Bijbeltekst: Daniël 3: 18a — Uit de serie: Daniël, deel 3

Ja, zo hebben we in de kinderpreek heel duidelijk gehoord, waar het in deze geschiedenis in Daniël 3 om gaat. We zien dat vooral aan het slot van het verhaal, eigenlijk toch die verwondering, die verbijstering haast van koning Nebukadnezar, die daar ineens stomverbaasd opstaat en zegt: "Maar er is een vierde bij deze drie mannen in de vurige oven! En hij lijkt op een zoon van de goden." Zo staat het er. Dan moet je weten dat goden in het meervoud, en god in het enkelvoud in het Aramees en in het Hebreeuws hetzelfde woord is. Maar Nebukadnezar sprak van de goden. Er zit bij de schrijver van Daniël natuurlijk toch een stille wenk. Er staat ook eigenlijk: de Zoon van God. En zo loopt deze geschiedenis eigenlijk uit in een heenwijzing naar het wonder van de God van Israël, Die zijn Zoon gezonden heeft, die in de vurige oven naast ons is komen staan. Dat is eigenlijk het diepste geheim van Goede Vrijdag, waarnaar we op weg zijn. Dat Hij in de diepste nood naast ons is komen staan, dat er een vierde loopt naast die drie mannen, en daarin ligt onze redding: want Hij leidt ons door de vuurovens heen.

Dat is het natuurlijk waar het in dit verhaal, in deze geschiedenis, ja je kunt zeggen in heel de bijbel om gaat. Want het gaat er in de bijbel om voor een ieder die het leest en het hoort weer opnieuw duidelijk voor ogen te stellen hoe groot de liefde van God is, dat Hij Jezus Christus gezonden heeft Die naast ons komt staan, tot in de diepste nood van ons bestaan. Zonde en dood heeft Hij voor ons overwonnen. Nu, dat is heel duidelijk de boodschap van Daniël 3. Maar ook al gaat het om dat gebeuren daar in die vurige oven en wat dat voor ons betekent, het draait toch in deze geschiedenis om die drie mannen! Het draait om Sadrach, Mesach en Abednego. En zij staan in dit verhaal centraal als mensen die daar midden in de druk toch maar overeind blijven. En daar wil ik nu vanmorgen eens aandachtig bij stilstaan, met die paar kleine woordjes, die me zeer intrigeren. Dat zij antwoorden aan koning Nebukadnezar: "Wij zullen voor uw goden niet buigen, want onze God is in staat ons te verlossen!" En dan dat kleine zinnetje erbij: "Maar ook indien niet, dan nog buigen wij niet voor de goden van Babel." Dat vind ik een heel bijzonder, centraal punt uit dit hoofdstuk.

En daar wil ik vanmorgen wat breder bij stilstaan: dit keer een preek voor de twintigers, want tieners werden twintigers. In het eerste hoofdstuk waren ze nog tieners, nu een paar jaar later hebben zij als twintigers al een belangrijke bestuurspost in het rijk van koning Nebukadnezar. Ze zijn bestuurders geworden in het gewest Babel. En hier staan zij centraal. Trouwens, twintigers zijn ook degenen die in die tijd van hun leven voor grote beslissingen staan. Tieners kleine beslissingen, twintigers grote beslissingen. Als zij, deze Sadrach, Mesach en Abednego, hier -en dat is toch eigenlijk wel een heel belangrijk punt-, hun nek niet hadden uitgestoken, en gedaan hadden wat ze zeiden te doen: niet buigen voor de afgoden van Nebukadnezar, dan was de rest nooit gebeurd. Dan had God bij wijze van spreken geen mogelijkheid gehad om zich zo majesteitelijk te openbaren aan dat babylonische rijk. En daar ligt de kern van de boodschap van vanmorgen. Door alle tijden heen werkt God door mensen. En eigenlijk werkt Hij toch minder door sterke argumenten en door filosofen, maar het meeste toch via de levens van mensen die ervoor gaan en staan. Die staan voor wat ze geloven.

