Bijbeltekst: Jeremia 29: 10-13 — Uit de serie: Leven in een Babylonische cultuur, deel 2

gemeente van Christus, We hebben het gedurende drie zondagmorgens over leven in een Babylonische cultuur. Vorige keer zei ik al dat ik wilde aansluiten bij drie kernplaatsen in de Bijbel: begin, midden en eind. Het begin, Genesis 11, hebben we vorige keer besproken. Het midden, Jeremia 29, bespreken we nu, over de Babylonische ballingschap, over leven in een Babylonische tijd. Het laatste deel gaat over Openbaringen 17, daar wordt gezegd dat de gemeente in de eindtijd ook leeft in een Babylonische tijd. Daar komt dat woord ook weer terug. De vorige keer heb ik naar aanleiding van de toren van Babel gesproken over de drie kenmerken van zo'n Babylonische cultuur. Dit keer gaat het, -dat vind ik toch eigenlijk de kracht van het Babylonische ballingschap waar ik nu toch breder op in ga-, over inkeer. Hoe kan je voor de wereld ooit iets betekenen als je niet voor je eigen huis de orde op zaken heb gesteld? Dat is een stuk zelfbeproeving. Zelfonderzoek, zelfinkeer noem ik het maar. Zoiets van: verbeter de wereld, maar begin bij jezelf. Bij de derde preek komen de vragen die ik in de inleiding stelde, toegespitst aan de orde. Hoe gaan we dan met deze Babylonische cultuur om?

Vorige keer zagen we, naar aanleiding van de torenbouw van Babel, die drie kenmerken. Eerst die fascinatie van zo'n nieuwe ontdekking. Asfalt, leem en een hele andere manier van huizen bouwen. Zo zijn de ontdekkingen de tijd doorgegaan, fascinatie voor de cultuur, een nieuwe techniek, dan ineens die toren die de kop opsteekt tot in de hemel wil rijken, hoogmoed. Dan het derde: als we maar één zijn: eenheid maakt macht. Toen Gods antwoord daarop. Maar als dat de trekken zijn van een Babylonische cultuur dan zitten wij er nu middenin, met onze globalisering, een technologisch netwerk om de hele aarde heen, de hele aarde is één groot dorp geworden. Over eenheid gesproken: de tijd van de Euro. Tegelijkertijd de fascinatie van de techniek. Genen tegen technologie. Ze gaan nog verder, met nanotechnologie, dat las ik deze week. Dat is dat ze over dertig jaar menen iedere molecuul in de rangorde waarin de mens die wil hebben, kunnen aanbrengen in de materie, ze kunnen heel de materie dus manipuleren. Wat dat niet allemaal gaat betekenen. Intussen, met onze computers, het internet, de virtuele werkelijkheid waarin we gaan leven.

Ik sprak onlangs ik met een rector van een school, die in een vergadering besprak waarom kinderen in de toekomst nog naar school moesten. Ze konden toch ook thuis via het scherm het onderwijs best, misschien zelfs beter, volgen? Die rector was er heel bezorgd over. Hij zei: "In wat voor wereld komen we, een virtuele wereld?" Volgende keer wil ik daar meer over zeggen. Nu, in het midden van de schrift, de Babylonische ballingschap, zijn we ineens in een Babylonische cultuur terechtgekomen. Zijn onze ogen wel open? Zien we in wat voor tijd wij leven? Ineens zijn we zomaar beland in een Babylonische wereld. Precies zoals het Israël overkwam, daar lezen we nu van in Jeremia, in het midden van de schrift, in de vijfde eeuw voor Christus. Ik denk dat we er heel veel aan hebben wanneer we dat deel van de Bijbel op ons in laten werken. Dat kan natuurlijk allemaal in één dienst, maar ik wil een paar lijnen aangeven, met behulp van deze brief van Jeremia. Het was in de vijfde eeuw dat Israël ineens, overvallen door Nebukadnezar, werd weggevoerd in Babylonische ballingschap. De Bijbel vertelt ons heel veel over de tijd van Israëls Babylonische ballingschap.

