Gemeente van Christus, We zijn alweer aan het einde gekomen van deze brief. Een kleine, felle en bewogen brief van de apostel Paulus. En één van zijn vroege brieven, waarin hij eigenlijk samenvat wat hem dreef bij de verkondiging van het evangelie. We hebben in het verleden in drie stappen eigenlijk drie thema's gezien die hij aanraakt in deze brief. Met het eerste thema over die grote spanning, die grote tegenstelling tussen religie en geloof. Religie dat is dat wat de vrome mens eigenlijk moet doen, presteren, om de gunst van God te verdienen. In de religie strekt de vrome mens uit naar God, en zegt, "kijk Heer, dit bied ik u aan, nog meer bied ik u aan". En aan het einde dan de hoop dat vrede, geborgenheid en heil geschonken wordt. Dat is de weg van onderop en die weg is lang. Paulus zegt, als je die weg consequent gaat, kom je er nooit. Je komt onder een juk terecht. En dan schetst hij die andere weg, die van boven naar beneden. De weg van wat God gegeven heeft en wat Hij gedaan heeft om ons te bereiken. Hij heeft ons opgezocht. Niet wij Hem, maar Hij ons. Hij heeft ons zijn Zoon gezonden, Hij strekt Zijn hand naar mij uit. En wat moet ik doen?!
Niets anders dan mijn lege handen laten vullen met de genade, de liefde en de vrede die Hij geeft. Dat is die andere weg van boven naar beneden. De weg van het geloof. En Paulus ziet die gemeente van de Galaten wegglijden van het ene, wat ze zo blij hadden aangenomen, het evangelie van Jezus Christus, naar die andere weg. Daar zijn we de eerste keren mee bezig geweest. En niet om er mee bezig te zijn, maar om ons zelf erin te oefenen. Wij worden ook steeds weer teruggetrokken naar die andere weg en denken dat wij zoveel moeten doen voor God en worden dan weer helemaal op onze plek gezet. Het is God die het gedaan heeft en Jezus die alles volbracht heeft - voor mij, en daar leef ik uit. Dat is de basis van alles, en daar moet je weer naar terug gevoerd worden. Het tweede thema was leven naar de wet tegenover leven, wandelen, door de Geest. Het tweede thema, midden in de brief. Dat ging over christen zijn, en veel Galaten dachten, dat als je dan één keer door genade behouden werd je daarna wel de wet moest gaan vervullen. En zo kreeg hun leven in heiliging een wettisch karakter.Wet op wet, regel op regel, eis op eis. Zo als het ook ons vaak kan vergaan.
En daar zet Paulus opnieuw iets tegenover. Nee, het gaat bij de praktijk van het christen zijn om het dagelijkse wandelen met God door de Heilige Geest. "Wandel dan door de Geest", zegt hij, "laat je steeds weer, elke dag opnieuw, van Hem de gaven geven en de vruchten van de Geest in je werken, laat je leiden door de Heilige Geest. En dan komt het met die wet wel goed", zegt hij. Die krijg je via de achterdeur wel terug. Maar dan niet via dwingende regel, maar als iets dat je vreugdevol met je meedraagt. En dan het derde thema, sta in de vrijheid. Daar hebben we vorige week zondag over gesproken, Galaten 5, toegepast op de persoon en toegepast op de gemeente. Sta in de vrijheid, want de eerste zegenrijke werking van Christus in mijn leven is - hij maakt mij vrij. Om echt vrij te zijn, zegt Paulus, heeft Christus u vrijgemaakt. Maar, zegt hij, dan moet je die vrijheid niet misbruiken voor je eigen zondige zelfzuchtige aard, die toch altijd maar weer de kop opsteekt. Maar je moet die vrijheid, die koninklijke vrijheid waarin je staat, gebruiken om elkaar te dienen in liefde. Dienende liefde en dan zie je de hele persoon van Jezus Christus weer voor je.
Dienende liefde, daarvoor zijn we vrijgemaakt. Vrijheid is dus niet iets van je kan maar doen wat je wilt, maar vrijheid is leven in het element waarvoor je gemaakt bent. Zoals een vis vrij kan zijn in het water. Maar als je hem uit zijn element, het water, haalt dan gaat hij dood. Zo is het bij een mens ook, leven in die open, vreugdevolle, verzoenende houding met God dat is staan in de vrijheid, en daarbinnen die vrijheid gebruiken om elkaar te dienen in liefde. Daar komt in naar voren wat wel heel diep in deze brief zit, en ook aan het einde er weer uit komt en dat is dat Paulus maar één ding wil, en dat is dat die gemeente de gestalte van Christus zou vertonen. Hij zegt, "eigenlijk ben ik niets anders dan de vroedvrouw midden in de brief. Sterker nog, ik ben jullie moeder en ik onderga weeën opdat Christus in jullie geboren wordt. Dit beeld gebruikt hij. Dat vind ik prachtig. Dat komt er aan het einde ook helemaal uit, want aan het einde vat Paulus wat hij eigenlijk wilde zeggen in een paar zinnen samen. En dan komt dat naar voren. Besneden te zijn of niet besneden te zijn. En het doet er niet toe, als je maar een nieuwe schepping bent en Christus in je gestalte gekregen heeft.
