Bijbeltekst: 1 Samuël 16 — Uit de serie: David, de man naar Gods hart, deel 1

Verkondiging: Gemeente van Christus, God zoekt zich een koning. Zo begint deze cyclus die gaat over koning David. We willen ons in deze serie richten op "David, de man naar het hart van God". Vorig najaar lazen we ook over een oudtestamentische gestalte, Jakob, nu is het David. Bij Jakob draaide alles om de zegen en om de vraag: 'Hoe worden wij dragers van de Gods zegen'. Bij David draait alles om Gods Koningschap op aarde. Wat voor worsteling er nodig is opdat dát Koningschap op aarde zichtbaar wordt. Daar willen we ons deze weken op richten. We vragen ons steeds af: wat wil God ons hierdoor leren, wat doet Hij door David, hoe worden wij erbij betrokken?

Het lied 294 zet de toon: 'laat komen Heer, Uw rijk'. Zo'n lied zing je niet vrijblijvend. Dan wordt er ook van ons wat verwacht. Daarom stel ik ook steeds de vraag: "Hoe worden wij hierbij betrokken bij het komen van God op aarde?" Want daar gaat het om, om het Koningschap van God op aarde. Dat thema wordt zo duidelijk al direct in het eerste vers ons aangereikt. De Here zegt tegen Samuël -ik citeer de slotzin-: "Ik heb Mij een koning uitgezocht". Al die woorden vragen accent. Alsof Hij wil zeggen: "Nu ben Ik aan de beurt". We hebben dat gelezen uit 1 Samuël 8. Hoe Israël een koning wilde hebben als alle andere volkeren. Nu, ze mochten hem kiezen, het is Saul geworden en nu zit Samuël bij de pakken neer, bij de afgang van Saul en dan zegt de Here: "Nu kies Ik Mij een koning." Dan staat er eigenlijk niet 'kiezen'. Wie nog een Statenvertaling heeft leest dat er staat: uit gezien. Dat woord 'zien' dat in vers 7 zo'n grote rol speelt in dit hoofdstuk, komt hier naar voren. God zoekt mannen, vrouwen, door wij Hij zijn Koningschap op aarde kan laten zien. Hij ziet ze al voor zich, Hij heeft er één gezien: "Ik heb nu Mij een koning gezien, een man naar mijn hart."

We staan even breder bij dit thema stil omdat dit de toon zet voor de hele geschiedenis van David. God zoekt zich een koning -je zou daar aan toe kunnen voegen- in een Saulscultuur. Is dat niet bijzonder? In één zin is dat wat God aan het doen is in onze tijd, in onze wereld. Aan onszelf overgelaten zijn we als schapen zonder herder. Zo zag Jezus de schare. Hij zag naar hen vol ontferming, omdat ze waren als schapen die geen herder hebben, als een volk

zonder koning. Dan kunt u zeggen: 'er zijn toch koningen te over? Alle volken hebben hun koningen, hun presidenten, hun leiders?' Maar dat is nu wat direct in deze geschiedenis er zo uitspringt, het zijn allemaal dragers van een signatuur van koning Saul. Wat had Israël veel van Saul verwacht. Niet alleen Israël, ook Samuël zelf. Saul had ook alles in huis wat hem tot een groot koning had kunnen maken. Hij stak met hoofd en schouders boven het volk uit. U moet een s opletten hoe vaak dat gezegd wordt. Dat lazen we aan het begin van deze geschiedenis. Dat wil zeggen dat hij imponeerde, in voorkomen, in daadkracht, in visie. Hij had charisma. Toch had Saul Israël niet echt verder gebracht. Het wonderlijke en het pijnlijke met Saul is dat zijn aandachtsblik, naarmate hij in macht groeit, verschuift, God schuift weg uit het centrum, hij zelf komt daar te staan. Bij Saul gaat het draaien om zíjn roem. Bij presidenten zie je dat soms ook, dat ze zich alleen bezig houden met hun naam in de geschiedenis. Toen heeft de Here Saul verworpen. Daar kun je lang en breed over treuren, maar zo was het. Er ligt een zekere irritatie als de Here tegen Samuël zegt: "Hoelang blijf je eigenlijk nog leed dragen over Saul?" We blijven soms heel lang treuren, teleurgesteld in wat wij mensen van onze leiders verwachten. De 'Sauls' zweven door de geschiedenis, ook door de kerkgeschiedenis. Het zijn falende redders.