Twintig van de honderdvijftig Psalmen zijn daar geschreven. Jesaja heeft het erover, Jeremia en Ezechiël ook en de Klaagliederen van Jeremia, Daniël, de kleine profeten voor een groot deel. Er zijn geleerden die zeggen dat ons huidige oude testament eigenlijk daar geschreven is. Ze gaan dan wel veel te ver, ze denken dat het daar helemaal is gemaakt. Maar je kunt wel zien, vanaf Genesis dat dat ergens is opgeschreven, dat daar een hand is van een redacteur. Dat waren de rabbijnen in de Babylonische ballingschap die Israëls erfgoed onder woorden brachten. Die geïnspireerd door de Heilige Geest het oude testament zo hebben geschreven als wij het nu nog voor ons hebben. De Babylonische ballingschap was bijzonder zwaar voor Israël. Het was in wezen, -en daar is mijn eerste punt aan gewijd-, een gericht van God over Israël. Tegelijkertijd is Israël daar door de diepte heen tot een ongelooflijke intense boodschap gegroeid, tot een volk geworden, tot een cultuur die eigenlijk wereldwijd tot een zegen is geworden. In de Babylonische ballingschap was er de Thora- studie, daar zijn de schriften bestudeerd, daar is de Talmud geboren.

Daar is de synagoge geboren, daar werd afgebakend tussen waarheid en leugen. Daar ineens brak Israël, wat het voor de ballingschap niet deed. Het heil en de wereld helemaal onder het beslag van Gods beloften te leggen begint daar in de Babylonische ballingschap geboren te worden. De sabbatsviering, allemaal is dat ontstaan in zijn praktijk in de Babylonische ballingschap. Heel de echt Joodse traditie met al zijn diepte en heilskracht, later werd dat het fundament van Christus heilswerk, het is hier in de ballingschap geboren, uit de druk tevoorschijn geperst. Want de tijd in ballingschap was een tijd van diepe loutering, ook van intense concentratie en van geestelijke vernieuwing, uiteindelijk. De drie V's van: Veroordeling (loutering), Verdieping en Vernieuwing. Opnieuw is deze geschiedenis en dit gedeelte van de Bijbel, deze brief aan de ballingen, als een bril die we moeten opzetten. We moeten door de schriften heen naar onze wereld kijken, naar ons eigen leven en naar onze eigen tradities. Zo geeft ons de schrift -Jeremia 29- deze brief al reikend aan als een bril die we opzetten.

Waardoor we ineens naar ons eigen leven kijken en zien wat er eigenlijk aan de orde is, wat er aan de gang is. Als we dat doen zien we dat deze periode ons met name even terugvoert naar onszelf. We gaan iets van gericht en loutering ontdekken, we gaan ontdekken hoe belangrijk die concentratie is, dat onverdeelde hart waar het straks bij uitkomt. Dan van daar uit naar de beloften van vernieuwing die er zijn. Dat zien we nu na elkaar door de bril van de brief van Jeremia aan de ballingen. Wanneer is die geschreven? Het wordt bij de inleiding even gezegd. Hij is geschreven nadat God de bovenlaag van Israël had doen wegvoeren door Nebukadnezar. Dat is gebeurd in ongeveer 597 voor de geboorte van Jezus. De profeten, de priesters, de koningszonen, duizenden van de leidinggeestelijken en politieke leiders van Jeruzalem waren afgeroomd en door Nebukadnezar naar Babel gedreven, waar ze in tentenkampen woonden. Kosovo-stijl. Dan, als ze daar zijn, hoe moeten ze dan ineens hun weg vinden? Daar gaat deze brief over. De Schrift zegt: "Zet in zulke tijden de bril op van het woord van God." De profeet Jeremia geeft dat door die brief. Wat zegt die brief?

