Bijbeltekst: Daniël 5: 26-28 — Uit de serie: Daniël, deel 5

Gemeente van Christus, Daniël 5 verplaatst ons naar de laatste dag van een wereldrijk. Van 625 jaar vóór Christus tot het jaar 538 vóór Christus, dat is het jaar waarin deze geschiedenis zich afspeelt, was het babylonische rijk een wereldmacht. Een wereldmacht van grote allure. Met onvoorstelbare wetenschap, wat met al wist van de sterren is onvoorstelbaar, met enorme gebouwen, met een overdaad aan goud, luxe en welvaart. Een wereldmacht zoals wij ze ook kennen, driekwart eeuw, zoiets als de tijd dat de Sovjet-Unie machtig was over heel de wereld. Nu, hier in Daniël 5 bevinden we ons in het paleis van de koning, de kleinzoon van Nebukadnezar, in het hart van de stad. En het zijn de laatste uren van dit grote wereldrijk. Enkele uren na de geschiedenis hier valt de grote koning Darius de stad Babylon binnen, we weten precies hoe het gegaan is, uit buiten-bijbelse bron. Men heeft de gracht, die rondom de muur van de stad gelegen was leeggepompt, leeg laten lopen, en men is gewoon door de bedding, van alle kanten tegelijk, naar binnen gedrongen. En Belsazar hier, de koning der Chaldeeën, het was het Chaldees- Babylonische rijk, die zelfde Belsazar wordt in deze nacht gedood.

Dat is de setting van het verhaal. En de vraag waarmee wij nu dit verhaal lezen en waarop we ons bezinnen, is natuurlijk: Wat leert deze geschiedenis in Daniël 5 ons nu van God, van de God Die ook onze God is, Die ons straks nodigt aan het avondmaal? Het antwoord op die vraag wordt ons gegeven in dat schrift op die wand. Koning Belsazar viert met zijn bewindslieden een groots feest. Wel vreemd, als we het verhaal lezen, want het is een moment dat de stad al in groot gevaar is. De vijand ligt al voor de poort. Je verwacht koortsachtig diplomatiek overleg. Generaals in en uit, de inrichting van een crisiscentrum, niets van dat alles. Belsazar viert feest. We worden meegetroond naar zijn balzaal, waar gouden kroonluchters branden en de maîtressen zich hebben neergevleid op geborduurde sofa's en de wijn in kristallen glazen flonkert. En iedereen heeft het gevoel: er moet hier iets worden overschreeuwd. Onder die feestroes schuilt natuurlijk de angst. "Laten we eten en drinken, want morgen sterven we." En dan wordt het gouden gerei van de tempel erbij gesleept.

Ze halen het uit de archieven, en het wordt dan gebruikt alsof je uit een avondmaalsbeker 's avonds je feestroes zit in te drinken. En iedereen voelt: ja, dit is een stap te ver. En het blijkt. Opeens gebeurt er iets, daar midden in dat feest, en de koning is de eerste die het ziet: hij ziet aan de overkant op de witte wand ineens de rug van een hand met vingers en die schrijft daar zwarte letters. Wat plastisch wordt dat verteld: zijn kleur verschiet, en z'n heupgewrichten worden los en z'n knieën bibberen tegen elkaar, en iedereen die de koning ziet, die kijkt waar hij naar kijkt, en er valt een doodse stilte. En daar schrijft die hand zwarte letters op een witte wand. Als dat onder doodse stilte gebeurt is, verdwijnt de hand, en dan blijven er letters over! Letters op een witte wand. En het geroezemoes begint weer op te komen, en de koning begint wat bij te komen en hij zegt: "Laat de Chaldeeën komen, de wijzen, de geleerden! Ik moet weten wat dat betekent!" Maar als die gekomen zijn, is er niet één die dit schrift weet te plaatsen. Er komt een bovennatuurlijke hand van God, zichtbaar in de geschiedenis daar in de balzaal van Belsazar, en niemand die die boodschap kan lezen!

