Bijbeltekst: Kolossenzen 2:6-7 — Uit de serie: De Colossenzenbrief, deel 4

Gemeente van Christus, Paulus doet hier in deze tekst een oproep aan heel de gemeente: Wandelt in Hem. Het is eigenlijk een scharniertekst in deze brief. De vorige keren hebben we diepe dingen gehoord over wie Jezus Christus is: de Eerstgeborene van de ganse schepping; en over hoe de gemeente moet worden opgebouwd, en nu lijkt het of Paulus zich meer wendt van de leer naar het leven. Hij richt zich hier duidelijk op de consequenties die dit heeft voor mijn dagelijks levensgedrag. "Wandel dan ook in Hem". Denk niet alleen over Hem na, en praat niet alleen over Hem, maar wandel in Hem. Het zal blijken dat deze oproep van Paulus alles te maken heeft met het leven van alledag. Want zonder dit raken we ontworteld, zegt hij, en verliezen zowel de gemeente als ook de samenleving zijn wortels. En dat lijkt het grootste probleem te worden van ons land, van Nederland in de 21ste eeuw. En zonder wandel in Hem worden we niet gebouwd als gemeente. Geen gemeente-opbouw zonder gehoorzaamheid aan dit woord. En tenslotte: zonder die wandel in Hem verliezen we ons anker. We zijn als een schip op drift geraakt. Ik kom bij alle drie die beelden aan het slot weer terug.

Eerst een voorbeschrijving van waar we vanmorgen mee bezig zijn als we luisteren naar dit woord. Ik wil beginnen bij wat de voorwaarde is voor dat wandelen in Christus, dan wil ik het hebben over de inhoud en vat dat samen in drie korte punten aan het eind, en dan wil naar de vier gevolgen van het wandelen in de Here. Voorwaarde. Zoals ik al zei, het is de apostel Paulus zelf die ons eerst de voorwaarde voor dat wandelen in Hem duidelijk schetst. De zin begint met: "Nu u Christus Jezus als Heer hebt aanvaard, wandelt in Hem". Dus daarop is zijn beroep gebaseerd, en dat is zo belangrijk dat ik er niet genoeg bij kan stilstaan, juist als je in de kerk geboren en getogen bent. Dan is het gevaar heel groot dat je in een soort van halfslachtig christendom altijd blijft meegaan, natuurlijk geloof je, maar geloof je eigenlijk wel? Natuurlijk lees je wel in de bijbel, maar luister je echt? Natuurlijk zit je op een club of een kring, maar ben je er echt helemaal in? Dat halfslachtige komt omdat je nog niet echt ja hebt gezegd. En daar spreekt Paulus de gemeente op aan.

Hij zegt: "U hebt Jezus Christus als Heer aanvaard." Daarmee verwijst hij naar iets wat ze gedaan hebben in hun eigen leven, en het is tegelijk een appèl aan mij en aan ieder van ons om dat ook te doen: ga niet voorbij aan dat moment van de keus. Christen word je niet door geboorte, dat dacht je misschien, maar dat is een foute gedachte. Ik heb eens een evangelist horen zeggen: "God heeft geen kleinkinderen." Daar bedoelde hij mee: iedere generatie moet zelf weer opnieuw door zelf de Here Jezus te aanvaarden, kind van God worden. Niemand zal straks kunnen zeggen: ja, maar mijn vader en moeder hebben toch wel geloofd! Dat bedoelt de evangelist met: God heeft geen kleinkinderen. Hij zal zeggen: Heb je zelf toen je er van hoorde God ook aangenomen? Denk je eens in dat een vader en een moeder, na lang gespaard te hebben, een fantastisch kado gaven aan hun zoon of dochter, bijvoorbeeld vier weken een reis om de wereld. Dat kind krijgt dat aangeboden bij een bijzondere gelegenheid en laat de tickets voor de vliegreis op tafel liggen en hij kijkt er niet meer naar om en laat de datum verlopen! Leef je eens in die ouders in: die zijn geschokt!

