gemeente van Christus, Ik begin vanmorgen met een zaktelefoon en met een reclame die je tegenwoordig voortdurend hoort, vlak voor het nieuws op de radio. De telefoon gaat en je hoort die irritante bezettoon. Dan volgt het commentaar: 'deze mijnheer heeft een probleem met zijn bereikbaarheid!' Eigenlijk wonderlijk, als je het hoort denk je: wie heeft hier een probleem? Degene die belt natuurlijk, die kan de ander niet bereiken. 'Nee', zegt de moderne techniek, 'het ligt omgekeerd, de mijnheer die bereikt wil worden heeft een probleem: met zijn bereikbaarheid!' Daarom heb ik vanmorgen zo'n ding meegenomen, die ik hier voor me leg, dus als ik er straks door gebeld wordt' Het is wel opvallend: iedereen moet bereikbaar zijn, te allen tijde, dat waaiert zo door onze samenleving heen. Wat is hier nu aan de hand? Het is maar een klein voorbeeld, maar allereerst de fascinatie: wat leuk om zo'n ding bij je te dragen, iedereen kan je bellen. Het tweede moment ga je hem gebruiken en denkt: het is toch wel handig! Maar het derde moment is dat dwangmoment: ineens moet iedereen zo'n ding hebben, want je hebt wel een probleem als je niet bereikbaar bent!
Dat is een soort vaste wetmatigheid die je overal ziet. Eerst komt de technologie met een aanbod. Eerst heb je een televisie, die is fascinerend. Ik weet nog toen ik voor het eerst zelf naar een televisie keek, met m'n neus voor het etalageraam, want zelf konden we zo'n ding niet kopen. Een voetbalwedstrijd in 1954, dat was de eerste keer dat ik televisiebeelden zag, bij een bedrijf voor elektra. Je bent gefascineerd en het volgende moment denk je: nou, dat zou ik toch wel zelf willen hebben! Het derde moment is: je raakt er aan verslaafd. Wist u dat vandaag -dat is een statistisch gegeven- in Engeland alle jongeren tussen de tien en twaalf jaar gemiddeld vier uur per dag televisie kijken' Daar heb je hetzelfde fenomeen. Een ander voorbeeld, op het gebied van de medische zorg. Tegenwoordig kan men al 10 % van het aantal genen -het erfelijk materiaal van een nog ongeboren kind- te weten komen. Eerst fascineert het: wie weet kan je een ziekte voorkomen! Daarna krijgt het ineens een claim op ons, en binnen niet al te lange tijd is heel het erfelijk materiaal van een nog ongeboren kind bekend. Zou u het willen weten? En als je het weet, wat doe je dan? En als je kan gaan manipuleren?
Het is nog maar een heel klein stapje of je gaat zelf kinderen maken! Willen we dat? Op een gegeven moment krijgt het een claim op ons. Zo is het met heel die wereld van IT, van Informatie-Technologie, eerst fascinerend, dan ga je meedoen, en dan krijgt de virtuele wereld een greep op jou. Ik was pas in Zwitserland, waar een van de medewerkers van l'Abri vertelde dat er een meisje in hun communiteit was met wie hij persoonlijke gesprekken had. Ze was steeds bezig met een jongen, of ze nu met hem wilde trouwen of niet. Nadat hij daar wel zes weken met haar over gepraat had dacht hij: wat is hier eigenlijk aan de hand? Hij vroeg haar: 'Heb je die jongen wel eens gezien?' 'Nee', zei ze, 'nog nooit.' Het ging allemaal via het Internet! Het idee dat je helemaal in zo'n virtuele wereld opgaat. Binnen niet te lange tijd kunnen we allemaal virtueel winkelen. Via Internet kun je alles bestellen, het komt zo bij je de binnen. Wat zit daar nu allemaal aan vast? Het gevolg is dat mensen helemaal ingesponnen worden in televisie, computers, technologie, stilzwijgend vindt daar een proces plaats: je raakt vervreemd van de natuur, van echte, reële contacten, denk maar aan dat meisje.