Niemand kan er iets van maken. Tenslotte komt de koningin-moeder, die nog ergens de herinnering heeft aan Daniël, en die zegt: "maar ik weet er één uit de ballingen van Israël, en die was in staat knopen te ontwarren, dromen uit te leggen, vraag hem erbij!" En ze nodigen Daniël erbij, en Daniël komt daar binnen en ziet met één blik wat die boodschap is daar op de wand. Hoe is dat mogelijk? Als er gestaan heeft op die wand wat hier staat in de bijbel dan moeten die geleerden daar toch ook iets van hebben kunnen maken? Één of andere boodschap, al geloofden ze er zelf niet in, je weet dat je leven op het spel staat bij een dictator, dan maak je er wel wat van! Maar ze konden er niets van maken. En Daniël ziet het in één oogopslag. Nou dat is één van die punten in het verhaal die vandaag zijn verhelderd. Je zou kunnen zeggen: er stond op die wand een soort cryptogram, een soort raadselspreuk. En als we nagaan wat er gestaan heeft, dan stond er waarschijnlijk precies wat daar in vers 26 - 28 geschreven is. U moet namelijk een paar dingen weten. Er stond op die wand het volgende: M N H M N H Serie over Daniël T K L P R S Maar dan in Aramees letterschrift.

Even een kleinigheid: er stond dus: meneh, meneh, tekèl, en dan peres. Je vraagt dan: ufarsin, waarom maak je daar peres van? Nou, de p, geaspireerd, dus met lucht uitgesproken, word een f, dus dat is hetzelfde. Als er een u voor staat, spreek je hem als f uit. U is "en", en de N aan het eind is meervoud. Er staat dus peres in het meervoud. En nu moet u weten, dat die letters daar in het Aramees hebben gestaan. Er staan dus inderdaad alleen medeklinkers. Men schrijft in het Aramees en in het Hebreeuws alleen de medeklinkers, de "consonant". Je moet de klinkers er dus zelf bij invullen. In het Ivriet, als je een krant zou lezen in het huidige Israël, dan zie je alleen medeklinkers. De klinkers moet je er zelf uit het verband inlezen, en dat lukt ook best, als je maar het verband hebt. Maar zo maar een paar woorden op de wand, daar heb je natuurlijk geen verband. Daar moet je het verband nemen, de context uit de categorie waarin je zelf zit te denken. Dat is het boeiende van dit schrift. Een voorbeeld: Als dit: "H KST HR" op de wand zou staan, wat zou je dan lezen? Nou, ben je verliefd, dan lees je meteen: hij kust haar.

Maar als het verkiezingsdag is bijvoorbeeld en je vraagt: Hé, waar heeft hij eigenlijk gestemd? Dan zou je zeggen, in die context: Hij kiest hier! Je kunt zo'n zin, als de klinkers wegvallen dus op verschillende manieren lezen. Dat moet u weten om die plotselinge ommekeer in de geest van degenen die dit schrift lazen, te begrijpen. Nu kunt u begrijpen waarom de geleerden en de wijzen van Babel er niets van konden maken. En nu heeft men vandaag ontdekt wat die woorden uiteindelijk betekenden. En dat is ook iets wat ik er in de tweede plaats bij moet uitleggen, want men heeft opgravingen gedaan in dat oude Babylon, en toen ontdekte men dat die babyloniërs munten hadden. En dat er drie soorten munten voorkwamen in die stad. En die drie soorten munten, en dat was een zeer grote ontdekking, dat was de: mineh, M N H stond er op dat stuk, je zou kunnen zeggen dat was het "telstuk", er zit het woordje "tel" in, en de tikel, in het nieuwe testament lees je van de sikkel, een lichte verandering, dat was dus ook een muntstuk, dat noemde men het "weegstuk", het woordje "wegen" zit erin, en de peres, eigenlijk is dat dus de pars, dat is een "deelstuk".

Het eerste, de mineh was een zwaargewicht, de sikkel een lichtgewicht, en de pars, met z'n tweeën, en stond nog een N bij, dus twee pars, gebroken, die twee pars is een dubbel lichtgewicht. Dus dat zit er tussenin. En ineens krijgen we een idee wat er daar gebeurd is. Daar zijn die geleerden bij elkaar gekomen, ze hebben naar de muur gekeken, ze zagen daar staan: M N H, T K L, P R S, en ze zeiden: Gulden, cent, kwartje! Nou maak daar maar eens wat van! Ze hebben zich achter hun oor staan krabben. Gulden, cent, kwartje. Krijg je een boodschap van God, de Allerhoogste, op een bovennatuurlijke wijze, en dan staat er: gulden, cent, kwartje! Ik denk dat ze het wel honderd keer bij zichzelf hebben staan mompelen: gulden, cent kwartje. Maak daar nou maar eens wat van. Tenslotte gaven ze het op en zeiden tegen koning Belsazar: "Absoluut niets van te maken. Geen boodschap uit af te leiden." En daar komt Daniël binnen. Nu moet u in de gaten houden, dat wordt gezegd tot twee keer toe: Zij prezen de goden van goud, zilver, koper, ijzer, hout en steen. Die prezen ze, ze dachten helemaal in de categorieën van geld. Van geld, van materialisme, het staat niet zover van ons af.

