Gemeente van Christus, vanmorgen begin ik met een voorval van iets wat ik jaren geleden heb meegemaakt in Afrika. En wat ik ook sindsdien nooit heb vergeten. Mijn vrouw en ik waren op uitnodiging in Kenia, in Nairobi in Serie over Daniël Afrika om daar de bekende film van dr. Shaeffer te laten zien over de westerse cultuur, in tien afleveringen. Het was aan de universiteit in Nairobi. De zaal van de universiteit zat stampvol studenten. Want in die tijd, twintig jaar geleden, was het nog een hele happening dat je voor niets een film kon zien, dus alle studenten waren daar gekomen. En wat ons opviel was hoe direct afrikaanse studenten reageren. Toen ze de film zagen reageerden ze direct met commentaar: bewondering, gelach, gesis, gejoel. Bij ieder onderdeel van de film wisten we precies hoe de hele zaal er over dacht. En toen kwam de aflevering waarin dr. Schaeffer de tijd bespreekt van de achttiende eeuw, van de slavernij. En daar, op een groot scherm uitgebeeld, zagen al die zwarte Afrikaanse studenten hoe daar op die slavenschepen de zwarten werden bijeen gedreven, de helft stierf op die boot terwijl ze de oceaan overstaken.
En zij die aankwamen werden afgevoerd en als vee verkocht, de mannen een ijzeren keten om de nek, vrouwen van hun eigen kinderen gescheiden. Al die beelden gleden daar op het doek aan ons voorbij. En iedereen in hele zaal was doodstil, alleen klakten ze met hun tong, achter in hun keel. Ik kan het niet nadoen. Dat was het enige wat we hoorden, verder was het doodstil. Mijn vrouw in ik waren in het midden van de zaal gaan zitten, we wilden het goed zien, en we wilden ook onder hen zitten, wij waren de enige blanken. En op dat moment, voor het eerst in mijn leven heb ik iets beseft van waar Daniël 9 nu over spreekt. Want ineens voelde ik mij een blanke die hen iets had aangedaan. Het was alsof ik door de grond heen zakte. Een gevoel van het is wel in de achttiende eeuw gebeurd, maar dit is toch wat wij hen hebben aangedaan. Met je verstand gezien een onzinnig gevoel natuurlijk want zij waren er niet bij, en ik ben er niet bij geweest, het is iets wat eeuwen terug is gebeurd, en toch voelden zij zich slachtoffer, en ik misdadiger. En we wisten ons schuldig als deel van het geheel. En dat is precies wat hier aan de orde is in Daniël 9.
In dit gebed van verootmoediging en schuldbelijdenis van Daniël. Moet je nagaan: Daniël belijdt hier schuld, schuld voor dingen die hij nooit gedaan heeft. Want we hebben het gelezen, hoofdstukken geleden, hij is daar als veertienjarige jongen naar dat verre Babylon heengevoerd. Hij heeft als geen ander God trouw gediend, en daardoor zeer bijzondere dingen meegemaakt, en door God ook bijzondere gebruikt. Nu is hij naar schatting - de profetie wordt precies gedateerd: het jaar 538- tussen de 70 en 80 jaar. Een oude man dus. En hij mediteert in zijn ouderdom over Israël en Jeruzalem. En dan leest hij de profeten. Blijkbaar was de profetie van Jeremia al op een boekrol neergeschreven, in ieder geval, hij leest daar de brief die Jeremia aan de ballingen schreef. Het kerncitaat staat boven het bulletin van vanmorgen, uit Jeremia 29. En dan leest hij hoe Jeremia had gezegd: "70 jaren zullen over de stad gaan, -eigenlijk staat er: 70 jaren zullen er over Babel gaan-, en dan zal Babel vervallen en dan zal Jeruzalem weer opnieuw gebouwd worden.
Dan zal God opnieuw naar Jeruzalem omzien." En Daniël herinnert zich dat, die belofte aan Jeremia, en hij denkt: "Maar Here hoe lang duurt het dan nog, want ik zie er nog niets van!" Waarom doet God dan nu niets? En dan buigt hij z'n knieën en dan bidt hij God om de vervulling van die belofte. En dan komt het bijzondere van dit hoofdstuk 9. Hij bidt, en terwijl hij bidt groeit hij toe naar een soort van Messiaanse vereenzelviging met zijn volk door de eeuwen heen. En hij beseft plotseling: maar wij, Israël, we hebben er überhaupt geen recht op dat God onze gebeden verhoort! En hij belijdt dan een gemeenschappelijke schuld. Hij is deel van een volk dat al honderden jaren lang de sabbatsjaren schond, niet luisterde naar de wetten van Mozes. Tijden had waarin de armen werden vernederd, denk maar aan koning Achab. Tijden waarin het volk de Baäls na liep. En dan buigt Daniël zich neer in heel diepe verootmoediging. Hij zegt: "Ach Here, Gij grote en geduchtige God, die vasthoudt aan het verbond en de goedertierenheid jegens hen die U liefhebben en Uw geboden bewaren nakomt, wij hebben gezondigd.
