Verkondiging: Gemeente van Christus, Wat mij het meest aangesproken heeft bij het verder lezen in de geschiedenis van David, is deze figuur van de vrouw uit Tekoa. De profetes zonder naam, want haar naam wordt niet genoemd. Dat is iets wat me getroffen heeft. Een anonieme vrouw uit Tekoa, ze heeft niet eens een naam en toch speelt ze hier een belangrijke hoofdrol in de heilsgeschiedenis. Het is een wijze vrouw, die iets kan wat Joab -wat mannen-, niet kunnen. Ze bewerkstelligt een doorbraak bij David. Het is de 'Pietje Baltus' uit het oude testament. U weet wel hoe de geleerde dr. Abraham Kuijper in zijn eerste gemeente, Beesd, onder Utrecht, door een oudere vrouw in zijn gemeente tot diepere kennis van het evangelie gebracht is. Hij heeft altijd in grote eer over haar, Pietje Baltus, gesproken. Hij zei: "Ik kwam daar als geleerde doctor in Beesd aan, maar deze vrouw heeft me de geheimen van het evangelie uitgelegd."
Ik moest aan die vrouw denken. Zo'n vrouw is deze vrouw uit Tekoa. Waarom is zij zo'n grote in het Koninkrijk? Omdat zij hier de Messiaanse koning de weg wijst naar het hart van God. Al het andere wat ze zegt -ze heeft een hele lange toespraak- had Joab haar voorgekauwd. Hij had haar opgezocht en alles voorgezegd wat zij zeggen moest om de koning zo ver te krijgen dat hij Absalom weer naar huis haalde. Maar je proeft: dit komt van haar zelf, een heel diep besef hoe kort het leven eigenlijk is en dat we allemaal worden geplengd als water. Wat gebeurt er als je een beker water plengt, uitgiet? Dat water loopt weg en er is niemand die het opraapt of op kan rapen. "De dood is onherroepelijk", zegt ze daarmee. Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar is het goed om dat te beseffen. In alle kerken is dat in de aandacht: hoe kort is het leven en hoe weinig tijd hebben we om iets wat kapot is weer goed te maken! Het is alsof er in deze geschiedenis iets doorklinkt: "David, je kan nu wel verticaal weer goed zijn met God en van God vergeving ontvangen hebben, maar deel je het nu ook uit naar anderen?" Dat is de ondertoon van dit verhaal. De vrouw zegt: "Je leven is maar kort, blijf niet rouwen over Amnon, let op de levenden, op Absalom, en maak je conflicten in orde voor het niet meer kan. Ik weet het, dat kan je niet zelf in eigenkracht, maar let dan ook op Hem, op God. Hij neemt het leven niet weg. Hij laat het niet gaan maar is voortdurend bezig naar wegen waarlangs de verstotene weer terug mag komen bij Hem." Zo vinden we hier, heel diep in het oude testament, een uitleg van wat het hart is van het evangelie. Zo is God, dit is het waaraan Hij werkt. "En David, wat doe je daar nu mee? Moet dat je niet heel veel zeggen?"
De aandacht valt vooral op de andere hoofdpersoon uit dit verhaal, koning David, een David die we eigenlijk nog
niet kennen. De David voor de affaire Batseba was fier en vurig, kijk maar hoe hij Goliath te lijf gaat en Saul behandelt en Amalek overwint. De David na Batseba is een gebroken man, geknakt en aangeslagen. God is met hem bezig, totaal anders dan hij vermoed had. Je zou kunnen zeggen: 'zolang David aangevallen werd door vijanden van buiten, wist hij het heel goed te doen, maar zodra -om met de catechismus te spreken- de duivel en de zonde en je eigen vlees, zodra vijanden van binnen hem aanvielen, toen knakte en aarzelde hij.' Er staat ook in het vervolg: 'hij werd door tweestrijd verscheurd'. Zo treffen wij hem hier aan in de aanvang van dit onderdeel van de geschiedenis. Er zijn twee krachten die in David om de voorrang vragen. Aan de ene kant is daar David, de koning die het recht bestelt en die de wetten moet handhaven. Hoe kan hij vanuit die functie ooit Absalom voorrang geven en weer terug laten komen? Aan de andere kant is David daar als vader die zijn jongen niet kan missen. Er blijkt uit het verhaal dat Absalom zijn liefste zoon is. Intussen is David nog vervuld met bittere herinneringen over de dood van Amnon, zijn oudste zoon.