Ik ga het eerste gedeelte wat snel voorbij, maar het is niet onbelangrijk. Het eerste wat die brief zegt, is: "Niet wegvluchten." Dat is ook voor ons heel belangrijk. "Vlucht niet weg uit die cultuur", zegt de profeet Jeremia, "kruip niet weg in je eigen sub-cultuurtje, maar blijf met twee benen midden in die wereld staan." Het is heel bijzonder dat een profeet dat zegt. "Bouw huizen in Babel, woon daarin. Leg tuinen aan en eet van de vrucht daarvan. Neem vrouwen, verwek zonen en dochteren, vermeerdert, en vermindert niet. En bid en werk voor het welzijn van de stad. Want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn." Doe mee met de wereld waarin we leven, met het land waar we toe behoren. We blijven geroepen tot inzet voor onze cultuur. "Maar", zegt de profeet, "let goed op, het is wel de aarde, en huizen bouwen, het zijn zulke echte dingen, huizen bouwen, tuinen aanleggen, dicht bij de aarde blijven. Vlucht niet die virtuele wereld in, maar blijf in de werkelijke dingen. Zo heeft God het ook gewild. Hou je aan Gods instellingen daarbij. De overheid, het huwelijk, heel belangrijk.

"Laat ze niet wankelen want dan stort die stad ineen en in het welzijn van die stad ligt uw welzijn", zegt de profeet, dus je heb er zelf ook baat bij. Maar daarna? De raad is: niet wegvluchten, maar hoe moeten we ons dan tot dat verleden verhouden? Want zij zitten daar, ineens geshockeerd, en wij eigenlijk ook. Daarom zei ik, het is een bril waarbij we ineens ontdekken: is het niet in wezen onze situatie? Misschien dat dat de ouderen nog wat meer aanspreekt dan de jongeren. Want die ouderen, als zij hier op zondagmiddag in de kerk zitten, denken aan de Oosterkerk, de Westerkerk en de Zuiderkerk, die kerken zaten tot voor vijfentwintig jaar stampvol op zondag, ook op zondagmiddag. Stampvol. Toen ik hier kwam, 1979, werden de middagdiensten nog net zo bezocht als de ochtenddiensten. Precies dezelfde gemeente was dat. Die ouderen zien dus nog die bomvolle kerken voor zich, ze hebben in hun achterhoofd nog de toogdagen van vroeger, de catechismusverkondiging, de solide christelijke partijen die dan ook het bestuur van de stad en van het land bepaalden. En nu wij met het paars kabinet? Vergelijk die tijd.

Ze vergelijken en zeggen: "We zijn ineens van een christelijk land weggezonken tot een minderheid." Lege kerkdiensten, in ieder geval 's middags. Ze kijken naar de politiek, een paars kabinet, in plaats van 'onze voormannen' die daar het bewind voeren. De hele sfeer van een gekerstende samenleving is weg. Die kan je wel vergeten, het is weg. Het is verbrokkeld, ze voelen zich in verlegenheid gebracht en denken: in wat voor wereld zijn we terecht gekomen? Ineens zijn daar de grote problemen over wat je medisch allemaal wel niet kan doen, de technologische ontwikkelingen, een vrije markteconomie en golven van welvaart en liberale democratie, in zo'n wereld leven we: dit is een Babylonische wereld. Ineens merken we dat we in ballingschap zijn geraakt. Nu was er in de tijd van Jeremia een optimistische toon bij de meeste profeten. De meeste profeten sloegen een optimistische toon aan, ze zeiden: "Maak je niet druk, we zijn zo weer in Jeruzalem. Het kan een jaar duren, twee jaar, maar dan ben je weer terug." Jeremia noemt ze 'mooi-weer' profeten. Ze praten de mensen naar de mond.

Hij zegt: "Dat is niet wat God zegt, het zijn valse profeten en ze hebben niet naar Gods woord gesproken, laten ze u niet misleiden. Luister niet naar hun waarzeggers en dromers. Ze profeteren vals in mijn naam. Nee", zegt dan de profeet -en daar heb ik het eerste punt van loutering aan verbonden en van het leren zien als gericht-. "Nee", zegt de profeet, "wanneer voor u zeventig jaar voorbij zijn gegaan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord over u in vervulling doen gaan." Zeventig jaar. Het staat ook in Psalm 90. Zeventig jaar, dat is de leeftijd van een mens. Als je sterk bent word je zeventig jaar. Dat wil zeggen dat je levenslang krijgt. Denk niet dat je hier zomaar weer uit bent. Dat is eigenlijk het woord van de profeet Jeremia. Ik zou het vandaag ook tegen iedereen willen zeggen. Denk niet dat je uit deze geseculariseerde wereld zomaar weer uit bent. Dat kost u allemaal, zoals u hier zit, levenslang. Je kan de ballingsschap wel eens vergelijken met Exodus. Exil, of Exodus. Wij zitten meer in een exil-tijd dan in een Exodus tijd. Exodus was veertig jaar, dat was beproeving. Maar exil, ballingschap, dat is zeventig jaar.