Ik moest denken aan het 50-jarig jubileum van de Chinese staat. 50 jaar volksdemocratie, we zagen het vuurwerk op de televisie. Groots werd er feest gevierd, maar ik krijg er een heel wrange smaak van. Want wie stond in het middelpunt van die 50 jaar? De grote Mao Tse Tung. Ze hebben hem gevierd als een godgegeven leider, maar het was een koning als Saul, erger nog. Hoe diep zijn ze teleurgesteld, leest u het boek 'de wilde zwaan' maar eens over hoe hoog de verwachtingen waren en hoe miljoenen mensen zijn omgekomen, hoe groot de teleurstelling was in hun president, zoals westerse landen het van hun president verwachtten, Nixon, Reagan, Clinton, en de oosterse volken, van Stalin tot Jeltsin, altijd weer zijn het Sauls soort koningen. Dat is niet niets, vooral aan het begin beloven ze veel, maar aan het eind zit je bij de pakken neer, net als bij Saul, teleurgesteld en verdrietig over falende leiders.

Dan lezen we hier in de tekst: 'God maakt een nieuw begin'. Dan komt David, de man naar Gods hart. De Here zegt tegen Samuël: "Hoe lang blijf je eigenlijk nog treuren? Hou er mee op, richt je op David, Ik heb mij een koning uitgezien". Als je verder leest in de bijbel, -daarom heeft David die centrale plaats in de Schrift- dan blijkt dat deze David bij uitstek de gestalte, de voorafschaduwing is van de Zoon van David, Jezus Christus. U herinnert zich misschien de studie van Mattheüs 1, de eerste bladzijde van het Nieuwe Testament, die begint met drie maal veertien geslachtsregisters. Drie keer veertien. In het Hebreeuws gebruikt men geen cijfers als wij, ze schrijven hun cijfers met letters uit het alfabet. A = 1; B = 2; C = 3; D = 4. Ze schrijven niet de medeklinkers, A en I, en de V is een W. Dat moet je even weten. David in het Hebreeuws is dus DWD, en D is 4, W is 6, dus 4-6-4, dat is bij elkaar 4+6+4 = 14. Drie keer veertien geslachten betekent drie keer dubbel de Zoon van David. Zo schrijft God als het ware over de komst van Jezus en over zijn toekomst, Zoon van David. Nu kunt u begrijpen hoe groots die figuur van David is en wat het niet allemaal betekent dat hij hier geschilderd wordt als de 'man naar het hart van God'. We kunnen uit David heel veel aflezen over Wie Jezus later gaat worden. David is een totaal ander soort koning. Maar je moet er wel ogen voor hebben om het te zien. Je ziet hem niet zomaar zitten, daar ligt het specifiek van dit eerste hoofdstuk over David.

Je moet dus ogen hebben om te zien. Het berust op verkiezing, niet op iets wat wijzelf hebben, en er wordt aangegeven hoe wij ná Jezus koningen, profeten en priesters moeten zijn, in het voetspoor van David, en van Jezus, waarvan bij de intocht in Jeruzalem werd gezegd: "Gezegend Hij die komt in de naam des Heren, gezegend het komende rijk van onze vader David." Zo is Jezus verwelkomt.

Nu verder met het verhaal, want nu begint het eigenlijk pas. Als zo de toon is aangegeven wordt Samuël er op uit gestuurd naar Betlehem, met de woorden: "Neem een hoorn met olie mee, -wel opvallend, bij Saul was een kruik die Samuël moest breken, bij David een hoorn-, en ga naar de Bethlehemiet Isaï, -u weet wel, de achterkleinzoon van Ruth en Boaz-, onder zijn zonen heb Ik Mij een koning gezien, een man naar mijn hart", zegt de Here. We lezen vanaf vers 2 hoe het Samuël dan verder vergaat. Hij komt met tegenwerpingen en zegt: "Hoe zou ik toch ooit kunnen gaan, hoe kan ik, terwijl Saul nog regeert, zijn opvolger zalven?" Dat moet je vooral doen, onder een regerende Saulsfiguur! Dat is een complot, wij weten hoe Hitler met een complot tegen zijn regering is omgegaan. Daar is Samuël nu ook bang voor. Maar de Here helpt hem. Er komt iets heel belangrijks voor het vervolg van het verhaal: de Here helpt Samuël om het in het verborgene te doen. Hij zegt: "Daar draag Ik de verantwoordelijkheid voor, jullie mogen je handen in onschuld wassen". Want dat is de inhoud van dat offer, een heel bijzonder offer. De Here zegt: "Breng daar een offer en een offermaaltijd met een eenjarige jonge koe." Dat was een heel speciaal soort offer, u kunt daarvan lezen in Deuteronomium 21, dat offer werd alleen gebracht als het stadsbestuur de handen in onschuld waste. Bijvoorbeeld als er een lijk was gevonden binnen het bereik van de stad, binnen haar grenzen, en

