Bijbeltekst: Handelingen 2:42

Gemeente van Christus, Het vers in Handelingen 2: 42: 'En zij bleven volharden bij het onderwijs van de apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden', in een korte beschrijving van de vroegchristelijke kerk, de eerste gemeente die groeide in Jeruzalem, en die van daar uit explosief uitgroeide tot over het hele Romeinse Rijk en zelfs, binnen twee eeuwen, daarbuiten. Wat was nu eigenlijk het geheim van die vroegchristelijke kerk? Na die explosieve start van drieduizend mensen die op één dag gedoopt werden, groeide die kring van gemeenten uit in een flits naar Judea en Samaria, en van daaruit naar Damascus. Binnen 25 à 30 jaar waren er al gemeenten in de hoofdstad van Rome, en er groeide een netwerk van gemeenten over het hele Romeinse Rijk en binnen een eeuw zijn er over dat hele Romeinse Rijk kleine gemeenten. Wat hadden die kerken, dat ze zo'n bijzondere aantrekkingskracht uitoefenden? 'Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk', staat er. Dat is nog als wat! Wij maken in onze tijd precies de omgekeerde beweging mee.

In een tijd van vijftig jaar is de kerk van Christus in Europa, ook in ons eigen land, gekrompen van grote volkskerken -ook niet altijd even ideaal- tot kleine wijkkerken, deelgemeenten. Een kleine minderheid van onze 'grotestadsbewoners' hier in Utrecht heeft nog iets met de kerk. Dat is best reden om met nieuwe ogen te kijken naar die vroegchristelijke kerk, die gemeente in Jeruzalem, waar het allemaal begon. Want wat had die gemeente, wat was hun geheim? Wat gaf hun die plotselinge groei, die uitstraling en die kracht? Daarvoor hebben we in de Bijbel het boek Handelingen gekregen. Laten we eerst vaststellen dat de titel van het boek: 'Handelingen der apostelen' fout is. Want nergens in dit boek, dit tweede boek van Lucas, staat dat we dit Handelingen van de apostelen moeten noemen. Dat is dan ook het eerste antwoord op de vraag waar het geheim ligt van die groei. De latere overschrijvers, niet geïnspireerd, hebben die titel erboven gezet. Want Lucas zelf had een andere titel in gedachten, kijk maar naar het allereerste vers van dit boek. Daar staat: het eerste boek, o Theophilus - dat was een vriend aan wie hij schreef-, heb ik geschreven over wat Jezus is begonnen te doen.

Dan laat hij zich van die zin afleiden, want hij gaat direct vertellen wat Jezus deed. Maar je moet die eerste zin voortzetten, dan zegt Lucas: 'Maar dit tweede boek, dat is over wat Jezus verder is gaan doen na de Hemelvaart, als de opgestane Heer!' Lucas heeft een evangelie geschreven, dat was het eerste boek, over wat Jezus gedaan heeft vòòr de Hemelvaart, en dit is het tweede boek, over wat Jezus daarna is gaan doen, als de opgestane Heer, in de kracht van de Geest, uitgestort over al de gelovigen in al deze vroegchristelijke gemeenschappen! Dus eigenlijk is het: handelingen van de opgestane Heer. En daar is ook het eerste antwoord op de vraag wat het geheim is van die explosieve kracht van die vroegchristelijke kerk. Omdat Jezus, de opgestane Heer, in hun midden was! Midden in het boek Handelingen, waar Paulus zijn zendingsreizen doet, staat een prachtig vers: hoofdstuk 16: 7: "maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe". Daar zie je even een tipje van de sluier opgelicht. Het was de Geest van de Here Jezus die de discipelen leidde, en die de vroegchristelijke kerk opbouwde, zegende.

