Gemeente van Christus, Eigenlijk begint nu pas de brief. Wanneer we hem zo doorlezen hebben we gemerkt dat in het voorgaande gedeelte eigenlijk een inleiding is, een aanloop, en dat Paulus nu pas 'to the point' komt, zoals wij dat ook doen als we een brief schrijven aan mensen die we maar half kennen. Dan stellen we ons eerst even voor en ook heeft Paulus het in dat kader over zijn gezag als apostel. Dat stond op het spel, daar hebben we het in de vorige hoofdstukken over gehad. Dan geeft hij al aan waar het hem om gaat: dat de genade haar kracht niet verliest. Daar sluit hoofdstuk 2 mee. Als hij dat zo als inleiding vertelt heeft, dan ineens brandt hij los, en niet zo zuinig. Hij spreekt de Galaten rechtstreeks aan: "Jullie stupide Galaten, -een sterk woord: domme Galaten-, wie heeft jullie toch betoverd, behekst?" Het gaat om meer dan iets van het verstand alleen. Het lijkt wel of heel hun persoonlijkheid in de ban is gekomen van een andere geest, die niet uit God is. "Hoe konden jullie zo enorm terugvallen?" Onverstandige Galaten, hij verwijt hen nogal wat! Wat verwijt hij hen nu eigenlijk? Dat probeert Paulus hen met indringende vragen bewust te maken.
Hij zegt: "Denk nu eens even terug. Het is toch niet zo lang gelden dat ik bij jullie was? Hoe is dat geloof nu bij jullie begonnen? Was dat nu omdat ik jullie de tien geboden voorhield?" Paulus was geboren en getogen in het Jodendom dus hij had dat zo kunnen doen. "Ben je tot geloof gekomen doordat je de wetten van Mozes zijn uitgelegd? Was dat het, zodat dat je een goed gevoel gaf of zoiets? Nee, je weet zelf wel wat het was. Jullie zijn tot geloof gekomen omdat je gehoord hebt hoe ver de liefde van God zich tot jullie uitstrekt. Jullie kwamen tot geloof toen je hoorde dat God Jezus gezonden heeft en dat Hij zich voor jullie heeft overgegeven tot de dood aan het kruis toe." Daarom begint Paulus met: 'maar ik heb jullie toch 'met Jezus gekruisigd' voor ogen geschilderd? Dat heeft jullie geraakt. Dat heeft jullie op de knieën gebracht. Dat is ook het evangelie." Het evangelie -dat denken heel veel mensen- is het christelijk geloof, dat zegt je hoe je moet leven. De evangelieverkondiging is dan dus een oproep dat je iets moet doen. Maar dat is het niet!
De kern van het evangelie is niet wat ik moet doen voor God, maar het is juist precies omgekeerd, het is de verkondiging van wat God heeft gedaan voor mij! Ik heb dat al een paar keer duidelijk gemaakt met dit symbool. Links is de weg die wij natuurlijkerwijs inslaan als we religieus zijn, als we denken aan God. Dat kan midden in de kerk zijn of daarbuiten, in allerlei godsdienstigheden of religies, altijd weer is dit wat in het hart van de mens zit. Hij wil zichzelf waardig maken voor God, zodat langs een weg van wetten en plichten en regels en tradities en goed leven wij als het ware opklimmen tot het niveau, uiteindelijk, van God. Wat Paulus nu steeds weer in deze Galatenbrief duidelijk wil maken is: de werkelijkheid ligt precies omgekeerd! Daarom begint hij ook met een voltooid deelwoord. Hij zegt: "Ik begin met wat God voor jullie gedaan heeft". Dat is die omgekeerde orde. Het evangelie begint met te zeggen: "Dit is wat God voor jou gedaan heeft! God heeft jou opgezocht. God heeft zijn Zoon gezonden om jou te redden, te bevrijden." Altijd die omgekeerde weg. En dat is het evangelie. Want ineens valt er enorm veel van ons af! Wij hoeven dus voor God inderdaad niets te doen.
