gemeente van Christus, Veel mensen hebben moeite op hun werk. Het is vanmorgen de jaarlijkse dankstond voor gewas en arbeid. Dat vergeten we vaak, maar de lezing uit de Colossenzenbrief bepaalt ons bij dat laatste. Arbeid, ons dagelijks werk. We danken er voor, deze zondag, als het goed gaat, en tegelijkertijd concentreren we ons ook juist op dat gebied waar ook tegelijkertijd zoveel problemen liggen, want dat geldt ook voor velen. Daar willen we ook voor bidden. Ik sprak onlangs met iemand die zei: "Alles ging goed op mijn werk, tot ineens vanuit de top ons bedrijf werd gereorganiseerd. Ik kreeg een nieuwe chef." Ik zal niet zeggen wat die man allemaal over die chef zei, maar het gunstigste was nog dat hij dom was en niet te vertrouwen. En hij zei: "Intussen moet je wel met zo iemand je leven, het grootste deel van je dag doorbrengen." Van een ander weet ik dat zij jaren lang in de ambtenarij altijd maar weer hetzelfde werk moet doen. Ze is er totaal op uitgekeken, en nieuwe banen liggen niet voor het opscheppen. Dat is ook niet eenvoudig. En een derde vindt helemaal geen werk in de zin van een betaalde baan. En dat knaagt aan je, aan je zelfvertrouwen, en aan je zelfrespect.
Je zou tenslotte wel weg willen kruipen. En zo zijn er heel velen die hier zitten waarvan ik zeker ben dat ze zouden kunnen vertellen over de moeiten die ze hebben in en om hun werk. Daar echoot in mee wat we lazen uit Genesis, over die vloek op de schepping. Maar laat ik niet somber beginnen, er zijn anderen die juist fantastische verhalen vertellen. Dan moet ik altijd weer denken aan mijn contacten met een vrouw uit deze gemeente, die houd ik zo in gedachten: toen zij oud geworden was en terugkeek op haar leven, zei ze altijd als ik haar sprak: "Ik heb toch zulk mooi werk mogen doen!" Dat zei ze iedere keer. Ze leidde een kraamkliniek, en alle jaren van haar ouderdom keek ze terug op haar werk en werd ze weer helemaal blij. Zo belangrijk is werk. Belangrijk is het als je er op terugziet, belangrijk is het als je het doet, en belangrijk is het als je je er op voorbereid, want heel veel mensen zijn nog maar in het proces van de voorbereiding, in studie of opleiding. Het is belangrijk om daar over na te denken, want je besteedt tenslotte driekwart van je leven aan je werk! Dat is een groot deel van je tijd.
Belangrijk en fijn dat we vanmorgen bij het licht van de bijbel met dat deel van ons leven bezig mogen zijn. En met die hoofdvraag: Wat zegt de Here nu over ons dagelijks werk. Dat is het thema van deze preek. Ik heb vier punten. In de eerste plaats: mag ik eens de aandacht vragen voor het feit dat de bijbel daar zo veel over spreekt? Dat is eigenlijk iets wat me, toen ik terugblikte na bestudering van het bijbelgedeelte, zo trof. Wij denken altijd weer dat christenzijn, en de navolging van Christus, dat dat iets is wat te maken heeft met de kerkgang op zondag en het moment van het avondgebed, laten we zeggen voor het geestelijk leven. En sommigen voegen daar aan toe: ja, als je wordt gedoopt en als je trouwt, en als je sterft dan gaat de bijbel open en dan is het spannend en belangrijk. Maar dat is natuurlijk helemaal niet bijbels en helemaal niet wat Christus wil. Want Jezus Christus is juist gekomen voor het midden van het leven, als we gezond zijn, in de kracht van ons leven, en dagelijks worden beziggehouden door duizend en één dingen, je zou kunnen zeggen het natuurlijke leven, dat heeft Zijn interesse. Daar begint de bijbel mee en daar eindigt ze mee.