Ja, kun je zeggen, met dat antwoord kom ik niet ver, want geloven wij dan dat de Geest van de Here Jezus er nu niet meer is? Nee, vast en zeker niet, want er staat heel duidelijk dat Jezus Christus gisteren en heden dezelfde is, en tot in alle eeuwigheid. Het ligt niet aan zijn kracht als de opgestane Heer, maar misschien dan wel aan het feit dat we te weinig er op letten hóe Hij werkte, en dat is het tweede antwoord. Hoe heeft Jezus dan in zo'n korte tijd als de opgestane Heer die vroegchristelijke kerk zo explosief doen groeien? Dat lezen we hier in Handelingen 2 vers 42. Je zou kunnen zeggen: hier worden de vier zuilen genoemd waaruit die vroegchristelijke kerk werd opgetrokken. We zien die vier punten heel duidelijk verteld: ze volharden bij het onderwijs van de apostelen, ze volharden bij de gemeenschap, ze volharden bij het breken van het brood, en bij de gebeden. Dat noem ik de vier pilaren waarop de gemeente van Christus -eigenlijk de gemeente van alle tijden- wordt opgetrokken. I onderwijs II gemeenschap III breken van het brood IV gebeden Als er één pilaar ontbreekt, wat gebeurt er dan? Dan hangt dat hele gevaarte scheef! En als er twee zijn afgebrokkeld?

Dan krijg je scheuren en barsten in dat gebouw. De kerkenraad begint deze week met een proces van bezinning op de structuur van de gemeente. Hier, in Handelingen 2: 42 en in Efeziërs 4, de gemeente als lichaam van Christus, daar moet eigenlijk alles beginnen. Over alle vier punten een uitleg. Punt 1: Volharden bij het onderwijs van de apostelen. Dat is een ander woord dan volharden bij heel de Schrift. Het is als het ware de dragende kracht in de gemeente. Het Nieuwe Testament is een neerslag van het onderwijs van de apostelen, en daar zit het oude testament, gezaghebbend, ingevouwen, daar bouwt het op voort. Volharden bij de leer van de apostelen: wij doen dit, ik kan niet anders zeggen. Niet perfect, vooral het persoonlijk bijbellezen, en ook het volwassen bijbellezen, weggroeien van de manier zoals je de verhalen uit de kinderbijbel hoorde. Dat volwassen en persoonlijk bijbellezen is bij ons niet sterk. Maar we volharden wel bij dit onderwijs. En we doen niet mee met vrijzinnigheid. Vrijzinnigheid begint altijd met ondermijning van de betrouwbaarheid van de bijbel. Let op, want waar dat wel gebeurt, daar begint die zuil te vermolmen.

Moderne vragen, die iedere eeuw weer opkomen, zijn prima. Maar de antwoorden daarop zoeken we in diepe trouw en verbondenheid aan het apostolische woord. Punt 2, de gemeenschap. Wie even verder leest in Handelingen 2, ziet wat dat betekende. Want we lezen hoe die gemeente bijeenkwam in de huizen. En in een huis kun je nooit meer dan misschien vijftien mensen hebben, daar werd het brood gebroken, een technische term voor de maaltijd van de Heer vieren, en volharding in de gebeden. En daar is ook de gemeenschap, het delen met elkaar, tot in de materiele dingen toe. Op dit punt wil ik wat nader ingaan, en heel concreet denkend aan hoe onze gemeente in elkaar zit. Onze gemeente bestaat uit 540 leden. Er zijn 15 ouderlingen, 5 diakenen, 1 dominee, 1 pastoraal medewerker. En er zijn ongeveer 6 gemeentekringen, die worden geleid door coördinatoren. Daar heb ik iets bij te zeggen. De structuur waarmee wij werken in de gemeente kan ik als volgt weergeven. o = ouderlingen (15) d = diakenen (5) p = predikant (1) pm = pastoraal medewerker (1) gemeente De verbindingen maken overduidelijk hoe de structuur is van de gemeente. U ervaart de kerkenraad als -ook letterlijk- tegenover u zittend.

En ieder van die ouderlingen heeft een band met gemiddeld 30 leden die hen zijn toevertrouwd. Dat geldt ook voor de diakenen. De pastoraal medewerker waaiert wat breder uit, vooral onder de jongeren, en de predikant wordt geacht in elk geval alle leden te kennen! Al die contacten zijn één op één contacten. Is dat nu gemeenschap? Eigenlijk zou iedereen moeten zeggen: nee. Er ligt hier wel een achilleshiel in de gemeente. Want het beeld dat de bijbel geeft van de gemeente, dat is dat wij één lichaam vormen. Of, een voorbeeld wat ik vaker gebruik: we zijn niet een zak met allemaal losse knikkers, maar we zijn een tros met druiven! Houdt je die naast elkaar, dan zie het verschil. In een zak knikkers zitten al die stuiters onverbonden en kil naast elkaar, en in een druiventros zitten alle druiven organisch aan elkaar verbonden, in kleine clusters, kleine cellen en verbanden, in organische verbondenheid allemaal aan die ene wijnstok vast. De vroegchristelijke kerk volhardde bij de leer van de apostelen én bij de gemeenschap. Daar moesten ze aan werken, daar volharden ze bij. Hoe deden ze dat? Doordat ze samenkwamen in een veelvoud van kleinere verbanden.

