Bijbeltekst: Openbaring 5

gemeente van Christus, Samen met veel andere kerken lezen wij aan het eind van dit jaar het boek Openbaring. We bewegen ons naar het eind van niet alleen een eeuw, maar van een millennium, duizend jaar. Daar zijn middeleeuwse theologen veel mee bezig geweest, daar zal ik nog wel eens meer over vertellen. Luther had een boekje, wat hij dagelijks in zijn zak bij zich droeg, en hij telde de geschiedenis in millennia, in duizend jaartallen. Hij dacht, met de meeste theologen uit zijn tijd, dat God de wereld schiep in zes dagen en toen de sabbat, en zo heeft hij de wereldtijden omvat met 'werk'millennia, vier voor de komst van Jezus Christus, twee erna -zijn we niet aan het eind van die tweede?- en dan volgt het laatste duizendjarig vrederijk, waaraan geen einde zal komen. Luther telde de jaren af, je kunt zeggen dat hij er natuurlijk nog 4 á 500 jaren vanaf zat, maar er staat in het evangelie dat die jaren zullen worden ingekort vanwege de verdrukking, zo dacht hij: 'wie weet gebeurt het nu al, deze eeuw, dit jaar'. Zo was hij daarbij betrokken. Ik zei al, dat is een zijspoor.

Wij staan aan het eind van het tweede millennium, het tweede tijdperk van duizend jaar na de komst van Jezus Christus, en wat het ook in ons doet, in elk geval dit dat het ons brengt tot een soort bezinning, een soort nadenken over de geschiedenis in het groot: 'is er zin en samenhang?' Het is begrijpelijk dat we samen met veel kerken daarbij grijpen naar het laatste bijbelboek Openbaring. Niet alleen omdat dat het enige boek is waarin letterlijk de naam valt: duizendjarig rijk, in Openbaring 20. Dat is niet de enige reden. Heel duidelijk staat er, dat lazen we al in Openbaring 1:1: 'In dit boek zal worden getoond hetgeen weldra geschieden zal.' Dat is in één zin gezegd waar dit boek over gaat. Het boek Openbaring geeft ons dus inzicht. Eigenlijk staat er: onthulling, ontsluiering, Apocalyps van de geschiedenis vanaf de tijd dat Johannes op Patmos was. Je zou kunnen zeggen dat het de periode is die na Christus komst -de eerste komst- aanbreekt tot aan de tweede komst. Eerst wordt in Openbaring 1 tot 4 symbolisch weergegeven hoe de zeven gemeenten in hun concrete dagelijkse levensworsteling worden aangeschreven, vermaand en bemoedigd.

Zeven kandelaren met daartussen de Zoon des mensen. Daarna in hoofdstuk 4 het wondere visioen van de troon: 'ik zag de hemel geopend...', daar valt alle licht op de grote Regisseur die vanuit zijn hemelse majesteit alle aards gewoel overziet, draag en leidt. God in oneindige heerlijkheid, onophoudelijk bezongen door de vier dieren en de vierentwintig oudsten, de schepping en de gemeente van God van alle tijden. Nu hier dit vijfde hoofdstuk. Nu begint het eindelijk, die onthulling van wat weldra geschieden moet. 'Ik zag in de rechterhand van Hem die op de troon zat een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, maar hij was verzegeld met zeven zegels.' Dat is in één beeld getroffen waar het verder in het boek Openbaring zal gaan en waar we zo intens in geïnteresseerd zijn, want dit is de boekrol van de geschiedenis in die eindtijd! Het beeld is regelrecht overgenomen uit het boek Daniël, waar aan het slot aan de profeet Daniël wondere dingen worden getoond over de eindtijd, u vindt dat in Daniël 12. Daniël zegt dan: "Ik hoorde het wel, maar ik begreep het niet en zei: Mijn Heer, waarop zullen deze uitlopen?