Mensen die het wagen enkel en alleen op Hem te vertrouwen, en zich van Hem afhankelijk maken. Waar zij dat doen krijgt God de kans om zich duidelijk te maken aan de babylonische mens. Dat heeft me getroffen als ik denk aan onze tijd. Onze tijd, waar we spreken over godsverduistering en kerkverlating en tegelijkertijd ook de contouren steeds zien oprijzen van de babylonische mens, die voor zich een gouden beeld maakt, maar hoe kunnen wij in die eeuw laten zien dat God er echt is? Want daar gaat het om, te laten zien dat God er echt is, dat Hij de levende God is. Nou, dat kan alleen als we riskant leven. Als we ons radicaal durven geven, onze nek durven uit te steken. Daar wil ik het over hebben. Wat is dat geheim van Sadrach, Mesach en Abednego? Vier punten. Het eerste geheim van dat riskante leven, waarvan zij getuigenis aflegden, is training. Even terug naar Daniël 1. Ja, het zijn dezelfde mannen die in Daniël 1 weigeren de mozaïsche wetten te overtreden. Dat zijn eigenlijk maar kleine dingen: niet eten en niet drinken wat de koning hen had voorgeschreven. Je zou kunnen zeggen: het zijn nog maar de kleine vingeroefeningen die straks leiden tot het grote werk.

De soldaat van Christus zal altijd eerst een training moeten ondergaan voordat hij tot het grote werk wordt geroepen, en dat zien wij hier in Daniël 1 tot 3. Hier in Daniël 3 is het een publieke daad met politieke consequenties. En met groot levensgevaar. Maar ik denk dat ze die daad nooit hadden gesteld als ze niet eerst in Daniël 1 hadden geleerd om in de kleine dingen trouw te blijven aan de wet van Mozes. U herinnert zich dat nog van vorige week, toen ze aan het hof een heropvoeding moesten ondergaan, toen waren ze daar ook in het allerkleinste trouw. Stelling nummer 1 is dus: Wie in het kleine trouw is gebleken die zet God later ook in voor het grotere werk. Er gaat een training vooraf aan het ingezet worden als soldaat aan het front. En ongetraind zouden ze hier zeker meegesleept zijn toen de muziek weer begon te spelen en de massasuggestie opkwam en iedereen neerviel voor dat beeld, dat gouden beeld. Durf dan maar te blijven staan. Heb dan maar het lef om te zeggen: En ik buig niet! Terwijl iedereen het ziet.

Nu, wie niet eerst, zoals we vorige week zagen, als tiener geleerd heeft kleine, goede keuzes te maken: dwars tegen Serie over Daniël de levensstijl van je omgeving in doe je niet mee met bepaalde dingen, zeg je bepaalde woorden niet; we hadden het over woordgebruik: vloeken; we hadden het over bepaalde kleine dingen die je niet doet: iets stelen, een fiets pakken als de jouwe gestolen is, iets wat gewoon is in bepaalde kringen, je doet niet mee aan bepaalde dingen waar de groep wel naar toe gaat: house of andere ellende. Zulke kleine keuzes zijn als het ware voorbeslissingen voor de grote stap later, als God je echt gaat gebruiken. Zoals hier Sadrach, Mesach en Abednego. Ze worden hier gebruikt omdàt ze die training hebben ondergaan. En niet alleen in die keuzes, in hoofdstuk 2 wordt gezegd dat het mannen van gebed waren. Ik denk dat dat ook een belangrijk punt is bij de training. Dat je hebt leren bidden voor de praktische dingen van iedere dag. Ze wisten niet wat die droom betekende, we lazen dat in Daniël 2, maar ze bogen hun knieën, en ze baden God ervoor, en ze hadden dus een soort van omgang met God, waarbij ze van Hem ook concrete verhoringen van het gebed verwachtten.