En zo is God geschokt als Hij dat grote geschenk aanbiedt, het grote geschenk van God aan de mensen, dat wat Jezus Christus gedaan heeft: de schuld van de mensen gedragen en de dood overwonnen, dat biedt God ons van jongs af -wat bij de doop al gezegd wordt- aan, en wij zouden het laten liggen, of er wel eens in kijken en denken ja wat moet ik ermee en we lopen verder. Ik denk dat de apostel daarom met zoveel nadruk zegt: Je moet zelf Jezus als Heer aanvaarden. Er komt een moment waarop je dit begrepen hebt, het is tot je doorgedrongen, en dan komt er een act van jouw kant. En die act van jouw kant is dat je je handen opent, je laat het je geven, je neemt het aan. En dat kan ieder op zijn manier doen. Als we een evangelisatie-bijeenkomst hadden zou ik zeggen: Wie doet het, kom naar voren. Wij zijn daar als gereformeerden natuurlijk veel te schuchter voor en worden we verlegen. We vinden dat demonstratief en dat is het ook wel een beetje, maar goed, al doen we dat dan niet: doe het dan voor jezelf! Dat moment waarop je bij jezelf zegt: Heer, bedankt dat U dat voor mij gedaan hebt. Dan neem je Christus Jezus aan als de Messias, je neemt Hem aan als Heer.

En Hij wordt de Heer van je leven. En daar spreekt Paulus die gemeente op aan. Hij zegt: Daar begint het allemaal. Het begint ook bij de doop, het aanbieden van dat geschenk, maar het actieve christelijke leven begint bij dat zelf aannemen van wat je bij de doop en in het evangelie wordt toegezegd en gegeven. Op grond daarvan, zegt Paulus, als je dat gedaan hebt, en nu je dit gedaan hebt en omdat je het gedaan hebt: wandel dan ook in Hem! Dus hij wil zeggen: Denk niet dat dat het einde is van het verhaal, als je Jezus hebt aangenomen als je Heer begint het pas! Vanaf dat moment ga je wandelen in Hem. Inhoud. Dat wandelen, wat betekent dat nu? Dat is mijn tweede punt. Ik kan me voorstellen dat iemand zegt: Wandelen, dat klinkt een beetje gezapig. Paulus grijpt hier terug op wat in het hele Oude Testament voorkomt. En dat is dat beeld van wandelen wat in het Oude Testament gebruikt wordt voor de praktijk van het rekenen met God. Dat deed, zoals we lazen in Genesis 5 Henoch , hij wandelde met God en God was daar zeer door getroffen, Hij gaf hem dan ook een hele speciale plaats, God heeft Henoch opgenomen, hem als het ware over de dood heengetild.

En Abraham is een voorbeeld, Abraham wordt opgeroepen: Wandel dan voor Mijn aangezicht en wees onberispelijk. Dus het heeft een moreel element, wat betekent goede keuzes maken. En de Psalmen zijn er vol van. We zingen: Leer mij naar Uw wil te handelen, laat mij in Uw waarheid wandelen. De hele bijbel, het Oude Testament, de psalmen staan vol van dat wandelen met God. Dat betekent: rekenen met Hem van maandag tot zaterdag, het is een niet-religieus woord, het heeft consequenties voor mijn gedrag, voor mijn keuzes van alledag, tussen mijn morgen- en mijn avondgebed. Het gaat hier niet om de heilige momenten, het gaat om de nuchtere alledaagse momenten, praktisch christen-zijn, zou je kunnen zeggen. En dat wordt in de bijbel met dat beeld van wandelen vergeleken. Wandelen is heel uitdrukkelijk gekozen, het is beeldspraak. Wandelen kun je aan de ene kant afbakenen tegen rennen en jagen, en aan de andere kant tegen slenteren. Dat er zoveel mensen hart- en vaatziekten krijgen komt omdat ze alleen maar rennen, ze wandelen niet, ze rennen en jagen.

