadheden geleden, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden. Daar heeft Hij de vervloeking van ons op zich geladen, om ons met zijn zegeningen te vervullen.

Hij is vernederd tot in de helse angst en pijn toen Hij riep, met luide stem: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?', opdat wij door God zouden worden aangenomen en nooit meer verlaten zouden worden. Tenslotte heeft Hij door zijn dood en bloedstorting het nieuwe en eeuwige verbond van de genade van God vervult, toen Hij zei: 'Het is volbracht.' Het avondmaal helpt ons om daar opnieuw op te vertrouwen, daarom: het is en blijft een offermaaltijd, een maaltijd die ons weer terugvoert naar de voet van het kruis waar het grote offer gebracht is. In zeker opzicht zien we hier altijd weer opnieuw, in woord en door de werking van de heilige Geest:: de Here Jezus zal voor ons staan, zal ons dan nodigen en zeggen: 'Dit heb Ik voor jullie gedaan, berg je nu in mijn vergeving en laat mijn Geest in je toe. Want zo reëel als je brood en wijn proeft en tot je inneemt, zo reëel zal Ik in jou een kracht worden, een kracht van liefde, kracht van leven.' Daar ligt dan tenslotte ook die speciale toespitsing van Paulus' inleiding tot de viering van het avondmaal. Hij zegt in 1 Corinthe 5: De viering van het avondmaal moet bij ons een kracht worden van nieuw leven.

Ineens laat Paulus het beeld verspringen, van Christus, als het Paaslam voor ons geslacht, naar het ongezuurde brood wat Israël in de paasnacht at. Door alle geslachten heen mocht Israël op het Pascha geen gezuurd brood in huis hebben. Wij nemen, als we brood bakken, een stukje gist, maar Israël nam, als het brood bakte, een stukje zuurdesem, een stukje oud deeg van vorig brood, wat ze zuur lieten worden. Dat mengden ze door het nieuwe deeg van het brood dat ze gingen bakken. Een heel sprekend beeld dus. Paulus zegt, -en dat is precies wat de Here bedoeld heeft met dat ongezuurde brood-: 'Doe zo dat oude brood definitief uit je huis weg, en maak een totaal nieuw begin.' Dat brengt Paulus over op de gemeente. Wie leeft in de kracht van het Paaslam dat is geslacht én is opgestaan, die moet iedere aanraking van het zuurdeeg van het oude leven uit zijn leven wegdoen. De gemeente als geheel moet dat doen. In de eerste plaats sprak Paulus met het oog op de gemeente van Corinthe, waar een stuk verwording plaatsvond. In dat hoofdstuk is sprake van een man die sliep met de vrouw van zijn vader, dus met zijn eigen stiefmoeder.

Zo iemand moet u uit uw midden verwijderen, zegt de apostel, want dat is een stuk oud zuurdeeg. Maar dan breidt hij dat uit naar ieder persoonlijk: 'Doe zo dat oude zuurdeeg van hebzucht en zelfzucht en boosheid uit uw leven weg, en laten we feestvieren, niet met oud zuurdeeg, maar met het ongezuurde brood van waarheid en reinheid.' Dat is beeldspraak, heel veelzeggend. Dit is ook zo'n moment, als we bidden, en aan het avondmaal gaan en dat vieren, waarop we die reinigende werking van God, van Jezus Christus en Zijn Geest in ons leven toelaten. Aan het avondmaal aangaan betekent: de Here in mij laten werken. Dat brengt ons tot een moment van bezinning, van zelfoverdenking. Zit er geen oud zuurdeeg in mijn leven? Van zelfzucht of van verkeerde verlangens, van dingen die mij afleiden van de Here? Van relaties die niet deugen? Iedereen moet dat voor zichzelf doen en zo schoon schip maken en zeggen: 'Heer, help me om het oude zuurdeeg uit mijn leven weg te doen, en laat in mijn huis alleen nog ongezuurd brood zijn.' Ongezuurd brood, Paulus geeft dat aan met twee woorden: reinheid / zuiverheid, en waarheid.

Zuiverheid is meer een subjectief woord, met de betekenis van persoonlijk, integer, echt zijn. Waarheid betekent: opkomen voor de waarheid van de Schrift, maar ook voor de werkelijkheid zoals God die ziet. Aan de ene kant integer zijn, geen masker ophouden, geen twee levens leiden, door en door echt zijn in wat je bent in de Here, maar dan ook objectief strijden voor –en ook genieten van- de wereld zoals ze in de ogen van God is. Want dat is de waarheid, in één woord gezegd: de werkelijkheid zoals God die ziet. Daarin leven, daarvoor strijden. Aan het avondmaal vieren we opnieuw het feest van het grote offer wat Jezus aan het kruis gebracht heeft. Inderdaad, ons paaslam is geslacht, en tegelijk: die offermaaltijd wordt een liefdemaaltijd. Daar begon ik mee. Want vanuit die liefdemaaltijd vanChristus gaan wij ons aan elkaar geven en worden we van vele graankorrels één brood, en van vele druiven samenverbonden tot één wijn, door die ene Geest van Jezus, die ons leert om niet onszelf te zoeken, maar om los te laten, onszelf over te geven aan Hem en aan elkaar. Dat is de krachtigste werking van de viering van het avondmaal.

Mensen die in zichzelf gesloten zijn en verloren, naar zichzelf gerichte mensen, die alleen maar offers van de ander vragen, die leren nu open te gaan naar Hem toe en zichzelf te offeren. Want dat is de kern van iedere liefdesrelatie: zichzelf te geven, zichzelf te aanvaarden, en zo komt het offer van Jezus tot zijn doel en Gods bedoeling met zijn schepping tot vervulling. Dat is de belofte die rust op de viering van het avondmaal. Met die belofte van nieuw leven gaan we ook nu het avondmaal vieren. De Here Jezus zegt: 'Komt, gij gezegende, de maaltijd is bereid!' Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.