Al die dingen, praktische gehoorzaamheid, een stuk gebedsleven, naar zo'n bijeenkomst toegaan en er vooraf voor gebeden hebben, al die dingen horen bij de training die het eerste punt is van het geheim van riskant leven. Dan het tweede. Het tweede wat we zien is hun alertheid, of je zou kunnen zeggen hun paraatheid, hun waakzaamheid. Hoe je het ook maar noemen wilt. Je zou ook kunnen zeggen: Laat je niet bij verrassing inpakken. Want je zal daar maar staan tussen duizenden mensen en de muziek gaat blazen, en de microfoon schettert: knielen!, nou, je valt mee neer voor dat beeld eer je er erg in hebt. Dat geldt tot vandaag toe. En ik vraag me dat af: zijn wij bij het schetteren van de muziek niet, voor we er erg in hadden, meegegaan in een knieval voor het gouden beeld van deze tijd? Waren we wel alert en paraat? Dat is voor mij een knellende vraag. Waar zijn vandaag de Sadrachs, Mesachs en Abednego's? Het is makkelijker om die vraag waar dan vandaag dat gouden beeld is en waar we niet moeten knielen in plaats van wel meedoen, in het verleden aan te wijzen en in de bijbel, dan het vandaag aan te wijzen.

Ik las gisteren de krant, Trouw, en ik dacht: ja, daar heb je er een schitterend voorbeeld van: de laatste oorlogstijd. Want toen stond dat gouden beeld daar weer. Weer een man, de mens die zichzelf verheft en tot God maakt. Dat is toch eigenlijk de hele nazi-ideologie, van het eigen ras en het eigen volk, en toen zijn er verschrikkelijke dingen gebeurd. Er zijn massa's meegeknield waar ze eigenlijk overeind hadden moeten blijven staan. Maar er waren Goddank ook de Sadrachs, Mesachs en Abednego's. En dat las ik hier in de krant. Er staat dat er net een boek verschenen is over de verpleegkundige Diet Eeman, nu 75 jaar en Amerikaanse, en haar vriend Hein Sietsma. En terwijl er 106 duizend van de 140 duizend joden uit Nederland werden weggevoerd, waarbij heel het nederlandse ambtelijke apparaat meewerkte, waren zij één van de weinigen die overeind bleven staan. En ze hebben zich verzet tegen de duitsers, ze hebben een hulpgroep gevormd, en hun leven is beschreven in een boekje dat de titel draagt: "Die hun leven niet liefhadden tot de dood". Want die Hein Sietsma is er bij omgekomen, en zij beiden, zij vertrouwden erop dat een sterkere kracht dan Nazi-Duitsland hen zou beschermen.

Als ik zo'n berichtje lees dan denk ik: ja, daar had je ze, de mensen die niet bogen, niet meededen, en daarbij hun leven op het spel zetten. Maar nu vandaag, wat zou dat vandaag dan zijn? Ik zie eerlijk gezegd geen beelden van zo'n zestig el hoog die midden in het centrum staan, maar ik zie wel overal van die kleine gouden beeldjes, van tien el hoog, en ik denk dat we uiterst alert en waakzaam moeten zijn om daarvoor niet te knielen. Al is het nog geen beeld van zestig el, dan is het al goed om razend op te passen bij die beeldjes van tien el: morgen zijn ze zestig el en staan ze in het middelpunt. En ik denk bij die kleine gouden beeldjes toch aan de claim van zo'n gouden welvaartsstaat, waar je je hele leven voor kan inzetten, nou, dat is een verspild leven. En dan denk ik aan de kleine el van het gokken en het loten. Er aan meedoen is ook zo'n klein gouden beeldje! En ik zie tien el gouden beeldjes bij de spelverslaving, bij de demon van de drank! Drank en drugs, dat zijn ook van die dingen waar massa's voor buigen. En ik vraag me af of die 24 of meer televisiekanalen die we tegenwoordig hebben ook niet zo'n klein beeldje is wat overmorgen je hele leven in beslag neemt.

