Gemeente van Christus, Die zin, waar staat: 'er waren broeders binnengeslopen om onze vrijheid, die we in Christus Jezus hebben, te bespieden'. Dat, samen met hoofdstuk 5, heeft ertoe geleid dat deze brief aan de Galaten ook wel genoemd wordt: de brief van de vrijheid. In Galaten 5 staat er dan ook met dat kleine woordje: om echt vrij te zijn -om waarlijk vrij te zijn- heeft Christus u vrijgemaakt. Het is natuurlijk wel een heel vreemd soort vrijheid waar Paulus over schrijft. Het gaat hier namelijk niet over politieke vrijheid, de vrijheid van een dictator die je onderdrukt, of een maatschappelijke onvrijheid, een kerkelijke onvrijheid, structuren die van buiten af een mens kleinhouden of verkrampt, onvrij maken, daar gaat het hier niet over. Het gaat hier veel meer over wat je zou kunnen noemen innerlijke vrijheid. Met dat eerste, uiterlijke vrijheid, zitten wij niet zo in Nederland. In Nederland dan en in onze kerk. Als ons iets niet bevalt of iets ons onvrij maakt, dan gaan we er gewoon vandoor, die vrijheid hebben we. Of we ze goed gebruiken is natuurlijk een tweede, maar we hebben ze.
We kunnen gewoon overstappen naar een ander bedrijf of een andere kerk waar we ons vrijer voelen, klaar. Maar waar het hier in de Galatenbrief over gaat is een veel knellender probleem. Dat is innerlijke onvrijheid. Ik ben geremd, ik voel me bespied, gecontroleerd, onvrij. Ik heb eens met iemand gesprekken gevoerd die gereformeerd, heel degelijk was opgevoed. Zij zei tegen mij: "Ik heb het gevoel dat ik altijd tekort schiet, altijd schuldig te zijn, alsof er permanent een maatstaf wordt aangelegd, op een weegschaal wordt gewogen, ik wordt gemeten en gewogen en te licht bevonden. Ik voel me altijd gecontroleerd." En waarom dat zo zeer doet en zwaar is? Omdat daar achter allerlei angsten verborgen liggen. Onvermoede angsten, om in mijn zwakheid gezien te worden of de angst om te falen of af te gaan. Eigenlijk altijd toch ten diepste de angst om afgewezen te worden. Weg jij, je hoort er niet bij, je mag niet meedoen, weg, uit mijn ogen, je voldoet niet aan de eis. Als dat religieus geladen wordt, als dat in een christelijke opvoeding dan ook nog de lading krijgt van de eeuwigheid, dan voel ik me voortdurend bedreigd dat ik eeuwig wordt afgewezen.
Dat zijn de angsten die daar achter liggen. Over de vrijheid van die angst gaat dit hoofdstuk, dat weeft zich door heel de Galatenbrief heen. U voelt wel, dat raakt ook ons twintigste-eeuwse mensen nog recht in het hart. Paulus stelt in dit hoofdstuk twee dingen tegenover elkaar. Aan de ene kant: broeders die binnengedrongen waren om de vrijheid die we in Christus hebben, te bespieden, en aan de andere kant de waarheid van het evangelie die moet blijven. Dat wordt twee keer genoemd. Dat is de genezing, en die is in gevaar. Eerst iets over dat eerste, die binnengedrongen broeders. In vers 1 vertelt de apostel hoe hij pas veertien jaar na het eerste korte bezoek aan Jeruzalem, -dat was bij zijn bekering-, weer teruggaat. In verband met een dreigend probleem. De mensen zeiden namelijk: "Paulus, jij preekt een heel ander evangelie dan Petrus! Als bij Petrus mensen tot geloof komen, moeten ze besneden worden en ook nog de oudtestamentische wetten onderhouden, want h et oude verbond is belangrijk. Maar als mensen bij jou tot geloof komen dan laat je ze vrij! Het lijkt wel of die oudtestamentische wetten er bij jou niet toe doen. Hoe zit dat?
