Bijbeltekst: Daniël 2 — Uit de serie: Daniël, deel 2

U hebt het waarschijnlijk allemaal wel eens gehad, dat je 's morgens vroeg wakker werd, en je ontzaglijk opgewonden voelde over een droom maar je kon je met geen mogelijkheid herinneren wat die droom nu precies was. Is het een gelukkige droom dan heb je nog vele uren een blij gevoel. Maar als het en heel ongelukkige droom is, dan kan je hele dag erdoor bedorven zijn. Nu, zoiets overkwam hier koning Nebukadnezar. De droom die hij droomde was niet zomaar een droom. Het was een droom, hem speciaal ingegeven. Hij staat 's ochtends vroeg op en hij voelt zich onrustig en misnoegd, en op het moment dat hij wakker is, is de droom uit z'n gedachten geschoten. Hij is de inhoud kwijt en kan die met geen mogelijkheid achterhalen. Een onbestemd gevoel van onheil wil niet van hem wijken. En daar wil ik eens even bij stil staan. Zo'n onbestemd gevoel van onrust en angst. In het boek Daniël, als de camera zwenkt van Daniël en zijn vrienden in hoofdstuk 1 naar koning Nebukadnezar, de babylonische mens aan wiens hof Daniël vertoeft, dan is dit het eerste wat verteld wordt. Bijzonder treffend.

Het eerste wat verteld wordt van de babylonische mens is: hij heeft een boze droom gedroomd, maar de inhoud kan hij zich niet meer herinneren. En nu zindert door hem heen een gevoel van onrust. Hij heeft alles wat zijn hart begeert, en toch knaagt de onrust. Het is in het boek Daniël tegelijkertijd een symbool, een metafoor voor het onbestemde gevoelen dat door alle eeuwen heen mensen doorzindert die op deze lijn van de babylonische mens verder gaan. Ook in onze tijd. Juist de twintigste eeuw waar mensen alles hebben wat hun hart begeert, is het tegelijkertijd de eeuw waar de onrust knaagt. Camus schrijft: Een jongen zit in een prachtig park in de zon op een mooie bank en naast hem zit zijn vriendin. En dan ineens overvalt hem, zo beschrijft Camus, een gevoel van zinloosheid. Alsof hij die nacht een droom gedroomd had die hem nu nog een ziek gevoel geeft. In de moderne kunst wordt dit gevoel onder woorden gebracht. Je vindt het bijvoorbeeld in de schilderijen van Francis Bacon, en ik denk aan de films van Jim Jarmush, en een twintig jaar geleden Ingmar Bergman. Zonder te kunnen zeggen waarom en hoe: er zindert door de cultuur een gevoel van onbehagen.

Een groot psycholoog heeft er zelfs een dik boek over geschreven: Freud. Het onbehagen van onze cultuur. Waar komt het vandaan? Nu, om die vraag te beantwoorden gaan we terug naar Nebukadnezar. Hoe heeft hij dat onbestemde gevoel van onbehagen? Het wordt ons verteld hier in het boek Daniël. Nebukadnezar, de man in wie de babylonische geest is gesymboliseerd, hij voelt zich aan de ene kant sterk en machtig, hij heeft zichzelf in het centrum van het universum geplaatst, maar tegelijkertijd weet hij dat hij los staat van God. Concurrent is van God. En dan laat God hem voelen waar eigenlijk die onrust op vast zit. Hij laat hem een boze droom dromen. En die boze droom is het die dat gevoel van onrust achterliet. Een mens in die toestand gaat zoeken. En dat zien we dan ook in Daniël 2. Als dit Nebukadnezar overkomt is het eerste wat hij doet: hij wil het weten. Hij gaat op zoek, roept zijn wijzen bijéén: astrologen en geleerden en tovenaars: Chaldeeën, en ze moeten hem licht verschaffen in datgene wat hem kwelt. En ze horen de opdracht: Vertel me de droom èn z'n uitleg! En dan zeggen ze iets heel dieps in vers 11.

