Bijbeltekst: 1 Samuël 24 — Uit de serie: David, de man naar Gods hart, deel 3

Verkondiging: Gemeente van Christus, De geschiedenis van David hebben we tot nu toe gelezen in een soort opgaande lijn. Als een succesverhaal: van 'dat kleintje', de herdersjongen tot -bijna- koning. In Amerika zou men zeggen: van krantenjongen tot president. Maar hier plotseling, komt de wending in het verhaal. Het volk roept: "Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden! Saul wordt jaloers, op het paranoïde af, vervalt in wanen met jaloezie en depressie. David moet letterlijk rennen voor zijn leven. Hij vlucht met nog een aantal dissidenten naar de woestijn. Heel bewust heb ik deze keer uit de tweede periode in Davids leven één hoofdstuk gekozen. Want we stuiten hier op iets waarvan de profeet later zegt: "Het is bitter én het is zoet". Het is een bitter moment op de manier waar God zijn Messiaanse heilsplan uitwerkt, maar wie dieper ziet, ziet ook dat andere: het is tegelijk goed. Je zou kunnen zeggen dat wij hier iets leren over de koninkrijksstijl van God en dat het Koninkrijk soms in zijn tegendeel zichtbaar wordt, in het omgekeerde van wat we verwachten. Maar het is zoet omdat God daardoor op iets uit is. Dat iets is heel bijzonder, dat willen we nu zien.

Het is in de eerste plaats bitter, het wordt in zijn tegendeel openbaar. Wat denkt u dat David nu verwacht had? Gezalfd door de profeet, dat is in het geheim gebeurd, daar wist niemand van. Dan ineens maakt hij een bliksemcarrière aan het hof van Saul. Hij mag daar op zijn harp spelen, hij heeft die bijzondere overwinning op Goliath behaald, wordt aangesteld tot generaal, zelfs topgeneraal en het hele volk loop achter hem aan. Dan denkt iedereen: "Nog even en hij wordt tot koning uitgeroepen". Hoe zal David zich gevoeld hebben als dát ineens loodrecht afbreekt? Dat hij voor zijn leven moet vluchten met een aantal dissidenten, misschien moet je ook zeggen: een aantal ontevredenen, daar in de woestijn? Hoe heeft hij dat beleefd? Dat weten we, we hebben het gelezen in psalm 13 en je kunt het lezen in psalm 56. In al die psalmen vind je de weerslag van de worsteling van David daarmee: 'Hoe lang Here?' en 'waarom verbergt Gij nu uw aangezicht voor mij?' Zo heeft David dat beleefd toen hij ineens achtervolgd werd als opgejaagd wild van spelonk naar spelonk, in de woestijn.

Ja, de woestijn. Zijn woestijntijd gaat vooraf aan zijn koningschap. Dat is bitter. In zulke tijden horen we David in

de psalmen roepen: "Waar blijven nu die beloften van U?" Maar tegelijk is het ook heel bijzonder. Want hoe groeit David hier! Dat vind ik in deze geschiedenis bijzonder sprekend. Hier groeit hij uit tot niet zomaar een koning, maar een Messiaanse koning. Dat is een ander verhaal en dat leert hij hier. Het andere ligt hierin dat hij zich het heil laat geven in plaats van het naar zich toe te halen.

