gemeente van Christus, We leven in een tijd waar grenzen wegvallen. Je kan van hier naar de Middellandse Zee rijden, en niet één keer hoef je je paspoort te laten zien. "Waar is de grens nu?", vragen de kinderen achterin de auto. Want kinderen vinden grenzen wel leuk. De grenzen tussen landen vallen weg, de grenzen tussen culturen en tussen volken vallen weg. Maar wat minstens zo ingrijpend is, ook de genzen tussen dat wat kan en wat eigenlijk niet kan, en de grenzen tussen dat wat mag en eigenlijk niet mag, dus de grenzen tussen dat wat waar is en niet waar, vallen weg. Het wordt vandaag steeds moeilijker om grenzen te trekken. Waar trekken we de grens bijvoorbeeld in medische vragen? Wanneer komt dan dat moment, waarop je zegt: "Nu moet de knop worden omgedraaid"? Mag je dat ooit zeggen? Of mag je dat helemaal nooit zeggen? Waar trek je de grens? Dat zijn vragen bij de voortgang van de techniek. Je kunt schapen klonen, je kunt de erfelijke genen veranderen, niet alleen van dieren, maar ook van mensen. Je kunt jongens ombouwen tot meisjes. Waar ligt de grens? Waar liggen de grenzen bij het geld beleggen, in de economie?
Wanneer moet je nu zeggen: geld beleggen in deze waanzinnige gokwereld: hier trek ik de grens. En dan heb ik het niet over gokhallen, maar over de officiële beurs in Amsterdam. Dat lijkt toch soms een gewone gokpartij. Waar trekken we grenzen? Grenzen trekken is niet makkelijk, ook niet in ons persoonlijk leven. Een grens trekken tussen wat kan en wat niet kan, tussen wat mag en wat niet mag, tussen schijn en werkelijkheid. Alles vervloeit, het lijkt wel of grenzen zijn weggevallen. Dat lijdt tot grote schade van de mens, grote schade van de samenleving. Weet u waar me dat aan deed denken? Ik heb me daar deze week mee bezig gehouden, door de bijbel gebladerd, en Gods woord tot me laten spreken. Het heeft me teruggevoerd tot die wonderlijke uitdrukking die we alleen hier in de bijbel vinden in Jakobus. Die wonderlijke uitdrukking dat Jakobus spreekt over de wet der vrijheid. Eigenlijk is Jakobus hierin heel modern, onze tijd een stap vooruit. Want dat is nu precies wat wij door schade en schande bezig zijn om opnieuw te ontdekken: dat de wet die grenzen trekt juist vrij maakt. Dat is iets wat onze tijd opnieuw moet horen, want vroeger was 'de wet' bijna een vloekwoord.
Als je in de zestiger jaren aan kwam met 'de wet', was dat een woord waar bijna iedereen zich ongemakkelijk bij voelde, en dacht aan prikkeldraad en politie. Wat moest, en wat allemaal niet mocht, het werd gevoeld als levensbeperkend, als een korset wat je je aanrijgt. Goed voor een paar bleekneuzen, die zelf niet durven te leven. Vandaag komt iedereen daar van terug. Jakobus krijgt een nieuwe kans, en natuurlijk door Jakobus de Heer zelf. Want Hij blijft in gesprek met de twintigste-eeuwse mens en zijn grenzeloze cultuur. Vanmorgen maakt Hij ons duidelijk, met een heel scherp beeld, waarom zijn wet nu anders is dan die van een dictator die zijn wil oplegt. Nee, de wet van God schept juist vrijheid! Hoe doet Hij dat dan? Hij doet dat omdat zijn wet de werking heeft van een spiegel waarin we eerst wie we eigenlijk zijn. Daarna bakent Hij de ruimte af waarbinnen we kunnen worden wie we eigenlijk zijn. En dan weten we ook wat we moeten doen, en waar we onze grenzen moeten trekken. Een prachtig beeld is dat eigenlijk: Gods woord als een spiegel. Want Jakobus, op echt oudtestamentische wijze, bedoelt dat breed als hij het heeft over de wet, de volmaakte wet der vrijheid.
Dan bedoelt hij: Gods woord zoals het ons een spiegel voorhoudt. Dat geldt ook voor de doop, want dat is eigenlijk een illustratie van God bij de tekst. Sacramenten zijn tekenen en zegelen die God aan zijn woord verbonden heeft. Ze illustreren dus wat de inhoud is van het woord. Dan is dat ook een spiegel. Ze houden ons de spiegel voor, eerst van wie we zijn, en dan van welke ruimte we hebben. Ik denk dat voor veel mensen de bijbel een gesloten boek blijft. Weet je hoe dat komt? Omdat het van jongs af aan eigenlijk een beetje als een muur op hen is afgekomen. Niet als een spiegel, maar als een massieve muur: gij zult niet dit, gij zult niet dat, en gij zult wel dit en dat, en als je het niet doet, dan gebeurt er dat... Er staan ook veel dingen in de bijbel die niet makkelijk te begrijpen zijn, en dan heb je de neiging om hem maar te laten liggen. Het praktische, wijze levensadvies van Jakobus is: Probeer het nog eens, maar dan anders. Probeer nu eens de woorden uit te bijbel te lezen en ze te gebruiken als een spiegel, waar je je steeds weer afvraagt: wat voor gezicht van mijzelf zie ik daar nu in, wat kan ik daar nu van mijzelf uit leren, wat zie ik daarin?