het stadsbestuur wist absoluut niets af van de moord noch van de dader! Dan mochten ze een eenjarige jonge koe nemen, die op een maagdelijk stukje grond in het dal slachten en boven die geslachte koe hun handen in onschuld wassen. Dat offer wordt hier door Samuël aangegeven aan de leiders van de stad Bethlehem die, zoals we lezen, hem bevend tegemoet komen. Samuël zegt: "Maak een offermaaltijd klaar, mijn komst is met vrede!" Dan weten de leiders dat ze niets te vrezen hebben. Wel opvallend, blijkbaar had iedereen in Israël zo'n soort vrees voor de profeet, want die kon zien wat men in de binnenkamer deed, dachten ze. Dat lees je ook in de bijbel: de profeet kan door mensen heen zien, die komt met gericht als dat nodig is. Wie heeft er een zuiver geweten? Vooral de stadsbestuurders hadden dat niet altijd. Maar Samuël straalt iets uit van: 'het is oké, je mag je handen in onschuld wassen, mijn komst is met vrede.' Dan begint de offermaaltijd. Ook Isaï en zijn zonen zijn uitdrukkelijk uitgenodigd. Ze moeten zich eerst heiligen, hun kleren ritueel wassen en hun baden nemen, ze moeten zich wel op deze offermaaltijd voorbereiden. Wij hebben dat in onze traditie alleen nog maar overgehouden voor het avondmaal, dat je je daarop voorbereid. We dreigen ook dat kwijt te raken, maar er zit wel iets heel moois in, dat je op bepaalde momenten voor God komt en je daar helemaal op voorbereidt. Zo moeten zij dat ook doen. Een jonge koe is klaargemaakt, de gebeden zijn gezegd, het vlees is gebraden en dan gebeurt in een zijzaal, apart van de drukte, waar Samuël voor gekomen is. Hij heeft een aparte plek gevraagd waar hij Isaï en zijn zonen genodigd heeft. Dan komen ze binnen, Isaï als eerste. Daarna, als Samuël en Isaï gezeten zijn, komt de eerste van de zonen van Isaï: Eliab, de oudste. Direct denkt Samuël: 'dat is hem, hem moet ik zalven!' Want van Eliab ging iets uit, hij was een rijzige gestalte -wie denkt daar niet aan Saul- die iets uitstraalde, een moedig vechter, een 'goodlooking' man, eigenlijk had hij alles in huis om een leider te zijn'. Zo denkt Samuël en valt daarmee direct weer in zijn oude fout. Bij Saul was hij ook op de uiterlijke verschijning afgegaan. Daarom zit er in dat vervolg niet zozeer een afwijzing van Eliab, maar iets van een terechtwijzing naar Samuël, een irritatie: "Let toch niet op zijn voorkomen! Mijn man is het niet, Ik heb hem verworpen." Ik zei al, dat heeft niets met een eeuwige verwerping of zoiets te maken, het betekent hier gewoon: gepasseerd, komt niet voor deze vacature in aanmerking. Verder een prima vent. Maar het is vooral tegen Samuël gericht: "Heb je na zoveel jaar nu nog niet leren kijken zoals Ik kijk?" Daar gaat de Here toch even op in, dat is blijkbaar de kern van dit verhaal. De Here zegt tegen Samuël: "Je moet toch leren dieper te zien." Het woord 'zien' komt in één zin, in vers 7, drie keer voor. 'Het komt niet aan op wat de mens ziet, de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan.'

Het is een kunst om dat te leren, ik denk vooral ook voor ons, met onze televisiecultuur, die leert ons helemaal te leven bij wat we zien. Een Nederlander zit gemiddeld drie uur per dag voor de televisie. Wij doen eigenlijk niet anders dan te letten op wat voor ogen is, dat noemen we dan charisma. Charisma is een veel te mooi woord, wij denken daarbij aan de 'look', de vlotheid in woorden. Wij letten op het uiterlijk, op de gezichtsuitdrukking, of iemand een zenuwtrekje heeft of niet. Dat noemen we dan charisma, maar het is het omgekeerde van wat charisma is. Want charisma betekent eigenlijk: genadegave van God. Dat zit niet van buiten, maar van binnen. Dat verbergt zich voor het oog van de mensen. We lazen: 'de ware besnijdenis is niet wat uiterlijk aan het vlees geschiedt, het is wat de Geest doet, het is de besnijdenis van het hart.' Daar let de Here op, hoe, onze gedachten van binnen zijn. Want in de bijbel is het hart in de eerste plaats ons innerlijk overleg. Het is de bestuurskamer van onze persoonlijkheid. Daar worden de diepste plannen gesmeed, daar worden lijnen uitgezet, het is de zetel van de wil en van de diepste gedachten en verlangens van een mens. Daar let de Here op.