En wat stilzwijgend binnensluipt in je huis, en je in beslag neemt. Tien el, dat vind ik het beeldje van de steeds verder geaccepteerde soft-porno. Het is eerst soft-porno, zo noemen ze het, en dan komt de rest. Maar het is bij soft al te ver. En overal zie je dus die babylonische geest van de zelf-centrale mens met zijn genot en zijn macht, die centraal komt te staan. Nou, daar moeten we waakzaam zijn en alert, en op tijd in de gaten hebben dat we niet knielen voor deze goden ook al zijn ze nog maar klein. Het derde kenmerk van riskant leven. Ja natuurlijk, dat is één van de kernpunten. En dat is: durven vertrouwen op God. Nebukadnezar zegt: Denken jullie nu echt dat er een God is die jullie uit mijn hand zou kunnen bevrijden? Denk je nu echt dat er een God is die leeft en die handelt en die jullie niet laat vallen? Eigenlijk is dat toch een roepstem die ook naar ons toegaat in de twintigste eeuw. En soms zegt men er nog bij: Moet je nagaan, er waren dan toch honderdduizend joden uit Nederland die in de gaskamers omkwamen. En er was toch niemand die hen hielp? Je zou wel het laatste greintje vertrouwen verliezen.

En toch laten Sadrach, Mesach en Abednego zich hierdoor niet uit het veld slaan. Ze gaan er van uit dat er een macht is groter dan Nebukadnezar. En ze antwoorden hem -ik vind dat heel opvallend- haast arrogant. Als hij die vraag stelt: "Denk je nu echt dat er een God is die jullie uit mijn hand Serie over Daniël kan bevrijden?", zeggen ze: "We achten het niet nodig om u hier op te antwoorden." Alsof ze zeggen: Dat is Gods zaak, er zijn twijfelvragen waarop je niet moet antwoorden. Ja, alleen moet antwoorden met de daad, en dat doen ze. Een daad waarmee ze zich zeer kwetsbaar maken. In de oorlog was dat joden in je huis nemen, en ik denk in onze tijd, zoals ik al zie, dat compromisloos afwijzen van die talloze gouden beeldjes van tien el. Al kost het je je carrière. Wees roekeloos in het vertrouwen op God. Dat is eigenlijk de boodschap. Geef meer dan je hebt. Geef eens iets dat je pijn doet in je portemonnee. Dan doen we nooit, laten we eerlijk wezen. Durf je ook op God te vertrouwen waar alles dat tegenspreekt? Nou, dat vind ik toch wel in de derde plaats kenmerkend voor het geheim van Sadrach, Mesach en Abednego. Dus na training, en dan de alertheid: levend vertrouwen op God.

En dan komt in de vierde plaats nog dat wat ik toch eigenlijk het mooiste vind in die houding van Sadrach, Mesach en Abednego. Dat zien we uitgedrukt in dat kleine zinnetje: Maar ook indien niet. En ik ben al twintig jaar door dat kleine zinnetje geïntrigeerd. Als Nebukadnezar zegt: "Denken jullie nu echt dat er een God is die jullie bevrijden zal uit mijn hand?", dan zeggen ze eerst: "Indien onze God die wij vereren in staat is om ons te bevrijden -en daar zijn we zeker van, daar rekenen we op, we hebben niet eens zin om daar over te praten, zeggen ze heel arrogant-, zal Hij het ook doen. Maar ook indien niet, dat wil zeggen ook als Hij ons niet bevrijdt, zo moet je dat lezen, weet wel dat wij uw afgod nooit zullen aanbidden". Nou, dat noem ik toch eigenlijk wel de kern van riskant, radicaal leven. Ze zeggen: Ook als de Here ons niet bevrijdt, gaan we nog voor Hem. Durft u dat te zeggen? Heer, ik hou het niet langer vol, ik ben jong maar ik weet het niet, ik heb hulp bij de beroepskeuze nodig; ik ben oud, waarom moet ik nog leven? Ik doe nu deze stap wel, de keus voor m'n huwelijk, en al die dingen van baan, leven, huwelijk, ziekte, in al die dingen heb ik Uw hulp nodig.

