Verkondiging: Gemeente van Christus, De adventstijd is weer aangebroken. Het woord advent betekent: toekomst, de toekomst van de Heer, dat is voor ons zijn wederkomst. We mogen dan in de tijd voor kerst en bij het kerstfeest veel horen over Elizabeth en Zacharias, over Jozef en Maria en de stal en de herders, maar zij keken alleen maar uit naar de Jezus' eerste komst, wij kijken uit naar zijn tweede komst, zijn wederkomst. Want Hij zal straks terugkeren en verschijnen voor aller oog. Daarom staat boven de liturgie dat bijna-laatste woord in de Bijbel, waar Jezus zegt, aan het slot van het boek Openbaring: Zie, Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster. We weten wat de morgenster doet, die kun je iedere morgen zien als je vroeg opstaat en het nog donker is. Voordat het eerste licht van de zon komt kun je die ster nog zien, heel helder. Als die ster omhoog gaat trekt hij de komende morgen achter zich aan. Zo zien wij dus al de morgenster en we wachten op het gloren van de nieuwe dag, de dag van het Koninkrijk, wanneer de Here God in ons midden zal zijn en Jezus de Heer zal verschijnen als de wortel uit het geslacht van David, als de grote Zoon van David zal Hij komen. Deze adventsweken gebruiken we speciaal om naar díe komst uit te zien en ons op voor te bereiden. Vanmorgen willen we ons speciaal richten op dat wat het geheime plan is van God, wat daarachter ligt, de bron van waaruit heel die verschijning van Jezus, zijn komst, is opgerezen. Dat wil ik op een speciale manier doen. We hebben het gehad over de wederkomst, ik zou daar vanmorgen mee willen beginnen: het einde van de tijden wanneer alle volkeren verschijnen voor de troon van God.
Aan het einde van de tijden verzamelden zich miljoenen mensen op een enorme vlakte voor de troon van God. Velen keken angstig rond in het heldere licht dat hen tegen straalde. Maar er waren ook een paar groepen mensen die heftig met elkaar zaten te praten. De omgeving scheen geen indruk op hen te maken. "Wat", zei een jonge vrouw, "hoe zou Hij nu het recht hebben om ons te oordelen? Moet je eens zien!" Ze hield haar hand omhoog en toonde de littekens van marteling. "Wat zal Hij begrijpen van ons lijden?" Toen kwam er een zwarte jongen die de kraag van zijn overhemd opzij trok. Hij liet aan iedereen de afschuwelijke
sporen zien van de strop waaraan hij was opgehangen. "Ik ben gelyncht omdat ik zwart ben. Ze hebben ons in slavenschepen laten stikken." Overal op de vlakte hoorde je geërgerde stemmen. Iedereen begon zijn klachten te richten op God. God had het maar goed in zijn mooie hemel en in zijn heiligheid. Daar waren geen tranen en geen angst en geen haat. Kon God zich eigenlijk wel voorstellen wat mensen op aarde verdragen hadden? Tenslotte vormden zich groepen en elke groep koos zijn eigen woordvoerder. Een groep Joden uit concentratiekampen, een groep van de onaantastbaren, de laagste kaste uit India. Er was een groep van buitenechtelijk geborenen en een groep van misvormde leprapatiënten. Er zaten slachtoffers uit Hirosjima, een groep demente bejaarden, mensen uit werkkampen uit Siberië enzovoort. Ze bespraken hun situatie. Het ging heftig toe. Tenslotte waren ze het eens over de formulering van de aanklacht. De zaak lag heel eenvoudig. Voordat God recht zou mogen spreken over hen, zou Hij eerst zelf maar eens moeten verdragen wat zíj hadden moeten verdragen. Híj zou maar eens moeten voelen wat het is om mens te zijn op aarde. Wat het is om buitenechtelijk te zijn, om te behoren tot de verachte minderheid. Híj zou maar eens door zijn beste vrienden verraden moeten worden. Een volgende zei: "Híj zou maar eens martelingen moeten ondergaan en wrede mishandeling." Weer een ander zei: "Laat Hem maar eens door een laffe rechter veroordeeld moeten worden en dan in het openbaar gelyncht." "Zoals ik", zei de zwarte uit Alabama, "voor het oog van een grote menigte." Terwijl de één na de ander zijn aanklacht formuleerde, begon het licht dichterbij te komen. De mensen begonnen steeds meer te fluisteren. Toen de laatste spreker zijn veroordeling had uitgesproken viel er een diepe stilte. Het licht kwam dichterbij en in dat licht zagen ze Hem, die verschenen is als een Lam dat werd geslacht. Hij stond daar, stroopte zijn mouwen op, sloeg zijn kleed weg en toonde hun zijn wonden aan zijn handen en aan zijn zij. Toen verstomde de menigte. Hij hád dat alles doorleden…
Dit verhaal uit het boekje van Jürgen Spiess: geloven voor sceptische denkers, wilde ik eens aan het begin van de adventstijd zetten, want eigenlijk maakt dit verhaal in één keer duidelijk waarom het eigenlijk gaat, wat achter het hele gebeuren van de adventstijd staat. Dat wordt in de geschiedenis van David, juist in het slotvers dat ik gekozen heb, in één beeld duidelijk gemaakt.
