Bijbeltekst: 2 Samuël 12 — Uit de serie: David, de man naar Gods hart, deel 6

Verkondiging: Gemeente van Christus, Een zeer bijzondere geschiedenis, van David en Bathseba, wat David gedaan heeft, van Uriah. We kennen het verhaal van jongs af aan. Maar het moet ons toch steeds weer verwonderen dat de grote koning David, naar wie door de eeuwen heen de koningen genoemd zijn: zonen van David, waar later in het Nieuwe Testament Jezus de Zoon van David genoemd is, dat hij ons hier zo wordt voorgesteld. Als er ooit duidelijk is dat de Schrift er niet op uit is om mensen op een voetstuk te zetten, dan toch wel hier, waar een volk in haar toch ook gelijkertijd nationale geschiedenis hier deze toch wel kroniekscandaleuze vertelt van de eigen grote koning David.

Wat mij toen ik deze geschiedenis las en herlas wel het diepste heeft getroffen is dat bij dat bezoek van Nathan dat regelrechte woord van Nathan aan David: gij zijt die man! Pas op dat moment, meer dan een jaar later, breekt bij David door wat hij eigenlijk gedaan heeft. Hoe moeilijk is het om tot inkeer te komen. We hebben gelezen hoe omzichtig Nathan te werk ging. Hij komt binnen in het paleis en legt een zaak aan David voor. Nathan komt bij de koning, de rechter, met een moeilijk geval. Hij vertelt het verhaal. Als David zich geheel argeloos openstelt komt Nathan daarmee tegelijkertijd op kousenvoeten heel dichtbij met zijn verhaal. Want het is een spiegelverhaal. Als David het hoort en zich helemaal heeft ingeleefd en Nathan vertelt wat die rijke eigenlijk heeft uitgevoerd, daarbij benadrukt dat de rijke zelf meer dan genoeg schapen en runderen had, maar toen een reiziger kwam moest hij dat ene ooilam van zijn buurman hebben, dat bij hem op schoot lag, zo was hij er aan gehecht. De rijke man heeft dát lam genomen, geslacht en aan de reiziger voorgezet. Als David dat hoort wordt hij woedend en zegt: "Wat? Die man…?" Twee dingen vallen in de reactie van David op. Het eerste is dat hij overreageert: "Wat, die man is een kind des doods!" Je zou willen zeggen: 'rustig, het is hier alleen maar een diefstal, wel een hele gemene, maar staat daar de doodstraf op?' Maar David reageert zo fel, -dat begrijpen we na het vorige hoofdstuk-, omdat bij hemzelf dat andere broedt. Hij gaat onbewust tekeer tegen zijn eigen kwaad. Dat gaat ons allemaal precies zo. Als je zoon in een bepaalde zwakte op jezelf lijkt ben je veel strenger tegen hem dan tegen je andere kinderen. Eigenlijk straf je dan in hem jezelf. Dat zie je hier bij David ook gebeuren. Hij overreageert: 'Die man is de dood schuldig!'

Het tweede dat me diep ontroert in Davids reactie is dat als hij zegt: 'om wat hij gedaan heeft en geen mededogen

bewezen heeft is hij de dood schuldig.' In dat kleine zinnetje zet hij neer wat zijn eigenlijke kwaad is geweest: dat hij geen mededogen getoond heeft. Die arme was weerloos, en tegelijk was het ooilam het liefste wat hij had. Ergens weet David dat zijn misdrijf nog veel verder ging, want hij heeft niet alleen het ooilam genomen maar ook nog de buurman om zeep gebracht. Als David dat gezegd heeft: 'omdat hij geen mededogen getoond heeft', zegt Nathan: "Maar jíj bent die man!". Dan breekt de inkeer bij David door en dat is ook het moment waarop hij psalm 51 gemaakt heeft. Hier staat het maar met één zin: 'ik heb gezondigd voor U', maar in psalm 51 staat dat met hele duidelijke bewoordingen: 'wees mij genadig, o God, want tegen U, tegen U alleen -alle mensen vallen hier even weg, hij komt naakt voor God-, heb ik gezondigd, mijn zonde staat bestendig voor me. Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw ogen.' Hij windt er geen enkel doekje meer omheen, hij legt het allemaal open en bloot voor het aangezicht van God. Zo gaat hij ermee, op genade, naar God toe.