Ze zeggen: "Maar wij zijn God niet!" Wat de koning vraagt is te zwaar, zeggen ze: Er is niemand anders die het de koning zou kunnen te kennen geven dan de goden die niet bij de stervelingen wonen. Dat wil zeggen: de wijzen en de verstandigen van deze wereld staan op dit punt hulpeloos, ze kunnen die diepste onrust niet boven water halen. En dan zien we weer iets opmerkelijks: De onrust van Nebukadnezar slaat om in toorn. Arioch, de scherprechter, komt ten tonele en het bevel weerklinkt: Houw al die wijzen in stukken! Onrust die omslaat in geweld. Ook onze wereld is vol van geweld. En er is haast geen geweld dat niet voortkomt uit onbegrepen angst. Onrust, die eerst knaagde en knaagde, en bijna wanhopig vroeg om een antwoord maar die, toen het antwoord uitbleef, ontbrandde. Ontbrandde in geweld. De kunstenaar Karel Appel brengt dat onder woorden. Er is een plaatje van hem op de markt waarin we horen wat hij zegt terwijl hij schildert, en terwijl hij de verf op het doek gooit, zegt hij: "I do not paint, I hit." (Ik schilder niet, ik sla) Dat is datzelfde. Onrust die geen werkelijk antwoord krijgt slaat om in agressie. Wie spreekt hier het bevrijdende woord? Is er een mens die dat kan?

Zelfs Daniël zegt: "Nee, zelfs ik kan niet de Serie over Daniël droom bedenken die de koning gedroomd heeft. Het gaat hier om een geheimenis. Hier gaat het om verborgenheden. En daarvoor moeten we zijn bij God Zelf." En dan gaat hij met zijn vrienden die nacht, als ook hun leven op het spel staat, bidden. En ze bidden tot de Here, de God des hemels. Of Hij hun duidelijk wil maken wat ze de koning zeggen moeten. En dan wordt hun het inzicht gegeven. In de nacht die volgt op hun gebed geeft God een antwoord. Ook in dit tweede hoofdstuk van Daniël staat dit woordje: en God geeft centraal. De Here geeft wijsheid aan de onverstandigen. Hij geeft licht aan de blinden. Hij opent de ogen van mensen voor geheimenissen die de onrust van de mensen veroorzaken. Hij alleen geeft dat inzicht. Dan zegt Daniël: "Gij, o koning, gij had een gezicht en zie, er stond een groot beeld opgericht." Dat is eigenlijk het eerste waar alle aandacht op valt. "Een geweldig groot beeld, reusachtig, met een hoofd van goud, de borst van zilver, de buik van koper en de benen van ijzer, en de voeten van ijzer met leem gemengd. Dàt zag u in uw droom. Maar dat was het niet wat u angst inboezemde.

Nee, dat wat daarna gebeurde, terwijl u keek naar dat beeld en u helemaal daarmee vereenzelvigde, wist: Dat ben ik. Toen zonder toedoen van mensenhand raakte een steen los van een berg. Die kwam aanrollen, en u zag hoe die recht op het beeld afrolde. En ineens rees er afschuwelijke angst in u op. En de steen klapte met een grote smak recht tegen het beeld en vernielde het totaal. Eerst de voeten en toen de benen, toen het koper, het zilver en tenslotte het goud. Het beeld werd vermorzeld als kaf op de dorsvloer, en de wind voerde het mee. Er was geen spoor meer van te vinden. Maar de steen rolde voort en werd tot een ontzaglijke grote berg die heel de aarde vervulde." Nu, dat is de inhoud van die boze droom. En centraal midden in die droom staat daar dat beeld. Dat beeld waarvan Daniël zegt: "Dat beeld o koning, daar met dat gouden hoofd, dat zijt gij." Het is de babylonische mens die zichzelf daar ziet staan in het centrum van het universum. En dan komt daar dat steentje, dat steentje dat werd losgemaakt zonder toedoen van mensenhanden. Ja, eigenlijk een heel vroeg bericht van een maagdelijke geboorte. "Zonder toedoen van de wil van een man", zegt Johannes.

En dat zwelt aan en dat groeit, groter en groter, tot het tenslotte dat hele beeld verbrijzelt. "De steen die door bouwlieden werd verworpen," zegt Psalm 118. En daarop vestigt God zijn Koninkrijk. Want natuurlijk, dat is het beeld van het koninkrijk van God, dat oprijst nadat het de rijken heeft overwonnen. En tegelijkertijd is die steen ook het beeld van Jezus Christus. Professor Berkhof heeft een mooi boek geschreven over de wereldgeschiedenis, en hij noemde dat boek: "Christus, de zin van de geschiedenis." Nu, dat zouden we eigenlijk boven dit hoofdstuk kunnen zetten. Christus, degene die geheimen onthuld, die Zelf in gericht en in genade de wereld gaat vervullen. Ik denk dat dat de twee grondlijnen zijn die ook uit dit visioen naar voren komen. Want in de eerste plaats zien we die steen een werk doen wat vernietigend is. In de eerste plaats is God het gericht van God over de mens die zichzelf in het centrum van het universum plaatst. Die diepe zonde zat in Nebukadnezar. Die diepe zonde zit in de oude Adam. Die diepe zonde zit in ieder van ons. Jezelf zetten in het centrum van het universum. Waar mensen dit doen, daar gaan ze boze dromen dromen.