Nu zult u zeggen, maar dat doen wij ook! Er zijn 12 jongerenbijbelkringen, ook enkele wijkbijbelkringen, dus ik ontken niet dat die zuil van de gemeenschap er niet staat. Alleen, ze is niet sterk, en ze kan beter. Ze is gebrekkig. Ze is half af. Als je weet dat er 540 leden zijn, en dat er ongeveer 15 kleine kringen zijn, bijbel- en wijkkringen, van 10 à 15 leden, daar kun je ook de gemeentekringen bij insluiten, dan zie je dat dat maar 50 % van alle leden betreft! Wist u dat? Die andere 50 %, die dus niet bij deze kringen hoort, volstaan meestal met deelneming aan de gemeente door de zondagse kerkgang. Die er trouwens ook niet beter op wordt, het gaat eerst van twee naar één keer, dan naar: het hoeft toch ook niet altijd… Ik ben helemaal niet gelukkig met zo'n ontwikkeling. Maar dit is eigenlijk de beschrijving van een misstand, bijbels gezien. Met al ons roemen op 12 of 15 bijbelkringen is dat nog veel te gering. Maar er is natuurlijk ook nog meer, want wat is de kwaliteit van deze vijftien kringen? Komt ieder lid daar echt tot zijn recht? Worden ze bijeen gehouden door interesse voor het evangelie? Door verdieping van het geloof? Zijn het groeiplaatsen van het geloof?

Is er gemeenschappelijk gebed? Ik denk dat dat beperkt waar is. Kortom, die tweede zuil is niet echt sterk. Punt 3: het breken van het brood Het breken van het brood is een deel van de gemeenschapsoefening, en dat deed de vroegchristelijke kerk door een gemeenschappelijke maaltijd. De maaltijden speelden daar een grote rol, in 1 Corinthe 7 lees je daar meer over. Er wordt verteld hoe ze dat deden. Ze kwamen bijeen in kringen, en dan nam iedereen iets mee. Nu doen wij dat ook wel eens, we noemen dat 'potluck' maaltijden, ieder neemt iets te eten mee, maar wij delen in onze welvaart en overvloed! Het is iets extra's, wat we daar doen. Maar bij de vroegchristelijk kerk waren leden die echt te weinig te eten hadden! En anderen hadden meer dan ze nodig hadden. Ze namen dan bij die maaltijden, die ze aan huis gebruikten, -en ik denk dat dat misschien wel ieder dag was, en niet maar één keer per week-, en men noemde dat de agapè, de liefdemaaltijden, en dan werd aan het slot van de maaltijd 'het brood gebroken'. Dat was een zeer bijzonder moment, want dan werd het avondmaal gevierd, aan die maaltijden die men gemeenschappelijk gebruikte. Dat is het volharden bij het breken van het brood.

Zo vierde men de aanwezigheid van de opgestane Heer in al deze cellen en kringen gemeenschappelijk. Ik weet wel, kunstmatig het verleden kopiëren lukt nooit, teruggaan in de geschiedenis is ook niet goed, maar ik denk dat onze avondmaalsviering aan intensiteit zou winnen. We zouden mogen nadenken of eens in de zes weken, afwisselend in morgen- en middagdienst genoeg is. Is er niet ruimte voor bredere viering van het breken van het brood, en niet om de vernieuwing om de vernieuwing, maar omdat dat een weg is waarlangs de Here zelf zijn aanwezigheid laat gevoelen. Dat is het wonder van het breken van het brood, wanneer we dat doen dan is Hij in ons midden. En dat te ontvangen, en van daaruit in kracht te leven, en daaromheen de gebeden te hebben, dat hoort echt bij een levende gemeente. Punt 4: volharden bij de gebeden Dat was niet alleen op zondag, de eerste dag van de week, als de gemeente samenkwam en dan één uit hun midden een gebed uitsprak. Dat is het ook, en dat is niet onbelangrijk, maar het gebeurde ook in kleinere huisgemeenten. U kunt dat lezen in Handelingen 12: 12.