Het lijkt wel of er een echo van Davids zonden door zijn gezin heen galmt. Verkrachting en moord. Amnon verkrachtte zijn zuster Tamar en Absalom vermoordde Amnon en is toen gevlucht. In het begin van het verhaal blijkt dat hij al drie jaar verbannen is buiten Israël. Joab ziet hoe David daar onder lijdt. Hij is niet één zoon kwijtgeraakt, maar twee. Joab ziet dat niet alleen David er onder lijdt, maar ook het hele volk, want Absalom was de lievelingskoningszoon voor Israël. Dan denkt Joab: 'Dit is niet goed voor het volk', hij verzint een list, afgekeken van Nathan de profeet. Een rechtstreeks verzoek zal nooit werken, maar als iemand het voorzichtig doet, wijs en met tact? 'Een vrouw', denkt hij en zijn adviseurs brengen hem bij de wijze vrouw uit Tekoa. U kent verder het verhaal.
Ze doet of ze een weduwe is die haar man verloren heeft en twee zoons overgehouden. Ze kleedt zich ernaar, doet as op haar hoofd, scheurt haar kleren en zalft zich niet. Dan werpt ze zich neer voor koning David en hij geeft haar toegang. Dan zegt ze tegen David: "Moet je nagaan, mijn man is vroeg gestorven, mijn zoons kregen ruzie op het veld, de één sloeg de ander dood en nu wil de hele familie in bloedwraak ook nog mijn enig overgebleven zoon doden." Heel mooi zegt ze: "Uitdoven willen ze de enige gloeiende kool die mij nog is overgebleven om de naam van mijn man van de aardbodem uit te roeien. Ik heb hulp nodig."
David is net als bij het verhaal van Nathan direct door de geschiedenis ontroerd. Hij zegt: "Ga heen, ik zal uw zaak persoonlijk behartigen!" Maar de vrouw is goed geïnstrueerd door Joab en denkt: 'de koning is vlug bewogen, maar ik wil wel garanties hebben. Ben ik echt veilig? En hoe zeker kan ik zijn van mijn zaak?' Ze zegt: "Ja, mijnheer de koning, maar toch, weet u het zeker? Zult u mij veilig stellen?" David geeft direct garanties: "U krijgt persoonlijke bescherming van de koning, en ik zweer een heilige eed bij de Naam van God." Dan is de zaak beklonken en kan de vrouw overschakelen op de andere versnelling, net als Nathan deed die zei: "kijk, u bent die man…" en dat doet ze ook. Ze zegt: "Mag ik nog iets zeggen?" En nadat David gezegd heeft: "Ga je gang", dan zegt ze: "Zoals ik beroofd dreig te worden van mijn liefste zoon, zo is het nu ook met Israël, u doet wat u net in mijn geval veroordeeld heeft: de koning laat niet terugkeren wie hij verstoten heeft, en heel het volk lijdt eronder." Alsof David niet in de eerste plaats eronder leed! Het is ook weer een hele listige voordracht, David kan met haar meevoelen. "Zo doet God niet!", zegt de vrouw dan. Hier proef ik dat ze met iets diepers komt, ik schrijf dat toe aan die vrouw zelf. "Want Hij is continu op zoek naar wegen dat een verstotene niet van Hem verstoten blijft. Bovendien: we moeten allemaal sterven, het is niet anders, en van de dood haal je niemand terug. De kleine baby niet die u verloren hebt, Amnon niet, er is niets meer aan te doen. Maar let op de levenden! Absalom leeft, dat hoef ik u niet te vertellen. En voor de levenden is er altijd hoop. Niet de bloedwraak, maar verzoening: dat is de weg van God. Hij bewaart het leven en Hij zoekt weer op wat verstoten is en wat is weggeraakt. Sterker nog, Hij maakt daar zijn werk van! Hij doet niet anders." Een heel mooi woord: continu zoekt Hij naar wegen om dat te doen. Dan sluit de vrouw intens vriendelijk af met: "Ik weet dat de koning hier gehoor aan geeft, u staat niet aan de kant van mensen die bloedwraak willen. U bent rechtvaardig, u weet wat goed is en wat kwaad, ja, u bent als een engel van God."