Maar Hij zei: Ga heen Daniël, want deze dingen blijven verborgen én verzegeld tot de eindtijd. Ze moeten opgeschreven worden in een boekrol die wordt verzegeld tot de eindtijd." Hier krijgen we opnieuw dat visioen van die boekrol van Daniël, nu in de rechterhand van Hem die op de troon gezeten is. De geschiedenis van de tijd tussen Christus komst en zijn wederkomst. Ik heb eens aan een gemeentelid gevraagd dit visioen visueel te maken. Hij kwam daarbij een aantal problemen tegen. Het eerste was dat hij niet wist hoe de boekrol beschreven was. Was het Grieks, of Hebreeuws of Aramees? We weten het niet. Hij heeft het in zijn beeld onbeschreven gelaten, maar dat was natuurlijk niet goed. Het was een beschreven boekrol, en let u eens op dat opvallende detail: beschreven van binnen én van buiten. Dat is vreemd. Waar je ook zoekt, in de joodse synagogen, in hun heilige kasten waar de boekrollen bewaard worden, je zult nergens een boekrol vinden waar de buitenkant van is beschreven. Daar moet hier dus de aandacht op vallen: Beschreven van binnen én van buiten. Natuurlijk, dat wat je aan de buitenkant leest is niet voldoende om de tekst helemaal te begrijpen.

Als u zich indenkt dat er hier op deze gesloten boekrol een tekst staat van boven naar beneden, die doorloopt, dan kunt u zich voorstellen dat u alleen fragmenten ziet. Dat betekent dat de niet door Openbaring verlichte mens wel iets kan zien van de geheimen van de geschiedenis, maar de tekst breekt toch altijd halverwege af, het blijven fragmenten, flitsen die even iets doen vermoeden maar het echte geheim ontsluiten ze niet. Dat is treffend, eigenlijk voor alle geschiedenisbeschrijvingen in onze tijd. Wie alleen de gebeurtenissen van de boekrol van buiten bekijkt, ziet hier en daar een flits, vangt een woord op, even een brokstuk, maar hij krijgt het hele verhaal niet te zien, de geschiedenis blijft voor hem een gesloten boek. Het tweede probleem bij het visueel maken van dit visioen waren de zeven zegels waar de boekrol mee verzegeld zijn. In Openbaring 6 lezen we dat als er één zegel verbroken wordt de boekrol iets verder open rolt en bij het volgende zegel nog iets meer. Dat kunnen wij ons niet voorstellen, want de boekrol blijft gesloten, zolang er nog een zegel gesloten is. Dus het beeld gaat mank.

Iedereen begrijpt wat bedoeld wordt, maar waar vooral de aandacht op valt zijn de zeven zegels die de boekrol gesloten houden. Bij het verbreken van ieder zegel schuift de boekrol verder open, maar blijft toch nog gesloten. Zeven zegels betekent: het is volmaakt verzegeld. Eigenlijk brengt dat ons midden in onze aangevochten tijd terug. Het is precies zoals het ervoor staat. Aan het eind van de eeuw verschijnen er veel commentaren over deze en vorige eeuw, over duizendjaartijdperken, geschiedkundigen zullen proberen daar iets van te beschrijven. Maar hier in Openbaring wordt ons verteld: het blijft een met zeven zegels gesloten boek. Je mag zo nu en dan wat flarden van de buitenkant lezen, hier en daar, maar niemand kan zin en samenhang en de kern verstaan. Ik zei al: dat brengt ons heel dicht bij onze postmoderne tijd. Wij spreken van het levensgevoel van deze negentigerjaren, dat duiden wij aan met het woordje postmodernisme. Modernisme had nog grote verhalen en machtige ideologieën, maar wij leven in de tijd daarna, -'post' betekent na die tijd van ideologieën en idealen. Dat postmodernisme houdt ons voor dat nu de tijd van de grote verhalen voorbij is.

Er is vandaag echt niemand die nog iets zinnigs weet te zeggen over samenhang, doel en hart van de geschiedenis. Wij leven bij de krant en bij het Tv-journaal. Dat zijn de flitsen. En wat zijn dat? Wat krabbeltjes hier en daar. Maar wat betekent het? Niemand die het weet. Hoe donker is onze tijd. Als je een eeuw overziet: oorlogen, wereldoorlogen, aardbevingen, cyclonen, wie weet de zin en de samenhang? En van ons leven in het klein? Hoe krijgt ons leven zin en samenhang? Een leven wat eigenlijk alleen samenhangt van fragmenten? Hier een flits geluk en daar een diepe flits van pijn? Wie leest de zin en de samenhang, is er wel een verhaal van te maken? Dat is de kernvraag voor de denkende mens van de twintigste eeuw aan het eind van dit millennium. Is er wel een verhaal van te maken? Dat is een van de hoofdthema's in de psychologische zorg voor mensen. Daar liggen de scherven van je leven, is er nog een verhaal van te maken? Wij kunnen zeggen: daar liggen de scherven van de geschiedenis, geniale boeken kun je lezen over grote zeehelden, koningen, vorsten, maar het zijn allemaal fragmenten. Is er nog wel samenhang, is er nog een verhaal van te maken? Wie opent eigenlijk die boekrol?