Deze geschiedenis, van Davids zonde en Nathans parabel, de gelijkenis, en Davids inkeer, vieren wij deze zondag het Avondmaal. Ik zei al, wat me het meest getroffen heeft is dat hoogstpersoonlijke, dat Nathan zegt: "gij zijt die man!" En dat de Here wil dat het voor zijn aangezicht bij iedereen van ons persoonlijk wordt. We kunnen ook vandaag bij de viering van het Avondmaal heel glad gepolijst alle dingen meevieren, je gaat mee met de stroom. Maar dan vieren we het niet goed. Wat de Here wil is dat we uit deze geschiedenis van David horen hoe belangrijk die inkeer is, die persoonlijke inkeer, verootmoediging. Er wordt ons ook verteld waarom dat zo moeilijk is. Maar bovenal hoe ontzaglijk veel dat belooft. Dat zijn de drie momenten die ik uit deze geschiedenis wil belichten. Hoe belangrijk het is, hoe moeilijk, maar ook hoe veelbelovend. Want de gemeenschap met God wordt alleen hersteld langs de weg van persoonlijke inkeer.

Eerst: hoe belangrijk het is om door het profetisch woord gearresteerd te worden. Want het is een soort arrestatie: "jij bent die man…" zegt Nathan, en hij grijpt David aan. Eigenlijk is dat het wonder van de bijbel als we die lezen, van de verkondiging als we die horen en geven, van de Avondmaalsviering als we die meemaken. Eigenlijk staat daarachter steeds weer opnieuw God die heel persoonlijk ieder van ons wil aanspreken en aanraken. Nathan zei tegen David: "jij bent die man…". Hij houdt hem dus niet in algemene bewoordingen voor dat alle mensen zondaren zijn en dat we allemaal schuldig staan tegenover God en dat we in het verbond van genade zijn opgenomen enz. enz. Als het zo was gegaan had David vroom geknikt en gedacht: 'dat is een goeie preek van Nathan', en hij had de liturgie die zondag prima meebeleefd. Maar Nathan dringt door tot het hart, tot de persoon van David, hij wil hem zélf. Dát ontroert me, dat God zo ver wil gaan dat Hij niet rust voordat Hij ieder van ons persoonlijk voor de draad heeft.

De reformator Calvijn zei eens, -daar begon hij zelfs zijn boek 'de Institutie' mee-: "Je kan God niet kennen als je jezelf niet kent". Hij zei, dat mag je ook omkeren: "Je kunt jezelf niet kennen als je God niet kent. Die twee gaan onlosmakelijk samen." Daarom gaat de Here in het contact met ons ook zeer persoonlijk te werk. Hij vraagt van ons op een zondag als deze dat we gewoon heel persoonlijk met ons leven voor God komen en dat we zeggen: "Heer, mijn leven is een open boek voor U, laat me zien wat mij ten diepste bewoog en breng me weer opnieuw, ieder op eigen wijze, tot die zekerheid van Uw genade voor mij persoonlijk."

Misschien denkt u: 'ik merk van dat persoonlijke helemaal niets.' Maar dat komt omdat het zo oneindig moeilijk is om tot ons door te dringen. Dat is een punt wat in dit hele verhaal duidelijk spreekt. Dat komt omdat we allemaal ingepalmd, ingesponnen worden door dat raadselachtig karakter van het kwaad, van de zonde. We zien dat hier bij David als het ware in vlammende lijnen voor onze ogen geschilderd. Ik kan zo wel zeven tentakels beschrijven van die inktvis die de zonde is en waarmee we worden ingesponnen. Bij iedereen weer op eigen wijze maar hier bij David zien we die verstikkende macht wel heel in het bijzonder als we terugkijken naar dat hoofdstuk 11.

Als je zo nagaat hoe de zonde ons inpalmt krijg je hier een modelgeschiedenis. Als je ooit wilt weten hoe dat werkt, lees die geschiedenis dan nog eens rustig door. Het begint eigenlijk heel ontwapenend. Het eerste wat opvalt, dat David thuis zit, wordt in hele kleine trekjes verteld. Dat is heel abnormaal dat David, de vorst van Israël die altijd vooroptrok bij het leger, nu thuiszit. Zijn rustbed wordt genoemd. Wat is er met David aan de hand? Hij laat zijn manschappen gaan in de tijd dat alle koningen ten strijde trekken, -wat een tijd, denk ik dan, maar zo gebeurde dat toen-, blijft zelf thuis en ligt op zijn rustbed. Het is het moment van vrije tijd, hij is ontspannen en tegelijkertijd borrelt daar dan ook de verveling omhoog. Dat is de voedingsbodem die geschetst wordt bij wat David dan overkomt. Ledigheid is des duivels oorkussen, wordt gezegd. Als hij zo 's avonds op zijn rustbed ligt gaat hij in verveling het balkon op, zoals wij 's avonds de televisie aanzetten.