Als dan het teken aan de wand verschijnt dan interpreteren mensen het ook zo! Ook al de crises in onze samenleving worden helemaal gelezen in het kader van economische spanningen. Heel de wereld wordt uitgelegd naar: gulden, cent, kwartje. Ja, zo is het als je in die categorieën denkt. Maar Daniël dacht anders. Daniël komt daar binnen, moet je je voorstellen dat hij van zijn bed is gehaald en weet: in dit uur van de crisis kom ik daar om een boodschap van God te brengen, en hij heeft geweten: hier staat een boodschap van God op de wand, en hij heeft dus gedacht in de categorie van: Wat is God aan het doen? Wat zou Hij deze mensen te zeggen hebben? En in één flits ziet hij het. Wat de geleerden lazen was: minah. Zij vulden daar dus bij het eerste woord de klinkers in van een muntstuk, een telstuk. Maar Daniël leest, en dat moet u op goed vertrouwen van mij aannemen, twee andere klinkers, en dan wordt het niet een 'telstuk', maar 'geteld'! Dan wordt het ineens een voltooid deelwoord. En hij leest bij het tweede stuk niet 'tikel', dat muntstuk, weegstuk, maar hij leest 'tekèl' en dan is het ineens een voltooid deelwoord: 'gewogen'.

En bij het derde leest hij niet 'pars' het deelstuk, maar hij leest 'peres', en dan is het 'gedeeld, gebroken', meervoud, het woord pers zit er dus al in. Gebroken, in stukken gebroken, en aan de perzen gegeven. Ziet u hoe het er zo uit voortvloeit? En ineens ziet Daniël dus daar in die woorden aan de wand, ziet hij niet hun stukken, maar de voltooide deelwoorden van het handelen van God. Hamerende perfecta, en hij zegt tegen de koning en allen die erbij zijn: "Daar staat op de wand: geteld: God heeft uw dagen geteld, en Hij heeft ze gewogen, al uw daden, dat is het tweede woord. En de weegschaal sloeg door, de verkeerde kant op, u werd te licht bevonden.

En dan dat derde: Hij heeft het gebroken, Hij heeft uw rijk in stukken gebroken en het aan de Perzen gegeven." Als al die geleerden, en Belsazar erbij, ineens dat horen, ja, dan zeggen ze: "Ja, maar dat is het!" Ineens maken ze die verandering van geest mee en zeggen: "Ja, natuurlijk, dat is het geweest, hoe komt het dat wij het niet hebben kunnen zien?" En ze staan allemaal verstomd over die boodschap en zeggen: "Ja, absoluut, die man heeft het licht Serie over Daniël gekregen!" En ze hangen hem een gouden keten om de nek en hij wordt tot derde van het koninkrijk gemaakt. In plaats dat ze nu deden wat die boodschap bedoelde, wat zou God er nu anders mee bedoeld hebben dan dat het een laatste appèl is in die decadente sfeer: Keer terug naar God! En dat zegt Daniël ook: "Uw vader Nebukadnezar, toen hij zo werd getroffen, toen heeft hij zich bekeerd, maar u, u prijst alleen de goden van goud en zilver, koper en ijzer en hout en steen. Maar de God, in wiens hand zelfs uw adem is hebt ge niet vereerd.

