gemeente van Christus, We hebben ons in de liederen die we zongen en hoorden, in wat we gelezen hebben, als het ware weer gemengd onder de omstanders, zoals we dat de laatste zondagen gedaan hebben. We doen dat nu ook, op deze Goede Vrijdagavond. Voorgaande keren waren dat Claudia Procula, de vrouw van Pontius Pilatus, en Simon van Cyrene, die wel even de kruisbalk droeg, maar toen de grote ommekeer meemaakte, dat het juist precies omgekeerd was, dat de Here het voor hem gedragen heeft. Vanavond staan we stil bij de Romeinse hoofdman over honderd, de commandant van het executiepeloton. Geen leuke vereenzelviging, na een week vol berichten over executies en gruweldaden. Zou dat oude bericht over de wrede terechtstelling van een onschuldige door de Romeinse overheid in het jaar 33, zou dat ons echt kunnen helpen in de vloed van slecht nieuws? Zou het ons echt verder helpen bij zoveel wreed lijden van deze week, en in onze tijd? Laten we in ieder geval luisteren, en letten op de boodschap die van het kruis van Christus uitgaat. Een uitstraling die in ieder geval zo sterk was en zo overweldigend, dat het een totale ommekeer teweegbracht bij deze Romeinse hoofdman.
We willen weten wat hem zo raakte, en waarom het hem raakte. Ook willen we weten op wat voor wijze deze gekruisigde ook ons kan omturnen, ook ons kan helpen om de realiteit van een gebroken wereld, een geschonden schepping, met totaal andere ogen te bezien. Daarvoor kiezen we, zoals gezegd, de invalshoek van deze Romeinse hoofdman, een officier. Hij heette -volgens de traditie- Longinus, en -ook volgens de traditie-, wordt hij genoemd onder de eerste christenen, net als Claudia Procula en als Simon van Cyrene, de gemeente die ontstond na de eerste Pinksterdag. De Schrift zelf vertelt ons daar niet over, niet anders en niet meer dan wat we net gelezen hebben. We letten eerst weer op een paar kleine details in de tekst zelf, want die leiden ons ergens heen, ze zijn heel sprekend. Markus vertelt van deze Romeinse officier dat hij zich recht tegenover de gekruisigde had opgesteld. We lezen: toen de hoofdman, die tegenover Hem stond zag dat Hij zó de geest gegeven had, zei hij: "Waarlijk, deze Mens was een zoon Gods." In het Grieks staat er: die zich daar bij hem, tegenover hem had gesteld. Toen ik dat detail op me in liet werken, zag ik hem daar staan.
Niet terzijde, wat hij toch makkelijk had kunnen doen, met zijn jongens, de soldaten die het vonnis uitvoerden, een kaartje leggen, want zo'n executie kon soms wel dagen duren, waarbij zij steeds aanwezig moesten zijn. Nee, hij niet, hij heeft zich opgesteld recht tegenover Jezus. Hij maakt het daar mee, kijkend, het op zich in laten werkend, denkend, het zal begonnen zijn toen hij merkte dat deze man totaal anders was dan de andere die hij had moeten executeren. Toen Hem de spijkers door de handen werden gejaagd vloekte of schold Hij niet, maar Hij bad alleen maar voor degenen die het Hem aandeden! Toen daarna de voorbijgangers Hem beschimpten en haatdragende dingen omhoog scholden, deed Hij niets dan alleen maar zwijgen. Alleen zo nu en dan, als Hij wat zei, was het heel betrokken op de mensen voor Hem.
Dan sprak Hij een vrouw aan: 'Vrouw, zie uw zoon', en een zoon: 'Zoon, zie uw moeder.' Als de twee rovers aan zijn linker en rechterkant ook beginnen, richt Hij zich tot die ene, die zich open blijkt te stellen en bereid is om vergeving te ontvangen, en dan zegt Hij tegen hem: 'Heden zult ge met Mij zijn in het paradijs.' Dan valt daar midden op de dag, om twaalf uur, die diepe, donkere duisternis over Golgotha, zelfs over het hele land, zegt Mattheüs. Dan hoort de hoofdman Hem alleen maar roepen: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?' Dan dat einde, er staat letterlijk dat Hij iets uitriep met een machtige stem, met een groot geluid. Lucas vertelt: Hij zei psalm 31: Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest. Johannes, die er ook bij stond, vertelt later: daarvoor heeft Hij nog geroepen: 'Het is volbracht', in het Aramees/ Hebreeuws, de Romeinse hoofdman zal dat niet verstaan hebben. Toen gaf Hij de geest. Zo vertelt Mattheüs het. Het voorhangsel scheurde, de aarde beefde en de graven braken open, en toen brak het zonlicht weer door, en leek alles voorbij. Dat heeft die Romeinse hoofdman allemaal met eigen ogen gezien, hij stond daar tegenover Jezus.
