Bijbeltekst: Lucas 15: 4b, 8b en 20b

gemeente van Christus, Deze drie gelijkenissen in het centrum van het evangelie van Lucas, hoofdstuk 15, zijn overbekende gelijkenissen. Het verloren schaap, de verloren penning, en de verloren zoon, ze vormen natuurlijk wel het hart van het evangelie. Toen de Engelse evangelische leider John Stott, -intussen oud geworden, maar nog steeds bekend- voor het eerst werd uitgenodigd op de Wereldraad van Kerken hield hij daar een redevoering. Hij was een evangelical, en de Wereldraad van Kerken een oecumenische beweging, van een heel ander kamp. Toen hij daar voor het eerst kwam sprak hij die oecumenische beweging aan en zei: "Jullie spannen je tot het uiterste in voor de armen in de wereld -you hear the cry of de poor-, maar waar is jullie bewogenheid voor de verlorene? -Do you also hear the cry of the lost?" Dat kwam mij weer in gedachten toen ik me deze week voorbereidde.

"Waar is jullie bewogenheid voor de verlorene?" Natuurlijk, daar speelt bij John Stott dat grote verschil in mee dat in de Wereldraad van Kerken de christelijke actie vaak sociaal was, en dat in de evangelische beweging de nadruk meer ligt op evangelisatie, meer mensen terugbrengen naar God, en ik weet ook wel, en John Stott ook, dat dat een valse tegenstelling is. Want je moet het ene doen en het andere niet nalaten. Maar deze drie gelijkeniseen in het centrum van het evangelie van Lucas deden me toch deze week terugdenken aan die bekende oproep van John Stott. Horen jullie dat nog? Hoort u dat nog, die roep van de verlorene? Ze staan in het centrum van het evangelie van Lucas omdat ze eigenlijk het hart vormen van het werk van Jezus. Hier klopt het hart van Jezus werk, maar daarom heb ik dat woord uit het evangelie van Johannes boven het informatieblad gezet: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. We worden hier eigenlijk teruggevoerd naar het vaderhart van God. Het klopt in bewogenheid voor het verlorene. Het ene schaap dat los is van de kudde, en ieder contact met de herder verloor. Die ene schelling, die zo maar wegrolde naar een hoek in het huis.

Die ene zoon die naar het buitenland reisde en daar berooid en verlaten bij de varkens belandde. Het zijn allemaal beelden van hoe een mens verloren kan raken, hoe je je bestemming kan missen, en vast komen te zitten in het leven, afgesneden worden van de bron. Dat kan terwijl je in een villa leeft, zoals een tollenaar. Dat kan gebeuren midden in de kerk, wegrollen in een hoek. Maar het kan ook zijn dat je het zelf bewust en fier gekozen hebt. Zo heb in deze gelijkenissen een stuk onderwijs gehoord, hoe mensen verloren kunnen gaan, maar ook hoe en op welke verschillende manieren wij daarop moeten reageren. Hoe verschillend is vandaar uit ook onze omgang met hen. Ik heb in een schema aangegeven wat ik vanmorgen stap voor stap met u wil doordenken. Hart hebben voor de verlorene, dat is wat dit gedeelte ons leert. Hoe kwam het? Wat te doen? verloren schaap ongemerkt zoeken verloren penning binnenshuis vegen verloren zoon gevolg van keus wachten Het is wel heel opvallend dat dat bij ieder van hen zo anders is, terwijl ik eerst dacht dat die drie gelijkenissen hetzelfde verhaal waren, op een andere manier verteld, met andere beelden. Maar wanneer je goed leest merk je de verschillen.

Als je de vraag stelt: hoe raakte het schaap verloren, en hoe raakte de penning verloren en hoe raakte de zoon verloren, dan heeft elke gelijkenis een heel ander antwoord. En dat dienovereenkomstig onze houding daarom steeds weer anders moet zijn. Het verloren schaap is eigenlijk ongemerkt terzijde geraakt. Dan is de reactie van de goede herder dat hij gaat zoeken. Hij trekt er op uit. Terwijl bij de penning het heel opvallend is dat die verloren raakt binnenshuis. De eerste reactie is dan: ze steekt een lamp aan en gaat vegen. Is dat niet intrigerend, dat dat ook manier van zoeken is? Dan het derde, bij de verloren zoon, daar is zijn gedrag en de uitkomst daarvan helemaal een gevolg van zijn eigen keus, dan zie je ook dat daar een heel ander gedrag van de vader tegenover staat, hij gaat zijn zoon niet achterna maar blijft wachten. Het zijn allemaal beelden van hoe een mens verloren kan gaan, en wat wij uit het hart van God mogen en moeten doen. Neem de eerste gelijkenis. Een herder trekt er op uit. Heel de dag leidt hij zijn kudde, op zo'n manier dat ze op plaatsen komen waar goede voeding groeit en waar fris water is.