We worden aangenomen om wat we zijn, op grond wat Hij voor ons gedaan heeft. Als je deze twee pijlen altijd maar weer in gedachten houdt dan begrijp je waar Paulus zo bewogen om is. Hij zegt: Dit (de rechtertrap) heb ik jullie verteld. Dit is de weg. En wat zijn jullie gaan doen? Jullie zijn in de kortst mogelijke tijd weer teruggevallen in dat andere (de linkertrap)."Ik heb jullie het evangelie verteld, hoe God naar jullie gekomen is. En wat doen jullie? Er komen een paar joods-christelijke leraren -zo noemden ze toen de judaïsten- en die komen jullie vertellen: ja, maar dat gaat zomaar niet! Je zult toch ook wat voor God moeten betekenen. En in de kortst mogelijke tijd zijn jullie hier beland, -bij die pijl aan de linkerkant-, en denk je dat er nog iets moet worden gedaan waardoor wij ons waardig moeten maken voor God! Dat is die weg van religie, van de wet, de weg van het vlees. Allemaal zware woorden van Paulus waarmee hij wil zeggen: "Dat is niet uit God! Wat uit God is is die andere weg, de weg van ontvankelijk zijn, vertrouwen op Hem, genadegaven met open handen aannemen, en blij zijn dat Hij om niet ons rechtvaardigt.
Dat woord betekent bij Paulus: aanneemt, tot zijn kinderen. Eigenlijk wat we bij de doop altijd weer vieren: Gods liefde gaat aan onze liefde vooraf. Daarom mogen we erop bouwen, we mogen ze aan onze kinderen meegeven, ze hebben nog niets gedaan om zich waardig te maken voor God en toch zegt God al: "Je bent mijn zoon, je bent mijn dochter. Zo ver reikt Gods liefde voor ons, in Jezus die voor ons gekruisigd is! Die in zijn kruisdood al onze schuld betaald heeft en al onze lasten heeft weggedragen. Dat noemt Paulus de weg van het geloof. Die andere weg noemt hij de weg van de wet. Paulus zegt: Toen jullie dat -die weg van het geloof-, geloofden waren jullie blij. Toen klonken er lofliederen, toen heb je de Heilige Geest ontvangen. Toen ontstond er gemeenschap. Er kwamen vruchten van het geloof en bedieningen. Maar wat hebben jullie gedaan? In de kortst mogelijke tijd heb je je bekeerd tot dat andere evangelie wat zegt: "Ja, maar dat gaat zo maar niet! JE moet jezelf toch op zijn minst wat waardig maken voor God?" Ik moet hierbij altijd denken aan een oud verhaal wat ik eens las en wat ik hierbij heel goed vind passen: Het gaat over twee mooie, lieve kinderen in de verre oudheid.
De een was de dochter van een graaf, de ander de zoon van een schoenlapper. En zoals dat gaat, de schoenlapper kwam wel eens op her kasteel van de graaf om daar zijn diensten te bewijzen en dan speelden de kinderen met elkaar. Ze vonden elkaar fantastisch! Zoals het dan kan gaan zeiden ze tegen elkaar: "Als wij groot zijn dan gaan we met elkaar trouwen!" Als bewijs daarvan gaven ze elkaar een ring. Tijdens hun hele jeugd verheugden ze zich over de komende trouwdag. Maar ja, bij het ouder worden begon er in het hart van de jongen, de zoon van de schoenlapper, opeens aarzeling te groeien. Zijn wens om met het meisje te trouwen was nog steeds even sterk, maar volwassen geworden groeide ook zijn bewustzijn van het verschil tussen de twee klassen, het verschil tussen de sociale achtergrond. "Ik kan als schoenlapper niet met je trouwen!" zei hij tegen haar. Maar zij zei: "Jouw gebrek aan afkomst maakt voor mij geen enkel verschil!" Maar hij kon haar niet geloven en zei: "Nee, voordat we kunnen trouwen moet ik iets doen om te bewijzen dat ik je waard ben." Zo liet hij haar huilend achter en trok de wijde wereld in op zoek naar geluk. Dat wilde hij eerst beproeven in het leger.