Zijn er twee evangeliën, twee soorten apostelen, twee soorten kerken dus?" Die crisis van verdeeldheid bedreigde de vroegchristelijke kerk. Daarom ging Paulus naar Jeruzalem. Praten. Conflicten los je niet op met vechten. "Daarom ging ik naar Jeruzalem met Barnabas", zegt hij. Natuurlijk, dat was zijn medewerker. Maar luister goed naar dat volgende zinnetje: "Maar ik nam ook Titus mee." Titus was een Griek, een gelovige man uit de heidenen, en hij was niet besneden. Hij mocht niet eens in de voorhof komen in Jeruzalem. Dat lijkt wel een provocatie. Zullen de joodse christenen hem aanvaarden of niet? Zullen ze hem onbesneden aanvaarden? Dat is de proef op de som. Ik zei: is dit nu provocatie? Je moet provocatie en confrontatie altijd helder van elkaar scheiden. Provocatie is fout, dat is jennen, dat leidt tot scheiding. Maar confrontatie is testen, uitproberen. Dat is verhelderend, dat bindt ten diepste samen, maar dan na de ontmoeting en de confrontatie op een dieper niveau. Zo neemt Paulus Titus mee en wat blijkt? De joodse broeders in Jeruzalem doorstaan de proef glansrijk. Geen moment werd Titus gedwongen om zich te laten besnijden.
Ze omarmen hem, ze aanvaarden Paulus en Titus en Barnabas hartelijk en onvoorwaardelijk als medebroeders in Christus. Er zijn geen twee evangeliën, niet een van Petrus en een van Paulus, er is er maar een, en dat is wat Paulus zo magistraal samenvat aan het slot van dit hoofdstuk als hij zegt: "Wij, joden en heidenen, wij geloven dat een mens niet wordt aangenomen door God op grond van de werken der wet, -dat wil zeggen onze eigen goede daden, wie we ook zijn-, maar alleen op grond van Jezus Christus en wat Hij voor ons gedaan heeft." Dat is dus die waarheid van het evangelie. Alleen die waarheid maakt werkelijk vrij. Dat leidt ons weer naar de hoofdgedachte in dit tweede hoofdstuk van Galaten. Intussen blijft namelijk wel die uitstraling van wat Paulus noemt 'valse broeders', fanatieke Judaïsten die zijn binnengeslopen en de vrijheid 'bespieden'. Hele treffende woorden: binnensluipen, bespieden. Eigenlijk hebben die woorden dit hele conflict uit Galaten 2 heel dichtbij gebracht. Hier zien we in een p[aar typeringen wat tot vandaag toe ons nog deert. Want zo gebeurt het! Ineens zijn daar zulke lieden die binnensluipen en de vrijheid die we in Christus h ebben bespieden.
Dat kan zomaar gebeuren, en omdat ze heilig lijken, weert Paulus ze niet: "Laat ze toch toe in de gemeenschap zodat ze kunnen binnenkomen." Niet altijd laten wij ze binnen trouwens, ze zijn er gewoon, of ze waren er al voordat wij er iets aan konden doen, als kind bijvoorbeeld. Een kind kiest niet zijn eigen ouders, zijn meester op school, zijn grootvader of zijn eigen dominee. Dat kies je zelf niet uit. Ze waren er gewoon, het is een feit, en het gebeurt gewoon dat daaronder spiedende ogen zijn die altijd meten en wegen, alles willen controleren en overal de maatstaf aan willen leggen. Het gebeurt dat daarachter toch altijd weer die dreiging verborgen gaat: Voldoe je? Nee, je voldoet niet, je bent nog niet zoals je eigenlijk zou moeten zijn en je moet en je zult… en anders driegt er wat. Er zijn mensen die van jongs af aan zo'n spiedend oog in hun lieven hebben gehad. Erger nog, dat is helemaal verschrikkelijk, er zijn mensen die denken dat God zo'n spiedend oog is. Ik was pas in een kerk, en in de achterkant van die kerk, misschien heeft u het ook wel eens gezien, was daar zo'n driehoek, met in het midden één oog.
Toen dacht ik: Daar heb je het nu, zo'n loeroog, een spiedend oog wat alles ziet, meet, weegt en altijd weer te licht bevindt. Hier komt Paulus met wat hij noemt de waarheid van het evangelie. Er is m aar één ding dat ons hiervan bevrijdt en dat is het fundamenteel doordachte -en dat doen wij deze uren- bewust gekozen en vurig verdedigde overgang van wet naar evangelie. Daar haal ik toch weer even het schema bij van de vorige keer. Waar het steeds in de Galatenbrief om gaat is het diepe verschil tussen twee wegen. De eerste weg is die ladder waarbij de mens altijd weer meent dat hij moet opklimmen tot God, de wet, die zegt toch: "Gij zult!"? En alle wettische religies, of ze nu christelijk heten of mohammedaans of boeddhistisch, of soms ook wereldse ideologieën, ze drijven de mens op om het heil te bereiken. Dat is die weg links. Met dit eenvoudige voorbeeld kan ik duidelijk maken wat de waarheid is van het evangelie. Het evangelie keert dat radicaal om. Er is een diepe kloof tussen de eerste en de tweede ladder. Bij die tweede ladder is de richting omgekeerd. Je ziet, het is een weg van boven naar beneden.