Op de achtergrond staat: je komt steeds verder weg van een werkelijkheid zoals God die heeft gemaakt, je verliest de band met Hem. Zo gaat dat, zonder dat je het merkt. Ineens herinneren we ons dat de Schrift op heel veel plaatsen waarschuwt. In 1 Johannes 2 lezen we dat Johannes zegt: heb de wereld niet lief. De wereld is de cultuur. Er staat in de brieven van Paulus: wees niet gelijkvormig aan deze wereld. Als welkomsttekst op het informatiebulletin heb ik de woorden gezet uit het Hogepriesterlijke gebed. Het is toch heel bijzonder wat Jezus bad in het laatste grote gebed dat Hij bad, voor de discipelen en voor allen die door zijn woord in Hem zouden geloven: Ik bid U niet dat U hen uit de wereld wegneemt, -Hij wil dat we in de wereld blijven staan-, maar wilt U hen bewaren voor de boze, want ze zijn niet uit de wereld, wel in, maar niet van deze wereld. Daar wil ik nu en de volgende zondagen bij stilstaan. Wat betekent het te leven in een cultuur die nog steeds het kenmerk draagt van de gevallen mens: Adam. Een Babylonische cultuur noemt Genesis het. We hebben het op drie plaatsen uit de bijbel gelezen.
In het midden komt het weer voor: de Babylonische ballingschap, daar leert Israël in een leerschool van 70 jaar hoe ze in zo'n cultuur moet verkeren. Opvallend is ook dat in Openbaring die Babylonische cultuur weer terugkeert, in de eindtijd is er een samenballing van de Babylonische cultuur. Vanmorgen maak ik een begin: Genesis, wat letterlijk de wording, het begin betekent. Daar is alles begonnen, ook die Babylonische cultuur. Met de bouw van die torenstad, want het was niet zomaar een toren, maar een stad die tot een toren werd. Dat verhaal moet je als een bril voor je ogen houden als je kijkt naar onze cultuur. Als je dit verhaal in je achterhoofd houdt zie je door de buitenkant heen naar de daarachter steeds weer optrekkende oertrekken van een Babylonische cultuur. Ik noem er drie. Het begint met de fascinatie voor de techniek, en daaruit oprijzend komt: laten we ons een naam maken: die opspringende overmoed, en dan: eenheid als machtsmiddel. Daarna zien we Gods majestueuze antwoord daarop. Laten we eerst nog eens naar het begin van het verhaal kijken. Het begint absoluut met een nieuwe uitvinding: de fascinatie van de techniek zou je kunnen zeggen.
Want als de volkeren, uit Noach ontsproten, uitdijen –daar ging het vorige hoofdstuk over: 70 volkeren- ze groeien en gaan de vlakte van Sinear bezetten, daar wonen en zich vestigen. Dat is heel normaal, daar is niets mis mee. Dan begint het, dan staat er: Welaan. Dit woord is een woord van verrukking. 'Fantastisch', zeggen ze, 'Moet je nu toch eens zien!' Ze vinden in de bodem van de vlakte van Sinear een grondstof, hier vertaald met asfalt, maar het is een grondstof voor heel sterk klevende specie. Je moet je even realiseren dat tot dat moment toe de mensen alleen maar keien hadden om huizen te bouwen. Ze zochten die passend bij elkaar, stapelden ze op, deden er wat klei tussen en dat waren hun huizen. Ja, daar kom je niet ver mee, je kunt er niet hoog mee bouwen, het blijft niet lang staan. Maar met die nieuwe ontdekking! Ze ontdekten dat ze de klei uit die vallei konden bakken, -met vuur branden staat er-, het worden tegels en bouwstenen en ze konden het in pasmaat stapelen. Tot vandaag toe is dat de techniek gebleven voor talloos veel gebouwen. De mogelijkheden rijzen op. Je kan niet alleen een stad bouwen maar ook een toren!
Dat gaat hen ineens fascineren: 'Een toren zo hoog als we maar willen!' Zo gebeurt het. De tichel diende hen tot steen en het asfalt tot leem. Tot dat moment toe is er helemaal niets fout mee. Je kan zelfs verwijzen naar Genesis 1, dat God hen zelf de opdracht gegeven heeft om deze wereld te bebouwen. Dat vinden ze hier uit. Fascinerend wat mensen hebben mogen uitvinden. Van keien tot tichels, stenen, en van stenen tot staal, van staal tot gewapend beton. Zo is het door de eeuwen heen gegaan, eigenlijk op alle gebieden. Van een wiel tot een kar tot een automobiel, tot een helikopter en een jumbo, we zijn vanuit de hele wereld zo weer thuis. Zo is het op alle gebieden. Taal, schrift, boekdrukkunst, e-mail, op zichzelf allemaal fascinerende nieuwe technieken, niets fout mee. Maar dan! Zodra een mens die mogelijkheden heeft vertienvoudigt zich zijn macht en de greep die hij heeft op alles. Wat voor hem ligt, de natuur, en ook zichzelf. De mens schept zichzelf een totaal eigen wereld. En wat gebeurt er intussen? Er gebeurt iets heel dieps. Intussen verandert die innerlijke houding. Wij leven in ónze, door onszelf gemaakte wereld en we wanen ons daarin degenen die totaal beheersen.