Dit pleidooi hoort toch eigenlijk tot een van de mooiste in de bijbel. Het is één groot voorbeeld van hoe je het hart van je naaste moet winnen. Dan moet je het beste in iemand wakker maken. Nooit zijn eigen 'schuld', die hij toch wel weet, en dat gevoel van minderwaardigheid en de angst en de vluchtneigingen en de kramp versterken, integendeel. Ze laat David voelen hoe een kostbaar mens hij is en dat hij ook wel weet, diep in zijn hart, dat hij genade moet laten gelden boven recht. En als hij zich ooit zou afvragen: 'maar hoe kan dat dan?' zegt ze heel eenvoudig: "Dat kan als je je oog richt op God want zo doet Hij nu ook, Hij is voortdurend bezig om zulke wegen te zoeken." Daar klinkt voor mij de hele heilsgeschiedenis in mee. God is voortdurend bezig wegen te zoeken zodat zij die van zijn oog verbannen zijn weer terugkeren. Dan denk ik aan Adam en Eva in het paradijs, eigenlijk toch voor zijn oog verbannen, met de cherubs met flikkerend zwaard aan de ingang van het paradijs waarheen ze niet meer
terugmochten. En Kaïn, die gaat wonen in een stad met de naam Nod, wat betekent: nergens thuis. Kaïn, ook één die zijn broeder doodde. We zijn verbannen voor zijn ogen. Maar God kan daar niet mee leven. Dat zegt die vrouw. Hij zocht, Hij zoekt en Hij zal zoeken. De moederbelofte, het verbond met Noach, het verbond met Abraham, met Israël en tenslotte, als de vroege en de late profeten geweest zijn, zendt Hij zijn eigen Zoon. Dat alles klinkt mee in: God zoekt permanent wegen waarlangs Hij genade kan laten gelden boven recht.
De vrouw uit Tekoa voert David dus heen naar het hart van God. David luistert en hij handelt er ook naar, hij gehoorzaamt. Maar het is uiteindelijk toch nog maar half als David lont ruikt en denkt: 'dit komt niet van deze vrouw, hier loop ik ergens in.' Hij vraagt aan haar: "Heeft Joab je dit gevraagd?" Dan valt ze door de mand en uit een zijvertrek komt Joab tevoorschijn. David zegt direct tegen Joab: "Oké, haal Absalom terug, er moet een einde komen aan de straf, er moet een nieuw begin mogelijk zijn." Maar als Absalom terug is dan drukt hij hem niet aan zijn hart. 'Het aangezicht van de koning zag hij niet', staat er. Dat was voor David nog net een stap te ver. Jammer, want het leidt weer tot een hele nieuwe reeks conflicten, terwijl de weg naar verzoening hier zo duidelijk wordt ingezet.
Zo lazen we weer een onderdeel uit de geschiedenis van David. David en de vrouw van Tekoa. Ik zei al aan het begin: het lijkt een beetje op Abraham Kuijper en Pietje Baltus, een vrouw die hem de weg wees naar het hart van God. Dat is wat hier gebeurt. Want, om aan het eind die parallel nog verder door te trekken: ook in Gods hart leeft iets van de dubbelheid die ook in Davids hart optreedt. Aan de ene kant was Absalom niet terecht verstoten, had hij een zwaardere straf verdiend want de wet is ijzerstreng tegenover iemand die zijn broeder doodt. Moet een koning hier niet het recht handhaven? Dat zijn heel diepe gevoelens en ze leven ook bij God. God is Zelf degene die recht en gerechtigheid en wet stelt. Het moet niet kunnen dat iemand die zijn broeder doodt daar ongestraft of mild gestraft vanaf komt. Dat is de ene kant, de ene trek, ook in Davids hart. Maar aan de andere kant: zijn hart blijft trekken. Hij blijft van Absalom houden en hij moet vaak gedacht hebben: 'Ik zou er wel alles voor over hebben om hem weer even te zien.' Zulke gevoelens leven er ook in het hart van God! Ook Hij verlangt naar de mens die Hij naar zijn beeld heeft geschapen. Hoe los je dat op? Dat zijn tegengestelde gevoelens.