Petrus werd uit de gevangenis bevrijd, en toen hij daar, half afwezig door die wondere bevrijding, rondliep door de straten van Jeruzalem, dacht hij ineens: het is woensdagavond, het is half tien, maar dan is de gemeente bij elkaar in het huis van de moeder van Johannes Marcus! Dat weet hij, dat is ieder woensdag, dan komen ze bij elkaar om te bidden. Hij gaat er naar toe, en u weet, ze geloven niet in de verhoring van hun eigen gebed, want het meisje wat open deed, zei: dit kan niet, het is vast een geest! Dit laat ons zien dat de gemeente samenkwam in kleine kringen voor gemeenschappelijk gebed. Zo volharden ze in gebeden. Nu terug naar onze gemeente. De zuil van het breken van het brood en de zuil van de gebeden, ook die mogen en moeten opnieuw worden bekeken. Er ontbreekt nogal wat aan. Veel van de tweede zuil, de gemeenschap, en het breken van het brood, en de gebeden, voltrekt zich weer in die cellen. Dus de structuur van de gemeente is toch wel heel belangrijk hierbij. Nu moet u niet denken dat zich dat alleen in de cellen voltrok, want er wordt hier in Handelingen 2 ook direct bij verteld: zij kwamen bijeen in de tempel.

Daar kwamen ze in een grote gemeenschappelijke samenkomst op de eerste dag van de week bijeen. Ook daar waarschuwen later de apostelen, in Hebreeën 10: verzuim niet die 'groot-gemeentelijke' samenkomsten. Dat wordt er uitdrukkelijk bij gezegd. Wees daar aanwezig! De cellen worden dus samengehouden door die grootgemeentelijke samenkomst, en die staat ook onder leiding. Eerst van de apostelen, dan helpers van de apostelen, dan komen er diakenen bij, dan worden oudsten aangesteld, er gaan ambten in functioneren, als herder en leraar, zoals we lazen in Efeze. Heel de ontwikkeling van de gemeente werd dus door leden met bijzondere gaven daarvoor geleid. Ik ga ik weer even terug naar het plaatje van de structuur van onze gemeente. De individuele leden hebben dus allemaal een band, soms een hele smalle, met hun wijkouderling. Dat zou ik wel even willen vragen: weet u wie uw ouderling is? U hoort een band te hebben met de wijkouderling, ieder lid moet weten: dat is mijn wijkouderling. Daar is dus die band vanuit de top naar de gemeente toe, die hoort er te zijn. Maar de vraag is natuurlijk wel, is dat wel wat het onderwijs in het nieuwe testament ons leert?

Het is wel mooi, maar het is toch niet zo dat al die 540 leden daarmee onder elkaar ook een band hebben. We zagen wel, onder elkaar is er in kleine kringen ook een band, maar die voltrekt zich meestal toch ook weer los van de ouderlingen en los van de ambtsdragers. En dat is iets waar we ons opnieuw over moeten bezinnen. Als je Efeze 4 leest, staat daar: "en nu heeft Christus gaven aan de gemeente gegeven". Denk maar aan al deze oudsten, medewerkers, bedieningen, al degenen die bij ons een vaste taak in de gemeente hebben. Christus heeft die gaven aan hen in de gemeente gegeven, en met welk doel? Zij moeten dat lichaam nu op gaan bouwen. Zij zijn de 'geledingen' van het lichaam. En uit het hoofd, Jezus Christus, ontvangt het lichaam, door de dienst van al zijn geledingen de groei en de opbouw. Dus die geledingen spelen een onmisbare rol bij de opbouw van het lichaam. Die geledingen, dat is bij ons een gekke vertaling, het wordt door Luther vertaald met gewrichten, en prof. Versteeg zei: dat is fout, want hij had moeten zeggen: de pezen die alles bij elkaar houden. Met dacht vroeger ook nog dat de pezen de kanalen waren waarlangs alle leden van het lichaam gevoed werden.