En daarom deze boodschap." Natuurlijk als een laatste appèl op het hart van die babylonische mens, dat hij zich zou bekeren, terug zou gaan, en zich net als Nebukadnezar zou verootmoedigen. Wie weet had God hun lot gewend. Maar in plaats daarvan eren ze de brenger van de boodschap en dezelfde nacht nog wordt de stad ingenomen en Belsazar gedood. Nu, dat is de geschiedenis van Daniël 5. En nu weer terug naar die vraag: wat leert ons dit nu van God? Nou, ik zou op deze zondag, avondmaalszondag, en met het oog op de lijdensweek er wel eens aandachtig bij willen stilstaan: zo is God dus ook. God is een God die telt, God is een God die weegt, en God is een God die breekt. Dat is het eerste wat toch uit dit hoofdstuk naar voren springt. Hem ontgaat niets van ons leven, geen dag, geen blik, geen woord, geen daad. Hij toetst onze daden en Hij weegt ze, iedere dag. En Hij toetst ons en Hij zegt: En wat stond er deze week in het centrum van zijn of haar leven, van mijn leven? Waar draaide het om, wat waren uw diepste motieven? Hij kijkt dwars door ons heen. En als Hij ziet hoe verworden dat is, dan komt Hij met Zijn gericht. Hij telt, Hij weegt en Hij breekt.

Wij kunnen voor Zijn heilig aangezicht niet bestaan. Als God onze daden weegt, dan wordt alles doorgelicht, en dan worden we te licht bevonden. Dan zijn we er ons van bewust dat we schromelijk tekort zijn geschoten in het echt uitvoeren van Gods liefdesbevel. Echt Hem in het centrum van ons leven te stellen. Eigenlijk zijn we het allemaal hier. We staan hier allemaal onder het gericht. Als we daar niet beginnen, dan begrijpen we ook niets van het wonder van Goede Vrijdag. Moet u maar eens even terugdenken aan die week dat Jezus heenleefde naar die vrijdag, de laatste week, Palmpasen, deze zondag ingegaan. Als je terugdenkt aan die week, dan moet het ons wel opvallen dat in die week Jezus voortdurend gelijkenissen heeft verteld over hoe God de vruchten zoekt die beantwoorden aan de bekering. We hebben de gelijkenis van de wijngaard, toen zond de eigenaar ten einde raad zijn zoon om de vruchten die dit alles moest opleveren op te halen. De geschiedenis van de tempelreiniging is zo'n geschiedenis. De vijgeboom. Overal in de laatste week voor het lijden is Jezus daar aan het tellen en aan het wegen. Zo kan je het wel zeggen. En voortdurend heeft Hij beseft: te licht bevonden!

Daarom Zijn onredelijke woede tegen die vijgeboom, die heeft Hij vervloekt omdat ze geen vrucht voortbracht. Hij telde, Hij woog, en Hij bevond het te licht, en Hij wist: dan gaat God breken. Jezus zegt: "Geteld en gewogen, en gebroken." Dan zegt Hij tegen God: "Geteld, en al die daden van de mensen te licht bevonden." En dan breekt Hij het brood met Zijn discipelen en Hij zegt: "Het is Mijn lichaam, voor u verbroken." Dan zegt Hij tegen God: "Neem Mij maar, breek Mij maar, hier ben Ik, o God, om Uw wil te doen." Ja, meer dan Daniël is hier. Daniël kan eigenlijk alleen oproepen tot bekering. Daar zit natuurlijk al een groot wonder in, zagen we: dat God tot vijf voor twaalf nog blijft aankloppen bij zo'n decadente cultuur, bij Belsazar. Dat is een groot wonder en een diepe heenwijzing: de heilige God is een God Die geen welgevallen heeft aan de dood van een zondaar! Alleen daarin dat hij leeft, dat hij zich bekeert. En ook het gezicht van die God wordt zichtbaar in de balzaal van Belzasar. Maar Daniël kan alleen oproepen tot bekering, Jezus deed meer. Het is eigenlijk ongelooflijk wat daar gebeurd is in de laatste lijdensweek.

Daar is geteld, daar is gewogen, smartelijk geteld en smartelijk gewogen, en toen was daar de hof van Gethsemane. En in de hof van Gethsemane daar heeft Jezus geworsteld dat Hij het gericht van God over die gevallen mensen op Zich zou nemen. En heeft Hij Zich geschikt ten offer. Hij heeft tegen de Vader gezegd, tenslotte: "Ik ben gereed, neem Mij." Zodat er van nu af aan voor iedereen vrijspraak is. Vrijspraak voor wie gelooft. Nu, zo is Hij in de hof gebonden opdat Hij ons zou ontbinden. Zo heeft Hij daarna ontelbare smaadheden geleden, opdat wij nimmer te schande zouden worden. Zo is Hij onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij door de genade van God zouden worden vrijgesproken. Ja, Hij heeft tenslotte de allerdiepste versmaadheid en de angst der hel doorleden toen Hij riep, met luider stem: "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Opdat wij door God zouden worden aangenomen en nimmer verlaten zouden worden. En dat verbond der genade heeft Hij vervuld toen Hij zei: "Het is volbracht." En dat is nu wat we vieren bij het avondmaal. Er is geteld, er is gewogen, er is gebroken. Daar. Het brood is gebroken. Neem dat, zodat het voor u nooit meer komt, dat gericht.