Als Samuël heel nadrukkelijk op dat spoor is gezet gaat het verhaal verder. Daar komen ze binnen, de zonen van Isaï, één voor één. Abinadab, de tweede, prima man, maar is het niet. Alle zeven zonen worden aan Samuël voorgesteld. Dan houdt Isaï op, want dit waren zijn volwassen zonen. Hij zal gedacht hebben: 'je gaat toch geen kinderen voordragen voor die positie?' Maar als Samuël indringend vraagt: "Isaï, zijn dit al je jongens?", dan zegt Isaï: "Tja, we hebben nog dat kleintje, die tiener, die is buiten het dorp op de schapen aan het passen!" Die ondertoon zit in wat Isaï zegt: de kleinste ontbreekt nog. De jongste in een groot gezin blijft altijd de kleinste, zo gaat dat nu eenmaal. Hij doet ook het minst belangrijke werk: op de schapen passen. En uitgerekend díe zoon, de achtste, is het. De Schrift zegt: op zichzelf een mooie jongen, hij was blozend, -dat 'rossig' slaat niet op de kleur van zijn haar-. Blozend, met mooie ogen en een knap voorkomen, een herdersjongen. David komt binnen en dan hoort Samuël de Here zeggen: "Hij is het, dit is hem, zalf hem." Samuël neemt de oliehoorn en zalft David temidden van zijn broeders. En van die dag af greep de Geest van de Here hem aan en was hij zijn gezalfde, 'messiach'. Hetzelfde woord als wij kennen: Messias.

Dat staat er, zijn gezalfde koning, David. De achtste zoon, de kleinste, die niet door zijn vader noch door zijn broers en evenmin door Samuël zou zijn uitgekozen. Toch heeft de Here hem wel gekozen. Dat is het meest opvallende

van het verhaal, dat het David was. Waarom? Het verhaal maakt het heel duidelijk: omdat David het hart op de goede plek had. Zo zeggen wij het. Zonder meer het eerste antwoord dat ons in deze geschiedenis wordt toegereikt. David, de man naar Gods hart. Zo had Samuël hem al bij Saul aangekondigd, -1 Samuël 13: 14-, zo was hij genoemd, zo wordt het ons hier verteld. De Here kijkt naar David en Hij ziet niet het uiterlijk, 'wat voor ogen is', maar Hij ziet zijn hart, dat David met heel zijn hart de Heer is toegedaan. Dat is een boodschap, een heel belangrijke. Samuël moest het leren, wij moeten het leren. Kijk verder dan je neus lang is. Staar je niet blind op mensen die direct imponeren. Natuurlijk betekent het ook weer niet, -dat wordt ons hier ook duidelijk gemaakt-: verwacht het dus maar van mensen zonder talent. Dat hebben we er soms van gemaakt: God verkiest niet op grond van plussen; dus -denken wij-, dan doet Hij het op grond van minnen. Dan zal Hij wel al de domoren of de minderbegaafden uitkiezen. Ja, dat zegt Paulus inderdaad: "Wat voor de wereld onaanzienlijk is, heeft God verkozen om aan dat wat wel iets is zijn kracht te ontnemen. Daar hebben we vaak vergissingen mee begaan. Wij denken: 'dan zal Hij wel mensen kiezen die onbegaafd zijn', en ineens letten we niet meer op kwaliteit en schoonheid. Kerkgebouwen zonder smaak, christelijke schilders zonder talent, christelijke muziek die nergens op lijkt, enzovoorts. Nee, dat is het ook niet. David was niet zonder talenten, integendeel. Als je iets verder leest, in vers 18, wordt van hem verteld dat hij bekend stond als: een goed harpspeler, een dappere held, een krijgsman, hij was wel ter tale, schoon van geest en God was met hem. Zes deugden, dat was David. Dan vraagt u misschien: 'maar wat is dan het verschil tussen Saul en David? Nu, David miste het direct-imponerende. Dat heb ik overgenomen uit het boek van ds. H. de Jong: 'de twee messiassen', die zegt: "Bij David moet je hem altijd eerst horen praten, je moet even verder kijken. Hij was 'wel ter tale', maar je moet wel luisteren als hij gaat praten, dan ga je zijn geheim begrijpen." Hij was 'musisch begaafd', ja, maar dan moet je hem wel eerst horen spelen. Het is niet dat direct- imponerende, je moet bij David even verder kijken dan je neus lang is. Je moet hem horen praten en horen spelen. Je moet hem zien vechten en dan komt eruit wat erin zit. Daarom moet je bij David ook altijd de psalmen opslaan. Bij iedere geschiedenis van David kun je een psalm opslaan, dan zie je David in het hart. Dat gaan we ook doen als we verder lezen, dan herkennen we hem. Maar zo is David ook een hulpmiddel om Jezus Christus en zijn Rijk beter te begrijpen. Want zo moet je het ook bij Jezus doen. Niet alleen maar afgaan op wat je uiterlijk ziet of hoort. Een kruis op het dak van de kerk of zoals dat vandaag dan gezegd wordt: zomaar een joodse rabbi uit de eerste eeuw, wie weet een diepzinnig mens of een godsdienststichter. Nee, Jezus is er één van het genre David, Zoon van David. Dat wil zeggen: gezalfd in kleine kring, en straks na een incubatietijd Koning over deze wereld. Daarvoor moet je leren letten op wat Hij zegt, - luisteren-, en je moet zien wat Hij doet, -daar moet je dubbel voor kijken-, en je moet letten op zijn hart. De Davidsgeschiedenis mag ons bemoedigen om dat te doen. Eigenlijk de stijl van God leren kennen, want zo doet Hij het nu nog. Dit is een geschiedenis die ons nu nog mag bemoedigen als ik denk aan wat ik uit die geschiedenis meeneem.