Schepping - herschepping. God is geïnteresseerd in hoe ik mijn werk doe. Je zou kunnen zeggen: Hij wil er op maandag bij zijn, en ook op dinsdag en ook op de andere dagen van de week. Hij is erbij als u moeite hebt met uw werk, of als het werk de keel uithangt of als je terugkijkt op twaalf ambachten dertien ongelukken, als je nog studeert. Als je erop terugziet, dat hele terrein van het werk en wat we daarin doen en hoe we daarmee omgaan en welke keuzes we daarin maken, daar is Hij uitermate bij betrokken. Hij houdt van ons, Hij wil daar ook bij zijn. Ik vind het heel belangrijk om dat als eerste punt naar voren te schuiven. Als jaloezie boven komt, als je je ergert over een collega, als je je verveelt, of als je op een voetstuk staat en alles voor je buigt, overal, driekwart van uw leven, in uw dagelijks werk, daar vindt de proef op de som plaats of je christen bent of niet. Daar laat je Christus werken en je aanspreken en leiden. Als je dat gescheiden houdt van je christenzijn dan ben je geen christen. Dat is punt één. Ik leid dat af uit Paulus, die huisregels waarmee hij al zijn brieven eindigt en waarmee hij werkgevers en werknemers aanspreekt.
Met die twee categorieën heeft iedereen te pakken. Slaven en heren, want die samenleving van toen die viel uiteen in 50 % slaven en 50% heren. Het was echt een op slavenstand gebaseerde samenleving. En tegen al die mensen, slaven en heren, zegt Paulus: "Je bent christen geworden, laat het dan ook zien in je dagelijks werk." Punt twee. Wat ons dan opvalt als we gaan luisteren naar wat de apostel Paulus zegt, dat is dat hij persoonlijk iedereen aanspreekt. Hij gaat geen lange uiteenzetting geven over 'de structuur van de toenmalige samenleving' en hoe wij daarin verandering moeten aanbrengen. Nee, hij spreekt de mensen aan, persoonlijk: gij slaven, gij heren. Daar leid ik een bijbelse regel uit af. Eerst de persoon, dan de structuur. Die structuur is ook belangrijk, maar eerst de persoon en dan de structuur. Paulus had alle reden om de structuur van die toenmalige samenleving aan te pakken, want dat was een onrechtvaardige structuur. Heren konden in die tijd met hun slaaf doen wat ze maar wilden. Niet in bijbelse tijden, maar wel bij de Romeinen. Dat kunt u lezen bij Aristoteles, als het u interesseert.
Aristoteles zegt: die mensen, slaven, zijn een andere categorie, een lagere soort mensen, en de heren konden met die slaven doen wat ze maar wilden, het was een soort van veredeld vee. Nu, Paulus vindt die ongelijkheid absoluut fout en in de gemeente mag er ook niets van zichtbaar zijn. "Als bij u een rijke binnenkomt", zegt Jakobus later, "en hij krijgt en ereplaats, dan zit je wel goed fout. Want in de gemeente zijn noch armen, noch rijken, en geen standen." Dus Paulus vindt die ongelijkheid tussen heren en slaven radicaal fout. U kunt er over lezen in een briefje dat hij schreef aan Filemon. En ook in deze tekst proef je wel die ondertoon, als hij bijvoorbeeld tegen die heren zegt: "Jullie zijn ook slaven, want je hebt een Heer in de hemel." Daar gebruikt hij diezelfde titel, jullie zijn wel heren, maar je staat onder een andere Heer! En tegen de slaven zegt hij: "Jullie zijn vrij in de Here." En zo laat hij voelen hoe het zit, hij legt daarmee als het ware dynamiet onder die onrechtvaardige structuren, maar hij roept niet op tot revolutie, dat valt ons op. Hij roept niet op tot revolutie in de samenleving.
Hij zegt: "In de samenleving moet die verandering van binnen uit komen. eerst Christus navolgen en dan zelf een ander mens worden, en als er dan heel veel mensen zijn die dat doen, dan gaat dat automatisch de samenleving veranderen, en onrechtvaardige structuren veranderen in rechtvaardige". En dat is in de geschiedenis ook gebleken, gelukkig is de slavernij hier in dit deel van de wereld tenminste totaal afgeschaft. Dus het begint bij je hart, dan gaat het naar je handen, dan naar je hoofd, het verandert de mens, de individuele mens, en vandaar uit werkt dat als een zoutend zout veranderend in de samenleving. Dat is wat ik uit Paulus' huisregels leer. En dat leidt me tot het derde punt. Die verandering van binnen uit. Paulus zegt tegen de slaven: "Slaven, voeg je in die bestaande structuur, gehoorzaam uw heren in alles, maar luister wel hoe je het doet! Niet als mensenbehager om hen naar de ogen te zien, maar met een eenvoudig hart en een eerbiedige liefde voor Christus die de Heer is, want je dient Christus als Heer en dan is alle onrecht uitgesloten. Doe dan je werk van harte, wat je ook doet!" Wat je ook doet, zegt Paulus, doe het voor de Here.