Maar je moet natuurlijk wel verkassen in die heuvels, van hoogvlakten, tot dalen, rotsachtige plekken hier, met kloven en spleten, naar meer vlakke stukken daar waar het misschien drassig is. Intussen wordt de kudde bedreigd van alle kanten, door het weer, het kan gaan onweren, door het landschap, moeras en kloven, en natuurlijk ook door wilde dieren in die tijd, die best een lammetje lustten. Hoe goed zo'n herder zijn werk ook doet, er zijn tijden dat hij 's avonds terugkomt en dat hij er eentje mist. Wat doet hij dan? Jezus vraagt zijn gehoor naar de bekende weg, want dit beeld was hen vertrouwd. Een echte herder trekt er op uit, zodra hij een schaap mist. Die gaat terug, tot diep in de nacht, hij gaat zoeken in de wildernis. Ergens overdag heeft een van de schapen een stukje groen ontdekt net buiten het veld dat afgebakend was. Iets wat hem lekkerder leek dan dit er binnen. Misschien net iets dieper in die helling daar heeft hij dat graspolletje ontdekt dat nog net iets groener is. Ongemerkt is hij daar naartoe getrokken, heeft zich vastgelopen tussen een rots en een boom of wat het ook mocht zijn, en de kudde trok verder, niemand heeft het gemerkt.

Had iemand het gezien, dan had die direct alarm geslagen, maar niemand ziet het. Als 's avonds de koppen van de schapen geteld worden is er een te weinig. Waar is hij? Direct gaat de herder er op uit, hij komt in actie, hij gaat zoeken. Welke herder zou dat niet doen, zegt Jezus? Hier hebben we de eerste vorm voor ons waarop mensen kunnen verdwalen en verloren raken. Bij velen gaat dat ongemerkt. Er was een stukje gras buiten het eigen veldje, en dat leek toch eigenlijk veel lekkerder dan dat erbinnen, veel aantrekkelijker om dat te kiezen. Ik zag een programma op televisie over verslaafden in Sint Petersburg. Daar zijn ontzettend veel jeugdige verslaafden, en driekwart van hen raakt op die manier verslaafd, zij kiezen er niet voor, maar rollen er ongemerkt in. Het gaat heel langzaam, je raakt er ongemerkt in door je vriendenkring, je rookt een stickie mee, en je wil iets zwaarders daarna, en tenslotte loopt het uit op spuiten, en je kan niet meer zonder. Dat is heel opvallend, want dat is eigenlijk een illustratie bij wat je hier leest. Het schaap dwaalt af, het gaat geleidelijk, zonder dat mensen het direct waarnemen.

Ik noem nu dit voorbeeld van verslaafden, maar het gaat precies hetzelfde met het verstrikt raken in de materialistische wereld. Heel geleidelijk, voor je er erg in hebt, slib je weg in vriendschappen waarvan je achteraf zegt: daar begon het eigenlijk, verkeerde vriendschappen. Je slibt weg in gefascineerd worden door geld en techniek, door ideeën, het gaat langzaam aan, het gras buiten het veldje dat de goede herder aangewezen heeft lijkt net iets aantrekkelijker en het palmt je langzaam in tot je erin verstrikt raakt: een leven dat tenslotte totaal en alleen uit is op geld, mooie kleren, verkeerde vrienden, en je raakt er in vast. Wat doet God hier door Jezus en door mensen die zich aan Hem gegeven hebben? Bij het eerst type staat heel uitdrukkelijk: Hij zoekt ze op. Hier moet je niet wachten, niet vegen, hier moet je eropuit. Als het schaap komt vast te zitten, het valt, het raakt bekneld, het kan niet meer terug, dan gaat het blaten. Dan loopt daar de goede herder rond, hij komt, hij is er, hij verbindt het gebrokene, hij draagt het gevallene en brengt het weer terug op zijn schouder.