Voeden, versterken, bijeenhouden, stimuleren, dat is de taak van die geledingen, van die ambten, van die oudsten. En daardoor werd die gemeente bijeengehouden. Dus eigenlijk kom je dan bij dit model uit: het ideaal wat ik dan maar met één grote stap voorleg. U ziet hier (met een beetje fantasie) een druiventros, en bovenin zit die vast aan de wijnstok. Jezus zegt: "Ik ben de wijnstok". En dan zie je dat al degenen die een taak hebben in de gemeente, de ouderlingen, de diakenen, de predikant en de pastoraal medewerker zijn nu omgeven door de gemeenteleden. Ze staan er niet meer tegenover, maar ze zijn geïntegreerd, en ieder is onderdeel van zo'n cluster in de druiventros. Zo is het nieuwtestamentisch ideaal.

Een ouderling of een diaken, of een pastoraal medewerker of een predikant, ze horen zelf met de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd, een gemeenschap te vormen, waar ze zelf ook veel uit ontvangen, waardoor ze ook zelf worden bemoedigd en bevestigd, ondersteuning ontvangen, met name ook door de gebeden, en waar ze zelf zich aan geven, door ieder lid van die kleine gemeenschap te stimuleren, zelf hun gaven te leren ontdekken, actief te leren deelnemen aan heel het gemeenteleven en aan de voortgang van het evangelie. Zo groeide dat in het nieuwe testament. En waar dat weer gaat groeien, daar verdwijnen de klachten van de ambtsdragers. Want zoals het nu is, is het heel zwaar. Dertig mensen bezoeken, er nooit iets voor terugkrijgen, met dertig mensen geïsoleerd een band hebben, mensen die elkaar vaak niet of slecht kennen, alles rust op jou, en na vier jaar ben je weg. En als je weer terugkomt krijg je vaak weer een andere wijk en begint het hele verhaal weer opnieuw. Dat is heel zwaar, en daar komen klachten uit voort. En zo vindt er te weinig opbouw plaats van de gemeenschap.

We moeten volharden in de gemeenschap, daar moet je aan werken, en volharden in het breken van het brood en in de gebeden. Waar we dus aan moeten werken is het versterken van die zuilen, en dan werken we mee in de beweging van de Heilige Geest, dan staan we ook onder grote beloften. Praktisch betekent dat dat we niet minder ambtsdragers moeten hebben, maar meer. Dertig mensen voor één man of vrouw is veel te veel. De helft is groot genoeg. Maar die helft groeit en bloeit ook als een echte gemeenschap. En dan is het ook geen last meer, maar een vreugde! Je bent midden in een groep die je kent, waar je aan kunt geven, waarvan je terugontvangt, en eigenlijk gaat alles dan heel anders lopen. Dan bloeit de gemeenschap op in kringen van geloof en gebed. En ieder lid voelt zich daarin opgenomen. En de eenzaamheid verdwijnt, de gaven van ieder lid komen tot zijn recht, en de gast en de vriend en de buurman die is er welkom in, het moeten geen gesloten kringen zijn. En zo gaat er een nieuw netwerk groeien in een stad vol met eenlingen, en in een samenleving die steeds meer uiteenvalt in mensen die langs elkaar heenglijden, 'like ships that pass in the night'.

Want zo is het in de samenleving, mensen glijden langs elkaar heen als schepen in de nacht. Dit is zo mijn overdenking van een gedeelte uit Handelingen. Het is ook bedoeld dat iedereen daar mee bezig gaat, meedenkt, en voor bidt als we zaterdag de bezinningsdag hebben voor de kerkenraad. Tenslotte keer ik terug bij waar ik begon. Wat was het geheim van die vroegchristelijke kerk? Het was vrucht van de handelingen van de opgestane Heer, daarna groeiden gemeenten die gebouwd werden op die vier zuilen: volharden in de leer van de apostelen de gemeenschap (je kunt geen lid zijn van een gemeenschap zonder lid te zijn van één van de kleinere cellen) het breken van het brood, iedere week, misschien wel iedere dag de gebeden Want dat is eigenlijk het antwoord van de apostolische kerk op het apostolische woord. Ze waren niet alleen woord-gemeente, maar ook antwoord-gemeente. En daarin droegen de ambtsdragers en de bedieningen en de gaven van de leden een onmisbare rol. De ambtsdragers geven daar leiding aan, ze dragen het, ze verbinden het met elkaar, ze zijn er een deel van. En zo werd de gemeente gebouwd, en zo stond ze in de gunst bij het hele volk.

Amen. ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.