Het verhaal zelf spreekt nog het meest. We volgen het op de voet. We lezen in het begin, toen Saul terugkwam van zijn strijd tegen de Filistijnen, hoe zijn spionnen hem meldden: 'Wij weten waar David is! Hij is bij Engedi". Ik ben er geweest, het is een rotsachtig gebied, er is nog een bron, de Davidsbron en zelfs nog een Davidsgrot. Daar loop je tussen de bergkloven is, over brokken steen en rotsen en bergspleten. Daar heeft David zich verborgen. Saul gaat er op af met maar liefst drieduizend man keurtroepen. Waar zullen ze elkaar treffen? Die plek had niemand voorzien. Als David en zijn mannen zich diep in een grot schuilhouden, wie komt daar helemaal alleen, nietsvermoedend, de grot binnen lopen? De mannen achterin de grot kunnen dat tegen het licht precies zien: 'Als dat Saul niet is!'. In het Hebreeuws staat letterlijk dat Saul naar binnen ging 'om zijn voeten te bedekken', zo is het in de oude vertaling ook vertaald. Rembrand heeft dat met veel humor geschilderd, je ziet Saul op zijn hurken zitten terwijl hij de slip van zijn onderkleed van achteren omhoog, u begrijpt waarvoor. Zijn overkleed ligt achteloos neergeworpen, daar kan David straks bij. Een wacht staat bij de ingang van de grot naar buiten te kijken, achterin zit David met een dolk in de hand. Zo schildert Rembrand dit verhaal. Dan zeggen de mannen van David: "Dit is de dag waarvan de Here gezegd heeft: 'zie, Ik lever je vijand aan je over! Doe nu wat goed is in uw ogen!". Wie zou dat niet met hen meevoelen, want zo is het toch? Hier is David, ten onrechte vervolgd, wat heeft Saul hem alles tot dan toe al aangedaan, wat is logischer dan te zeggen: 'dit is de leiding van God.' Een man die vlak daarvoor nog 85 priesters heeft afgeslacht, zoals we lezen.

'God heeft je aangewezen en hier wordt Saul je op een presenteerblaadje aangeboden, als dat niet leiding van God is!' Zie je hoe voorzichtig je moet zijn om te gauw te denken dat God hierin de hand heeft of dat Hij hierin aan jouw kant staat? Want als je het David hoort vertellen maakt hij ons erop attent, hij zegt dat zijn vrienden zeggen: "Doe nu wat goed is in uw eigen ogen". Dat is een citaat uit de Richterentijd, toen deed iedereen wat goed was in eigen ogen. Maar toen was er dan ook geen koning in Israël, geen Messiaanse koning en dan gaat alles anders toe. Als David zijn manschappen hoort weet hij als in een flits: 'dit is nu de verzoeking'. Natuurlijk, er zal niemand zijn die hem tegenhoudt als hij hier met één dolkstoot Saul treft. 'Eén dolkstoot en de wereld ligt aan uw voeten'. Waar horen we die taal nog meer? 'Eén knieval en alle koninkrijken der aarde liggen voor u open'. Verzoeking in de woestijn. "Eén zwaardslag", zei Petrus in de hof van Getshemané, maar Jezus antwoordde: "Breng het zwaard weer op zijn plaats want al die naar het zwaard grijpen zullen door het zwaard omkomen. Dacht je dat Ik mijn Vader niet kon aanroepen, dat Hij me terstond twaalf legioenen engelen terzijde zou stellen?" Dat zei Jezus op zo'n moment van verzoeking. Zover gaat David niet, maar hij wordt wel bezield door diezelfde Geest als hij zegt: "De Heer beware me ervoor dat ik -let u op de taal- mijn hand zou uitstrekken naar zijn gezalfde!" Naar de Messiaanse koning, want dat is Saul nog, de gezalfde koning van God. Let er vooral op dat David het zó zegt: 'de Here beware me ervoor dat ík mijn hand er naar zou uitstrekken, dat staat zo letterlijk in Genesis 3: 22 als God de mens uit de hof verdrijft, dat hij zijn hand niet uitstrekke en zich zelf zo het leven zou toe-eigenen, eigenmachtig zijn. David hield met moeite zijn mannen in bedwang. Hij bedrijft deze misdaad niet.