Dat is de hoofdlijn van de bijbel, die zegt altijd weer: Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij van boven, zijn Zoon naar beneden gezonden heeft. Dat is ook een hele weg. Dat is ook een ladder geweest. Zo zoekt God de mens. De weg is altijd weer in het evangelie: God die de mens zoekt. Die ons gezocht heeft, meer nog, die ons gevonden heeft. Die in Jezus Christus zijn hand naar ons heeft uitgestoken. Daar begon de Galatenbrief mee, met die reddingsoperatie. God heeft ons gered uit deze onder de macht van de boze gelegen 'eon', zoals in vers twee staat. God heeft ons daaruit gered en ons zo in de vrijheid gesteld. Hier zien we ook weer in hoofdstuk 2 hoe fel Paulus op dit punt van die twee ladders is. Je voelt soms zijn toorn over dat valse evangelie. Ik denk dat dat komt omdat hij er zelf in heeft vastgezeten. Hij weet het van binnen uit wat het is om in dat schema van wet en religie vast te zitten, waarbij hij zelf geijverd heeft, meer dan alle anderen. Leest u Filippenzen 3 maar eens, daar zegt Paulus: "Ik heb geijverd, ik zat aan de voeten van Gamaleel, ik heb de wet gehouden tot in het uiterste en er voor gevochten. Tot het uiterste heb ik dat gedaan.
En toen heeft God me uit de ring geslagen." Want Paulus is op krachtige wijze door God een halt toegeroepen, op de weg naar Damascus. Toen heeft God het omgekeerd en gezegd: "Paulus, weet je nu niet dat Ik jou zoek, Ik heb jou gezocht, niet jij Mij! Ik zoek je en Ik red je en Ik geef je mijn liefde mee." Dan zendt God Paulus er op uit om het evangelie te verkondigen. Paulus zegt: "Alles wat mij winst was bij dat ene schema, die ladder die omhoog klimt, dat heb ik schade geacht toen ik een keer dat andere heb leren kennen. En nog steeds, alles doe ik om op die weg van God die mij bereikt met zijn liefde, om daarin te groeien, om Christus te winnen, om in Hem bevonden te zijn. De heilsweg in Christus is precies omgekeerd. Het is god die ons zoekt, het is Christus die zijn armen naar ons uitspreidt. Het is altijd de weg van Hem uit naar u en naar mij toe." Dat is de waarheid van het evangelie die vrij maakt. Eigenlijk alleen lege handen die we mogen laten vullen met de genade van God in Christus Jezus, Hij heeft alles voor ons volbracht. We hoeven daar niets aan toe te voegen en dat maakt mij tot een ontspannen mens, opeens kan ik mezelf zijn en mag ik weer leven.
Ik mag komen 'just as I am, without one plie'. Dat is een engelse hymne die altijd bij me opkomt als ik het hier over heb. Ik mag komen zoals ik ben, zonder een aanklacht. Eigenlijk zoals de vader was in de gelijkenis van de verloren zoon. Die klaagde zijn zoon aan het eind ook niet aan, hij haalde hem binnen, zonder enkel verwijt. Dat is het evangelie. Paulus zegt in hoofdstuk 1: "Wee een ieder die die orde omdraait." Daar vecht hij voor. Daar neemt hij Titus voor mee. Dat is geen provocatie zei ik al, maar wel confrontatie, keihard. Paulus neemt Titus mee en laat hem niet besnijden, hij kijkt wat de mensen doen. Hij zegt: "Ik ben die binnengeslopen broeders geen seconde gedwee uit de weg gegaan." Dat is mannentaal. Zo moet u vechten tegen die influistering, tegen dat loeroog, tegen dat altijd weer van buiten op ons toekomende stemmen, soms resoneren ze trouwens bij ons van binnen, die ons dat voorhouden: ik voldoe niet, ik hoor er niet bij, ik schiet tekort, vecht tegen die stemmen, net zo moedig als Paulus deed. Ga er geen seconde gedwee voor uit de weg, maar straf ze af en doe dat in de naam en in de kracht van Jezus Christus.