Dat blijkt de kwaliteit van je werk uit te maken. Wat je ook doet, doe het voor de Here en niet voor mensen. Hier ligt natuurlijk duidelijk het zwaartepunt in Paulus' onderwijs over menselijke arbeid. Doe uw werk als voor de Here en niet voor mensen. En dat zegt hij precies ook zo tegen de heren. "Heren, jullie hebben Christus als Heer, en dat betekent voor jullie dat je de mensen billijk en rechtvaardig behandeld." En in dat woord billijk ligt ook gelijkheid, Paulus vlecht dat erin, zo geeft hij ze nog een stille hint. Maar tegen beide zegt hij "Doe je werk als voor de Here en niet voor mensen." Daar moet ik natuurlijk breed bij stilstaan, want dat verandert alles. Wie zich in zijn werk afhankelijk maakt van mensen, die laat zich eigenlijk een juk opleggen. En laten we eerlijk zijn, dat doen we allemaal. Ik begin maar bij mezelf. Het is voor mij een grote verleiding om bij mijn werk allereerst te gaan denken aan waardering en de aandacht van mensen. Dan doe je je werk voor mensen, voor lofprijzing van mensen. En daar je heimelijk eerst op te richten in plaats van omgekeerd, dat je je werk eerst voor de Here doet, en dan voor de mensen. Paulus benoemt dat heel scherp.
Hij zegt heel scherp veroordelend: "Pas op voor die twee dingen: mensen behagen en hen naar de ogen zien." Voor slaven was dat natuurlijk helemaal een verleiding, voor de doorsnee slaaf in die tijd, zolang die heer binnen oogbereik was en zag wat je deed, dan sloofde je je uit, maar draaide hij zich om dan deden ze gewoon wat ze zelf wilden. Ze draaiden zo die heren een rad voor ogen. Mensenbehagers, noemt Paulus dat heel scherp afwijzend. Je baas naar de ogen zien, dat schept een oneerlijke, een onwaarachtige samenleving. Maar wat erger is: dat creëert pas echte slavernij, want je raakt totaal afhankelijk van het oordeel van je medemensen. Wie altijd maar werkt en werkt om in de gunst te komen bij mensen, en wie altijd eerst opziet naar zijn medemens, wie altijd denkt: wat zal die ander wel van mij denken, en hoe kan ik zo werken, zo handelen, zo spreken dat die ander mij aardig vindt? En dat hij me waardeert en beloont? Paulus zegt: zo iemand wordt pas echt slaaf. Arme slaven van mensen, die altijd eerst letten op het effect van hun woorden, op anderen, en dan pas spreken.
Arme slaven van mensen, arme ambtenaren, leraren, studenten, dominees, die eerst naar de ogen kijken van de medemensen om hen heen, om dan hun gedrag te bepalen en dan te weten wat ze zeggen moeten. Dat is pas echt slavernij. Paulus zegt tegen de slaven van zijn tijd: "Beste slaven, eigenlijk zijn jullie geen slaven. Zodra je je werk doet voor de Here en niet voor mensen, dan ben je in principe bevrijd." En dat geldt tot vandaag toe. Je bent in principe bevrijd van al die vleierij, die angstige afhankelijkheid van de medemens, dat eerst denken wat mensen van mij vinden en dan pas doen, je bent daarvan bevrijd langs die ene weg en dat is dat je je werk doet voor de Here en niet voor mensen. Dat is heel eenvoudig. Denk er eerst aan wat God van je vraagt, hoe Hij die collega naast je ziet, hoe Hij wil dat je je werk doet, en doe je werk vanuit die eenvoud van hart. Gewoon van binnen uit, zoals je hart het je ingeeft, oprecht, direct, zonder mensen te behagen, zonder je chef naar de ogen te zien. Dat bevrijdt enorm, daar kan ik van meepraten. Niets is zo bevrijdend om je werk te mogen doen voor de Here, niet voor mensen.