Dat is loutering, dat gaat diep, daar is je leven mee gemoeid. We hebben levenslang in een geseculariseerde tijd. Je komt er nooit meer uit weg. Nu zegt de profeet dat omdat hij daarmee heel dat volk in een proces wil brengen van verwerken. Wij moeten dat verwerken. En om te verwerken moet je terugknopen, moet je teruggaan naar het begin, moet je je soms afvragen, waar ging het dan allemaal fout? Waar is het eigenlijk allemaal verkeerd gegaan? Ineens ga je je realiseren dat we in het tijdperk van Constantijn hebben geleefd, de gekerstende tijd in Europa, maar dat daar intussen in naam van het Christendom soms, in ieder geval onder de vlag van het Christendom, ook verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. Denk aan de slavernij, aan de godsdiensttwisten, er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd toen en aan het gebeuren nu. In de ballingschap ligt er iets in van een gericht daarover. We worden erin gelouterd, we moeten weer terug en we moeten zeggen: "God, we hebben dingen fout gedaan. Dat we hier zitten is ook onze schuld." Dat geldt ook voor ons gereformeerde verleden.

Ik denk dat heel veel dingen in het gereformeerde leven heel goed waren, maar ook dat heel veel dingen fundamenteel fout gingen. Let op het getal, en uiterlijkheid, waar was het echte gebed, waar was de bewogenheid voor de wereld.? Ging het bij de vrijmaking nou echt om Jezus en die gekruisigd? Of zaten we rokend in onze vertrekken te kijken wie de meerderheid van stemmen kreeg? Zulke kerkelijke vergaderingen heb ik meegemaakt. Dat is afschuwelijk. Ik denk dat tijden van ballingschap ons allemaal gegeven zijn om als het ware weer door zo'n louterend proces heen te gaan om terug te koppelen en te zeggen dat er dingen fundamenteel fout zijn gegaan. Dat geldt niet alleen voor het kerkelijke leven, het geldt precies eender ook voor onze technische cultuur. Als je kijkt naar waar ik vorige keer mee begon, die wereld van de techniek, en je denkt aan de grote ontwikkelingen in de markteconomie, -vandaag gaan we dus weer terug naar het kapitalisme- als we denken aan de wetenschap en hoe dat begonnen is. Ik denk dat Christenen altijd hebben meegedaan. Wij hebben altijd meegedaan met die ontdekkingen.

Ik denk dat wij helemaal meeverantwoordelijk zijn voor de richting waarin onze cultuur is opgeschoven. Daar zijn wij zelf mee bedrijvers van. Wij staan dus niet met schone handen. God ontdekt u en mij, ons allemaal aan onze afgoden. Ineens gaan er dan ook diepgaand dingen in ons veranderen. Dingen die vroeger vastlagen gaan loszitten. Mensen moeten omschakelen van liederen die spreken over God als de nabije naar liederen die spreken over God als een verborgenheid. Het is juist in de Babylonische ballingschap dat je ineens een boek als Esther aantreft, over God die zijn aangezicht verbergt. Al die dingen spelen een enorme rol in dat eerste wat Jeremia wil uitwerken onder de ballingen. Een proces van loutering, een proces van verdieping, proces van erkenning van schuld, zeggen dat we het daar fout gedaan hebben, en daar en Heer wees ons genadig. Dat is eigenlijk het eerste. "Je zit er levenslang aan vast", zegt de profeet, "het is zeventig jaar, die ballingsschap." Maar dan altijd weer, dat vind ik het tweede fascinerende van Jeremia, -maar dat geldt van al deze profeten in de tijd van de ballingschap-. die enorme bemoediging, let eens op het tweede vers.