En dat er aan de andere kant zoveel mensen zijn die zich dan maar verliezen in spelcomputers of alcohol, dat komt omdat ze slenteren, hun gang heeft geen doel. Dan raak je verveeld. Verveling is veel te veel dingen hebben, tenslotte vervelen we ons dan. De schrift roept ons op tussen jagen en rennen aan de ene kant, en slenteren aan de andere kant, om te wandelen. Wat doet iemand die wandelt? Het meest opvallende is die wondere combinatie van inspanning en ontspanning. Aan de ene kant is het een heel vernuftig mechanisme, dat wandelen. Je hele lichaam is erbij betrokken in een gedisciplineerde beweging. Er zit in het christelijk leven dan ook een heel goede discipline. Maar tegelijkertijd is het ook heel ontspannen. Je houdt je zintuigen naar alle kanten open. Je geniet van de bomen langs de gracht, je hoort de vogels weer die je niet hoort als je jaagt of slentert. Je verheugt je over het gezelschap van degen die met je meewandelen. Dat alles vind ik typerend voor wandelen. Inspanning en ontspanning, discipline en tegelijkertijd concentratie, maar tegelijk staan alle poriën van je huid open naar de wereld rondom je. Zoiets is wandelen.

En doe je dat met God en doe je dat met God in Jezus Christus zoals hier staat, dan heb je de hele dag die poriën van je bestaan open voor Zijn werkelijkheid. Daar reken je dan mee, dat is echt een oefening, het gaat niet vanzelf. Je zou kunnen zeggen: dat komt uit in drie punten. Het betekent: openstaan voor de onzichtbare wereld. Geloven wij daar als twintigste-eeuwse mensen nog in: onzichtbare wereld? En toch is dat wat hieraan ten grondslag ligt. Het betekent ook morele zuiverheid, goede keuzes maken, en het betekent tegelijkertijd ook iets van een mystieke verbondenheid. Over alledrie een enkel woord. Rekenen met de onzichtbare wereld. Dr. Francis Schaeffer noemde dat de grootste opdracht voor de twintigste- eeuwse christenen, want wij zijn één-dimensionale mensen geworden, we rekenen alleen met wat we zien, ruiken, wat we horen, wat we eten. Maar de bijbel spreekt van een onzichtbare wereld daarachter, daarin, daar doorheen is de werkelijkheid van God, en de werkelijkheid van de Heilige Geest, van engelen, en ook de werkelijkheid van demonen en van de boze die steeds bezig is te infiltreren, de machten en de overheden.

Een volgende keer zal ik het daar uitgebreider over hebben, maar Paulus was daar diep van doordrongen. Leven in de onzichtbare wereld, 'living in the super-natural now', zo sprak Schaeffer erover. Dat is een opgave, want wij leven verwereldlijkt, binnenwerelds. Terwijl echt christen-zijn, wandelen in Christus Jezus, betekent in die werkelijkheid leven, je poriën openhouden voor die werkelijkheid. Het tweede punt: het gaat gepaard met morele zuiverheid. Wandel voor Mijn aangezicht, wees onberispelijk, zegt de Here tegen Abraham. Dat betekent volgens mij dat je bij al je grote en je kleine keuzes altijd even contact houdt met boven, dat wil zeggen even rekent met wat God wil. Dat is soms ook iets heel nuchters, gewoon rekenen met wat Hij gezegd heeft. "Wie in Mij blijft, en in wie Mijn woorden en Mijn gebod blijven, die draagt veel vrucht", staat in de Johannesbrief. Dus dat 'in Christus blijven' betekent heel vaak je herinneren wat Hij geboden heeft en daarnaar handelen. Daar gaat vooral Colossenzen 3 over, dus daar kom ik op terug. En dan dat derde punt, dat is dat daar zeker een mystieke dimensie in is.

Daar zijn wij als gereformeerden ook wat huiverig voor, voor mystiek, we denken dan dat we zweverig worden en onze ogen moeten sluiten, en dat betekent mystiek ook eigenlijk, je ogen dichtdoen en wegzinken in de diepte van je eigen ziel. Maar dat is het niet. Het is heel nuchter, maar in die nuchterheid ook wel heel diep. Die mystieke eenheid die wij hebben met Jezus Christus, Hij is de schaduw aan onze rechterhand. Ik denk dat misschien die mystieke eenheid het meest nuchter en toch ook heel diepzinnig wordt omschreven in de bijbel met: het is een verbondsverhouding. Dat lazen we al in Genesis 17. Wij zijn in Christus, dat wil zeggen zoals we ook in Adam zijn, zo zijn we nu overgeplaatst in Christus. Adam is het oude verbondshoofd, Christus is het nieuwe verbondshoofd. Alles wat voor Hem geldt, geldt ook voor mij. Hij is gestorven, dus ik ben gestorven, Hij is opgestaan, dus ik ben opgestaan. En die Opgestane leeft nu in ons! Dat is iets heel bijzonders, je daarin te oefenen, dat is toch wel het hart van het wandelen in Hem, dat is zelfs nog meer dan een huwelijksverhouding.