Paulus greep er zelfs zijn naaste medebroeder Petrus voor vast. Dat is toch wel een bijzonder indringend verhaal. We lazen hoe zelfs Petrus een keer zwichtte voor het loeroog, voor de meetlat, voor het sjibbolet dat werd aangelegd. Ja, zelfs Barnabas huichelde met hem mee. Dat was een keer toen ze in Antiochië vrijuit met heidenchristenen aan tafel zaten, ze aten met hen en letten er niet eens op of het nu koosjer eten was of niet. Want ze stonden in de vrijheid die we in Christus hebben! Maar toen ineens kwamen er judaïstische broeders binnenlopen. Ze begonnen ineens ongemakkelijk op hun stoel te schuiven en ze voelden die spiedende ogen van de wettische medechristenen. Ik ken dat gevoel. Ik heb ook eens een sigaar ijlings uitgedoofd toen ik op een Amerikaanse conferentie christenen uit de 'Biblebelt' zag binnenlopen. Toen dacht ik: 'weg die sigaar!'. Want het was een sjibbolet daar. Ineens voel je dan de hete adem van de afwijzing in je nek. Als ze eens zien wat ik hier doe! Als ze eens zien wat ik doe op zondag, als ze eens zien wat ik doe bij het eten, of in mijn vrije tijd, dan lig ik eruit. En wat doen we?
We zwichten in plaats van ermee naar de Here te gaan en zeggen: "Heer, we kunnen dit in vrijheid doen -dat moet je natuurlijk wel kunnen zeggen-, en waar zou je dan dat spiedende oog voor toelaten? Zelfs Barnabas huichelde mee, zegt Paulus, en ze gingen gauw aan een andere tafel zitten, waar ze met de Joden koosjer aten. Dat gebeurde voor Paulus' ogen! Mijn hart gaat uit naar Paulus. Het is niet bijbels om aan persoonsverheerlijking te doen, maar ik heb hier toch wel bewondering voor Paulus. Het is uiterst moeilijk om in zo'n situatie op te staan en rechtuit te zijn en mensen niet naar het oog te zien. Dit waren de leiders van de gemeente, Petrus in eigen persoon nota bene! Paulus staat op en zegt publiek, voor aller oog en aller oor: "Petrus, dit is iets wat niet klopt. Hier zetten jullie de waarheid van het evangelie op het spel. Zie je niet dat je overgaat van evangelie naar de wet? En waar doe je het voor? Omdat je anders je goede naam verliest, je reputatie staat op het spel. Daardoor laat je het spiedende oog zijn werk doen.
Je gaat toch weer mee met dat gevoel dat we zelf met elkaar toch ook de wetten van Mozes moeten houden om bij God in de gunst te staan." Messcherp zegt Paulus dan: "Zelf geloof je het niet, en leef je niet meer naar Joods gebruik, waarom blijf je dan anderen dwingen zich als joden te gedragen?" Paulus zegt dat publiek, voor alle ogen. Dan komt hij met die gedragen woorden, haast een hymne, waar het hoofdstuk mee eindigt: "Wij dan, geboren joden, - wij zouden zeggen: wij dan, geboren christenen- geen zondaars uit de heidenen -nee, natuurlijk niet- maar we zijn ook zelf tot het geloof in Jezus Christus gekomen, en dat is dat we als kind van God worden aangenomen om wat Jezus voor ons gedaan heeft en niet door onze werken der wet. Wat voor vorm dat dan heeft." Dan zegt hij met die moeilijke woorden: "Wie opbouwt wat eerst is afgebroken die bewijst dat hij zelf een zondaar is" daarmee bedoelt hij eigenlijk dit: "Laten wij die oude mens niet weer opnieuw in het zadel helpen maar altijd en in alle omstandigheden Christus in ons leven toelaten, dan alleen wordt je echt vrij." Daar eindigt dat hoofdstuk mee: Laten we de genade niet van zijn kracht belroven.
Nog even weer terug naar de tekst. Paulus zegt: Zo zijn we voor die spiedende ogen geen moment gedwee uit de weg gegaan. Mooi is dat, dat is nu ook uw en mijn opdracht. Ik ga wat conclusies trekken uit dit hoofdstuk. Het eerste is: Hoe kan je dat doen? Door steeds dieper te groeien in de kennis van de waarheid van het evangelie. Dat laat ik weer zien aan de hand van dat voorbeeld van die ladders. Hier ziet u met een paar woorden erbij dat dit te maken heeft met een totaal ander soort christen zijn, een heel anders soort mens zijn. Dat zijn twee werelden die hier voor ons oog opdoemen. Die eerste ladder: verplichting, slavernij, de wet, wie onder de wet staat die wordt weer onvrij, die raakt gebonden, de innerlijke onvrijheid waar ik het steeds over had, die denkt steeds aan wat hij moet doen, de verplichting. Het is religie, maar stel daar dat andere eens tegenover, dan zie je dat die andere ladder, van God uit naar de mens toe, dat is het evangelie, die stelt ons in de vrijheid tegenover die innerlijke gebondenheid. We worden vrije mensen, zelfbewuste mensen, we durven onszelf te zijn, we mogen er zijn in de ogen van God! Dat moet je ook steeds tegen jezelf zeggen.