En drink de vergoten wijn, en denk daaraan, dat Hij Die meer is dan Daniël vandaag als de levende Heer weer in ons midden staat en ons verzekert van Zijn liefde en Zijn trouw, bij brood en bij wijn. Hij nodigt u. Hij nodigt de zondaar, Hij vergeeft zelfs degene die Hem het hart gebroken heeft. Amen. Verkondiging van Paaszondag 16 april 1995 door W.G. Rietkerk, Serie over Daniël Nederlands Gereformeerd predikant te Utrecht. Welkomsttekst: "Maar nu, Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn" 1 Corinthiërs 15: 20. Schriftlezing: O.T.: Daniël 6; N.T.: Mattheüs 28: 1-8 Tekst: Matth. 28:6: "Hij is hier niet, want Hij is opgewekt!" Liederen: Lied 214: 1,2 en 3 Psalm 118: 1,3 en 5 Lied 477 Psalm 22: 4,5,8 en 9 Kinderlied 63 Lied 217 Lied: U zij de glorie Introductie verkondiging: God redt niet alleen van de dood, Hij redt ook uit de dood! De redding van Daniël uit de leeuwekuil is een wonderbare redding van de dood. De Here stelt een teken, dat Hij de God is, die kan redden en bevrijden (vers 28).

Dat was de twijfelvraag van koning Darius: "Daniël, gij dienaar van de levende God, heeft uw God, die gij zo volhardend dient, u van de leeuwen kunnen bevrijden?" Dat blijft door alle eeuwen heen de kernvraag: Zal Hij echt kunnen bevrijden?De vreugde over die ene miraculeuze uitredding van toen is niet genoeg. Tussen Daniël en Jezus staan Job en Prediker. Jezus Christus is in onze vertwijfeling naast ons komen staan. Hij had zich kunnen laten redden van de dood (Matth. 26: 53), maar Hij deed dat niet. Hij ging als goede herder voor ons uit door de dood heen! Zijn opstanding is de basis voor het wondere Evangelie: God de Here is een God, die redt ook uit de dood! De Heer is waarlijk opgestaan. Dat is naar het woord van de Heidelbergse catechismus onderpand van onze zalige opstanding. Je mag ook zeggen: Door Jezus is wat Daniël overkwam tot een belofte, ja een beeld geworden voor wat allen zal overkomen, die bij Hem schuilen. Voorafgaand aan de verkondiging vertelde Johan Bosma voor de kinderen de kinderpreek, waarbij hij om te beginnen één kind met touw vastbond, waarna een ander kind hem mocht "bevrijden".

Daarmee maakte hij duidelijk dat je, als je gebonden bent, niets meer kunt, niet lopen, niet bewegen. Zoals dit kind "bevrijd" of "verlost" werd, zo bevrijdde God Daniël uit de leeuwekuil, en Jezus door zijn dood en opstanding ons van de zonde en de dood. Verkondiging: Inleiding: De tekst voor de verkondiging staat in Mattheüs 28 vers 6. Er zijn heel veel parallellen tussen Daniëls redding uit de leeuwekuil en Jezus levensweg en dan zijn redding uit de dood. Je ziet dezelfde intrige, Daniël wordt getroffen op z'n diepste punt, z'n verhouding tot God, er zijn daar de samenzweerders, er is een Pilatus, want Darius is natuurlijk duidelijk een Pilatusfiguur, die alles probeert om het toch tegen te houden en dan uit zwakheid toe moet geven, er wordt een steen gewenteld voor de kuil, zoals voor het graf, en toch is daar de bevrijding. Maar ik heb toch deze zondag de tekst willen kiezen uit het meerdere. Want Daniëls redding is het mindere ten opzichte van de opstanding als het meerdere.