Dat is het volgende moment in dit visioen uit Openbaring. 'Ik zag een sterke engel die met luider stem uitriep: "Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken? Wie?" Dan het antwoord, een verbijsterend antwoord maar zo waar als wat: "Niemand in de hemel noch op de aarde noch onder de aarde kon de boekrol openen of haar inzien." Dat is eigenlijk het slot van de twintigste eeuw getypeerd tot in zijn kern. Niemand kan zin, doel of samenhang van de geschiedenis vertellen in één doorlopend zinvol verhaal. Dat is eindeloos treurig. Johannes vertelt: 'en ik weende zeer omdat niemand waardig gebleken was de boekrol te openen of haar in te zien.' Eigenlijk komt hier alle opgekropte verdriet over de toestand van de mens boven. Hoe donker is deze eeuw, die is te vergelijken met een wandeling door een donker bos, we vallen hier en bezeren ons daar en we eindigen in de dood en we weten in de wereld niet waar het allemaal voor dient. Dat is zo treurig, staat hier in het visioen van Johannes, dat hij zegt: "Ik weende zeer." De kerk weent tranen met de nietsziende mens. Het postmodernisme is wel eens getypeerd met: nihilisme met een lach.

Het is nihilisme ja, dat voelen we mee met de mens van deze tijd. Maar het tweede, die lach, doet ons toch eigenlijk wat zeer. Want als er geen zin en samenhang te vinden is en het grote verhaal bij de hand afbreekt, dan is wat Johannes doet eerlijker. Geen glimlach maar tranen. Want op de machtige roep van de engel is er niemand die naar voren treedt en de zeven zegels breekt. Niemand. Geen denker, geen wijze, geen filosoof, geen godsdienststichter, geen ster in de hemel, niemand op de aarde, onder de aarde, geen dier of vis, niemand. Ik moest denken aan de kwantummechanica. Geleerden als Einstein en Niels Bohr, hoe zij geprobeerd hebben om de kleinste deeltjes te vinden. Zou daar het geheim liggen dat alles verklaart? Vandaag zijn ze in de biologie bezig met de genen. Zouden die kleinste deeltjes van het erfelijk materiaal misschien uiteindelijk het geheim van het leven bevatten? Zou iemand die boekrol openen? Maar er is geen verhaal van te vertellen. Anderen hebben het gezocht in de geschiedenis, mensen als Leonard Huizinga, filosofen van Plato tot Heidegger, maar niemand is in staat geweest om de boekrol te openenen.

Hooguit hebben ze wat krabbeltjes gezien op de buitenkant, maar de rol zelf blijft gesloten. Niemand is waardig gebleken het geheim te ontsluiten, het verhaal te vertellen. Wat Johannes in zijn diepste angsten vreesde lijkt hier waar te worden. Het brengt hem in de grootste ontzetting. Alles draagt bij aan de zinloosheid en dreigt in zinloosheid weg te zinken. Dan komt de wending, dat is het grootste moment in dit visioen. Dan treedt één van de oudsten op Johannes toe. Het antwoord is bekend en wordt gegeven door iemand uit die vierentwintig ouderlingen van de gemeente Gods voor de troon. Die treedt naar voren en zegt: "Weent niet, weest niet bevreesd, -zie, ik verkondig u grote blijdschap, zou ik er haast achteraan gezegd hebben- de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David, dat rijsje van Isaï, die heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen." Dan valt alle licht daar op het midden van de troon. "Zie, ik zag middenin de troon en te midden van de vier dieren, temidden van de vierentwintig oudsten een lam, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen, de volheid van de zeven geesten van God.