Dan, lezen we, kijkt hij van zijn balkon af naar beneden en ziet hij vanaf het dak Bathseba bezig zich te baden. David zal verwonderd hebben staan kijken, er staat nog bij: die vrouw was zeer schoon van uiterlijk'. Natuurlijk, David zal daarbij gedacht hebben: 'dat is een puur scheppingswerk van God!' Dan gaat het iets verder. Er worden heel in het verborgene keuzes gemaakt. Hij krijgt nog waarschuwingen want als hij vraagt: "Wie is die vrouw daar?", dan zeggen zijn knechts erbij -dat moet je even proeven, want normaal zeg je dan: dat is er één van…, de dochter van die en die"-: "Dat is de dochter van die en die, getrouwd met Uria." Daarmee zeggen ze: 'die deur zit eigenlijk op slot'. Maar David gaat eraan voorbij, hij laat zich door niets weerhouden, zijn begeerte is gewekt, tenslotte: hij is de koning, kan beschikken over alles… Hoe macht corrumpeert. Hij ziet de boom, goed om te zien, ja een lust om van te eten en hij neemt van de vrucht. En dan? Ik denk, -en dat is het tweede wat absoluut een feit is- : zonde voelt goed. De verschijningsvorm van de zonde is niet zo dat we die met veel moeite uitvoeren. Nee, het geeft een stuk vervulling van je diepste behoeften, die God bovendien nog in je gelegd heeft, zal David gedacht hebben. Dat je dan iets doet buiten het duidelijke gebod van God om, dat stop je weg. Het neemt in ieder geval niet weg dat het je bevredigt, David had de nacht van zijn leven. Was het maar hierbij gebleven dan was het allemaal nog niet zo onherstelbaar geweest. Maar als Bathseba een maand later meldt dat ze zwanger is dan volgt een derde stap die weer zo herkenbaar is als ik weet niet wat en dat is de 'cover up'. Denk aan Richard Nixon die er zijn ambt als president van Amerika door is kwijtgeraakt. Heus niet door dat diefstalletje in dat gebouw. Als hij direct gezegd had dat er een stel kerels een inbraak gepleegd had was er geen probleem geweest. Maar hij ging het maskeren, verbergen. Als David hoort dat Bathseba zwanger is dan bedenkt hij een truc. Eigenlijk wel goed bedacht. Hij denkt: Als Uria nu snel thuis komt, slaapt hij bij zijn vrouw, -later als ze de maanden gaan tellen denken ze misschien dat er een maand misrekend is, maar dat gebeurt wel vaker-, en er zou niets uitgekomen zijn van wat David gedaan had.

Maar zoals het dan gaat, dan beginnen de strikken. David wordt ingesponnen. Als Uria thuiskomt blijkt hij een man van karakter. Hij vertelt hoe het in de oorlog ging maar gaat niet naar zijn vrouw, hij is loyaal tegenover zijn collega's: "Zij kunnen niet bij hun vrouw zijn, dan ik ook niet", en hij slaapt in het voorportaal. Dan gaat het hele plannetje van David niet door, want iedereen ziet waar Uria slaapt. Dan komt het volgende stadium. Je kunt hier zien hoe het van kwaad tot erger gaat, want die volgende scène is toch wel heel gênant. David denkt: 'Dan probeer ik het langs een andere weg'. Hij bouwt een feestje en laat de wijn vloeien. 'Want', denkt hij, 'als Uria beschonken is gaat hij wel naar zijn eigen huis, slaapt met Bathseba en mijn doel is bereikt!' Maar Uria is een man van karakter, dat doet hij niet. Zelfs als hij wijn gedronken heeft, misschien teveel, dat wordt niet verteld, blijft hij bij zijn makkers in het voorportaal en Davids plan gaat niet door. Dan krijgt het een grimmig karakter: de maskerade, het dubbelleven, er wordt een verborgen complot gesmeed. David overlegt met Joab, zijn vriend en ze vinden wel wat. Dat wil zeggen: David voorop. Hij denkt: 'Ik zet hem in de vuurlinie! Dan sneuvelt Uria en is het hele probleem opgelost!' Joab, trouw aan David, doet wat hem gevraagd wordt en laat Uria dicht bij de muren komen, de plaats die het meest gevaarlijk is en Uria en enkele van zijn makkers sneuvelen. David wordt een 'dead producing machine'. In plaats van zegen voor het volk zaait hij dood en verderf. Het gaat uit van het paleis, want ook het slot is uitermate veelzeggend, die laatste fase van het kwaad. Cynisme en overreactie, daar eindigt het mee. Uiterst cynisch, als David het bericht krijgt van Joab, via een knecht, dat Uria gesneuveld is. David zegt dan: "Och ja, het zwaard verslindt nu eens deze, dan weer gene." Tenslotte overreactie: hij zegt tegen Joab: "Maak die stad Rabba met de grond gelijk!" En Joab doet dat.