Mattheüs 28 vers 6, de kern van het voorgelezene, waar staat dat de engel tegen de vrouwen zegt: "Hij is hier niet, want Hij is opgewekt!" Gemeente van Christus, Daniëls redding uit de leeuwekuil is eigenlijk het antwoord op de twijfelvraag van Darius. Uit dat hele hoofdstuk Serie over Daniël zou ik dat vers 21b nog eens even naar voren willen lichten. Want daar, als de koning na de hele nacht te hebben gewaakt, naar de leeuwekuil toegaat en de steen weghaalt, dan roept hij hem toe: "Daniël, gij dienaar van de levende God, heeft de God die u zo volhardend dient u van de leeuwen kunnen bevrijden?" Ik vind die vraag eigenlijk de kern en de inzet van het hele verhaal. Is de levende God die u zo volhardend dient wel in staat u, ons, te bevrijden? Het is een eerlijke vraag, en het is hier bij Darius een martelende vraag. En ik denk dat het de twijfelvraag is van alle tijden, tot vandaag toe. De dichter Ed Hoornik dichtte: Onmachtig ben ik God, U te belijden. Poolstilte waart Ge toen ik om U schreide.

Wanhopig wachtende 't gestelde uur Gij laat me hongeren, zonder rust of duur Ge hebt me lief, achter een blinde muur Hoe haat ik U, hoe blijf ik U verbeiden Hij maakte dit gedicht na de tweede wereldoorlog. We worden er deze dagen voortdurend bij bepaald: 37 miljoen doden. Waar zijn die soldaten toch? Samen naar het front en och, wie van ons weet dat nog? Er liep een vrouw mee bij de herdenking van de bevrijding van één van de concentratiekampen. Ze had een armbandje om, met negen eerste tandjes. "Mooie armband", zei iemand tegen haar. "Ja", zei ze, "dit is het tandje van Mirjam, en dat van Esther, en dat van Samuël", en zo telde ze door. Alle negen omgekomen. De twijfelvragen die dit oplevert staan in tussen Daniël en Jezus. En dat heeft me zeer getroffen, het is ook letterlijk waar in de chronologie, in de tijd van de bijbelse openbaring. Daniëls redding uit de leeuwenkuil vond plaats zo ± 500 jaar voor Christus. En in die 500 jaar, tussen Daniël en het evangelie, de verschijning van Jezus, daartussen zijn de boeken Job en Prediker geschreven. En zo helpt de Schrift ons verder. Job zou zeker gezegd hebben als hij het verhaal van Daniël hoorde: "Maar ik kom daar niet mee uit!

Ik geloof vast dat God Daniël gered heeft uit de leeuwenkuil, maar hoe nu bij mij? Mijn leven is verwoest, mijn dagen uitgeblust, mij rest slechts het graf. Ik riep tot God, maar Hij verborg voor mij zijn aangezicht. Zal de God, die ik vasthoudend gediend heb in staat zijn mij te bevrijden?" Voelt u, dat is de twijfelvraag. En Prediker zegt het nog harder: "Wederom aanschouwde ik alle verdrukkingen die onder de zon geschieden, en zie, tranen der onderdrukten en zij hadden geen trooster. Aan de zijde van hun onderdrukkers was macht, maar zij hadden geen redder in nood. En daarom prees ik de doden die reeds lang gestorven zijn gelukkig boven de levenden. En gelukkiger prees ik nog diegenen die er nog nooit geweest waren." Voor twijfelvragen hoeven we niet naar Ed Hoornik te gaan. We vinden ze al in de bijbel zelf. Wonderlijk, precies in die periode tussen Daniël en Jezus. Dat vind ik heel bijzonder. Dat betekent dat de Schrift zelf ons haast bemoedigt om door te vragen, om door te steken naar de diepste twijfelvraag in ons hart: Is die God, die zich de levende God noemt, is die in staat ons echt te bevrijden? Nou, Darius had nog reële hoop.