Dan lezen we hoe Saul opstaat, de spelonk verlaat en weer verder gaat. We weten hoe de geschiedenis verder afloopt. Daarna volgt wel één van de allermoedigste momenten. Moet je dan het lef hebben om daar als de mindere kwetsbaar op de rots te gaan staan en te roepen: "Koning Saul!", met eigenlijk maar één troefkaart in je hand en dat is het appél op het hart van Saul. David wist dat het een gespleten hart was, van een gespleten mens. Dan zegt hij tegen Saul: "Ik zat in de grot en ik had u zo kunnen doden, maar ik heb het niet gedaan. Zie, mijn vader, de slip van uw mantel hier in mijn hand, ik ben niet op uw onheil uit maar u wel, zonder reden, op het mijne. Ik leg mijn zaak in de hand van de Here, moge Hij me recht verschaffen. Trouwens, waar bent u eigenlijk mee bezig? Ik ben maar een vlo in vergelijking met uw eigenlijke vijand. U kan beter de Filistijnen bevechten. Wat doet u mij, een dode hond, achteraan te jagen?" Als Saul al die woorden hoort zien we hem in een slag versmelten en omslaan in het tegendeel. Hij barst in tranen uit en zegt: "Is dat jouw stem, mijn zoon? -David had gezegd: 'mijn vader'-, je bent rechtvaardiger dan ik. Ook al had je h et gekund, je hebt geen kwaad met kwaad vergolden". Opvallend dat zelfs Saul hier zegt: "De Here had mij in je macht gegeven", zoals Jezus door de hand van God de woestijn in werd geleid om door de duivel verzocht te worden. Hoe wonderlijk zit dat verweven. "Maar ondanks alles heb je me goed gedaan", zegt Saul, "moge de Here je ervoor vergelden". Als hij dan David ziet staan met de slip van zijn mantel in de hand dan ziet hij ineens in een flashback voor zich wie dat ook in zijn hand had: Samuël, toen die hem het koningschap ontnam na die affaire met Amelek. Samuël had een slip van zijn mantel gesneden en gezegd: "De Here heeft het koningschap van u

afgesneden". En nu staat David daar. Saul weet het nu zeker en zegt: "Ik weet het, het koningschap van Israël zal in uw handen overgaan. Maar beloof me alleen mijn nakomelingschap niet uit te roeien". Dat belooft David dan, hij zwoer het hem en Saul ging naar huis. Maar David is niet gek, die denkt: 'op Saul kan je niet aan' en hij blijft verder zwerven in de woestijn. Zijn lijdenstijd is niet voorbij.

Dat was de geschiedenis die we lazen. Eén van de commentaren heeft hierboven gezet: verzoeking in de woestijn. Dat was het. Het heeft me de hele week bezig gehouden. Dit verhaal van David in de woestijn is eigenlijk een spiegelverhaal. Dat is een soort verhaal waarin ons leven, uw en mijn leven ligt afgespiegeld. Want hoe vaak worden wij niet op soortgelijke wijze verzocht? Wij hebben ook onze dromen, zoals David droomde van het koningschap. Soms zijn het dingen die God zelf zo gewild, zo bedoeld heeft. Zei Hij zelf niet: "Het is niet goed dat de mens alleen zij"? Maar hier zit ik en ik ben alleen, en dat doet zeer. En zei Hij niet dat er meer vrede ligt in een bete broods en werk daarbij? Maar hier zit ik, werkeloos, misschien verzocht om het te gaan verdienen in oneerlijke verdiensten. Waarom is er voor mij dan geen werk? Weer anderen verlangen naar genezing, gezondheid en naar -buiten onze grenzen meestal- een dak boven het hoofd, gerechtigheid in het land? Vul maar in, is het niet allemaal beloofd en bidden we er niet om zoals Jezus het ons geleerd heeft? Uw rijk kome en geef ons toch vandaag ons dagelijks brood, dat wil zeggen wat we nodig hebben in ons dagelijks bestaan naar lichaam en naar ziel. Maar wat gebeurt? Hij leidt ons in verzoeking. We komen in een situatie waarvan iedereen wel lijkt te zeggen: Hier is je kans! Dit is de dag die God je geeft, strek je hand uit en haal het naar je toe! De vrouw waarop ik verliefd raak is wel getrouwd, maar wat doet dat ertoe? Ik weet ergens wel dat ze niet de goede persoon voor me is, maar het is wel sterk dat we elkaar nu ontmoeten, dat we elkaar juist hier zien! Totaal onverwacht en ongepland: dat moet wel leiding zijn! En we halen de relatie naar ons toe in plaats van ons die te laten geven. Zo gaat het met ons werk, met ons geld, zo gaat het met het verwerven van bezit. Dat ik nu net op dit moment zo'n aanbieding moet krijgen om met mijn geld te speculeren! Er wordt wat gespeculeerd en het is eigenlijk gokken. Dat lijkt leiding. Maar ook in de kerk gebeurt het. Op een kerkelijke vergadering: dat we nu net in deze vergadering een meerderheid van stemmen hebben! Ik heb het zelf meegemaakt bij een voorstel dat zeer controversieel lag. Wel sterk dat we nu juist de meerderheid hebben. Zo wordt met meerderheid van stemmen een dominee afgezet en een kerk buiten het verband gesteld. Dat is altijd weer de verleiding. Eén knieval en de wereld ligt aan uw voeten…