God zendt zijn Zoon die opgroeit en de gestalte aanneemt van de lijdende knecht, die tenslotte eindigt als een ter dood veroordeelde aan het kruis, na marteling. Achter dat alles zit dat wat hier, in de tekst van David, aan het slot voor ons oplicht. Wat we vanmorgen lazen, aan het slot van de Absalomgeschiedenis, is de uitleg van het geheim van advent. Er schuilt een diep geheim achter dat vreemde evangelie, dat God zijn Zoon gezonden heeft als klein kindje dat tenslotte eindigde aan het kruis. Dat geheim gaat hier open in het hart van David. Het gewonde, bloedende vaderhart van God. Voor mij mocht daarom de geschiedenis van David eindigen bij dit beeld, wat bij mij op het netvlies blijft als ik deze geschiedenis lees. U kent het wel, de opstand van Salomo, het tragisch einde van Absalom, hangend aan een boom, het volk wat tenslotte bijeenstroomt, soldaten komen terug van het slagveld, Joab is tevreden. Ze komen bij de poort, daar wordt het stil. Boven de poort, in het poorthuis, loopt koning David ijsberend rond in zijn hoge vertrek. Het enige wat hij roept is: "Absalom, mijn zoon, mijn zoon, och dat ik in uw plaats gestorven ware."
De bekende Bill Hybels, voorganger van de Willow Creek gemeente, heb ik twee keer in Utrecht in de Jaarbeurs gehoord. Twee keer is hij zijn lezing begonnen met hetzelfde verhaal. Hij vertelde beide keren dat hij met zijn zoon een keer aan het surfen was op het Lake Michigan, een enorm groot meer. Ze werden door de storm overvallen en waren ver uit de kust. Ze probeerden zo snel mogelijk terug naar het strand te komen maar de golven werden hoger en hoger. Een kilometer voor de kust zag hij hoe zijn zoon overspoeld werd door een hoge golf. Hij zei: "Ik zag het gebeuren. Hij verdween en ik zag hem niet meer. De paniek die me toen overviel heeft me nooit meer losgelaten. Toen ik dichterbij kwam brulde ik: David, David!!. Pas na vijf lange minuten kreeg ik hem als door een wonder weer in het oog. Ik wist naar hem toe te komen en samen lukte het ons heelhuids de kant te bereiken." Waarom hij dat verhaal vertelde? Omdat ook dat verhaal op dezelfde wijze de kern van het evangelie duidelijk maakt. Even heeft hij gevoeld wat er leeft in het vaderhart van God. Op precies dezelfde wijze roept God naar zijn verloren geraakte zonen en dochters. Precies om die reden kwam Hij uit de hoge hemel neer om ons uit de golven te redden, om die reden werd Hij een klein kwetsbaar kind. Daarom heeft Hij zich in Jezus vereenzelvigd met melaatsen, met zieken en met blinden, met hoeren en met tollenaars. Daarom heeft Hij voor ons marteling en kruisiging doorleden.
Wat zat daar achter? Het bloedende vaderhart van God. Dat is het evangelie. God is niet die verre God, ver weg en hoog in de hemel. Aristoteles noemde Hem al: de onbewogen beweger. Hij beweegt alles maar zelf blijft Hij onbewogen. Dat is het beeld wat Griekse filosofen van God hadden. Maar let dan op dit beeld van God. Hij is niet in de hemel gebleven, integendeel. Toen zijn zonen en dochteren hier op aarde tegen Hem in opstand kwamen, zoals Absalom tegen David, heeft Hij zich laten wegdrijven, zoals David zich liet wegdrijven door Absalom. Absalom
trok zijn eigen onheil over zich heen, want de opstand leidde tot zijn eigen ondergang aan de terebintboom in het bos, waar zijn glorie zijn schande werd. Zijn prachtige haardos, die hij ieder jaar afsneed en woog en koesterde, werd zijn valstrik. Toen David daarvan hoorde is het niet één seconde in hem opgekomen om zich te verheugen, de handen te wrijven en te denken: 'Net goed, het is zijn verdiende loon…'. Nee, toen heeft hij pas goed gevoeld hoeveel hij van die jongen hield. Toen pas is zijn vaderhart in hem opgesprongen. Zo is God. En Absalom zijn wij. In Genesis 3 is het Adam die tegen de Here in opstand kwam. Wij hebben geluisterd naar de influistering van de slang. Doe dit en je wordt aan Hem gelijk… Dat wilde Absalom toch ook, koning worden? Toen hebben wij Hem naar de kroon gestoken en daarmee groot onheil over ons afgeroepen. Om die reden sterven we, verschrikkelijk soms, en brengen we anderen soms een verschrikkelijke dood toe. Maar toen God dat heeft gezien, voelde Hij pas hoe diep Hij van ons hield. 'Adam, Adam, mijn zoon, waar ben je?' Zo kwam God naar hem toe.