Dat zijn veranderende werking maar in je doorgegaan is en je in de greep gekregen heeft. Christenen zijn mensen die altijd weer veranderen. Ik moest denken aan een kleine anekdote van de bekende Duitse schrijver Berthold Brecht. Hij schreef een boekje, Kalendergeschichten, met kleine anekdotes, korte gezegdes en invallen die hij heeft. Het gaat altijd over een zekere meneer K. Eentje daarvan is heel kort: Na vele jaren ontmoette meneer K. een oude vriend. Hij zei tegen hem, "jij bent ook niet veranderd". Meneer K. verbleekte. Dit hele kleine fragment leidt ons naar de hart van de tekst van vanmorgen; dat Paulus zegt, "maar als je niet meer veranderd, als dat werk van de Geest, dat groeien naar de gestalte van Christus in je niet doorbreekt, dan mag je inderdaad wel verbleken". Blijkbaar is die hele brief daarvoor geschreven, en dat vat hij aan het einde samen in een heel persoonlijk woord. "Zie met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf". Blijkbaar had hij die hele brief gedicteerd.
In de gemeente gingen ook valse brieven rond, en om te laten zien dat het echt een brief van hem was schrijft hij onderaan de brief deze woorden in zijn eigenhandschrift, want dat herkenden ze in de gemeente. Vaak voegde hij er een paar zinnen aan toe. En bovendien is dat toch altijd heel mooi, omdat je dan in een paar zinnen ziet waar het Paulus om begonnen was. En als je dat leest, dan valt de aandacht op dat hij dat wil, hij zegt, "wie zich naar die regel richt - dat het gaat om de nieuwe schepping - vrede en barmhartigheid zij over hem". Zo zien we dat Paulus zich naar één ding uitstrekt: in het grote proces van God de gemeente dienen zodat zij wordt omgevormd tot een nieuwe schepping. Hier sprak Jesaja eigenlijk al van; "zie ik maak iets nieuws", waarvan Jeremia geprofeteerd heeft en waar Ezechiël over spreekt, het wonder dat God straks in het nieuwe verbond, het hart van steen uit de mensen zal wegnemen en hen een hart van vlees zal geven. En dan gaat de schepping weer opbloeien, want wanneer de mens gered is, dan ontstaat er met de nieuwe mens ook een nieuwe schepping. En daar is de apostel op uit.
Ik zie rond dat woord 'nieuwe schepping' drie dingen die hij ons wil aangeven in het slot van zijn brief. Het eerste punt; wat is nu de grootste weerstand tegen de doorbraak van de nieuwe schepping. En het tweede; wat is de doorstotende kracht, het breekijzer van God, waarmee hij die oude schepping openbreekt. En het derde; wat voor zegen neemt het met zich mee, als we ons naar deze regel van Paulus richten. Eerst, de grootste weerstand tegen de boodschap van het kruis is bij Paulus veruiterlijkt christendom. Veruiterlijking zou je dat kunnen noemen. Ik begin maar gewoon weer bij het begin van de tekst, vers 12. "Hij richt zich", zegt hij, "tegen allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen". Ik denk dat hij hier de gemeente van de Galaten en zij die daar zijn binnen gedrongen, de Judaïstische wetsleraren, op het oog heeft. Maar eigenlijk zegt hij hier dus dat het christelijk geloof geen geloof van uiterlijkheden is. De eerste twee verzen van de tekst stellen ons in die spanning tussen uiterlijk en innerlijk geloof, tussen uiterlijke godsdienst en innerlijke godsdienst. En uiterlijke godsdienst is altijd druk bezig met 'wat de mensen er van denken'.