Een huwelijksverhouding beleef je ook iedere dag, als het goed is ook als de ander er niet bij is, er is toch een ondertoon, je rekent met die ander, maar dit is nog intenser, nog dieper. Zo schrijft Paulus over de verhouding tussen Jezus Christus en ons. Wandel in Hem, dat is in Christus. In Christus heeft God ons onze bruidegom gegeven. Wij zijn de bruid, Hij is de bruidegom, weer dat huwelijksverbond. En dat geldt voor de tijd tussen ontbijt en avondgebed, tussen zondag en zondag, dat is waar de apostel ons met onze neus bovenop drukt: Nu je Jezus als je Heer hebt aanvaard: wandel dan ook in Hem! Dat betekent dus op ieder moment van de dag openstaan voor de onzichtbare wereld, het betekent morele keuzes maken, leven bij Zijn geboden, en dat betekent die diepe wondere verbondenheid met de gestorvene en opgestane Heer. Vier gevolgen. Nu het mooiste, dat derde deel van de tekst. Als Paulus er aan denkt wat dat uitwerkt, komt hem het ene na het andere beeld voor ogen. Dan zegt hij: "Je krijgt wortels als een boom, je wordt gebouwd als een huis, en je wordt bevestigd, verankerd als een schip dat op drift is, met een anker diep in de bodem.

En tenslotte de kroon: Je vloeit over in dankzegging." Ik zie in deze reeks een soort van opklimming, je zou er zelfs de levensloop van kunnen aflezen. Een mens begint met wortelen, dan gaat hij bouwen, en dan raakt het schip soms op drift, en dan uiteindelijk overvloeien in dankzegging. Wortels. Paulus begint met: dan krijg je wortels. Dat is een heel diep woord. Want het is waar: Als een mens niet leert vertrouwen op God die zijn bron is, dan verliest hij zijn wortels. Dan is hij als een boom waar de wortels van opdrogen. En die blijft nog aardig lang staan. Achter ons huis staat een boom waarvan de wortels verdroogt zijn. Die boom staat daar vrolijk en ik zie hem ook nog niet zomaar omvallen, maar ik ben wel bang als er een storm komt, dan vrees ik. Het is wel een enorm triest beeld, maar ik denk dat we dat ook nodig hebben om te beseffen waar we in onze samenleving mee bezig zijn. Luister maar naar de troonrede op prinsjesdag. Het gaat weer beter met de economie, er is weer geld te besteden. Maar je moet eens opletten waar het aan wordt besteed. Miljoenen en miljarden, waar wordt het aan besteed?

Allemaal, behalve een paar gulden om de staatsschuld te verminderen, aan dichtbij-doelen. Het is de verbetering van onze welvaartsstaat. Twee weken daarvoor was er een commissie, met van Middelkoop als voorzitter, die een rapport heeft uitgegeven over het milieu. Dat rapport is ontzettend. Het zegt, niet als hypothese maar als een feit na alle geleerden gehoord te hebben, dat we de dood van het milieu tegemoet gaan. Regelrecht, als we zo doorgaan. En dan gaat het over het uitgeven van onze financiën, en dat rapport ligt dan in een la, en niemand doet er wat mee. Dat wil zeggen dat we geen lange termijn doelen hebben! We hebben alleen dichtbij-doeleinden, en dat is typisch voor een samenleving waar de wortels van verdrogen, die gaat steeds meer aan de oppervlakte in de humus van een welvaartsstaat leven. Als een samenleving niet meer wandelt met God in Christus, dan verliest het zijn wortels, zijn beworteling. En dan gaan straks letterlijk de bomen dood, die verliezen al hun wortels, dat is het gevolg ervan. Maar wie werkelijk leeft met God, die leert lange-termijn doelen na te streven. Zorg voor de schepping, structuren bouwen waardoor gerechtigheid en vrede op aarde kunnen komen.