Hij roept zijn vrienden en buren bijeen, zegt Jezus, zo blij is hij met verloren schaap: daar moet op gedronken worden. Er is meer vreugde in de hemel over zo'n schaap dat terugkeert dan over negenennegentig die die terugkeer niet nodig hadden. Ongemerkt afgedwaalden moeten we zoeken. Die actie gaat van ons uit. Maar hoe? Ik noem een paar dingen. Ik denk dat het allereerste is dat je in de buurt moet zien te komen. Dat is wat die herder toch doet. Als de goede herder niet in de buurt was geweest had hij het verloren schaap niet gehoord en niet gezien. Aanwezig zijn, met ze eten, datgene waar de Schriftgeleerden Jezus om aanklaagden. "Hij zit daar met zondaars te eten", zeiden ze, "hoe kan Hij dat nu doen?" Dat is het eerste, in de buurt zien te komen, bij ze zijn. Maar het is ook iets mentaals. Ik denk dat het ook soms betekent eens even een voorgevel naar beneden trekken, doorprikken, doorvragen: waar ben je eigenlijk mee bezig? Hier mag je agressief zijn. Bij hen die zo ongemerkt wegslippen helpt het dóór te vragen: hoe kan jij nu toch hier in belanden, waarom deze vriendenkring, en is dat gras wat je hier zoekt nu zoveel groener dan binnen het verbond?

En vraag je je ooit wel eens af waar de goede herder je hebben wil? Doorvragen. Maar wat beslissend is: treedt naar buiten. Verlaat de negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben, zoek de ongemerkt verdwaalden op, ver weg en dichtbij. Dat is ook de rechtvaardiging van evangelisatie in de nauwere zin. Evangelisatie betekent: je gaat er op uit, je zoekt ze op. Maar nog niet heeft Jezus dat eerste verhaal verteld, van de herder en dat ene verloren schaap, ver weg buiten de schaapskooi, of ineens denkt Hij -ik zie het Hem denken-, maar er zijn natuurlijk ook legio die verdwaald raken binnen de schaapskooi! Daar vertelt Hij dan dat tweede aanvullende verhaal bij. Een vrouw die binnenshuis haar munt verliest, een munt die haar ontzettend veel waard was. Ze had er tien, waarschijnlijk zijn dat de tien gouden munten die een halssieraad vormden, die de vrouw als geschenk kreeg bij haar huwelijk en die ze in en houdertje om haar hals droeg. En nu is er één uitgeschoten en weggerold. Op een dag staat ze op en ziet hoe die verdwenen is. Alsof Jezus wil zeggen: er raken ook veel mensen verloren in de kerk. Kan dat dan? Kan een kuddedier ook midden in de kudde verdwaald raken?

"Ja, zegt Jezus, zoals een huisvrouw midden in haar huis ineens die ene schelling kwijt raakt. Zo kan het gebeuren dat ook hier binnenshuis mensen verloren gaan. Ineens denk je: Ik heb die een hele tijd niet meer gezien, niet van gehoord, het lijkt of die onzichtbaar is geworden. Dat gebeurt vaak op een heel subtiel manier. Het kan zijn dat je iemand wel ziet, en hoort, maar dat die er niet echt is. Dat gebeurt vooral als in een gemeenschap enkelingen niet de ruimte krijgen om te groeien, om er te mogen wezen, als ze niet gezien worden. De bekende dr. Ter Ruwe noemde dat: het komt omdat ze niet worden bevestigd, niet worden genoten, niet worden erkend, ook in de kerk iet worden ingeschakeld. Ze proberen het één keer, twee keer, drie keer, en dan haken ze innerlijk af, ze willen niet meer mee, geven zich nergens voor op, trekken zich terug, en kruipen in een hoek zoals zo'n munt wegrolt in een donkere hoek van het huis, en het heeft ook een weerslag op hun eigen geestelijk leven. Erg is dat, en hoe moet je daar nu mee omgaan? We lezen: welke vrouw, die tien schellingen heeft en er tien verliest, steekt niet een lamp aan en gaat schoonmaken?