We staan in de vrijheid, en niet de verplichting is de kern maar het vertrouwen op God, je groeit in vertrouwen op Hem als de Vader die mij liefheeft, en het is altijd weer in een levende relatie. Niet religie maar relatie. Dat is groeien in de kennis van de waarheid van het evangelie. Om dat nog een even plastisch te aan te duiden het volgende plaatje: de vreugde van het ene en het treurige van de ander, en nog een, waar je elkaar er bij helpt de handen omhoog te heffen. Het zijn inderdaad twee werelden. Groeien in de kennis van de waarheid van het evangelie is dit altijd voor het oog houden en -dat is het tweede- daarvoor strijden. Daarbij hoort soms strijd. Zodra u merkt dat er in de gemeente of op een bijbelkring, of in je huwelijk, in je gezin, zo'n spiedend oog binnentreedt, wordt wakker en besef wat er aan de hand is. Van Paulus leer ik: 'geef er geen moment gedwee aan toe! Vecht ertegen als zo'n gevoel je weer overvalt. Waar zit dat spiedende oog? Zit het in mij? Waar komt het vandaan? Heer, wilt U er me van genezen? Bij U ben ik veilig, bescherm mij tegen dit binnen in mij genestelde loeroog'.
En als het van buiten tot mij komt dan leer ik uit deze brief -dat is het derde- confrontatie! Geen provocatie, wel confrontatie. Zelfs als het gaat om vrienden of om broeders die zogenaamd hoog in aanzien staan. Het is mooi hoe Paulus daar over schrijft. Eerst heeft hij het over 'hen die hoog in aanzien staan', later over 'hen die menen iets te zijn' ineens haalt hij dat alles weer tot de normale proporties terug 'laat je niet onder de indruk brengen door mensen die zogenaamd een positie hebben'. Paulus durft hier Petrus zelf te confronteren. Zo moeten wij het ook doen. Als anderen er voor zwichten, zelfs mijn vriend Barnabas of mijn gewaardeerde collega Petrus, ik doe er niet aan mee. Groeien, strijden, confronteren. Als vierde punt: Altijd weer op de basis terugvallen. Natuurlijk, die basis is en blijft dat ik leef voor God die mij heeft liefgehad. Niet ik Hem, maar Hij mij! God, die zich voor mij heeft overgegeven. Dat is mijn credo. Daar komt niets bij. Er komt wel veel in mee, maar er komt niets bij. Heel veel komt er in mee, dat ik God ga liefhebben, dat ik zijn woord in mijn leven meedraag en open.
Er komt in mee dat ik mij het lot van de zwakken aantrek, de armen verzorg en nog veel meer. In dit kortste credo 'dat Christus leeft in mij' komt heel veel mee. Maar er komt niets bij. Geen charismatische bovenbouw en geen in de gereformeerde traditie gewortelde onderbouw. Geen extra,. van wat ik of u moet doen om God in zijn liefde voor mij te winnen. Die liefde ligt vast in Christus, dat is de basis. Dat belijden we, en dat wordt steeds meer, hopen en bidden we, onze tweede natuur. Dat doet Paulus als hij aan het slot van het hoofdstuk alles op een rij zet en zegt: "Ik ben dood voor het loeroog ik ben ik Christus geborgen. Met Hem gestorven maar ik leef, gedragen door het geloof in de Zoon van God die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven. Ik ontneem de genade van God haar kracht niet, want als wij weer opnieuw gaan luisteren naar spiedende ogen en weer opnieuw naar die eerste ladder, wat wij moeten doen voor God, dan is Christus tevergeefs gekomen en gestorven. Daarom, terug naar de basis. Herken de spiedende ogen en blijf vasthouden aan de waarheid van het evangelie.
Hij heeft u lief, niemand van ons klimt door welke daden dan ook op tot Hem, maar Hij heeft mij en u opgezocht. Hij vraagt van u en mij om daarin te rusten. Daarom, van nu af aan leef ik alleen nog maar door dat geloof in Hem die mij heeft liefgehad. Amen