Die kwam en heeft de boekrol aangenomen uit de rechterhand van Hem die op de troon gezeten is. Het boek van de geschiedenis van de eindtijd rust in zijn hand, de hand van Jezus. Het wonderlijke is hier de dubbele benaming. 'De leeuw uit de stam van Juda die heeft overwonnen' en 'Zie, een lam als geslacht'. Wonderlijke tegenstelling, twee tegenstellingen ineen verraden het geheim: het is Jezus als de leeuw, daar heeft Jakob van geprofeteerd. De leeuw uit Juda. Leeuw, typisch beeld van het meest koninklijke dier. Als de leeuw brult in het woud verstijven de dieren. De meest koninklijke verschijning. De bekende schrijver C.S. Lewis heeft in zijn kinderverhalen Jezus Christus als Aslan, de leeuw, aangeduid en beschreven. Maar als dan Johannes gespannen toeziet en verwacht dat die leeuw daar verschijnt, dan verschijnt die als het lam, juist het meest weerloze van alle dieren. Hij verschijnt dan als geslacht lam, niet alleen kwetsbaar, maar ook gekwetst tot in het hart. Het meest weerloze van alle dieren in de wereld van de mensen.

Ieder die dit leest moet getroffen worden door dit dubbele beeld, aan de ene kant de majesteit van de leeuw en aan de andere kant de diepe kwetsbaarheid, het gekwetst zijn van het lam. Waarom heeft Hij nu die rol ontvangen? Waarom was Hij waardig de boekrol te openen? De ouderling die Johannes dit leert, zinspeelt op Golgotha, op het laatste kruiswoord van Jezus. Dat is bij ons vertaald met: 'het is volbracht', maar je mag het ook vertalen met: 'het is overwonnen.' "Hij heeft overwonnen", zegt hij, "vreest niet, de leeuw uit de stam van Juda heeft overwonnen." Het lijden aan het kruis op Golgotha is uiteindelijk niet de nederlaag maar de grote overwinning van God gebleken. Overwinning op al die machten die de mens geknecht houden. Schuld, demonie, zinloosheid, de dood. Daar heeft hij ons van bevrijd door aan het kruis te gaan. Daar ligt het antwoord van heel het boek Openbaring, eigenlijk is het een antwoord op alle angsten van de mens. Het geeft ook aan hoe we het boek verder moeten gaan lezen. Het boek Openbaring is dus niet een soort grote Enkhuizer Almanak, waar als het ware alle feitjes en gebeurtenissen op een rij worden verteld. Dat is niet de bedoeling.

Nee, het is de onthulling van de diepste zin van de geschiedenis. Dat is wat later gebeurt. De geschiedenis gaat voort met golven. Want het is een golfbeweging met opgaan, blinken en verzinken. Het is een spiraal die voortgaat, als we straks zien hoe de boekrol geopend wordt. Maar er is er Eén die de zin ervan ontsloten heeft en ontsluit en dat is Jezus Christus, zijn lijden staat in het centrum. Als Hij die boekrol in de hand neemt gaan de machten van de geschiedenis wijken en loopt alles aan de hand van God de komst van het nieuwe Jeruzalem tegemoet. Hier ligt dus het geheim van dat grote geschiedenisplan van God. Het heilsplan van God wordt geopend door deze ene Mens, Jezus, de leeuw en het lam. Hij doet dat door de mensen vanuit zijn kruis, zijn opstandingskracht bij de hand te nemen, heen te leiden naar de komst van het rijk, van het hemelse Jeruzalem. Als Hij verschijnt en de boekrol neemt dan valt heel de schepping in aanbidding neer. De vierentwintig oudsten, -de kerk van het oude en het nieuwe verbond-, ze zingen een nieuw gezang.

Luister eens naar dat eerste gezang, ze zingen: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen, want Gij zijt geslacht en hebt het van God gekocht met uw bloed." We zijn vrijgekocht uit die machten van zinloosheid en schuld en dood. De hele geschiedenis kantelt eigenlijk rond Golgotha. Van daar uit krijgen de dingen weer opnieuw zin en diepte en toekomst. Daarop richten zich dan ook alle lofgezangen. Er is een onlosmakelijk verband tussen de ontsluiting van de geschiedenis en wat daar in het centrum van die geschiedenis is gebeurd op Golgotha. Omdat Jezus daar als het Lam van God is geslacht eindigt de geschiedenis niet in een grote explosie van een atoomwolk of in een gestage bevriezingsdood of in een groot zwijgen. Maar daarom eindigen al die golfbewegingen uiteindelijk in de doorbraak van het nieuwe Jeruzalem, het Vaderhuis met zijn vele woningen, waar de lampen al brandende zijn, waar het feest al wordt voorbereid. Daarheen gaat het Lam de geschiedenis leiden. De geschiedenis van enkelingen en volkeren krijgt een zin, die ligt in de mogelijkheid die ze hebben om op weg te gaan met het Lam, naar het rijk van God.