Want die bijbel vertelt wie we uiteindelijk ten diepste zijn. Wat je mag en kan is gebaseerd op wat we ten diepste zijn. Dán alleen kunnen er veilige grenzen getrokken worden, als we leren zien wat we niet willen zijn, en ook niet willen worden, maar wat we wel willen zijn, waar we willen uitkomen. Ik wil dat illustreren aan de hand van een heel bekend voorbeeld. Neem nu, -wat ieder van u wel honderden keren gehoord heeft-, de tien geboden. Ik heb ze vanmorgen niet voor niets weer eens helemaal van a tot z gelezen. Nu moet je die tien geboden eens even niet zien als een muur die op je afkomt, waarvoor je terugdeinst, maar je moet ze leren hanteren als een spiegel. Wat zeggen die tien woorden je dan? Het eerste wat ze zeggen, als je er open naar kijkt, is toch bevrijding? "Ik ben de Here, jouw God, en ik heb jou bevrijd! Dat is het eerste wat de tien geboden zeggen. Alleen gelaten ben ik, inderdaad, een zeer kwetsbaar mens, ik sta voor allerlei kwaad open, ik geef er aan toe, raak eraan verslaafd en word er gevangene van. Maar dan zegt God: "Hier ben Ik, Ik ben jouw God, en Ik bevrijd je, en Ik houd niet op voordat ik je helemaal heb bevrijd".
Hij is mij bevrijder, en zijn naam is: Ik ben er voor jou. Dat is het eerste wat we horen als we in de spiegel van die wet kijken. Mijn hele zelfbesef wordt alleen al door het horen van dat eerste woord veranderd. Ik weet weer wie ik ben, zoal Luther dat als zei: "Ik ben tegelijkertijd aan de ene kant zondaar en aan de andere kant een geliefd kind van God, door Hem vrijgesproken". Wij zijn geliefde kinderen van God. Er zitten nog veel strepen op mijn gezicht, en schrammen en krassen, en die zie ik best als ik in de spiegel kijk, maar Hij rust niet voordat Hij me heeft schoongemaakt, voordat Hij me van al die kwetsuren bevrijd heeft. Dat geeft kracht! Dat geeft moed om verder te gaan, daarin mag ik me graag herkennen. Datzelfde gebeurt bij ieder van die geboden. Het eerste gebod: zet jezelf niet in het centrum van het universum. Je komt er altijd fout mee uit, onherroepelijk loop je vast. Mensen die zichzelf in het centrum van hun leven zien, worden heel krampachtig. Die kunnen nooit loslaten, ze menen dat alles van hen afhangt, als zij het niet doen, wie doet het dan? Heel de wereld draait om hen. Afschuwelijk, als je dat gezicht ziet in de spiegel.
Ren weg en zeg: God, dat nooit meer! Dát is gehoorzaam zijn aan het eerste gebod, wat zegt: geen andere goden voor mijn aangezicht. Het tweede gebod gaat daar nog even op door, alsof de Here God wil zeggen: dit is belangrijk, dit mag je niet missen. Maak geen god van jezelf, maar maak ook geen goden van de dingen om je heen. Want dat gebeurt. Ik moet altijd denken aan dat voorbeeld van die beursmakelaar, die op één dag al zijn geld verspeelde. Dat was in Wallstreet, en dat is door de hele twintigste eeuw met ons meegegaan, die man die toen in de dertiger jaren alle koersen in één klap naar beneden plofte, ook zelf van de hoogste etage naar beneden plofte. Ja, hij had van zijn geld zijn god gemaakt, en toen zijn god wegviel, toen viel hij zelf. Had hij maar eerst in de spiegel gekeken, denk je dan, dan had hij zijn gezicht herkend, dat helemaal vastzat aan geld. Zo zitten we vast aan zoveel dingen, moet ik het opnoemen? Iedereen moet zijn eigen ziel daar maar op nakijken.
De één denkt aan een titel die hij zo nodig moet halen, de ander aan macht, een derde aan alcohol, drugs, porno op de televisie, je mooie aandelen, wat er zich ook maar voordoet in je leven, en wat je ineens helemaal in beslag neemt zodat het je god wordt. Zo iemand wordt een onvrije, een robot, een opgejaagde, voortgedreven door zijn afgod. Zulke mensen -ik volg de geboden verder-, gaan hun zondag gebruiken om hun afgoden op te poetsen. Let daar maar eens op, dat neemt toe, denk bijvoorbeeld maar aan de winkelopenstelling op zondag, dat zie je in kleine trekjes, dat onteert de naam van God. Je hebt geen tijd meer voor familieverhoudingen, kinderen zien hun vader en moeder niet meer, grootouders zitten goed opgeborgen in het bejaardenhuis, en zo komt van heel het leven eigenlijk niets meer terecht. Dat maakt enorm ongelukkig. Je ziet hoe de wet hier dus grenzen stelt. Grenzen aan het gebruik van mijn tijd, van mijn week, het gebruik van mijn bezittingen, van mijn werk. Grenzen aan gebruik van mijn leven. De wet creëert ruimte om te leven, ruimte voor de kinderen, ruimte voor mijn ouders, het vijfde gebod vloeit daar dan ook zo uit voort.