Paulus zegt, "wat van buiten aan het vlees geschied", en wat uiterlijk aan het vlees moet geschieden om indruk te maken, en dat was in die tijd de besnijdenis. Dat kunnen wij ons niet meer voorstellen. Dat werd met mentaal geweld opgedrongen aan pas tot geloof gekomen Galatische christenen. De besnijdenis speelt bij ons geen rol meer, maar als je ziet wat er eigenlijk speelt bij veruiterlijkt christendom, dan herken ik toch wel een hele hoop dingen. Paulus zet dat in een helder licht door zijn woordkeus. Hij zegt, "pas op voor allen die zich zo uiterlijk goed willen voordoen". Er staat, "die zo uiterlijk een mooi gelaat willen tonen, een goed figuur willen slaan". Dat is het waar Paulus beducht voor is. En dat herkennen wij wel, de veruiterlijking van het christendom, heel netjes in de pas lopen en voorbeeldig zijn in het meedoen met alles wat er bij hoort, en wat dan rituelen worden. Zodat je een goede indruk maakt bij je omgeving, je familie, je buren, je kerk en je vrienden. Een goede indruk maken, daar is natuurlijk niets op tegen, maar als je erop uit bent om een goede indruk te maken dan sluipt er iets heel vals binnen. Waarom willen mensen zich uiterlijk goed voordoen?
Ze zijn bang dat ze eruit zullen liggen, dat ze er niet meer bij zullen horen. Dat is het. En zo sterk speelde dus toen de besnijdenis een rol. Iedere tijd heeft zulke uiterlijk kenmerken opgeleverd. Dan worden soms heilige dingen tot rituelen, die je gaat volvoeren om voor de ogen van de mensen erbij te mogen horen en niet afgewezen te worden. Paulus heeft door het geloof in Jezus Christus ontdenkt dat het niet ligt in uiterlijke vormen. Bij ons zijn dat wellicht dopen, naar de kerk gaan, bij een kring behoren, je vaste vrijwillige bijdrage betalen, een trouwdienst aanvragen, je op een groslijst voor ouderlingen laten zetten, je dominee laten noemen, de eer die dat met zich meebrengt je laten welgevallen, daarop uit zijn. Actief zijn in je werk, voor een werkgroep of voor het Vakantiebijbelfeest, noem maar op, je kan eigenlijk alles wel noemen. Alles wat bij ons uiterlijk christenzijn hoort kan zover vallen tot iets wat je gaat doen, omdat je erop uit bent een goede indruk te maken bij de mensen. Dat is het wat Paulus bestrijdt. Uiterlijk christendom, Paulus zegt, daarmee kom je er niet. En de diepere drijfveren die daar onder liggen noemt hij ook.
Dat zijn twee dingen, dat is de angst om afgewezen te worden, en het tweede is het verlangen om geroemd te worden. Het eerste is een angst, het tweede een verlangen. Maar beide wellen op uit een verkeerde bron. En Paulus noemt dat je oude, zelfzuchtige ik, het vlees. Want de angst voor afwijzing kan heel diep gaan. Maar ze is niet uit God, en dat ga je nu zien als je Christus leert kennen als degene die voor jou aan het kruis gestorven is. Dan versmelt de angst voor afwijzing. "Maar als God mij aanvaart heeft, wat zouden mensen mij doen?", zei Paulus letterlijk in Romeinen 8. Het kruis van Christus, ik kom daar straks breder op terug, is het enige wat je de kracht geeft om je aan die angst te onttrekken. Het kruis ontmaskerd al die valse uiterlijkheden en het kan dat doen omdat aan het kruis de basis gegeven wordt voor echt aanvaard zijn, bij God aanvaard zijn. Vaste grond onder de voeten hebben. Als God mij om Christus wil heeft aangenomen, wat kunnen mensen mij dan nog maken! Voel je de vrijheid, die je dan hebt? Dan hoef je je aan uiterlijkheden niet meer te storen, dan doe je wat je innerlijke relatie tot hem, je hart, je ingeeft. En dan ga je ervoor.
En de angst voor afwijzing, achterstelling, verwerping of vervolging valt weg. Versmelt als sneeuw voor de zon. Dat geldt ook voor die tweede drijfveer, ook een zucht achter al het uiterlijk christendom, en dat is de diepe behoefte door mensen geprezen te worden. "Ze laten je dit doen", zegt Paulus dan, "omdat ze op uw vlees roem willen dragen". Dat is natuurlijk ook een moeilijke uitdrukking. Met vlees bedoelt de apostel hier, dat wat uiterlijk aan het vlees gebeurt, bijvoorbeeld de besnijdenis. En hoe meer mensen zich laten besnijden hoe meer die dwaalleraren succes hebben. En is succes bij ons ook niet een sterke drijfveer om dingen te doen? Letten op getallen en statistieken, dat herkennen we allemaal. Hoeveel waren er in de kerk, in de middagdienst, in de lofprijzingsdienst, hoeveel kinderen waren er op het Vakantiebijbelfeest. We gaan dan de getallen meten. En dan letten we eigenlijk op uiterlijke dingen. Het kan best zijn, dat er maar drie mensen in de kerk zitten en dat God meer doet, dan wanneer er vijfduizend in de kerk zitten. Dat is niet de reden waarom we geslaagd zijn, omdat er heel veel mensen applaudisseren.