Toch wel heel opvallend dat dat de manier van schoonmaken is binnen de gemeente. En ze zoekt zo zorgvuldig tot ze de munt vindt. Hier is dus zomaar zoeken niet de weg, nee, eerst steekt ze de lamp aan, dan gaat ze vegen. Het zoeken gebeurt in de vorm van een schoonmaakbeurt. Dat is bij deze tweede groep verlorenen heel wezenlijk. Er moet in die gemeenschap zelf eerst schoonmaak gehouden worden, een bezem door het huis, licht ontstoken. Het zijn, vind ik, allemaal beelden van een proces van verheldering en een proces van reiniging. Verheldering van: waar was eigenlijk die zorg voor elkaar? En hebben we die ander wel echt gezien? Weet u wie er naast u zit in de kerk? Hoe echt zijn onze relaties? Je kan nooit met vijfhonderd mensen tegelijk een echt levende band hebben. Maar heb om z'n minst een levende relatie met vijf of tien, al naar mate je vermogen is. Eenderde van onze gemeente, in de leeftijd tussen de twintig en dertig jaar, hebben geen enkele kring in de gemeente waar ze deel van zijn. Dan kan je dat ook niet beoefenen. Maar het gaat natuurlijk dieper, het gaat om een proces van zelfonderzoek. Hoe zijn mijn relaties? Laat ik iemand buiten mijn kring maar wegglijden?

Hoe is de inhoud van mijn relaties. Volgende week is het avondmaal, vroeger was het altijd de gewoonte dat de week ervoor gezegd werd: 'Bezin je daar eens op, doe eens aan een stukje zelfonderzoek.' Ik vind dat tweede punt een punt van zelfonderzoek. Gewoon om eens na te denken: wie heb ik nu een tijd niet gezien in de gemeente? Misschien is dat wel die munt die is weggeschoten. En heb ik bitterheid in mijn relatie tegenover iemand anders? Zit daar wrok? Zitten er spinnenwebben hier in huis die er uit moeten? Haal ze er dan uit. Geldingsdrang, zelfgenoegzaamheid, jaloezie, onverschilligheid, er zijn duizend van die dingen die het onmogelijk maken om een levende gemeenschap te zijn en de Here te ontmoeten, en het maakt het heel moeilijk voor sommige 'munten' om gevonden te worden. Dat is wat ik zie in die tweede reactie van het zoeken naar die verloren schelling. Tenslotte de derde, de meest bekende gelijkenis. Het is opvallend dat zoeken daar helemaal geen zin heeft. Dat is een van de meest verrassende ontdekkingen als je deze gelijkenissen in een adem leest. Die vader gaat er helemaal niet op uit. Hij blijft gewoon thuis en hij wacht. De situatie is ook geheel verschillend.

De jongste zoon wist wat hij deed. We lezen al direct aan het begin hoe hij zelf het initiatief neemt. De vader had twee zonen, en op een dag komt, helemaal uit zichzelf, de jongste zoon bij hem aan en zegt: vader, geef me het deel van het vermogen wat mij toekomt. Die vader doet iets heel onverwachts: hij doet het. Dat is heel abnormaal, normaal wordt de erfenis pas na je sterven verdeeld. Maar deze vader doet het. Hij geeft de jongste zoon zijn deel. En die trekt er zelf op uit. Niemand die het hem opdrong, niemand die het stimuleerde of vroeg, of hem verleidde, of hem aantrok, hij gaat zelf, het is gewoon een bewuste keus. Hij trekt weg naar een ver land, daar gaat het lange tijd goed, zolang het erfdeel van zijn vader hem in zijn financiële middelen voorzag. Maar, zoals we lezen, zodra dat alles op was, verdwenen ook zijn vrienden. Toen er een zware hongersnood kwam begon hij gebrek te lijden, en er was niemand die hem hielp. Tenslotte moest hij het nog als een gunst beschouwen dat hij de varkens mocht verzorgen en mee mocht eten uit hun voederbak. Voor een Jood is dat wel heel erg. Dan komt hij tot zichzelf.

U weet hoe het verder gaat, hij zegt: "Zelfs de minste dagloner bij mijn vader heeft het beter dan ik, laat ik opstaan en tot mijn vader." Dat hij dat denkt kan natuurlijk alleen omdat hij in zijn hart weet dat zijn vader hem nooit heeft losgelaten. Het is niet zo dat zijn vader hem opzoekt. De goede herder deed dat wel. De vader denkt ook niet: "Wat heb ik foutgedaan?" Nee, hij wacht. Dat blijkt, want als de jongste de knoop heeft doorgehakt en tot zichzelf is gekomen, zijn eigen zonden inziet, dan staat er: en toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem van verre. Een van de mooiste woorden uit de bijbel. Want hier blijkt dat hij op hem stond te wachten. Op de warande stond hij te wachten, te kijken of hij er al aan kwam. Toen hij zijn jongste zoon zag werd hij met ontferming bewogen en hij is zo blij dat hij zijn zoon weer terug heeft dat hij direct een groot feest belegt. Hij zegt: "Mijn zoon hier was verloren, hij was eigenlijk dood, maar hij is weer gevonden." Want het lijkt wel of de thuiskomst alleen maar het werk was van zelfoverleg binnenin die verloren jongste zoon, maar de vader heeft hem vastgehouden, bij hem is veel vergeving.