Markus zegt er nog extra bij, dat Jezus zó, met alles wat daarbij gebeurde, de laatste adem had uitgeblazen, en tóen zei de hoofdman: 'Deze was beslist een zoon van God.' Zo kijken we hier als het ware door de ogen van de Romeinse hoofdman heen naar het gebeurde. Ineens proeven we de omslag, die hier plotseling plaatsvindt. Stap voor stap breekt er iets doorbij die man. Eerst betrokken bij iemand die wordt aangeklaagd omdat Hij zich de Zoon van God heeft genoemd, dan de mensen die voorbijliepen en ook zeiden: als je de Zoon van God bent weer die Zoon van God-, kom dan af van dat kruis! Dan ineens, als hij dit heeft meegemaakt, als hij daar staat op het derde uur van de middag, die stem hoort en alles ziet wat erbij gebeurd, dan beseft hij: hier heeft iets bovenmenselijks plaats, dat heeft hij bij geen enkele ander ooit meegemaakt. En reken maar dat hij er veel heeft zien sterven op deze executieplaats. Alle drie de evangeliën, Mattheüs, Markus en Lukas, gebruiken hun beschrijvingen van wat er eigenlijk plaatsvindt. Eerst die zonsverduistering, dan de aarde die openbreekt, de doden die verschijnen na hun opstanding, wonderlijke berichten.
Dan een tempel, die zich als een man het rouwkleed scheurt. Mattheüs zegt: 'En zij, de hoofdman en zijn soldaten, ze werden zeer bevreesd. Dat is een woord dat alleen gebruikt wordt bij een theofanie, een verschijning van God. Lukas zegt: 'En hij verheerlijkte God, zeggende: deze man was onschuldig'. Markus vertelt de omstandigheden: toen hij nu Hem zó zag sterven' De Romeinse officier is op dat moment heus niet direct een bijbelgelovige. Terecht wijzen veel vertalers er op dat hij niet zei: 'Deze man is dé Zoon van onze God.' Hij heeft alleen gezegd: 'Hier sta ik vol ontzag, hier breekt het goddelijke deze wereld binnen, hier is een godenzoon. Hier breekt de Almachtige de wereld binnen, o schrik, o wonder.' Nee, een volle geloofsbelijdenis van het ware geloof mag je er niet in lezen, maar intussen helpt deze op zich genomen heidense geloofsbelijdenis ons toch wel bij het antwoord op de vraag wat het geweest is, daar op Golgotha. Wat heeft hier zo'n onuitwisbare indruk gemaakt, dat het niet alleen hem, maar ook zijn soldaten geraakt heeft? Je voelt hoe Mattheüs, Markus en Lukas elkaar aanvullen in wat er gebeurde.
Mattheüs zegt: het ging gepaard met zonsverduistering, en een aardbeving, en dan die roep. Markus zegt: het was de manier waaróp Hij stierf. Als je het in één woord zou moeten zeggen, dan denk ik: het was verholen kracht, wat hem heeft aangeraakt. Verholen kracht die dit sterven zo bijzonder maakte. Iedereen die hier bij stond, besefte: hier verliest niet iemand zielig het leven, nee, hier is Iemand die in ongelooflijke kracht zijn leven neerlegt, het geeft. De Romeinse hoofdman zou geen hoofdman zijn dat hij hier het verschil niet scherp kon zien. Zoiets heeft hij nog nooit gezien. Normaal verliest een tot de dood toe gemartelde het leven. Het is tragisch, maar het is soms de eigen schuld, dat kan je ontroeren, dat kan je raken. Zo zijn heel veel mensen op Goede Vrijdag ook ontroerd bij zo'n gebeuren, maar ze hebben het niet begrepen, ze hebben niet die ommekeer meegemaakt die de Romeinse hoofdman meemaakte. Want bij hem is het geopenbaard, hij heeft het ineens gezien: dit is niet iemand die zijn leven verliest, maar iemand die zijn leven geeft en dat doet met ongelooflijke kracht.