"Als ik nou veel onderscheidingen haal op het slagveld, dan zal ik haar liefde waard zijn", sprak hij bij zichzelf. Maar ja, de jonge man was niet zo dapper, hij sloeg op de vlucht toen de strijd begon. Toen werd zijn toch al lage rang hem helemaal ontnomen: oneervol ontslag. "Misschien kan ik in de handel gaan. Als ik een rijk zakenman ben, dan ben ik haar liefde waard!, dacht hij bij zichzelf. Maar zijn zaak ging op de fles en hij werd failliet verklaard. "Nu is er nog één mogelijkheid over", dacht hij, "ik moet een beroemd geleerde worden, dan zal ik haar liefde waard zijn!" Hij schreef zich in bij de universiteit en begon te studeren om een titel te halen. Maar helaas, hij was als student al niet veel beter dan als soldaat en als zakenman. Hij zakte voor zijn propedeuse met de laagst mogelijke cijfers en werd weggestuurd. Toen, in totale wanhoop, sleepte hij zich voort naar zijn geboortestad. Jaren waren voorbij gegaan, hij had geen medailles verdiend, was niet rijk geworden, had geen titel gekregen, hij was mislukt in alles wat hij had geprobeerd. "Nu kan ik nooit met haar trouwen", dacht hij, "ik ben haar liefde niet waard.
Kijk mij nu eens, ik ben armer en eerlozer dan ik was toen ik haar verliet. Een geboren verliezer ben ik. Ik zal me verstoppen, en ze zal denken dat ik dood ben." Maar toen hij de stad binnenkwam keek de dochter van de graaf door het raam van haar vaders paleis en ze had gehoord van al zijn teleurstellingen, maar haar liefde voor hem was nog altijd even sterk. Vol blijdschap snelde ze de trap af en rende hem tegemoet. Maar hij zei: "Dit kan helemaal niet! Je kunt niet nog steeds met mij willen trouwen, ik ben je liefde niet waard!" Zij zei: "Maar ik wil h et en ik heb het altijd al gewild. Kijk naar je hand!" Daar zat de ring die ze elkaar hadden gegeven toen ze als kind trouw hadden beloofd. De ring was wel versleten, maar zat zo strak dat hij hem er niet af kon krijgen. " Ik heb beloofd dat ik met je trouwen zou, zie ze tegen hem, "wat je ook gedaan hebt, wat er ook is mislukt. Beloofd is beloofd!" Dit vindt ik een prachtig verhaal wat precies duidelijk maakt wat er bij de Galaten gebeurde. Ineens werden zij ertoe verleid, door dwaalleraren, om te gaan twijfelen, om te denken: ik moet mijzelf toch minstens die Koning der Koningen waardig maken?
Dat is altijd wat de wet is: ik moet mij waardig maken. Dacht je dat ik zomaar van schoenlapper edelman kon worden zonder dat ik er iets voor gedaan heb? Zo begonnen ze zich uit te sloven, zich te besnijden, de mozaïsche wet te onderhouden, en nog veel meer deden ze. Zichzelf omhoog werken totdat ze iemand waren. Maar het werd een juk, en het bereikte niets. Paulus zegt daar twee dingen over. Het eerste is: Je haalt het nooit! Als je die ene weg gaat van het opklimmen naar God door heilig leven, dan moet je wel weten dat het de Heilige God is. Die weg loopt altijd vast. Want het eist volmaaktheid. En de wet zegt: Als je het niet doet ligt er een vloek op je leven. Daar gaan we allemaal aan onderdoor. Niemand die zichzelf langs die weg heilig kan maken. Alleen door het feit dat we weten dat Christus die vloek van de wet voor ons gedragen heeft -daar komt die andere lijn omhoog- hij is gekomen tot ons, heeft onze lasten gedragen en weggedragen, alleen daardoor kunnen we wel blij zijn dat God van zijn kant ons aanvaard heeft. Dan doet Paulus een meesterzet.
Terwijl de judaïsten zich beroepen op Abraham, en Abraham de hoogste autoriteit is voor alle gelovigen, zegt hij in dit debat: "Let nu toch een s op jullie voorvader Abraham! Was hij nu een kind van God op grond van wat hij allemaal voor God gedaan heeft? Of was het precies omgekeerd, was hij een kind van God om wat God voor hem deed?" Het antwoord kan je zo lezen, in Genesis 15 bijvoorbeeld, het begon met Abraham die God vertrouwde om de belofte de Hij aan hem gegeven had. Abraham geloofde God -dat citeert Paulus- en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend. Toen nam God hem aan. Hij liet zich de genade en de belofte van God geven. Zo werd hij aangenomen tot een kind van God omdat hij op die belofte vertrouwde. Wij zouden zeggen toen hij terugviel -in het beeld van het kinderverhaal- op die ring, dat wat aan al onze inspanningen vooraf gaat. We mogen ons hele leven zeggen: beloofd is beloofd. Nu kom ik tot het laatste punt van deze preek, de toepassing van deze boodschap van Paulus naar ons toe, die leven in de twintigste eeuw. Want laten we eerlijk zijn, er zijn bij ons eigenlijk helemaal niet zo veel bekommerde zielen die tobben over hun staat voor God.