We hebben gezondigd, wij, onze vaderen, onze koningen, onze vorsten, we hebben niet geluisterd naar uw knechten, de profeten. Bij U Heer is gerechtigheid, bij ons een beschaamd gelaat." Zo heeft Daniël daar schuld beleden voor dingen die hij persoonlijk nooit heeft misdreven. Maar waar hij wel deel aan had als deel van het volk! Omdat hij zich één wist, zich vereenzelvigde met heel het volk. Nu, wat we hier in Daniël aantreffen is eigenlijk de sleutel op de vervulling van alle beloften van God. God kan en wil alleen in genade terugkeren, Hij wil onze ballingschap beëindigen, maar Hij doet dat pas als wij ons hebben verootmoedigd! Als we hebben erkend: Wij, onze vaderen, onze koningen, onze vorsten, we hebben gezondigd, vergeef het ons. En Here neig Uw oor tot ons en hoor naar ons. "Nee", zegt Daniël, "niet op grond van dit gebed, maar op grond van Uw erbarmen, op grond van Uw trouw aan het verbond." En als de Here dat gebed hoort dan komt Hij nog vóór Daniël zijn gebed heeft beëindigt. En dan geeft Hij hem door Gabriël een boodschap van totale wederkeer en herstel. Voordat ik op dat antwoord -dat is het tweede deel van de uitleg- inga, toch nog even een streep onder dit eerste deel.
Dat eerste deel waarin we eigenlijk de noodzaak zien van het gebed om verootmoediging. Om even weer terug te gaan naar dat voorbeeld over de slavernij: natuurlijk, aan slavernij heb ik niet meegewerkt, maar het is wel een zware schuld die als hypotheek rust op het blanke ras, en zeker, ik ben geen slavendrijver geweest of kapitein op een slavenschip, maar het waren wel Nederlanders die het deden. En onze economie is er wèl bij gevaren. En zo kan ik verder doorgaan. Zeker, ik ben nooit in een Nederlandse kolonie geweest, maar het waren wel Nederlanders die de koloniën als wingewest uitpersten. En als ik de cirkel ietsje wijder trek: zeker, ik ben geen nationaal-socialist geweest in deze eeuw, of communist, maar het waren wel onze Europese volkeren die anti-semiet waren en die de Serie over Daniël joden hebben willen uitroeien. En die elkaar hebben afgeslacht. Het waren wel onze gekerstende, beschaafde Europese volkeren die in de 20ste eeuw, nu, de Here de rug toegekeerd hebben. Europa heeft zich afgewend van het oude fundament, en tot vandaag toe stelt het eigenbelang boven gehoorzaamheid.
Dit zou je op talloos veel gebieden kunnen uitwerken, en ik zou zeggen: luister naar wat onze eigen koningin er over gezegd heeft: Hoe een hele beschaving langzaam afglijdt naar wat zij noemt een egocentrische samenleving. Nu, dat zijn onze zonden, onze ongerechtigheden. Er zal nooit een eind komen aan de ballingschap, zegt het boek Daniël, als we die zonden niet voor God uitspreken en belijden. Ik kan natuurlijk ook uitbreiden naar het nauwere gebied van de kerk, de geschiedenis van de kerk. Ikzelf ben er niet bij geweest, bij de godsdienstoorlogen, bij de tijden waar de deur wagenwijd open werd gezet, voor dwaalleer en Schriftkritiek, en ik ben er maar heel beperkt bij geweest wat er daarna is gebeurt: binnenkerkelijke twisten. Maar 't was wel mijn kerk, en het is wel uw kerk. En we zijn het wel samen, wij die deel hebben aan een kerk die door wettiscisme en door farizeïsme en door liberalisme is verzwakt, en zo is Lichaam van Christus ondermijnd. En het is wel mijn kerk, en het is wel ons verleden, en het zijn wel onze vaderen en onze voorgangers die daar aan schuld dragen. Nu, ik leer hier uit dit gebed in Daniël 9 de sterke stimulans tot schuldbelijdenis en verootmoediging.