Durven we dan te zeggen: Maar Heer, ook als U het niet geeft, dan ga ik nog voor U. Nou dat vind ik toch wel heel bijzonder. Ook als U het niet geeft, ga ik nog voor U. En dan weiger ik nog hulp van andere goden. Dat zeiden Sadrach, Mesach en Abednego. Dat wil zeggen ze vertrouwden op God, niet met het heimelijk doel er zelf beter van te worden, maar gewoon om Hem zelf. Ze kiezen voor Hem, ze hebben Hem lief, niet om wat Hij geeft, maar om wat Hij is. Zo zou je het ook kunnen zeggen. En daar komt het laatste geheim eruit. Achter alle training en waakzaamheid en vertrouwen zit heel eenvoudige, onbaatzuchtige liefde. Een liefde zo groot dat ze zeggen: Heer, al komen we er zelf bij om, wij volgen geen afgod maar alleen U. En daarin zit iets van een hele kwetsbare onmacht. Het is zoiets van onmacht van de liefde die niet anders kan, ongeacht de uitkomst. Zo van: Hier sta ik, ik kan niet anders. Er zijn hele rijen mensen in die diepe toewijding aan God ons voorgegaan. En ik zou er wel eens eentje uit willen heffen die bij ons niet zo goed in het blikveld ligt, en dat is de apostel Thomas. Dat was dan zo'n aartstwijfelaar, zo staat hij bekend in de evangeliën.

Maar als je leest in Johannes 11, dan is hij dezelfde die, als alle discipelen tegen de Here Jezus zeggen: "Ik zou maar nooit naar Jeruzalem gaan, want als U naar Jeruzalem gaat dan komt U om, want ze zijn vijandig tegen U gericht, iedereen zegt: het wordt Uw dood", -en dat werd het uiteindelijk ook-, maar dan is het Thomas die zegt: "Kom, laten we gaan om met Hem te sterven." Dat is typisch voor Thomas, dat hij het dan ook het zwartste neemt, hij is negatief: oké, laten we gaan om met Hem te sterven. Maar moet je dat eens omkeren. Eigenlijk zegt hij dus: Ik ga liever mèt Jezus dood dan dat ik zonder Hem verder zou leven. Dus dat is eigenlijk, als je die uitspraak omkeert, een hele diepe toewijding, een hele diepe liefdesuiting eigenlijk. Nou, dat zie ik nu ook in deze uitspraak van Sadrach, Mesach en Abednego. Ook als ik in mijn vertrouwen op Hem omkom, ga ik nog voor Hem. Esther: Kom ik om, dan kom ik om. Job: tegen God beroep ik mij op God. Habbakuk: Ook als de vijgeboom niet zou bloeien en geen vrucht zou geven, en er in de stallen geen vee zou zijn, nochtans jubel ik in de Here mijn God.

Paulus, toen hij die doorn in het vlees had en God tegen hem zei na drie keer bidden: nee, Ik neem hem niet weg, toen zei de Here tegen hem: Mijn genade is u genoeg! En toen leerde Paulus dus dat zelfde. Vertrouw niet om wat God geeft, maar om wie Hij is. En ik noemde ook al Luther. Luther is ook zo'n man: Hier sta ik, ik kan niet anders. Allemaal voorbeelden van mensen die op God vertrouwden zonder iets van Hem te krijgen. Waarom dan? Gewoon omdat ze Hem liefhadden. Niet om wat Hij gaf, maar om wat Hij is. En dat is het. Omdat ze op dat moment beseften: Ik ga liever dood met God dan dat ik zou leven zonder Hem. Je zou het ook zo kunnen zeggen, om dat nog even één keer breder te belichten, je zou kunnen zeggen: Er zijn twee manieren van geloven. Er is een geloven omdat, en er is een geloven ondanks. En ons geloven begint meestal op die eerste manier. Normaal begin je met te geloven omdat. Je gelooft, omdat de natuur zo prachtig is, of omdat je moeder het je verteld heeft, of omdat God je veiligheid en geborgenheid geeft, dat is al dieper, of omdat je zin vindt in je zinloosheid, dat is al heel diep, redenen genoeg. Het doet jou goed en daarom geloof je.