In Spreuken 20 lezen we: 'een bezit in het begin te vroeg verworven zal u later niet tot zegen zijn'. Een wonderlijke uitspraak, het is al een poging ver in het oude testament om duidelijk te maken wat hier eigenlijk aan de orde is. Het gaat niet alleen om een morele les, van: gehoorzaamheid loont, tast de gezalfde van de Here niet aan, doe nooit iets tegen de uitdrukkelijke wil van God, hoe goed het ook voelt en hoe bijzonder de 'leiding' ook is. Hoezeer mensen ook aandringen om je heen. Dat is zeker waar, die morele les is er, maar daarachter en daaronder zit een goddelijke wijsheid. Een verborgenheid waarvan Paulus later schrijft dat geen oog het gezien en geen oor het gehoord heeft, en het is ook in geen mensenhart opgeklommen. Namelijk: wat Gód bereid heeft voor wie Hem liefhebben. Daar ligt het geheim van dat Messiaanse heilsplan, dat God alléén over ons geluk beschikt en dat Hij niet wil dat we het ons zelf toe-eigenen, Hij wil het ons geven. Om je dat van God te láten geven moet je eerst loslaten. Je moet eerst open handen hebben om te kunnen ontvangen.

In het boekje 'de grote scheiding' van C.S. Lewis moeten alle mensen kiezen: de weg naar de hemel of naar de hel. Een vrouw staat in tweestrijd en komt tot de ontmoeting met haar eigen zoon. "Wat?" zegt ze, "moet ik mijn zoon loslaten, mijn enige zoon? Hij is alles voor me!" De engel zegt dan: "Ja, maar je moet hem loslaten!" "Maar", zegt de vrouw, "zonder hem kan ik nooit gelukkig zijn!" Ze snapt niet dat ze hem juist weer terugkrijgt als ze hem loslaat. Op een hele andere manier, dat is waar, als stukje van God. Maar tenslotte zegt ze: "Ik zou nog liever dood gaan", keert om en gaat de verkeerde weg in. De Kurd zegt: "Wat, Turken liefhebben? Dat nooit!" "Wat", zeggen de Albanezen, "mij niet wreken op de Serviërs die mij dit en dat hebben aangedaan? Onmogelijk". Die Kurd en die Albanees zit in ons allemaal. Om dan maar niet te spreken van Jezus' oproep: mannen, vrouwen, kinderen, huizen, bezittingen, titels, macht op te geven ter wille van het Koninkrijk. We doen het niet, we houden er aan vast, liever gaan we met die dingen ten onder. Luther heeft eens de gevleugelde woorden gesproken: 'Mens, durf te sterven voor je sterft, dan hoef je ook niet meer te sterven als je sterft.' Je mag het ook omgekeerd zeggen: 'blijkbaar is het geluk dat God wil geven, gaat onze voorstelling te boven, en blijkbaar is dat al die operaties, die lijdensweg waard. Je mag het ook zo zeggen: het geluk is zo groot dat we er alleen maar door lijden heen ontvankelijk voor zijn. Dat heeft Paulus nog aan de gemeente mee gegeven. Hij is op zendingsreis gegaan, heeft gemeenten gesticht en op de terugreis is hij er weer langs gegaan, bemoedigde ze bij het evangelie te blijven en dat zij door veel verdrukkingen heen het Koninkrijk zullen binnengaan. Wonderlijke, dat is alles wat hij te zeggen had, wel een heel bijzonder woord. Niemand gaat ooit het Koninkrijk binnen dan langs deze wegen van beproeving en verzoeking. Natuurlijk, er is in de natuur ook populierenhout wat ijlings opschiet, maar God houdt het in zijn rijk op

eikenbomen die door storm en wind gelouterd zijn.