Er is geen wederkeer in genade van de kant van God als wij, de gemeente, het volk, bij uitbreiding Europa, de christelijke volkeren, als wij met elkaar ons niet verootmoedigen. En dan niet wijzen met de vinger naar de ander, maar zeggen: "Wij, onze vaderen, onze vorsten, onze koningen, wij hebben gezondigd". Dat is de eerste regel van iedere reformatie, en de eerste regel bij iedere opwekking, bij iedere 'revival'. Deze schuldbelijdenis tot verootmoediging. Maar nu het tweede punt. En dat is het wondere antwoord op dit gebed. God geeft een totaal ander antwoord dan Daniël verwachtte. Daniël bad voor die 70 jaar. Hij zei: "Aan Jeremia is beloofd: na 70 jaar zal Ik in genade terugkeren. Here waar blijft U nu?" We hebben het gelezen: "70 jaar zullen voorbijgaan voor Babel, dan zal Ik weer naar u omzien. Want Ik weet welke gedachten Ik over u koester, gedachten, niet van onheil, maar gedachten van heil en van vrede, om u een hoopvolle toekomst te geven". Dat las Daniël in de boekrol en daar ging hij voor bidden.
Tussen twee haakjes, hij zei dus niet: "God heeft het beloofd dus het zal vanzelf wel gebeuren, ik hoef er niets aan te doen." Nee, hij ging er voor bidden, want ook Gods concrete beloften moet wij aan Hem afbidden. God wil zijn beloften vervullen langs de weg van menselijk gebed, smeking met verootmoediging. Goed, dat zagen we. Maar toen, toen gaf de Here God een totaal ander antwoord dan Daniël verwachtte. Want Hij zegt niet tegen Daniël -wat Hij had kunnen zeggen- nog twee jaar, dan is het zover. Want de tijd van koning Cyrus is al aangebroken, het duurt nog een paar jaar, want onder Cyrus is Israël weer teruggekeerd naar het beloofde land. De terugkeer uit de ballingschap was dus onder koning Cyrus. Maar de Here geeft helemaal niet als antwoord: Wacht maar, nog één, twee jaar, nog een aantal jaren dan zijn de 70 jaren vervuld. Nee, Hij zegt heel kort en kernachtig door Gabriël tegen Daniël: "Het duurt nog 70 x 7 jaar!" En dat vind ik het meest typerende antwoord wat zich hier laat denken. Daniël vraagt: "Heer, zal het 70 jaar zijn?" En Gabriël antwoordt: "Het zijn 70 jaarweken!" 70 x 7 jaar.
Dwars over die eerste voorvervulling heen -want Israël is teruggekeerd uit de ballingschap-, dwars over die eerste vervulling van terugkeer na 70 jaar heen, kondigt Gabriël hier dus iets aan wat nog véél omvattender is. Hij zegt eigenlijk Daniël daarmee: "De ballingschap waaronder je lijdt zit veel dieper!" Echt thuiskomen doe je pas als er eeuwige gerechtigheid is aangebracht. En dat is vers 24. Moet u dat maar eens lezen, wat daar staat, die kernwoorden zijn allesoverweldigend. Gabriël zegt tegen Daniël: "Pas als de zonde helemaal is uitgerijpt -dat is de eerste zin-, en als de ongerechtigheid is verzoend, ja, als er eeuwige gerechtigheid is volbracht, en het woord van alle profeten is vervuld, en er iets allerheiligst wordt gezalfd, pas dàn is de ballingschap voltooid". "Als er iets allerheiligst wordt gezalfd", dat is de laatste zin van vers 24. Het staat er heel onpersoonlijk, maar de kanttekeningen van de Statenvertaling hebben hier terecht teruggewezen op de zalving van Aäron als hogepriester. Dat staat in 1 Kronieken 23: 13. Daar staat: "En Aäron werd afgezonderd voor de dienst van God, opdat hij voor altijd als iets allerheiligst gezalfd zou worden".