In zeker opzicht verliezen wij allemaal het leven, ieder die sterft, ook wanneer je als niet-misdadiger sterft, sterven blijft sterven, het overkomt je uiteindelijk toch als een gewelddaad. Christenen weten dat het ook nog iets met onze schuld en onze zonden te maken heeft. Maar hier is het sterven van een totaal andere karakter, van een totaal andere orde. Hier geeft Iemand zijn leven, in een koninklijke kracht. Niets van wat Hij doet is zielig of bitter. Hier hangt een koningszoon, hier hangt een mens met zó'n geesteskracht. Hoe is het mogelijk, zelfs in helse verschrikkingen laat Hij die pijn totaal en geheel in Zichzelf toe, tot godverlatenheid toe, en Hij blijft er in verheven, heilig. Dieplijdend zonder klacht, zonder aanklacht, zonder vloek. Intussen blijft Hij betrokken op de mensen, blijft Hij zich geven aan Maria, aan Johannes, aan de dobbelende soldaten, ze ontgaan Hem niet, aan de rover aan zijn rechterzijde. Zijn God, die Hij in de duisternis zijn God noemt, en als de zon weer op gaat, zijn Vader in wiens handen Hij zijn geest beveelt, geeft, nádat Hij gezegd heeft: nu is alles volbracht.
Zoiets kan je alleen met zo'n wonderlijk paradoxale zin zeggen als we in de Corinthiërsbrief lezen, als Paulus zegt: 'Die zwakte is nu de kracht van God, zó is God nu. Hij is in de dwaasheid van het kruis, daar zit zijn wijsheid. In de zwakte van déze gekruisigde komt zijn kracht openbaar. Hij verloor zijn leven, niet tegen zijn wil, maar deze heeft zijn leven gegeven, eenswillend met de Vader.' Dat heeft de Romeinse hoofdman beleefd als een theofanie, als een verschijning van God. Het heeft zich gemengd met manifestaties van bovennatuurlijke orde: de zon doet de hand voor de ogen, de tempel scheurt het gordijn, de aarde beeft. Dat is bovenmenselijk. En dat heeft de Romeinse hoofdman gezegd met die uitspraak: deze is waarachtig de Zoon van God. Een ongelooflijk inzicht, want deze heidense, Romeinse commandant heeft iets begrepen van wat Joden en Grieken steeds weer vergeten, en waar ze moeite hebben om te begrijpen. En dat is, dat God in zijn majesteit zich niet vereenzelvigt met de krachtigen, met de koningen en presidenten en hen die het geweer hebben, maar dat Hij zich vereenzelvigt met de gebroken en gemartelde schepping, de van zonde wegstervende wereld.
Daar is Adam, zijn zoon, en Hij vertegenwoordigt alle mensen van de wereld. Hij vereenzelvigt zich met hen door een daad. En dat is niet een zielige daad die Hem door machthebbers is opgedrongen. Zouden machthebbers hebben begrepen wat er gebeurde, dan zouden ze het niet gedaan hebben, zegt de apostel Paulus later. Nee, dit is de moedige weg die Jezus in vrijheid koos. Hier geeft Iemand zijn leven. Dat is nu kracht. De ware kracht is niet de kracht van de bommenwerper, of van de mitrailleur, of van het martelwerktuig. Nee, de ware kracht is de kracht van de liefde die zichzelf overgeeft en vereenzelvigt met wie het niet verdient hebben. Dat is krachtig, dat is het vuur van de liefde van God. Immense kracht in ogenschijnlijke zwakheid. Want het lijkt zwak, en het lijkt dwaas, een godenzoon aan een kruis. Maar het is een immense kracht, en God de Vader, de Schepper van hemel en aarde, geeft er zijn zegel aan door al die manifestaties, van een aardbeving tot het openbreken van de graven toe. De hele kosmos beeft mee. Dat de Romeinse officier dát heeft herkend is zijn grootheid.
Zeker, het is hem gegeven, het is nog maar het begin van een weg, later na de Pinksterdag wordt het hem ook allemaal uitgelegd uit de schriften. En dan wordt ook Longinus, de Romein, christen. Want toen is het hem uitgelegd door de discipelen dat dát de weg is waarvan de God van Israël gezegd had dat Hij zijn heil zou brengen! Lees maar Jesaja 53 over de koning die een knecht wordt. Zo zou Hij Israël bevrijden. Het staat geschreven in de profeten, het werd uitgebeeld in de tempeldienst. Het lam dat onschuldig werd geslacht, iedere morgen en iedere avond, om zo de liefde van Jezus te verbeelden. Eigenlijk laat ieder van de vier tekenen die hier optreden bij Jezus' sterven zien wat die Romeinse hoofdman in een flits heeft beseft. De zon wordt verduisterd, hier is een macht die achter en boven alle zonlicht verheven is. De tempeldienst wordt afgedaan: meer dan de tempel is hier. De aarde beeft, zij die zich de draagster acht van alle culturen. Maar van nu af is het de gekruisigde die alle culturen gaat dragen, de fundering onder onze voeten. De graven breken open, zelfs de dood voelt dat zij hier haar greep kwijt raakt. Hoe dat kan? Vraag het me niet.