Voor moderne mensen is God ver weg, en of we langs deze of gene weg tot Hem komen, waar Hij ook mag zijn, dat laat hen koud. Die hele weg staat buiten hun gezichtsveld. En toch, ik vraag me af hoe het komt dat onze samenleving zo hectisch is, dat iedereen altijd zo druk is, altijd ergens op uit is. Ik vraag me af hoe het komt dat de depressiviteit zo hoog is. Uit een recent rapport wat is las bleek dat depressiviteit vooral onder jongeren toeneemt. Ik vraag me af waarom stress en zenuwen, het hart, waarom dat zulke grote klachten oplevert in deze tijd. Waarom de disco's zo hard gieren met hun muziek. Ik vraag me af waarom mensen vandaag zoveel eenzamer worden. Hoe rijk ze ook zijn aan materiele goederen, toch lijkt het of de moderne mens steeds meer lijdt aan leegte en aan innerlijk niet vervuld zijn. Zo kan ik doorgaan. Toen dacht ik: daar gaat toch achter schuil, en dat is eigenlijk de grote fout van de zoon van die schoenlapper. Eigenlijk diezelfde zonden als waaraan die oude Kelten al leden. Iets willen zijn wat we nooit zullen bereiken. Iets willen worden wat nooit door ons bereikt wordt. We weten niet wat ons echte geluk is maar we willen het veilig stellen.
Dat is die onrust waar onze samenleving aan lijdt. In plaats van te leven uit geschonken adeldom, wat de doop verzegelt, zijn we rusteloos op zoek. Dat geldt ook zonder God, ook dan drijft de wet ons voort. Doe dit, dan wordt je gelukkig. Zorg dat je dat wordt en dat je bezit op dat niveau staat en dan breekt de vrede aan. Ik kan u wel zeggen, en dat is dan een boodschap voor heel de samenleving vandaag, alleen wie uit de vrede leeft die God geeft krijgt een vervuld leven en leert wat geluk is. De diepste wortel van alle onrust, ook al weten mensen dat niet eens, is de overgang van de ene ladder naar de andere. Zonder te weten wie God is, zonder te weten wie we zelf zijn, worden we meegesleurd door een dynamiek die ons drijft, die ons onder druk zet. Ook zonder God leven we in die jacht. Daar, aan de andere kant, wacht het geluk waar ik naar jaag. Leven uit wat God je in genade geschonken heeft, en dat leren, is de sleutel tot echt geluk. Dat begon al bij Abraham en zo zal het blijven tot in de eeuwen der eeuwen. Dat is wat ons in Christus, die is gekruisigd, voor ogen geschilderd wordt.
Inderdaad, we zijn maar arme schoenlappers maar Hij heeft ons een ring gegeven en nu mogen we leven uit wat ons gegeven is. We hoeven ons niet omhoog te werken met behulp van de wet. We mogen gewoon zijn wie we zijn in Christus en door God. Dat schept zoveel ruimte, zoveel eerbied, zoveel blijdschap, dat ineens de Geest van God in ons komt en ruimte krijgt. Die gaat doen wat de wet niet kon. Die bekleedt ons met kleren van een zoon van een graaf, die hij natuurlijk uit zichzelf niet had. Opeens krijgen we liefde en gehoorzaamheid die bij het kind-van-God-zijn passen. Als de basis maar vast blijft liggen, en dat is de genade van God. Wat God ons in genade gegeven heeft. Daarna valt er nog heel veel te doen, daar gaat de Galatenbrief in nog drie hoofdstukken op door, maar de kramp is er af, de stress is weg en de druk en de wet, dat is allemaal weg. Dat leidt niet tot nietsdoen, ik kan je zeggen: het leidt tot nog veel grotere intensere vreugdevolle dienst en toewijding aan Jezus Christus en aan God die zijn Naam aan ons gegeven heeft! Amen