Daar staan precies diezelfde woorden. "Hij, met zijn zonen, om offers te ontsteken, om God te dienen en zijn Naam te zegenen voor altoos." Dus hier knoopt Gabriël aan bij die heel oude belofte dat God heil zal brengen door dat aäronitische hogepriesterschap. Dat zal verzoening aanbrengen voor alle volkeren en eeuwige gerechtigheid bewerkstelligen. Dat woord, wat hier wordt geciteerd uit 1 Kronieken, dat wijst dus heen op het hoogtepunt: de vervulling van Aärons hogepriesterschap als de grote Hogepriester Jezus Christus gekomen is. Dus ik lees hier, vers 24, als het antwoord, de boodschap van Gabriël aan Daniël. Ik zie vers 25 tot 27 daarna als een latere aanvulling en toepassing van Daniëls profetie in de tijd van de tweede eeuw voor Chr. Ik zie vers 25 -27 toegevoegd door een diepbewogen verkondiger, de redacteur van het boek Daniël, die deze profetie van Daniël met zich meedroeg en in díe tijd, die tweede eeuw, de moed had om die profetie van Daniël toe te passen op zijn tijd. Hij gaat dat invullen en zegt: "Die 70 weken waar Gabriël van sprak: na 7 weken kwam er een koning, Cyrus, en die zond Israël naar huis.
En toen volgden er 62 jaarweken waarin Israël weer rondom Jeruzalem woonde. Maar toen, toen werd de wettige hogepriester Onias vermoord. En toen volgde er een enorm benauwde jaarweek. Maar die is geëindigd in het herstel van de tempeldienst." Serie over Daniël Zo denk ik dat de profetie van Daniël als het ware in die tijd is toegepast. Een voorvervulling. Maar Gabriëls boodschap zelf aan Daniël die omspant de eeuwen. En die gaat ook veel dieper. Daar wil ik nog even breder bij stil staan. Ik zei al: Daniël zei: "Maar Heer U heeft het toch gezegd, wanneer komt U terug, na 70 jaren?" En dan antwoordt Gabriël: "Niet 70, maar 70 x 7 jaren, 70 jaarweken: sabbatsjaren." Het deed me steeds denken aan wat de Here Jezus antwoordde aan Petrus. U weet wel dat Petrus een keer vroeg: "Heer, hoe vaak zal ik mijn naaste vergeven? Zeven keer?" En dan antwoordt de Here Jezus: "Niet zeven keer, maar 70 x 7 keer." Dat wil zeggen vele malen meer, tot het een goddelijke volheid bereikt heeft. En zo leg ik hier ook dit vers in Daniël uit.
Precies zo zegt hier de Here door Gabriël tegen Daniël als hij vraagt: "Hoe lang nog, 70 jaar?", dan zegt de Here: "70 x 7 jaar!" En daar zit precies datzelfde in, namelijk: Het duurt vele malen langer, het duurt tot het een goddelijke volheid heeft bereikt, tot een goddelijke volheid gekomen is. Want als na 7 x 7 sabbatsjaren er een jubeljaar aanbrak in Israël, dat staat zo in de wet, dan zal er na 7 x 70 sabbatsjaren het grote jubeljaar aanbreken. Het grote jubeljaar des Heren: Totale bevrijding. Dat betekent dat hier aan Daniël dus eigenlijk wordt uitgelegd dat de ballingschap waar hij zo onder lijdt, dat die eigenlijk veel dieper zit. De ballingschap zit dieper, de troost is veel groter, en het perspectief veel breder. Dat is eigenlijk wat Gabriël hier leert. En bij die 3 punten wil ik nog even kort stilstaan. Eerst: de ballingschap gaat veel dieper. Dat moet Daniël diep getroffen hebben, want hij, die dagelijks drie keer bad met het gezicht naar Jeruzalem, natuurlijk heeft hij gedacht: "Als ik straks weer in Jeruzalem ben, dan ben ik thuis, dan is het onheil voorbij, dan is de heilstijd aangebroken." Maar de Here waarschuwt hem.
Hij zegt: "Ook het tegenwoordige Jeruzalem is niet vrij!" De apostel Paulus heeft het later in de Galatenbrief gezegd. Je denkt wel: Dan kom in het paradijs, maar zolang er nog zonde is en overtreding en ongerechtigheid, is er geen vrede, ook niet in Jeruzalem. Daniël is hier eigenlijk in een fout gevallen waarin we allemaal wel vallen. Wij denken allemaal, tenminste dat neem ik aan, zoals de verzetsstrijders dat hebben gedacht in de Tweede Wereldoorlog: Als de vijand maar verdreven is! Als de gehate concentratiekampen maar dicht gaan, dan wordt alles weer goed! Nu, vijftig jaar bevrijding hebben ons wel anders geleerd. En zo denken alle vluchtelingen, en alle ballingen die door oorlogsgeweld uit hun land zijn verdreven: Als ik eerst maar eens terug ben in vrede en welvaart, dan wordt ineens alles goed! "Zal het nu komen Here?", vroeg Daniël, "Het einde van de 70 jaren?" En de Heer antwoordde: "Het duurt nog 70 x 7 jaren, nog 70 jaarweken. Want eerst moet de zonde zijn verzoend!" Dat is het, dan pas is er echt vrede. De ballingschap zit dus veel dieper. Wij, u en ik, we blijven allemaal ballingen, zolang we nog leven in een gebroken en gevallen wereld.