Mensen wanen zich in hun techniek autonoom en wat wegvalt is die hele diepe kinderlijke afhankelijkheid van een wereld die ons gegéven wordt en die een spil heeft. Er klinkt hier al iets door van psalm 2. Tenslotte is het: Kom, laten we die afhankelijkheid van ons afschudden en de band verscheuren. Dat zien we hier voor ogen gebeuren in vers 4. In één adem gaat het over in een tweede 'welaan'. 'Welaan, kom op!' Het eerste welaan was nog prima, maar het tweede gaat de fout in. 'Laat ons een stad bouwen waarvan de top tot in de hemel reikt, en ons een naam maken'. Dat is die uiterste macht. Naam is macht. Dat is wat ons drijft. Ik krijg in mijn brievenbus een gratis tijdschrift, Carp, over de informatietechnologie. Het beschrijft de ongekende mogelijkheden die computers ons zullen bieden. In het laatste nummer stonden artikelen over bodycomputers, energie die we kunnen scheppen uit water, het winkelen op Internet, die virtuele wereld en, staat er boven: tenslotte zullen we meesters zijn van ons eigen lot: masters of our own destiny. Daar heb je het weer. Total control, je hoort het in de reclame. Kom laten we ons een stad bouwen met een toren die in de hemel reikt.
Daar stelt de techniek ons toe in staat, denken we. We denken zo machtig te zijn dat we tenslotte zelf God worden. Ineens horen we hier weer de taal van de slang, al in het paradijs had hij dat gezegd: 'Als je dit doet, zul je worden als God'. Waarom toch steeds weer die terugkerende ellende, dat zich een naam willen maken? De bijbel is daar heel duidelijk over. Die zegt: 'Er zit een groot gat in onze wereld, waar de spil hoort te zijn zit een gat. We zijn een wereld zonder Vader, want alleen Hij kan werkelijk spil zijn van ons leven, de spil waarom de schepping draait. Trekken we die spil weg, dan gaan mensen in angst, -en ook in verlangen-, een surrogaat zoeken. Ze zoeken naar een surrogaateenheid, en daar moet die toren voor dienen. Zij met stenen, wij met bits en bytes van de computer. Dat is het derde: het bewerkt ook een ongelooflijke eenheid als je dit ziet. De wereld wordt een groot dorp, we hoeven het nauwelijks uit te leggen. Globalisatie heet het. Zelfs de machtigste concerns versmelten tot eenheid. Zelfs de grootste aartsvijanden zoals Daimler Benz en Rolls Royce fuseren, telefoonnetwerken, deze week Duitsland en Italië, worden één.
Zie het is één volk, en ze hebben allen één taal. Over heel de aarde hangt een communicatienetwerk. Wat in het zuiden van Chili gebeurt, weten dezelfde seconde de Eskimo's. Grenzen vervagen. We hebben één munt, de Euro, straks wordt dat een wereldmunt. Straks zal niets van wat wij bedenken voor ons onuitvoerbaar zijn. Dat staat allemaal al hier in Genesis. Zet die bril op. Het zijn niet onze en mijn woorden, maar de woorden van God. Hij heeft door wat er achter zit. Eenheid zonder God is levensgevaarlijk. Genesis 11 is een röntgenfoto. Ik denk dat we vandaag niet genoeg kunnen naspreken wat hier staat, dat we niet genoeg kunnen doorhebben dat ín die totale eenheid, dat ook dáár achter total control schuilt, totale controle. Hier in Genesis 10 en 11 is het een enorme zegen dat God Noachs geslacht doet uitbreken in een menigte van volkeren, 70 volkeren. Hij schiep geen eenheidscultuur, nee, volk na volk behoort Hem toe. Psalm 87. De wereldgemeenschap zal altijd bestaan op de wijze van volkeren. Ieder met hun eigen kleren, met hun eigen huizen, eten, liederen, gewoonten, enz. Zo heeft God het gewild. Zo zullen we straks ook het nieuwe Jeruzalem ingaan.