Lees Paulus er maar op na die zegt: dat is een groot geheimenis. Hij noemt het een geheimenis, de verborgen wijsheid van God, die Hij in eeuwigheid heeft voorbeschikt tot onze heerlijkheid, en geen van de machthebbers van deze eeuw hebben er van geweten, want als ze er van geweten hadden, zouden ze de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. Maar zoals geschreven staat: wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, en wat in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God hier bereidt voor wie Hem liefhebben. Daar ligt dan ook de heenwijzing naar het antwoord op de vraag wat wij er vandaag mee kunnen. Wat wij vandaag in de nood van onze situatie er nog aan hebben. Wat voor kracht mogen wij daar nu aan ontlenen? Wat betekent dat voor ons nú? Dat zegt de apostel Paulus in 1 Corinthe 2: dit is het wat God bereidt heeft voor wie Hem liefhebben. Dit is het wat God hier gegeven heeft. Dat is alles wat het evangelie zegt: God heeft ze lief, die stromen van vluchtelingen, die zich over de wegen banen. Slachtoffers van geweld, laten ze niet verbitterd worden, maar laten ze openstellen voor het evangelie van zijn liefde.
God heeft ze lief, al die anderen, die, in het kielzog van de moordenaar aan het kruis zich hebben vergrepen aan het leven van hun naaste. Dat ze zich net als die moordenaar laten gezeggen, en omkeren naar Jezus. God heeft ze lief, de inwoners van Jeruzalem, dat oude verbondsvolk, dat eerst had geroepen: kruisigt Hem! Hij laat zich door hen geweld aan doen, om hen daarna tot inkeer te brengen. God heeft ze lief, die Romeinse machthebbers, nota bene de soldaten die het vonnis voltrokken, die niet beseften wat ze deden. Dit alles heeft God voor Hem bereid. Een kruis waaraan Hij zich in zijn Zoon Jezus Christus vrijwillig heeft overgegeven. Dat is het dynamiet onder alle geweldspiralen. Dat is het wat de Romeinse hoofdman tot ommekeer brengt: een mens die niet zielig zijn leven verliest tegen zijn wil in, maar een Man die in oneindige kracht en in oneindige liefde vrijwillig zijn leven geeft, die dat koninklijk en vol mededogen doet, totaal doortrokken van de allerergste pijn en toch zuiver en vol van liefde. Ja, zegt hij dan: dat kan alleen God zijn, inderdaad.
Dat heeft gewerkt in de geestelijke wereld als een geluidsbarrière die doorbroken wordt, en ineens knallen de gevangenissen open. De aarde beeft, de doden worden wakker. Hier wordt iets zichtbaar van God, zegt de Romeinse hoofdman, en zo is het. Tenslotte. Daarin ligt voor ons natuurlijk ook een hele grote opdracht. Deze gave is tegelijkertijd ook een opgave. Wie vanavond hier naast de Romeinse hoofdman staat, aan de voet van het kruis, kan het toch eigenlijk alleen beamen met een soort bede in het hart: Heer, geef me iets van die verholen kracht. Heer, wilt u me helpen om zo die kracht in me toe te laten, dat ik niet strijd voor mijn gelijk en mijn leven vasthoud tot het einde, maar dat ik in uw kracht dat geheim mag leren kennen van die gevende liefde. Als we dat doen, Jezus kracht zien en ontvangen, Jezus geheim begrijpen en in onszelf toelaten, dan begrijpen we dat we hier vanavond niet bijeen waren om Hem te beklagen of zoiets, maar dat we hier waren om ons door Hem te laten zegenen. Dat alleen is de goede viering van de Goed Vrijdag. Niet Hem beklagen, maar ons door Hem laten zegenen.
Precies zoals het de Romeinse hoofdman overkwam die zich daar neerzette, recht tegenover Jezus, en dacht misschien die arme drommel te beklagen. Om toen die ommekeer mee te maken, dat deze Man hem zegende. Dat is het eigenlijke wonder van Goede Vrijdag, want hij kwam in aanraking met die verholen kracht: Waarlijk deze man is Gods Zoon. Kracht in zwakte, liefde in haat, wijsheid van God in dwaasheid van mensen. Zo heeft hij Hem in zich toegelaten, en werd hij door Hem gezegend. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.