Dat is het eerste punt wat me diep getroffen heeft in de geschiedenis van David. Aan het eind van zijn leven wordt David met zijn bloedend vaderhart een venster op het vaderhart van God. Dat is de paralel. Maar er zit ook een groot verschil tussen het vaderhart van David en het vaderhart van God. Want David blijft in onmacht steken terwijl Gods vaderhart in almacht ontvlamt. Hij bedenkt een reddingsplan, Hij gaat aan het werk en zendt zijn Zoon die mens wordt zoals wij, die zich vereenzelvigt met ons lijden, wat we lezen in Filippenzen 2. Van incarnatie tot restauratie. Van vleeswording, menswording, tot straks totale vernieuwing van alle dingen. Van komst tot wederkomst.
Het grote verschil dus tussen Davids klacht en Gods pijn is Davids onmacht: 'Och, dat ik toch in zijn plaats gestorven was.' David weet: hij zal dat nooit kunnen. Het is precies wat een vaderhart wil. Iedere echte vader wil zijn zoon zien leven. Iedere echte vader wil dat zijn zoon, zijn dochter, zijn eigen vlees en bloed, het goed heeft. Dat die zich ontplooit en gezegend wordt. En als hij de fout in gaat en verschrikkelijk vastloopt, zoals hier bij Absalom, dan zou een echte vader wel zijn eigen leven willen geven in plaats van dat van zijn zoon, hij zou in de plaats van zijn zoon willen sterven. Hoe diep die hem ook gekwetst heeft. Dat zinnetje: 'Och, dat ik toch in zijn plaats gestorven ware...' daar zit het hele evangelie in opgevouwen. David kon het niet, God kon het en deed het wel. Daarom houdt die klacht bij David niet op. Hij blijft maar heen en weer lopen, hij blijft in zijn onmacht steken. Joab moet hem daar -terecht- met harde hand uit wegtrekken. Maar de Here God heeft gedaan wat geen vaderhart op aarde ooit vermag. Hij is aan onze dood gestorven, Hij heeft onze schuld op zich genomen. Dat wat geen mensenverstand begrijpt, wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, dat is wat in het vaderhart van God is opgeklommen. Onze dood, ons lijden, Hij heeft het zijn lijden gemaakt en nu zijn we in Hem geborgen. De catechismus zegt heel mooi: Dat heeft alles veranderd, dat heeft onze lijdensweg in een totaal ander licht gezet. Want ja, zeker, wij delen nog het lot van alle mensen tot Jezus terugkeert, dat we met Adam sterven. Maar onze dood is niet meer een straf op onze zonden maar een afsterving van de zonde en een doorgang tot het eeuwige leven. De apostel Paulus zegt in 1 Timotheüs 3: "Buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht: God geopenbaard in het vlees." Het evangelie van Johannes begint met de woorden: "Het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid van de Eerstgeborene van de Vader, vol van genade en van waarheid."
Zo is de klacht van David over Absalom voor ons tot een venster geworden op het vaderhart van God. Dat vaderhart klopt achter heel de adventstijd en alles wat we daarin gedenken. Het klopt achter dit bloedend vaderhart van David, in zijn klacht horen we Gods klacht. Maar het tweede hebben we ook gezien. In de onmacht van David horen we al de muziek van het evangelie van de almacht van God, het evangelie van de plaatsvervanging. Wat David niet kan, kan God wel, Hij is in onze plaats getreden. Hij heeft heel het onverloste bestaan op zijn eigen schouders genomen om het daarmee te redden.
Nu begrijpen we ook wat de verborgen achtergrond is achter alles wat we horen bij advent en bij het kerstfeest: het gewonde Vaderhart van God.
Ik eindig met Filippenzen 2: De Zoon als derde persoon in de drie-eenheid heeft het aan God gelijkzijn niet aan zich gehouden als iets wat je krampachtig beschermd maar Hij heeft zichzelf ontledigd, Hij heeft het losgelaten. Toen is Hij in zijn uiterlijk een mens geworden en heeft Hij zich vernederd tot aan de dood aan het kruis. Daar heeft God Hem ook uitermate verhoogd, daarom is in Hem het lot van de geschiedenis en zal Hij straks triomferen als Hij komt. Die Jezus verwachten we, Hij is gekomen in Bethlehem, en Hij zal komen voor aller oog.
We hebben gezien wat het grote wonder is wat daarachter schuilt: het gewonde en bloedende vaderhart van God.