De volkeren zullen daar het nieuwe Jeruzalem bewonen. Die volkeren hebben oorlog gevoerd met elkaar en ze voeren het nog. Maar dat hef je niet op door eenwording. Dat hef je alleen op door verzoening. Kijk hier maar naar de torenbouw van Babel. Eenheid is macht, totale eenheid is totale macht, en het leidt zonder God onherroepelijk tot werelddictatuur, tot surrogaateenheid. Als de Here zelf die eenheid ziet zegt Hij: 'Nu is het één volk en één taal' -en dat ongelooflijk 20e-eeuwse zinnetje-: 'Nu zal niets van wat ze denken voor hen onuitvoerbaar zijn'. Ik heb best angst voor de samenleving die wegwijkt van de basis, die leeft zonder spil en zonder relatie tot God. Wat doet God daarop? Dat staat tot slot: 'Toen daalde Hij neer'. Heel uitdrukkelijk staat dat er, tot twee keer, het is goed gekozen. Niet: 'toen kwam Hij, of Hij sprak', nee: 'toen daalde Hij neer'. Heel ironisch. Er zit iets in van psalm 2: 'Die in de hemel zetelt lacht, belachelijk die hoogheidwaanzin van de mens. Hij die triljoenen sterren en biljoenen sterrenstelsels uit zijn hand tevoorschijn tovert' In psalm 2 staat het nog sterker: het is het werk van zijn vingers, Hij laat het aan zijn vingers ontspringen.
Hij hoort het, Hij ziet hen een toren bouwen die tot de hemel reikt –denken ze- en dan moet Hij heel diep afdalen om dat muggentorentje van hen te zien. En als Hij het gezien heeft, die verrukking en die verwaandheid, dan zet Hij er zijn 'welaan' tegenover, ironiserend. 'Jullie zijn verrukt, nu, dan ben Ik het ook!' En wat doet Hij? Hij verwart hun taal. 'Verwarren' is in het Hebreeuws balal. Hij 'balalt' Babel. Er zit een klanknabootsing in. 'Babel, zeg liever balal', zeggen de joodse rabbijnen. 'Babelstad wordt babbelstad', zongen we. Inderdaad, die parallellie zit erin. Na de verwarring blijft er alleen wirwar over. Zo zou je het ook kunnen vertalen. Dat is de manier waarop de Here God zelf een nog grotere ramp voorkomt, door een wirwar van meningen, een wirwar van talen. De mensen begrijpen elkaar niet. Ineens komen daar woorden voor: 'Hé, geef me een hamer', en degene die het aan moet geven geeft een zaag. Zo wordt het nooit wat. Dat is maar goed ook, zegt de bijbel, want zo worden de mensen gedwongen heel de aarde te bewonen, overal culturen te bouwen, een ieder naar zijn eigen aard, totdat Hij komt. Zo is het.
Totdat Hij komt en zelf de eenheid schept waarnaar alle volkeren zochten. Dat is het verhaal uit Genesis. Zo is de hoofdlijn van Gods openbaring over de Babylonische cultuur. Ik vat samen. Op de achtergrond, ook van onze cultuur, sluimeren die drie Babylonische trekken. Fascinatie voor de techniek. Op zichzelf niets fout mee. Dan de plotseling opstekende hoogmoed: wat zouden we er niet allemaal mee kunnen? Master of your own destiny. Het mooiste wat ons aanlokt, zelf God zijn. Het derde: als we dan eerst maar allen één zijn. Dat is geen pleidooi voor nationalisme. De volkeren moeten elkaar dienen in plaats van elkaar bevechten. Het is ook geen pleidooi voor wereldmijding. Jezus zei van zijn discipelen, en daar bad Hij voor: 'Ik bid U niet dat ge hen uit de wereld wegneemt', maar tegelijkertijd bad Hij ook: 'Dat Gij hen bewaart voor de boze. ' De boze is die Babylonische geest die doorsijpelt in alles wat ook vandaag om ons heen gebeurt. We zijn in de wereld, we zijn niet uit deze wereld, wij hebben daartegenover een andere Geest ontvangen en die andere Geest -keer maar om-, is dat we leren techniek te zien op zijn eigen kleine plaats: we are masters of technology.
Daarmee leren we spelen in plaats van ermee te manipuleren. Die andere Geest die we gekregen hebben leert ons diep afhankelijk te zijn en te blijven. Ondanks alle techniek afhankelijk te blijven, heel dicht bij de natuur te leven, steeds weer open te staan voor God die de spil is van onze schepping. Zonder Wie deze hele wereld verloren gaat. Dat is die andere Geest die Hij aan ons gegeven heeft. Wie zich door die Geest laat vullen wordt een ander soort mens, een ander ras. En zeker, die gaat God gebruiken om ook in een Babylonische cultuur iets te laten zien, nu al, als een teken van het Koninkrijk van Hem dat komt. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.