Het zijn dus twee lijnen, niet één. David handelt de ene keer naar de ene, de andere keer naar de andere lijn. De ene keer is hij te streng, gaat hij helemaal op de lijn staan van recht en gerechtigheid, zoals ook zijn adviseur Achitofel, aan de andere kant slaat hij door naar de andere lijn en bewijst hij genade waar eigenlijk recht had moeten gelden, zoals bij Sinaï later en bij Ziba. Kan een mens ooit die twee lijnen samenbrengen? Het is de bijzondere wijsheid van de vrouw uit Tekoa dat ze al heel vroeg in het oude testament David gewezen heeft op het wonder van God. Want God weet die twee lijnen in zich te verenigen. Hij is voor honderd procent de handhaver van recht en gerechtigheid, en tegelijkertijd is Hij voor honderd procent een bewogen God, een God vol ontferming. Toen dan ook in het centrum van de geschiedenis op Golgotha het vonnis geveld werd over de mens, - want dat is eigenlijk Golgotha, het vonnis was eerlijk en waar en rechtvaardig, de dood schuldig-, hing daar tegelijk zijn eigen Zoon aan het kruis. Je mag het nog sterker zeggen: "Toen heeft de Here zelf in zijn Zoon dat vonnis weggedragen." Zo kon Hij genade en recht laten gelden.
Die twee lijnen tref je ook aan in de Romeinenbrief. Als Paulus later het evangelie uitlegt zegt hij: "Wij allen hebben gezondigd en we derven de heerlijkheid van God." En toch worden we om niet gerechtvaardigd door zijn genade. Want God heeft Hem, Jezus, voorgesteld als zoenmiddel om zijn rechtvaardigheid te tonen in de tegenwoordige tijd, ook als Hij hem rechtvaardigt die door het geloof in Jezus is: recht en genade in één. In Jezus komen die twee bij elkaar. Dat is de wondere weg waar die vrouw uit Tekoa al naar wijst. Dat is het eerste wat we uit deze geschiedenis van David en de vrouw uit Tekoa meenemen.
Het tweede wat ons uit deze geschiedenis concreet moet worden gemaakt is die horizontale toepassing. De vrouw uit Tekoa moet David helpen om dat wat hij verticaal van God heeft gekregen -verzoening, vrede, vergeving-, nu heel dichtbij in medemenselijke verhoudingen tussen hem en zijn zoons waar te maken. Zoals ook wij vergeven onze schuldenaren… leert Jezus bidden. De vrouw uit Tekoa zegt: "Het leven is te kort en straks ben je dood en is alles onherroepelijk, dan heb je geen kansen meer. Zorg voor die tijd dat je vrede sticht". Laten wij ons allemaal bij deze geschiedenis afvragen: 'Is er iemand die voor mijn aangezicht verstoten is? Heb ik iemand verbannen, laten vallen?' Let wel, om zijn eigen schuld! Om iets gemeens wat die ander deed. Hebben wij zo iemand in onze kennissenkring, in onze omgeving, in andere kerken, in de wereld die door ons verbannen is? Berust daar dan niet in, maar zoek naar wegen voordat het te laat is. Wegen waarlangs die verstotene niet verstoten blijft. Laat genade gelden boven recht. Want zo is uw Vader ook naar u toe.
Dat is een heel karwei. Er staat niet voor niets: naar wegen zoeken. Die heb je niet zomaar gevonden. De vrouw zegt hier tegen David: "Blijf ernaar zoeken." David was er niet goed in, het gevolg was weer een nieuw conflict en een nieuw drama. Hij moet zelf eerst nog dieper groeien in de kennis van God. Daar gaan we volgende keer mee verder.
Voor ons vandaag is de toepassing heel eenvoudig. De Pietje Baltus van het oude testament heeft ons, gereformeerde kuijperianen, de ogen geopend voor wat verzoening eigenlijk is. Het is zelf, staande aan de voet van het kruis, je naaste er ook zien te krijgen. Zoeken naar wegen dat de verstotene, de afgewezene, niet afgewezen blijft. Onder het kruis zijn we zelf gerechtvaardigd. Maar het is ook: mijn eigen leven daar op nagaan. Waar ik ook maar één familielid, of één vroegere vriend of vriendin verbannen heb van mijn oog, -terecht, want hij had het er naar gemaakt-, van nu af ga ik naar wegen zoeken voor ik sterf, om me met hen te verzoenen. Zoals de Here met mij gedaan heeft zo doe ik met hen. Wie dat doet, zelfs de minst aanzienlijke, de laagstbetaalde, de vrouw zonder naam, wie het ook is, God gaat zulke mensen gebruiken in zijn Koninkrijk.