De hele nacht door is hij onrustig, want die leeuwenkuil was een soort godsoordeel. Nu moest die God van Daniël maar eens laten zien wat Hij kon. Soms, één op de tien keer, lieten de leeuwen eens iemand vrij en dat zag men als een teken van goddelijke bevrijding. En hij blijft onrustig, hij kan niet slapen en hij denkt het ene moment: "Het moet toch kunnen!", en het andere moment: "Maar nee, uit zoiets komt nooit iemand terug." En wie schetst z'n vreugde en verwondering als hij daar in de vroege morgen bij het wegwentelen van de steen het wonder ziet en dan aan het eind zegt: "Maar God, God is een God die bevrijdt en die redt!" Er is een soort voorgloeien van de Paasvreugde. Maar toen kwam Prediker, ik heb hem gelezen, en toen kwam Job, en die kegelde die vreugde helemaal weg. Want iedereen voelt: Ja, het is natuurlijk niet genoeg als we weten van een wonderteken dáár en toen. Wat betekent het voor mij dan, hier en nu? Natuurlijk, er zijn in de laatste wereldoorlog, naast verschrikkelijke onheilsverhalen, ook heel bijzondere reddingsverhalen. Lees maar Floris Bakels of Corrie ten Boom. Maar het is niet genoeg! Wij komen daar niet mee uit.

Want de vragen blijven knagen als we denken aan de Esthers, de Mirjams en Samuëls. Of als we zelf een broer of vader hebben, of een moeder of zuster die door de ergste verschrikkingen heen moest. "En", zegt de Prediker: "Er was geen redder!" Wat zeggen we dan? En dan gaan we eigenlijk iets begrijpen van het hele grote verschil tussen Daniël en tussen Jezus. Want daarom is Serie over Daniël Jezus zelf die weg gegaan. Hij is weggezonken aan de verschrikkelijke martelingen van de kruisdood. En God heeft er nog iets extra's aan toegevoegd: Drie uren diepe duisternis. Zoals Elia tot drie keer toe het altaar op de Karmel met water overgoot om het nog erger te maken, en het wonder des te groter! En zo deed God op Golgotha. Om duidelijk te maken: Hier is het ergste van het ergste gebeurd, erger kan niet. En laten we eerlijk zijn, als we de verhalen lezen uit de evangeliën: Hier was niemand meer die nog hoop zag gloren. De omstanders zeiden: "Anderen heeft Hij gered, zichzelf redden kan Hij niet!! Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld, laat Die Hem dan verlossen!" De eerlijke vraag van Darius is hier omgeslagen in cynisch ongeloof.

Maar ook de discipelen, de vrouwen rond het kruis, Jezus eigen mensen: ze konden het hier niet meer volhouden. Ze waren alles eventjes helemaal kwijt. Ze zeiden later: "Wij dachten, wij hoopten -in de verleden tijd- dat deze het was die Israël verlossen zou, maar toen we Hem gezien hadden aan het kruis, toen dachten we: het is afgelopen." Ze durfden de vraag niet eens te stellen: Zal de God die Hij zo volhardend diende, nu nog in staat zijn om Hem te redden?" En zij en wij, allemaal, wij denken bij de dood toch eigenlijk altijd weer, dat het uit is, afgelopen. Dan staat zelfs God met lege handen. En als Jezus de laatste adem uitblaast, dan valt voor de discipelen het doek. Ze hebben niet eens door dat het van boven naar beneden gescheurd werd. En ze hebben in ieder geval niet goed gehoord dat Jezus' laatste woord niet was: Alles verloren. Maar dat zijn laatste woord was: "Alles gewonnen! Alles volbracht!" Want Jezus is gekomen, en daar stappen we nu van Daniël over naar een veel groter heil, Jezus is gekomen om ons nog veel dieper reikend heil te brengen. Veel dieper dan Daniël ooit kon geven.

Op een bepaald moment, bij Jezus' arrestatie in de hof van Gethsémane, zegt Jezus iets heel opmerkelijks. Als Petrus wil vechten en erop los slaat met zijn zwaard, dan zegt Jezus: "Wat denk je? Ik kan mijn Vader aanroepen, en Hij zal Mij terstond twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen!" En dat is geen grootspraak. We moeten dat volkomen serieus nemen. Jezus had het in zijn macht om glorieuzer dan Daniël dat ooit kon, een wonderteken te stellen. Bijzonder uitredding. Uitredding van de dood. Een machtig wonder, twaalf legioenen engelen staan klaar voor actie. Maar Hij doet het niet, want meer dan Daniël staat hier. Hier is het tenslotte de Heiland zelf, die weet dat niets helpt dan de macht van de dood zelf te verbreken. Dan kan er pas echt bevrijding komen. En dat niets helpt dan alleen die weg van de vernedering die Hij gegaan is. De vereenzelviging met alle wanhopigen die geen redders hadden. Met alle uitzichtloos stervenden. En dat heeft Hij gedaan. En zo heeft Hij Zich overgegeven aan een dood zonder schuld, aan een sterven zonder God, aan een lijden zonder uitzicht.