En ook als ik geen macht, geen geld en geen goed heb dan doe ik het nog. Dan zet ik mijzelf in het centrum van het universum. Ja, en dan komt de onrust. Dat is de diepe verklaring van de onrust van deze eeuw. Hoe kunnen we het anders begrijpen dat de twintigste eeuw, de eeuw van de welvaart waarin mensen uiterlijk gezien toch nog nooit zo welvarend zijn geweest, tegelijkertijd de eeuw is van de onrust. De diepe bedreigdheid. Het onbegrepen misnoegen. Ja, inderdaad, dat komt omdat de mens zich in het centrum van het universum gesteld heeft en dan komt daar die steen. Die komt aanrollen en slaat tegen dat beeld aan. Nu, dat is het eerste deel van het geheimenis van God. De steen die verplettert. De ontmoeting met Christus is in de eerste plaats verbrijzelend. Het is een gericht over mijn centrale leven. Maar daarna, en dat is het tweede, wanneer onze rijken zijn platgewalst, dan groeit die steen aan tot een berg, die heel de aarde vervult. Dat wil zeggen: er volgt op gericht geen leegte, maar juist volheid, en het Koninkrijk, de vrede van het Koninkrijk. De volheid van nieuw leven. De volheid van het vervuld zijn door de geest van Jezus Christus.

We worden overgezet van dat rijk der duisternis in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde. Dat is nu nog klein en dat is nu nog een verborgenheid, maar het groeit uit totdat het als een hele berg de aarde vervult. En dat is de genade die Jezus brengt. Hij breekt af om weer op te bouwen. Hij doet dit niet om onszelf in het centrum te stellen, maar om ons te zegenen. Hij is het geheim van onze geschiedenis. Want dat is eigenlijk toch wel het meest indrukwekkende van dit tweede hoofdstuk van Daniël. Dat dàt, wat persoonlijk waar is wanneer wij Christus aannemen, dat wat dus verticaal waar is, dat dat ook horizontaal waar is. Dat diezelfde Jezus Christus ook degene is die in de geschiedenis de rijken van de mens, de ene na de ander, verbrijzelt, als kaf doet wegwaaien om daarna uit te groeien tot een Rijk wat heel de wereld vervuld. We komen op die rijken zeker nog terug, want ze komen later in het boek nog breder ter sprake.

Dat gouden hoofd van het rijk van Nebukadnezar: Babel; en dan de zilveren borst, dat is het Medisch-Perzische Rijk; en dan de koperen buik, dat is het Rijk van Alexander de Grote; en de ijzeren benen, het Ptolemesche Rijk; en ijzer-lemen voeten, is dat het Romeinse Rijk? We komen op die vragen nog terug. Maar wat hier beschreven wordt is: Er zijn vier rijken in de wereld, vier hoeken der aarde. Vier rijken voltrekken zich daar in de wereldgeschiedenis, en ze worden allemaal verzwolgen door dat ene Vrederijk, de Steen van Serie over Daniël Christus, die straks de hele wereld vervult. Christus is in de geschiedenis aan het werk, lang voor Zijn laatste verschijning. Christus Zelf is de onthulling van het geheim, in gericht en in genade. Nu, voortaan is Daniël de drager van dit geheimenis. Dat is de beste typering, ook denk ik van de gemeente van Christus. Wij zijn, opnieuw staande in babylonische tijden, als Daniël dragers van een geheimenis. En Daniël en zijn vrienden toen, en wij samen met de hele gemeente nu, we zijn dragers van het geheim van de werkelijkheid, het geheimenis van de geschiedenis.

En het wordt van ons verwacht dat we het doorgeven, zoals Daniël het doorgaf aan de babylonische mens in die tijd. Het zou wel erg wreed zijn als we dat geheim voor onszelf hielden. Ik wil met een klein voorbeeld eindigen: Onder de Bedoeïenen is de grootste misdaad niet om iemand te vermoorden, en ook niet om te stelen. Nee, onder de Bedoeïenen is de grootste misdaad dit, dat men een waterbron in de woestijn weet, men de plek kent waar die waterbron is, maar men vertelt het niet aan de ander. Nu, dat is ook de simpele dienst die Daniël bewijst aan Nebukadnezar. Dat hij hem de weg wijst naar de bron. De onrust der mensheid staat open voor een vrede, die gedachten en harten vervuld. En die alle verstand te boven gaat. Amen.