Dat is het eind van een zondegeschiedenis. Als dit gebeurd is duurt het een jaar voordat Nathan komt. Als u wilt weten hoe David zich in die tijd gevoeld heeft moet u psalm 32 lezen. Hoe David dat jaar voortdurend heeft moeten wegduwen wat gebeurd is, wat in zijn gebeente zat, wat hem dag en nacht kwelde, hoe hij het alsmaar verdrong en zichzelf omhoog hield, al zijn angsten moest bezweren. Dan komt Nathan. Als die nu met een boetepreek was gekomen had David hem resoluut de deur gewezen. Wie ingesponnen is door de zonde kan er niet uit. Ik denk dat dat komt door die hele diepe angsten, gerechtvaardigde angsten. 'Als ik hier laat zien wat ik gedaan heb dan val ik van mijn voetstuk, dan verlies ik mijn goede naam, dan wordt ik afgewezen'. Die diepste angsten weerhouden je om voor de draad te komen.

Maar dan het wonder. Dat is het punt wat mij het meest getroffen heeft, dat God van zijn kant het er niet bij laat maar dat Hij daar doorheen breekt en dat dat op zo'n wondere manier gebeurt, eigenlijk via een omweg. Vaak moeten wij via een omweg worden gearresteerd. Want het is een omweg. Nathan komt bij David en vertelt het verhaal zoals we dat lazen. Zo sluipt hij als een sluipmoordenaar, maar dan van het goede soort, naar binnen en komt heel dicht bij Davids hart. David beantwoordt met zijn andere ik, zijn wedergeboren ik. Hij beaamt: "Ja, wat deze man, die rijke man, gedaan heeft is afschuwelijk. Hij verdient de doodstraf, hij heeft geen mededogen bewezen." Dan hoeft Nathan nog maar één ding te doen: het masker aftrekken. Dan zinkt David door de knieën. "Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd", zegt hij in psalm 51. Denk niet dat hij niet gezondigd heeft tegen

medemensen, reken maar, dat is heel duidelijk. Maar hij wil ermee zeggen: "Ik kom nu met mijn zonden helemaal alleen voor U, ik let niet meer op wat de mensen zeggen of denken, maar voor U en voor U alleen kom ik." Hij windt er geen doekjes meer om, hij zwakt het niet af, hij komt met zijn leven zoals hij is.

Dan het wonder: als wij dat doen en zo voor het aangezicht van God komen, dan zwicht God. Als David zo met een totaal verbrijzeld en gebroken hart voor God komt, dan doet God wat hij later beschrijft in de gelijkenis van de verloren zoon, waar de vader zijn armen om zijn zoon slaat, hij vergeeft hem en geneest hem en gaat met hem verder. Dat is het grootste wonder van deze geschiedenis van David en Bathseba, van Uria en van Nathan. God gaat ook met de slachtoffers een weg. Ook hen houdt Hij vast. Maar hier valt alle aandacht op David, die langs deze weg van inkeer dan ook God leert kennen op ongekende wijze: God die ons genadig is, die ons vergeeft.

Dat mogen wij deze zondag met elkaar vieren. Daarom vond ik het wel heel bijzonder dat deze geschiedenis zich bij de viering van het Heilig Avondmaal zo voordeed. Want die diepte heeft de viering van het Avondmaal. Wij hebben allemaal, ieder op eigen wijze, onze zonden. Ze komen niet in de krant, maar ze zijn er op precies dezelfde wijze, wij worden ook ingesponnen en we zitten klem en we hebben onze manieren om het weer te bedekken en zo wordt het van kwaad tot erger. God wil dat we daar op een gegeven moment mee breken en dat we op zo'n moment met dat wat zich in ons eigen leven heeft voorgedaan naar Hem gaan. Dan reikt Hij ons het brood der genade en de beker van verzoening. Want zo heeft Jezus die maaltijd bedoeld. We lezen het in het evangelie van Lucas, Hij heeft het bedoeld als maaltijd van vergeving: "Nu is aangebroken het verbond der genade in Mijn bloed." Want wat hier in de geschiedenis van David nog maar sluimert, dat breekt in het Nieuwe Testament door. Je zou kunnen zeggen: "David krijgt vrijspraak op vooruitbetaling, omdat al de zonde van de hele wereld straks door zijn Zoon, dé Zoon van David, aan het kruis wordt verzoend. Dat feest vieren we met des te meer vreugde en zekerheid.

In dat woord van Nathan: Gij zijt die man!, Gij zijt die vrouw!, proef ik drie momenten. 1. dat heel persoonlijke, dat God met ons persoonlijk verder wil. Dat Hij míj wil. 2. jazeker, dat betekent dat ik ook door die vuurproef heen moet gaan in totale eerlijkheid en moet staan in het gericht. 3. Tegelijkertijd dat grote wonder: dwars door alles heen mogen wij dank zij Jezus Christus toch man, vrouw zijn naar het hart van God. Hij bewijst ons genade en bergt ons onder zijn vleugelen in verzoening en in genezing.