En toen Hij daar hing in alle lijden, heeft Hij dat lijden van alle naamlozen hangend aan het kruis als het ware omarmd, het doorleden en het tot een pijn in het hart van God gemaakt. En toen is Hij als een zinkend schip onder gegaan. Echt ondergegaan. En toen de laatste voorplecht onder water verdween, en dat is het grote wonder, toe zei Hij niet: alles verloren, maar toen zei Hij: "Alles gewonnen!" Nou, daar gaat het ons duizelen. Hij wist dus dat God Hem redden zou ook uit de dood. "Zoals Hij gezegd heeft", zegt de engel in Mattheüs 28. En daar ligt het immense wonder van Pasen: Hij is hier niet, want Hij is opgewekt! Dat kregen de vrouwen te horen toen ze dachten een dode Jezus te moeten gaan balsemen. Ze gingen naar het graf, vroeg in de morgen, net als Darius. Zou de God die Hij zo volhardend gediend heeft Hem hebben kunnen redden? De vrouwen vroegen het zich niet eens meer af, want de dood is onvermijdelijk, het laatste punt. En toen was er de aardbeving. En toen was daar de herscheppende kracht van God.

En toen was daar die lichtende engel, die daar zit in alle stilte en zegt: "Weest niet bevreesd, ik weet dat ge Jezus zoekt, de gekruisigde, maar Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kijk maar naar de plaats waar Hij gelegen heeft. De doeken zijn zelfs keurig opgevouwen". Wat hier is gebeurd in de tuin van Jozef van Arimathea, dat is nu het antwoord van God op die diepste twijfelvraag van Job en van Prediker, en van Ed Hoornik. "De Schriften moesten vervuld worden", zegt Jezus. En de Schriften zeiden: "Eén moet de beker drinken tot op de laatste druppel, en dan is de banvloek verbroken. Dan verliest de dood zijn macht!!" En als de dood zijn macht verliest dan is er voor ieder mens in Jezus toekomst. Dan keert God in genade weer. Dat is nu het evangelie van Jezus. Het is natuurlijk oneindig veel machtiger dan dat van Daniël. We mogen ook zeggen: Wat God in Daniël met één mens deed, dat doet Hij in Jezus voor allen die geloven. Wie zich vastklampt aan Jezus, midden in de golven van het uitzichtloze lijden, in de uitzichtloze pijn, die deelt met Hem ook die belofte in de opstanding. Die wordt niet van de dood, zo als Daniël, maar uit de dood gered.

Zo reëel als Jezus uit de doden herrees. En zo reëel zullen wij, die in Hem geloven, bevrijdt worden van de machten van de dood. Je zou het ook zo kunnen zeggen: Jezus heeft Daniël vermenigvuldigd als het brood bij de wonderbare spijziging. Hij nam het mirakel van Daniëls redding uit de leeuwekuil en Hij brak het, en Hij reikte het uit aan alle mensen. Zijn opstanding is het bewijs dat Hij, die Ene die toen redde van de dood, dat Hij allen zal redden uit de dood. Want zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus ook allen levend gemaakt worden. Serie over Daniël En daarmee zijn we aan het slot weer uitgekomen bij waar ik begon. Ik zei: Die vraag van Darius, dat is eigenlijk de basisvraag, de kernvraag van het hoofdstuk, maar ook de kernvraag van alle twijfelvragen van de mensen van alle tijden: Zal de levende God, die u volhardend dient, u ook echt kunnen bevrijden? Nu, dat is de vraag die we terecht mogen stellen. En we zagen vanmorgen hoe de Schrift, hoe het Evangelie ons daarin voorgaat. Eerst Job, Prediker, in hun vragen klinkt die wanhoop door. Van de miljoenen die niet zoals Daniël werden gered uit de leeuwekuil.

Er moest iets oneindig diepers gebeuren om die wanhoopsvraag echt te raken. En daarom heeft Jezus Zich laten verscheuren. En daarom is Hij wel de dood doorgegaan en daarom heeft God aan Hem dan ook met overtuiging laten zien: Ik ben de God Die bevrijdt. Hij kan, Hij wil, Hij zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven. Amen.