Natuurlijk, er zijn in de wereld van de economie mensen die in drie dagen rijk zijn, de parvenu's, maar het blijft nooit lang, het worden nooit echt gedegen geslachten die de samenleving dienen met hun producten. En wijn die net geperst is schenk je niet direct, die heeft een rijpingstijd nodig. Goede wijn moet liggen. En hoe langer ze ligt hoe beter ze wordt. Er is zilver dat niet gelouterd is. Dat wordt zelden gevonden, maar het is dof. Helder zilver is door vuur gelouterd.

Messiaans geluk is geluk dat door een afstervingsproces is gegaan. Er waren enkele Grieken die graag Jezus eens wilden ontmoeten, dat lezen we in het evangelie in Johannes. Ze zien Jezus als een soort attractie, een man met diepe morele lessen, een wijze leider. Dan leert Jezus hen de grondwet van het Koninkrijk. Hij zegt: "Neem een graankorrel. Komt er ooit een halm en een aar uit als je die korrel aan zichzelf overlaat? Nooit. Je moet hem wel in de grond stoppen, dan komt er een stervensproces en daaruit komt de halm en de aar voort." Dat is het Koninkrijk, dat is het Messiaanse heil, het unieke waarmerk dat als een stempel staat op alle producten uit het Koninkrijk van God, de joods-christelijke heilsverwachting. Zeg me niet dat alle godsdiensten gelijk zijn. Deze grondwet is uniek voor het Messiaanse geluk, het moet door sterven heen. Soms zelfs sterven aan idealen en beloften waarvan je weet dat God ze gaf. Abraham stierf aan Isaäk, maar altijd weer met: "Laat het je geven, haal het niet naar je toe". "Wreek uzelf niet, geliefden", zegt de apostel later nog. "Laat los, eigen je niet toe wat je niet geschonken wordt."

Dat heeft David gedaan, dat heeft hij geleerd in een paar donkere woestijnjaren. Trouwens niet zonder vallen en opstaan. Maar Jezus Christus heeft het wel volgehouden, tot de bittere dood aan het kruis. Daar was helemaal niets meer te zien. Het Koninkrijk in zijn tegendeel. Hoe God ooit nog door die nacht een morgen zou kunnen doen gloren? En toch heeft God het gedaan. Hij heeft dat lijden aan het kruis genomen en voor ons allen van toepassing verklaard en gezegd: "Daar is die Ene gegaan voor jullie allen uit. Eigenlijk hoef je het ook zelf niet meer te doen, blijf in Hem, volg Hem, schuil bij Hem en Ik reken je zijn weg aan." Maar je krijgt er wel achteraf een echo van mee. Net zoals David vooraf geroepen werd het geheim voor te leven van het Koninkrijk, zo worden wij daartoe geroepen achteraf. Zoals de catechismus zegt: 'gezalfd tot profeet, priester en koning, dat zijn wij'. Wij mogen het in ons eigen leven laten zien wat het betekent het je geluk te laten geven, en dat God ons door lijden heen wil leren los te laten wat niet uit Hem is, en dat wachten loont. Dat is de slotsom. Dit deel van Davids geschiedenis is in onze tijd niet populair. Wij willen het geluk 'ready made', direct, hier en nu beschikbaar voor alle mensen, snel. Dat straalt de wereld van techniek en consumptie uit. We kunnen het maken, we maken het voor allen, we maken het hier en nu. Daarom slaan we dit hoofdstuk van David niet over. Want dit hoofdstuk gaat er lijnrecht tegen in. De Here God moet wel iets ongelooflijk groots in gedachten hebben, iets wat al het lijden rechtvaardigt. Zo wordt onze gedachte ten laatste heengetrokken naar dat ongelooflijke, wat in geen mensenhart is opgekomen, wat Hij voor ons bereid heeft en dat die woestijntijd rechtvaardigt. Dat staat ook letterlijk zo in het evangelie: "Voorwaar, Ik zeg u", zegt Jezus in het evangelie: "er is niemand die huis of akker, broeder of zuster, vader of moeder heeft prijsgegeven om Mij of om het evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug." Nu vervolgingen en lijden, maar straks het eeuwige leven, wanneer Hij komt: alle dingen worden nieuw gemaakt, de wederoprichting van alle dingen. We zullen het zien en terugdenken aan die woestijntijd. Dan zullen we denken: 'Ja, dit rechtvaardigt alles wat er aan voorafging'.