Het witte paard dat straks bij het eerste zegel op stap gaat moet worden gevolgd. Doen ze het niet dan blijven ze slachtoffers van het daaropvolgende paarden, die gerichtspaarden, de vale, de zwarte en de grijze paarden, die duidelijk maken dat er geen enkele andere oplossing is dan achter het witte paard aan te gaan. Doen ze het wel, dan leidt Hij, de leeuw die het lam is, hen erdoor totdat ze komen bij het vrederijk van Openbaring 20, het duizendjarig vrederijk. Dat wordt ons hier in de aanvang al een klein beetje aangegeven. De geschiedenis is geen koud noodlot, ook geen wurgende wetmatigheid, maar de geschiedenis rust in de handen van Hem die zich om ons heeft laten doorboren, het zijn doorboorde handen die de teugels van de geschiedenis vasthouden. Als dat zichtbaar wordt voor het oog van de vierentwintig oudsten en de vier dieren, beelden van heel de schepping, dan breken ze uit in lofgezangen. We zongen: Gods weg gaat door de golven, maar Hij leidt ons erdoor, aan de hand van de grote Mozes. Daar wil ik aan het slot bij stilstaan, als een toepassing van dit hoofdstuk die we mogen meenemen ons dagelijks leven in. Hoe wonderlijk.

We lazen: de opening van de boekrol en het verbreken van die volmaakte verzegeling wordt door God in de handen gelegd van de leeuw die het lam is. Hij wandelt over de golven van de geschiedenis van de volkerenzee naar ons toe en zegt: "Vrees niet, Ik heb overwonnen. De zin van de geschiedenis van je kleine leven gaat helemaal open als je Mij volgt. Dan wordt je ingeschakeld in mijn plan, je wordt een steen in dat bouwwerk, dat huis wat God voor ons bouwt." We horen zijn stem die zegt: "Kom tot Mij die vermoeit en belast zijt en Ik zal je rust geven." Maar ook de geschiedenis in het groot, de diepste geheimen van het uitdijende universum en, in het klein, de wondere geheimtaal van onze genen, Hij onthult ze. Alle gebeurtenissen, Hij schakelt ze in in zijn plan, zoals vingervlugheid en zelfs de kleinste zenuwen van een groots pianist worden ingeschakeld wanneer hij de symfonie van Beethoven speelt. Zo wordt alles wat gebeurt, de geheimen van het kleine en het grote, alles wat plaatsvindt ingeschakeld in die grote symfonie van het heilsplan van God. Dat kan alleen in de handen liggen van Hem die de diepste verschrikkingen van helse smart heeft doorleden.

Die er doorheen kwam en zelfs Auschwitz en Hiroshima achter zich aan kan meeslepen in zijn triomftocht als hij komt. Dan zal Hij het Rijk doen aanbreken en dan zal blijken dat Hij alle dingen heeft doen meewerken ten goede, dat Hij alle dingen nieuw maakt, en dat Hij alle tranen uitwist. Dan zal er geen dood meer zijn, noch rouw, noch geklaag, want al die eerste dingen zijn voorbij gegaan. Als er één visioen in de bijbel is dat bijzonder vertroostend is voor de postmoderne mens, dan is het toch wel dit visioen. Eerst Johannes die weende, omdat hij ook een moment dacht dat alles zou wegzinken in de zinloosheid. Dan ineens dat evangelie dat er Eén is die waardig gebleken is om de boekrol te openen, dan daarbij in een loflied wat aan het slot eigenlijk theocratisch is, voor Hem die op de troon gezeten is en het Lam. Wanhoop vervult ons als niemand die boekrol opent. Maar verwondering en blijdschap mag ons overvallen als we achter Hem aangaan die deze rol in de hand neemt. Dan ontstaat het lied, dan gaat ons leven ons geloven over in lofzang, dan wordt alles overstemt door de blijdschap van de verheerlijkte gemeente, waar heel de schepping zich in mengt.

Nee, het is niet: nihilisme met een lach, maar het is: evangelie met een traan. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.