Dat veroorzaakt dus helemaal niet dat mensen dan onbelangrijk worden of dat je maar over je medemens heen gaat lopen. Want dan heb je er nog niets van begrepen. Wie Christus dient als Heer gaat door Zijn ogen heen naar de ander kijken. En Hij is de Herschepper, dus je gaat door Zijn ogen heenkijken naar wat er in de wereld nodig is. En Hij is degene die ook mijn medemens liefheeft en kent. Dus ik ga de medemens liefhebben en kennen. Je krijgt als je zo Christus dient, een verhouding tot je medemens die je volop volwassen mag noemen, dat wil zeggen, in wat voor positie je ook staat, je behandelt die ander op voet van gelijkheid. Kritisch en bewogen, echt menselijk. Wie Christus dient als Heer, die gaat pas de medemens ook goed dienen. Nu niet meer slaafs afhankelijk, maar heel volwassen. Afhankelijk en onafhankelijk, kritisch en tegelijkertijd liefdevol. Dat leidt me tenslotte naar het vierde en laatste punt. Het is of bij dat punt de camera die in dat detail van persoonlijk leven zich even helemaal verloor, zich dan weer uitzoomt en het in een breder kader stelt, in het bredere verband van het bijbels onderwijs.
Paulus zegt als een soort van klemtoon achteraf: u weet toch dat u van de Here als vergelding de erfenis ontvangen zal? Met dat woord wil ik mijn overdenking over werk eindigen. Met het oog daarop heb ik ook Genesis gelezen en 1 Corinthiërs 15. Net als bij een uitzoomende camera, die eerst gericht was op een detail, waaiert het beeld nu uit in de breedte en de wijdheid en de verte van het heilsplan van God. Want we lazen in Genesis: God heeft de mens een opdracht gegeven, Hij heeft hem voor werk in de wereld gezet, met werk. Met een opdracht om te werken, dat is een roeping. En Hij heeft er een belofte aan verbonden, Hij heeft gezegd: de uitbetaling komt aan het slot. Soms wordt heel het leven in de bijbel vergeleken met een werkweek, aan het eind van de week krijg je je salaris. Dan wordt de balans opgemaakt en dan komt de Heer en dan geeft Hij aan ieder, de Here Jezus heeft dat al heel vaak verteld in gelijkenissen, dan geeft Hij aan een ieder wat hem toekomt nadat de balans is opgemaakt.
Dat erfdeel wat we dan krijgen is eigenlijk genomen uit de beeldspraak van de oud-israëlische boer, die zijn zoons op het erf hield, nog tot in ouderdom, maar die dan die jongens als hij wegviel ieder een erfdeel gaf. De eerste een dubbel erfdeel, de tweede en volgende allemaal een eigen erfdeel. Ze hadden er zelf hard voor meegewerkt, en toen was het nog niet van hen, maar aan het eind krijgen ze ieder een stukje. Zo staan wij met ons dagelijks werk dus in dat veel weidsere verband. Eerst een cultuuropdracht, in Genesis, en dan de vloek op ons werk, Genesis 3, de zonde kruipt binnen, mensen naar de ogen zien voor jezelf centraal stellen, niet meer denken aan de geboden en de normen, de schepping bederven, dat komt er allemaal in, in Genesis 3, maar dan verschijnt daar de tweede Adam, Jezus Christus en die zegt: Maar wie door Mij bevrijd wordt, die wordt pas echt bevrijd. Want ik bevrijd je van die vloek van de zonde. Ook dat dagelijks werk wordt door Christus van z'n vloek bevrijd. En die vloek dat is de vergeefsheid, dat je denkt: waar doe ik het eigenlijk voor? Paulus zegt: het wonder van Christus is dat Hij zelfs het meest minderwaardige werk opheft tot grote hoogte.