De jongste zoon weet: ik heb wel alles verspeeld, maar hij wacht, hij kijkt en hij hoopt. Dat is in drie woorden wat ons mag vervullen als we denken aan de vele verloren zonen en dochters die ons omringen. Ze worden aangetrokken door een wijde wereld, je komt in onze samenleving terecht in een wereld met alle -ismen. Het humanisme fascineert, het liberalisme doet het vandaag heel goed, die lucht ademen ze in, en ze voelen zich steeds meer beklemd thuis. Ze denken er heel bewust over na, het is een proces van emancipatie zoals we dat dan noemen, ze hebben intelligente vragen, want je kan toch uiteindelijk met de wetenschap niet bewijzen dat God er is?, zeggen ze dan. Waarom zou ik in dit suffe wereldje waar niks gebeurt blijven hangen? Trouwens, een mens moet zelf kiezen waar hij voor leven wil, ieder mens moet zijn eigen leven maken. Ik zie ze voor me, al die honderden, duizenden, die zo gaan en hun leven los van de Vader inrichten. Rond dingen van deze wereld, consumptie en productie, rond ideologieën van deze wereld, de - ismen, met het vermaak van deze wereld wat rijk aanwezig is, en met de droom van deze wereld: er uithalen wat er in zit. Wat kunnen we daar aan doen?

Als het je eigen kinderen zijn weet je het. Je irriteert ze als je ze op dat punt opzoekt, zoals die herder dat deed. Als die vader zijn zoon halverwege dat proces had opgezocht dan had die jongen gezegd: help! Wegwezen! Dat was totaal mislukt. En je irriteert ze ook als je steeds maar blijft zeggen: ik heb het niet goed gedaan. Dat hoort bij die verloren penning, maar niet bij de verloren zoon. Nee, ze zijn geen verloren penningen, het zijn verloren zonen. Wat mij opvalt bij die vader is dat hij respect toont voor de keuzes van zijn zoon. Hij zoekt hem niet op, hij begint geen zelfonderzoek met lampen en bezems. Als keuzes gebaseerd zijn op afwegingen, en op mondigheid, en op zelfstandigheid, dan rest er voor u en mij niets anders dan te wachten. En ik hoef dat niet eens te zeggen, want iedere vader of moeder weet dat, het is een geladen wachten, een meelevend wachten, een wachten dat uitziet. Een wachten ook dat zich vereenzelvigt. Je moet lezen wat zij lezen, de films zien die zij zien. Als je dat doet dan vertolk je en heb je het hart van de Vader. Je ziet bij ieder van deze verlorenen, schaap, penning en zoon, vertoont het hart van de Vader heel ander gedrag.

Dat is het waar ik nu in de samenvatting bij terugkeer. Ik zei aan het begin: het zijn drie gelijkenissen, en ze staan in het centrum van het evangelie, ze leiden ons ook heen naar het hart van God. We leven in een wereld waarin mensen het contact met de bron zijn kwijtgeraakt, waarin ze verstrikt zijn geraakt, verloren gaan, en waarin ze redding in nodig hebben. Waar Jezus ons in deze gelijkenissen naar toe voert is in de eerste plaats dat God altijd zoekt, altijd blijft zoeken, en dat Hij altijd met ontferming bewogen is. Maar tegelijkertijd helpt Hij ons door deze drie verhalen. Hij helpt ons met onze houding. Hij zegt: Wacht niet waar je moet zoeken, en veeg niet waar je moet wachten, en zoek niet waar je eerst moet vegen. Stem je fijngevoelig af op de mens die God op je hart legt. Ga na: is het een schaap, is het een schelling of is het een zoon die het goede pad verloren is. De Here zal u leren te zoeken bij de één, te vegen bij de ander, en te wachten op de derde. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.