Zolang er nog maar een gram ongerechtigheid is op aarde blijven we nog ballingen. Maar omdat de ballingschap veel dieper wordt gepeild, wordt ook de troost veel groter. Want hier, midden in het Oude Testament, vinden we al een machtige voorzegging van Gods voornemen om wereldwijd die vreselijke gifwortel van de zonde uit de goede schepping van God te trekken. Dan na 70 x 7 jaarweken, op de volheid van de tijd van God zegt Daniël: "Dan zal er een Gezalfde komen, en Hij zal de ongerechtigheid totaal verzoenen, en Hij zal de heilige dienst aan God herstellen". Dat zie ik als de boodschap van God aan Daniël. Dat is een troost die veel groter is dan een tijdelijke aardse opademing. Oké, Babel is gevallen in Daniëls tijd, Israël is teruggekeerd, maar was er toen een heilstijd? Daniël moest beter weten. Wij kunnen zeggen: "De nazi's zijn overwonnen, we hebben 50 jaar bevrijding gevierd, maar was het een paradijstijd? We weten wel beter. En de Eritreërs kunnen zeggen: "Wij mogen weer terug, nu Mengistu verdreven is, en dat is ook een grote gave, maar is daarmee echt een heilstijd gekomen? We weten wel beter.
Het evangelie belooft ons vanmorgen, via de belofte van Gabriël aan Daniël: "Straks zal God eeuwige gerechtigheid brengen." En dat is een troost veel groter dan een nationaal tehuis of een beëindigde oorlog of een goede economie. Het is de enige echte troost. Het is dat we eigendom zijn van Jezus Christus, en dat we deel hebben aan Zijn belofte. Hij is de bevrijder, en Hij komt om de wereld te bevrijden. Die troost is ook veel breder, want die omvat alle volkeren. Als er een eeuwige gerechtigheid is aangebracht, als die ene allerheiligste is gezalfd, zegt de profetie, dan volgt de voleinding. Dat staat aan het slot. Dan blijft er geen donkere hoek op aarde meer onverlicht. Dan zal er geen volk ontbreken en worden we allemaal, zoals we hebben gezongen, in Sion ingelijfd. De Filistijn, de Tiriër, de Moren, -de Nederlanders, de Russen, de Eritreers-, ze worden op zijn rol opgeschreven. God zal hen zelf bevestigen en schragen. En Hij zal op zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen als in Israël ingelijfd. en doen de naam van Sions kind'ren dragen. Nou, dat is wat we hebben gevierd, deze morgen bij de doop. Serie over Daniël Ik kom aan het eind terug bij het begin.
Een korte samenvatting. We lazen vanmorgen Daniël 9, en we hoorden daar het woord van God zoals Hij tot ons sprak in deze profetie. Er zijn eigenlijk twee punten die ik er aan het eind even uit wil lichten. Punt 1: Het grote belang van verootmoedigend gebed. Punt 2: De ballingschap zit dieper. Het eerste: verootmoedigend gebed. We zijn geroepen met Daniël om ons te vereenzelvigen, niet van ons af te wijzen, maar ons één te weten, je vereenzelvigen met je familie, met heel je geslacht, met heel je volk, met heel dit ras. En de grootste vereenzelviging is die met heel de mensheid. Voor het aangezicht van God. En zo vereenzelvigend met dat geheel bidden we: "Heer, we hebben gezondigd, wij, onze vaderen, onze koningen, onze vorsten, we hebben het verzondigd. Maar we doen een beroep op Uw erbarmen." Zulk schuldbelijdend bidden brengt God in actie. Het tweede. Dan blijkt pas hoe diep onze ballingschap en ons vreemdelingschap zit. Er moet veel meer gebeuren dan een oorlog winnen. Er moet een veel diepere vrede worden gekocht. Het gaat ten diepste in de bijbel om de vrede die alle verstand te boven gaat. En daarvoor gaf God ons zijn Zoon. Zijn Naam zij geëerd en geprezen. Amen.