Daar moet ik natuurlijk tot slot bij stilstaan. Als vergelding de erfenis! Dan denken wij: dan krijgt natuurlijk degene die heel veel en heel belangrijk werk heeft gedaan een groter, president Clinton, Billy Graham, Moeder Theresa of noem maar op die krijgen vast een behoorlijke portie, en degene die hier heel onbelangrijk werk heeft gedaan krijgt een klein erfdeel. Nu, dat is totaal fout gedacht. Paulus zegt: "Die beslissing zal niet vallen bij wat we gedaan hebben, -die slaven deden misschien stompzinnig werk-, maar hoe we het gedaan hebben." Want hoe we het doen, daarin ligt de grootheid van de mens. In het koninkrijk van God zullen we straks bij de afrekening mensen aantreffen aan de top die we hier nooit hebben gezien. Die hier naamloos iets deden waar we nauwelijks op letten. Dat is zeker, want de laatsten zullen eersten zijn, en de eersten worden juist laatsten. Dus er komen daar vrouwen aan de top waar we hier nooit van gehoord hebben. Een vrouw die haar hele leven vloeren dweilde, maar die dat deed op een manier, met zo'n toewijding, die staat daar aan de top! Slaven uit de tijd van Paulus, die naamloos zijn verdwenen uit het boek van de geschiedenis.
Politici die afgingen voor de ogen van de mensen. Of dominees die nooit bij iemand bekend werden en misschien hun hele leven ergens in een dorpje achteraf werkten, dat worden straks de groten in het koninkrijk van God. De arme Lazarus die op God vertrouwde -dat zegt zijn naam- die komt aan de boezem van Abraham, een ereplaats. En de rijke man, die zo'n prachtige praalbegrafenis kreeg die lijdt daar in een vlam. Zo zal het gaan. En dat gebeurt als wij ons werk doen van harte voor de Here en niet voor de mensen. Dat is beslissend, daar ademt de aarde van op. Want wie Christus dient die gaat de hof van Eden pas echt bewerken en bewaren. Niet uitzuigen en opeten. Daar ademt ook uw chef van op, want die chef voelt dat u iets hebt dat anders is. En de leerlingen in de klas ademen daar van op. Hier staat geen mens voor hen die zich afhankelijk heeft gemaakt van hun sympathie, want dat drukt ook op een klas. Daar ademt eigenlijk iedereen van op. Want er gaat een uitstraling uit van zo iemand die van Jezus Christus komt, Hij die ons vrijmaakt, Hij neemt de vloek weg van alle arbeid. En zelfs het stomste werk wordt zinvol omdat we het doen voor Hem.
Zoals een moeder zelfs blij kan zijn als er iets in het gedrag van haar kind is wat niet goed is. Bijvoorbeeld, ze komt de kamer binnen, en haar 5-jarige dochter heeft daar schoenen gepoetst, en overal zit zwarte schoensmeer, en ze denkt: Help!! Maar dan ziet ze hoe dat kind naar haar opkijkt en ze ziet in die ogen dat dat kind het helemaal voor haar heeft gedaan, dan zegt ze natuurlijk: Fantastisch dat je dat voor me gedaan hebt! En daarna denkt ze: Nu even gauw de boel opruimen!! Zo zal het aan het eind van de tijd ook zijn. Dan zal de Heer Zelf komen en even de boel opruimen. En dan zal Hij aan iedereen zijn eigen erfdeel geven. Een plekje op die verheerlijkte nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. Zo hebben we vanmorgen in vier punten gezien wat een soort van grondregels zijn die de Here wil meegeven op deze dankstond voor gewas en arbeid, deze keer speciaal gericht op arbeid. 1. Hoe bijzonder dat Christus koning wil zijn over heel ons leven. Niet alleen over het geestelijke, maar ook juist over het natuurlijke, ook over ons werk, of het nu betaald of onbetaald is, dat maakt voor Hem niet uit. 2. We zagen dat we eerst persoonlijk worden aangesproken: jij slaaf.
Eerst persoonlijk christen zijn, een ander mens worden, en dan daarna komen de structuren. 3. Het belangrijkste is dat ik van binnen uit mijn werk leer doen voor de Here en niet voor mensen. Want de ware slavernij is die innerlijke afhankelijkheid: je altijd maar afhankelijk maken van de mensen, of die je aardig vinden of belonen. 4. Die innerlijke houding krijgt een enorme belofte, het wijdere heilsplan van God. Ons werk wordt bevrijd als we het weer leren doen voor de Heer der schepping. Colossenzen: de Heer der schepping Jezus Christus. Uit Hem zijn alle dingen, door Hem zijn alle dingen, tot Hem zijn alle dingen, en straks als de Heer der schepping weerkeert dan geeft Hij ons ieder naar Zijn wijze en naar ons gedrag ons erfdeel. Amen.