En dat dan heus niet omdat wij het Koninkrijk van God op aarde moeten brengen, maar wel, in gehoorzaamheid aan Jezus Christus, omdat dat een voorproefje is van wat komen gaat. Daar worden we toe geroepen. Wie wandelt in Christus krijgt wortels, die gaat zich inzetten voor lange-termijn doelen. En dat is de vrucht van wandelen met God. Opbouw. Daarna pas wordt je opgebouwd, dat is dat tweede beeld. Wortelen vind ik typisch iets voor de eerste fase van ons leven, doorstoten naar de vragen van zin en betekenis en doel en oorsprong, dat moet eerst gesetteld, maar dan, als die wortels er zijn, dan volgt die opbouw. Bouwen en vestigen, dragen. Dat zijn typisch kernwoorden bij de tweede belofte. Wie wandelt met God zal zien dat hij wordt gebouwd, hij gaat dragen, hij wordt een gebouw, een huis waarin anderen een plek kunnen vinden. Zo zijn er mannen en vrouwen in het Koninkrijk van God die hele geslachten dragen. En nog alle vrienden daarbij. En zo zijn er gemeenten die als een huis zijn waar ze iedereen wel een plekje weten te geven. Dan wordt je een groot gebouw en dan vindt er gemeente-opbouw plaats. Dat is een belofte wanneer wij wandelen in Jezus Christus. Anker.

En dan het derde: Als er stormen komen daarna, en ons schip raakt op drift, wandel dan in Hem en je krijgt een anker. Dat is een belofte. Ook een beeld dat heel realistisch bij ons leven aansluit. Wij zijn niet altijd bomen met wortels, en we lijken niet altijd op een huis dat draagt. Maar vaak zijn we gewoon maar schepen op drift, geteisterd door de golven, aangevallen door de storm, en wat dan? Als die stormen over ons leven razen in de opvoeding, of in je huwelijk, bij zware ziekte, werkloosheid, wat het ook is, Paulus zegt: Ook dan , wandel in Hem en je levensschip krijgt een anker, en dat anker is in die rotsbodem die Jezus Christus is. En de storm is heus niet weg, en de stormen zijn niet stil, maar je hebt wel vaste grond gevonden waarin je anker eeuwig rust. Dankzegging. De climax van de beelden vind ik in die overvloeiende beker. Het deed me denken aan psalm 22: Mijn beker vloeit over. En het is waar, wie wandelt in de Here en wie zo geworteld, gebouwd, verankerd in de liefde van Christus is, die draagt tenslotte de grondtoon van dankbaarheid. Dankbaarheid die soms ook aan het eind van het leven in bijzondere zin bij mensen naar voren komt.

Niet dat dat altijd moet, maar vaak is het wel zo. De kroon op ons leven is die dankbaarheid om alles wat God ons gegeven heeft. Dwars door alle stormen heen. Soms zitten we helemaal in fase 1: wortels zoeken; en dan zuigt fase 2 ons op: de energie van het bouwen; soms zijn we in fase 3 als een schip op drift. Maar Paulus zegt: "Wandel in Hem en uiteindelijk zal Hij ook dat vierde doen doorbreken, en dat is dank." Dank voor een leven dat je om niet gegeven is, dat soms niet eenvoudig was, en vaak door grote pijnen heen moet, maar dat onder grote belofte staat. De grote belofte dat God wat Hij begonnen is ook afmaakt. Dat is het wat we deze keer uit de Colossenzenbrief hebben mogen overdenken, op ons af mochten laten komen. Het eerste was: aanvaardt Hem. Daarna: wandel dan ook in Hem. En dan, op die lijn, tussen morgen en avond gaan er dingen gebeuren in uw leven. Je raakt verworteld, je wordt gebouwd, je hebt een anker, en tenslotte, je vloeit over in dankzegging. Amen.