Daar zegt de Here God direct er achteraan: "Maar, ook al ga je nu door tijden van gericht heen, Ik ben uit op uw heil." Dat zegt Hij steeds weer. "Maar Ik zal mijn heilrijke belofte over u in vervulling doen gaan". Daar spoort Hij Israël toe aan, daar bemoedigt Hij hen mee. Hij zegt: "Wanneer de zeventig jaren voor u voorbij zijn dan zal Ik mijn heilrijke belofte voor u in vervulling doen laten gaan. Ik weet welke gedachte Ik over u koester. Gedachten van vrede, en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven." Het is een hele bijzondere manier waarop de Here dit woord hier formuleert. Hij zegt niet dat Hij u een heilrijke belofte geeft, maar Hij zegt dit: "Want Ik weet welke gedachte Ik over u koester", alsof Hij even de aandacht wegtrekt van uzelf en onszelf, en ons leert om helemaal op Hem te letten. Dat wil zeggen: Vader, Zoon, en Heilige Geest, we zijn in intern beraad gegaan. We hebben gezegd: "En toch gaan we door met onze heilrijke beloften. Ik geef jullie een hierna en een toekomst." Die twee dingen. Hierna en hoop, hoopvolle toekomst. Daarmee bedoelt Hij niet alleen in het hiernamaals, in de eeuwigheid, nee, na deze periode van loutering.

"Ik zal jullie er doorheen voeren, en Ik zal jullie mijn heilrijke belofte laten zien. Ik zal jullie brengen de vernieuwing." Maar dan moet je wel zelf eraan meewerken. Want het eerste wat de Here God doet, door die belofte zo te formuleren, is dat Hij ons diepe wantrouwen wil overwinnen. Alsof Hij wel voorziet: ja maar... Sommigen van ons zijn door die crisis zo diep weggezonken dat we zelfs in de meest basale vragen zijn verzand. Dan moeten we als het ware opnieuw overwonnen worden. Dan zegt de Here God: "Maar Ik weet welke gedachte Ik over je koester. Gedachten van vrede en niet van onheil, om je een heilvolle toekomst te geven." Daarmee bedoelt Hij dat al het wantrouwen mag wegsmelten, alle angsten kunnen weggaan. God is met ons bezig, Hij is trouw in zijn plan, Hij gaat met ons verder. Hij heeft nog een grote toekomst met ons voor. Ik denk dan ook letterlijk aan Israël. Wat de Here God door Israël gedaan heeft, na de ballingschap, daar waar de openbaring eigenlijk verdiept werd, waar Jesaja 53 weer klonk, we hadden Jezus nooit begrepen als we Jesaja 53 niet hadden gehad. Zo diep gaat dat. God zegt dat Hij verder gaat met zijn heil.

Na de ballingschap komt daar nog het grootste hoogtepunt van Gods heilsopenbaring, als daar op Golgotha Jezus Christus sterft voor de zonden van de wereld. Dat is alles voorbereid in de ballingschap. Zo zie ik onze ballingschap ook als een periode van voorbereiding. Als een periode van verdieping en dan van vernieuwing. Allereerst die verdieping. Die zie ik in twee punten. 1) Het wantrouwen moet wegsmelten. Dat is wat God zo heel diep aanraakt. Ik weet wat voor gedachte Ik voor u koester. Er is een innerlijk vooroverleg aan vooraf gegaan. "Twijfel er toch niet aan dat Ik heilrijke bedoelingen heb met uw leven, en met uw samenleven." Dat is het eerste. 2) Het tweede is dat Hij toch gelijkertijd zegt: "Maar dan moet u heengaan en bidden." Dat staat erbij. "Bidden en Mij zoeken met geheel uw hart." Dat hoort bij die fase van verdieping, God zoeken met ons gehele hart. Niet tweeslachtig, niet met ergens toch nog dingen waar we heimelijk voor leven en die ons leven vervullen. Nee, Hem in het centrum en helemaal voor Hem gaan. Dat is eigenlijk ook een proces van reiniging. Alles uit je leven wegdoen wat ons van Hem aftrekt.