Dit is de stijl van God. Zo werkt Hij tot vandaag toe. Er is een koning gezalfd, de Messias. Maar waar is zijn openbare troonsbestijging? Heeft u het gezien, Jezus die de troon heeft bestegen voor het oog van allen, openbaar? Ik niet. We lezen er pas van in Openbaring 11: 'straks bij de zevende bazuin', helemaal aan het eind. Intussen zingen wij: 'U kennen uit en tot U leven, verborgene die bij ons zijt'. We leven in een incubatietijd, kun je zeggen. Alles zit nog in knop. De Koning is de Gezalfde, de Heilige Geest is op hem uitgestort en op ons! Zeg niet dat we niets hebben. Maar de dag van de kroning moet nog komen, daarvoor moet je dieper zien. Dieper in het geloof zien en dat volhouden. Want we wachten nog op dat uur dat de hemel beeft en alle schepsel in hemel en op aarde uitroept: "Nu heeft Hij het Koningschap aanvaard!" Dat hebben we vanmorgen gelezen. Dan gaat de tempel van God open en wordt de ark van zijn verbond zichtbaar. En dan het slot: 'Die deze aarde, deze schepping trouw gebleven is tot het einde'. Dat is de dag van het Koningschap. Dat uur, dat moment staat nog uit.

Maar intussen is God wel aan het werk in een Saulscultuur. Hij kiest daarvoor, hier in de Schrift, David uit. David moest vóór de Here Jezus uit iets zichtbaar maken van het Koningzijn van God op aarde. Daar was Hij voor geroepen, Israël was Gods proeftuin. Maar wij, zijn gemeente, zijn precies zo uitgekozen. Wij zijn als zijn gemeente uitgekozen om áchter de Here Jezus aan iets zichtbaar te maken van dat God Koning is op aarde. Daar zijn we toe geroepen en dat is een zaak -dat zegt dit gedeelte wel- die begint bij het hart, van binnen uit. Die gaat altijd door een leerschool heen en draagt vrucht in deze wereld. Maar altijd weer opnieuw moet je de ogen van het geloof hebben om dat te zien. De Heilige Geest is gegeven, maar alles voltrekt zich nog in het verborgene, je moet het zien, het is een zaak van het hart. Je ogen niet aflaten leiden, niet weer gaan letten op menselijke kwaliteiten alsof David iets in zich zou hebben dat beter is dan alle anderen, we weten wel beter als de geschiedenis zich later voltrekt. Steeds weer moeten we letten op God, op God die verkiest, God die het dan toch maar doet, die trouw blijft aan zijn verbond. Die mensen uitkiest, weerbarstig materiaal, en die ze smeedt tot zijn instrument, waarvoor ze moeten getraind en klaargemaakt, maar Hij

doet het. Hij gaat er mee verder en werkt heen naar zijn dag. Hij geeft zijn Geest en Hij belooft zijn Rijk en Hij laat zich niet onbetuigd. Op die God vertrouwen we. Van Hem verwachten we onze kracht.