Dan zijn er tijden in ons leven, dat God ons een stapje verder voert. En dat Hij ons iets nieuws wil leren. Eigenlijk voert Hij ons dan terug naar zijn hart. En dan vallen op een gegeven moment al die eigenlijk baatzuchtige redenen weg. Hij leidt ons in de woestijn, zo kun je het ook zeggen. Dat zijn woestijntijden. Die zijn bitter, maar ook zoet. God ontneemt ons alles, alle baatzuchtige reden, maar Hij spreekt ook tot ons hart. Die tijden, dan biedt het geloof ons meer nadeel dan voordeel. En dan daar in de woestijn, daar leren we het geheim van het geloven nochtans. Geloven uit liefde. En dat zeggen eigenlijk Sadrach, Mesach en Abednego als ze zeggen: Ook indien niet. Dat is een volwassen geloof. "Zeker", zeggen ze tegen Nebukadnezar, "de God in wie we geloven kan ons bevrijden en Hij zal het ook, daar Serie over Daniël hoeven we niet eens over te praten, maar weet wel, ook als Hij het niet doet, we buigen voor die afgod niet." Nou dat te durven zeggen, dat vind ik toch eigenlijk wel het grootste. "Heer, hier ben ik, ik wil die baan hebben; ik kan niet zonder partner; ik hou het niet langer vol in deze depressie, red me, red me". Dat mogen we zeggen, natuurlijk.

"Ik weet dat U het kunt, maar ook indien niet, ook indien niet, ik zal niet buigen voor valse vluchtwegen, en ik ga voor U." En dat is de laatste kern van het geheim van het geloof van Sadrach, Mesach en Abednego. Het is het geheim van riskant, radicaal, christelijk leven. Op dat geloof gaat God aan het werk. Inderdaad, soms heeft Hij mensen in de vuuroven niet gered. Dan werd hun dood het zaad van de kerk. Andere keren heeft Hij hen wonderbaar uitgered zoals hier Sadrach, Mesach en Abednego. Dan kregen mensen een voorproefje van het heil in Christus. Want daar ging het om zeiden we aan het begin. Natuurlijk, het gaat in de Schrift om Christus. Het gaat er om hoe God redt door Hem. Maar intussen draait het wel om de mens. Om mensen die God uitkiest, zodat Hij door hen kan laten zien hoe reëel Hij is en dat Hij er is. Nou, dat is de slotsom aan het eind. God zoekt in onze tijd mensen als Sadrach, Mesach en Abednego. En door hun daden gaat Hij aan het werk. Midden in een babylonische cultuur van de mens die sterk is in zichzelf. Waar is God in deze tijd?

Met argumenten kan ik Hem niet bewijzen, maar als wij als Sadrach, Mesach en Abednego eerst ons laten trainen en ons oefenen in de godsvrucht en daarna in de tweede plaats waakzaam zijn en dan vervolgens durven vertrouwen en tenslotte zeggen: en zelfs indien niet, dan gaat God aan het werk, ook nu, zelfs in de meest verworden babylonische cultuur. Dan valt zelfs Nebukadnezar neer voor de God van Israël en dat komt omdat dan het wonder van die God openbaar wordt. En dat is die vierde man in die oven. De man die in de vuuroven naast ons is komen staan. Amen.