Het is ook een proces van concentratie, we laten geen enkele ruimte voor iets anders dan voor Hem. Als je dat doet en met heel je hart Hem zoekt, dan laat Hij zich vinden. Dan openbaart die God die zijn gezicht verbergt zich weer opnieuw aan ons. Zoals Jesaja zegt: "Waarlijk, Gij zijt een verborgen God, maar de God van Israël, en een Verlosser." Het is alsof hij zegt: "Eerst gaan we die fase door, maar daar doorheen gaan we Hem op een veel diepere manier vinden." Daar zijn we zelf bij betrokken. Daarvoor moeten wij ons toewijden met geheel ons hart. Concentratie, reiniging, loutering, dat allemaal hoort bij dit proces van leven in een Babylonische ballingschap. Er is best veel huiswerk te doen in die tijd. Misschien moeten we soms ook niet al te snel op de wereld toe rennen met evangelisatie. Als dat proces niet helemaal af is en niet plaats vindt, -natuurlijk hoeft het niet af te zijn-, maar als het helemaal niet plaatsvindt dan wordt het met het evangelie-uitdragen ook niet veel. Dit moet tegelijkertijd gebeuren, dit proces van diepgang. Maar als het gebeurt dan belooft God een uitermate ingrijpende vernieuwing.

Dat is een steevaste belofte, die vind ik nog het mooiste uitgedrukt op de Pinksterdag. Het staat in Handelingen 3. Dan formuleert Petrus dat als hij zegt: "Kom dan tot berouw en bekering, opdat uw zonde uitgedelgd worden, en opdat er tijden van verademing komen, van het aangezicht des Heren. Dat Hij de Christus zende, die voor u tevoren bestemd was en die de hemel moest opnemen tot de tijd van de wederoprichting aller dingen." Dus wij gaan niet een onheilstijd tegemoet, wij gaan het hoogtepunt tegemoet. Maar het gaat door die diepte heen. Dan komen er tijden van verademing. Het kan best zijn dat God nog grote tijden van opwekking geeft in Europa. Dat gaat door dat proces van vernieuwing en verdieping heen. Het kan zijn dat we grote tijden van verademing kennen. Van reveil, van intensivering van het gebed van levende gemeenten, van werkelijke krachtdadige werkingen van Gods Geest. Wie weet, het kan dan ook zijn dat Jezus terugkomt, dat is natuurlijk het allerlaatste wat we tegemoet zien: zijn terugkeer, waar de profeten juist in de tijd van ballingschap heel veel over hebben gesproken.

Jesaja zegt: "Dan zal de wolf bij het schaap verkeren, de panter zich neerleggen bij het bokje en de leeuw zal stro eten als het rund. Dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en men zal geen kwaad meer stichten op gans mijn heilige berg. En de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken." Dat zijn de heilsbeloften die we tegemoet zien. Maar hoe we daar komen, het gaat alleen langs die weg van verdieping, Hem aanroepen, bidden en een onverdeeld hart. Dan zult gij Mij zoeken en vinden. En ik zal weer een wending brengen in uw lot, en je gaat een heilrijke toekomst tegemoet. Dat is zo de lijn van deze brief van Jeremia. Ik vat het nog een keer samen. Deze brief van Jeremia brengt ons in aanraking met Gods onderwijs in tijden van ballingschap. Dat is een bril die je voor je ogen moet zetten. De ballingschap was nodig om Israël te laten reinigen en te verdiepen en te vernieuwen. Dan krijgt het woord kracht, het wordt beschreven, bestudeerd. Dan komt Ezra, overal zijn synagogen, de sabbatten worden gevierd, daar is Johannes de Doper, en de intocht van Jezus, en het heil gaat naar de einden der aarde.

Zo leren we uit Jeremia 29 hoe onze houding mag zijn in tijden van Babylonische ballingschap. Het is toegewijd, vreugdevol en toch onthecht. Het is in de wereld zijn en toch niet van de wereld zijn. Bouw huizen, woon erin, leg tuinen aan, geniet ervan, met man, vrouw, kinderen en kleinkinderen. Maar weet wel: je bent onderweg en je blijft onderweg. En intussen: laat je louteren. Neem de gerichten van God serieus, leer Hem liefhebben, ook in zijn gerichten. En ga die weg van verdieping, van concentratie en van loutering, en van een onverdeeld hart. Tenslotte: rust daarop -en dat moet alle wantrouwen wegnemen- grote beloften van vernieuwing. Dan zal de Here komen als we Hem zoeken met geheel ons hart. Hij zal ons persoonlijk verrijken en verdiepen en ons ook gezamenlijk een heilrijke toekomst ontsluiten. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.