Geboden die je domweg moet doen: je vader en moeder eren, er voor hen zijn, je kinderen respecteren als een gave die God je gegeven heeft. Precies hetzelfde geldt van het zesde gebod: ge zult niet stelen. Stel je voor, een stad, waar aan stelen een grens is gesteld, met straffe hand, we worden er allemaal door gezegend. Ruimte om te leven. Ge zult niet echtbreken. Ik kijk in zo'n gebod als in een spiegel. Niet als een kijkglas, waar je doorheen kijkt naar die ander. Wat die niet allemaal uitvoeren! Dan gebruik je die wet niet goed. Nee: ben ik trouw aan mijn vrouw, aan mijn man? Houd ik van haar , van hem, en toon ik dat ook? Respecteer ik in de omgang van persoon tot persoon die persoon van het andere geslacht? Daar zijn spelregels voor, die heeft God gegeven. Wat een ruimte wordt er niet geschapen om te leven binnen de grenzen die de Here daarvoor gesteld heeft. Het is veilig wonen bij iemand die de Here liefheeft, die dus niet experimenteert, maar die trouw is en liefdevol. Die seksualiteit niet ziet als iets op zichzelf, maar iets wat hoort bij die totale levensverbondenheid van een huwelijk, en anders: nee. Zo scheppen grenzen ruimte om te leven.
Dat geldt tenslotte voor heel onze samenleving, waarin doodslag geweerd wordt, waarin goede rechtbanken zijn. Daarover gaat het in het achtste en negende gebod: gij zult niet doodslaan, en geen vals getuigenis spreken. Dat gaat tot je spreken als je denkt aan samenlevingen als Rusland of Soedan, waar recht en wet verloren gaan. Dan vergaat een samenleving, er komt angst en onvrijheid. De laatste spiegel die de wet ons voorhoudt is: waar zit je diepste verlangen? Het is eigenlijk heel ontroerend dat dát het slot is van de tien geboden. Het is alsof de Here zich in dat slotgebod -gij zult niet begeren- richt op het omgekeerde: waar ligt nu je diepste verlangen? Heel bijzonder dat God dát -waar verlang je nu ten diepste naar?- wil horen. Daar zit natuurlijk die ondertoon in: reinig dat verlangen, laat het een zuiver verlangen zijn. Laat het niet gericht zijn op iets dat niet verzadigen kan. Ook dan wordt in de wet zelf weer zo'n rijtje genoemd: os en ezel -vandaag zouden we zeggen de auto-, de bezittingen van de buurman, de vrouw van de buurman, ze komen allemaal naar voren als mogelijke ontsporingen. Zo herkennen wij ieder voor zich ons eigen gezicht in die geboden.
Maar het slot is toch altijd weer: mijn zoon, geef Mij je hart. Waar ligt je diepste verlangen...? Wie dat doet leert zichzelf steeds meer kennen. Die gaat steeds meer beseffen dat hij daarbij die Ander nodig heeft, Jezus, de Zoon van God, die als lam van God voor onze zonden gestorven is. Die door zijn Geest in ons wil wonen en werken. Dus we kunnen altijd weer opnieuw beginnen. Dat besef je als je in de spiegel van de wet kijkt, dat voert je heen naar Hem, en maakt je rijk in Hem. Zo iemand leert renzen stellen, ook heel praktisch in zijn eigen leven. Grenzen tussen wat kan en niet kan, wat je zelf aankunt en niet aankunt, -ook heel belangrijk-, en wat je mag en niet mag, wat echt is en wat niet echt. Ik keer weer terug naar het begin. Als er iets is wat ons allemaal benauwt, is dat een samenleving waarin grenzen vervloeien. Dan worden we allemaal verward en ongelukkig, de kinderen voorop. We luisteren naar Jakobus, die zegt: verdiep je nu eens in die volmaakte wet, neem je bijbel er eens bij en kijk daar in. En dan niet gauw weer weglopen als je je gezicht herkent, maar laat je in dat bevrijdingsproces betrekken als je je gezicht herkent!
Ga je gezicht reinigen, en betreedt de ruimte die de wet ons geeft. Dat is wat Jakobus ons voorhoudt. Ik leer grenzen aanbrengen in mijn tijdsgebruik. Ik ga prioriteiten stellen, ik ga goede keuzes maken, want ik heb mijn gezicht herkend in de spiegel van woord en sacrament. Ik ben zondaar, en tegelijk gerechtvaardigd. Ik toch vaak weer verslaafd aan fouten, maar ik ben toch een geliefd kind van God, bevrijd door Jezus, en Hij doet een appèl op mijn hart. Wat wil ik nog meer? Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.