Uiterlijk christendom, die let alleen op dat wat uiterlijk aan het vlees geschiedt, zegt hier de apostel. Dan wordt afgewogen wat voor mensenogen eigenlijk aantrekkelijk en succesvol is. De kleren, de getallen, de ledenlijsten, de uiterlijkheden. En zo kunnen we op ons vlees roem dragen, zegt hij. We willen allemaal succes hebben. En succes meet je af aan aantallen, aan rituelen, aan wat voor het oog zichtbaar is. En Paulus zou zeggen, arme mensen, begrijpen je nu nog niet, dat het in het evangelie gaat om dat wat innerlijk aan het hart geschiedt, of men een nieuwe schepping is, daar gaat het om. En al zijn er heel veel getallen, heel veel mensen, heel veel kinderen, waar ben je dan mee bezig, als men niet een nieuwe schepping is. Kortom, de grootste weerstand tegen de doorbraak van de nieuwe schepping is uiterlijk christendom. Waar hele mooie dingen tot uiterlijke rituelen geworden. En daar achter zit de behoefte om aardig gevonden te worden, om mee te tellen, angst voor afwijzing, angst voor vervolging, er niet bij te mogen horen, en Paulus zegt, dat is de grootste vijand van het ware christendom. Nu punt twee. Hier stelt Paulus tegenover zijn roemen het kruis.
"Ik voor mij", zegt hij, "ik roem alleen in het kruis". Het kruis van Christus heeft bij Paulus twee dingen gedaan, en het doet het ook bij ons. Het staan aan het kruis en het zien wat God daar in Jezus voor mij gedaan heeft dat is aan de ene kant ontmaskerend en aan de andere kant eindeloos bevestigend. Dat is een dubbele werking, het is doodgaan en het is opstaan. Zo wordt het altijd beschreven, het kruis van Christus doet je sterven en het wekt je op tot leven. En het eerste wat Christus in ons leven doet is ontmaskeren. Die dingen, die uiterlijke vormen, waar wij zoveel aan hechten, het kruis maakt duidelijk dat die ons niet rechtvaardig maken voor God. Denk niet dat God daar naar kijkt, naar de uiterlijke rituelen, hij kijkt er dwars door heen. En wat ziet hij daarachter? Daarachter ziet hij onze angsten om afgewezen te worden en onze verlangen naar succes en valse behoeften, zonde. En staande voor het kruis horen we hem zeggen "daarvoor ben ik nu gestorven, om die zonde weg te dragen en jullie echt die basis te geven van aanvaard te zijn. Jezus is aan het kruis gestorven om onze zonden weg te dragen en om ons voor God aanvaard te maken, om ons te rechtvaardigen.
Vrijspraak, rechtvaardigheid en vrede, dat ontvangen we dankzij hem. Datzelfde kruis van Christus is dus tegelijkertijd eindeloos bevestigend. Want wie daar aan de voet van het kruis staat en opziet naar Hem die voor ons stierf die mag weten, hier is de genade van God voor altijd verankerd. Hier mag ik op bouwen, ik mag er zijn, met een vrij geweten, met een blij hart, God heeft me aangenomen. "En daarom roem ik in het kruis", zegt Paulus. In het kruis zal ik eeuwig roemen. Want geen wet kan me verdoemen. "Christus droeg de schuld voor mij", zingen we, "Christus is gestorven, ik ben van dood en zonde vrij". Dat is roemen in het kruis, staan aan de voet van het kruis dat is dus iets van heel radicaal sterven aan mezelf en tegelijkertijd opstaan in Hem. Heel die wereld van roem en eer, aanvaard worden, afgewezen worden op valse gronden, de behoefte aardig gevonden te worden - wat er ook is, heel dat bestel van deze wereld met haar ikzucht, haar hebzucht, haar lusten en drijfveren, Paulus zegt, "ze heeft voor mij afgedaan". Dat is die wereld waar hij het over heeft. Dat bedoelt hij als hij zegt, "ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van Christus".
In de tekst staat 'door hetwelk', 'door wie' is een foute vertaling, het is niet door Jezus, maar door het kruis. "Door kruis", zegt hij dan, "is die wereld voor mij totaal verdwenen, afgedaan. Zoals ik zelf voor die wereld ook ben/heb afgedaan". Met wereld bedoelt Paulus hier niet de schepping, hij bedoelt de op eer en uiterlijkheid gerichte mensenwereld om mij heen. Die zondige wereld van uiterlijkheden. Besneden te zijn, of niet besneden te zijn. Al die dingen die eer en erkenning geven, roem in de ogen van de mensen, die wereld heeft voor mij in het kruis van Christus afgedaan, bestaat niet meer voor mij, het kruis heeft het ontmaskerd, als een wereld van valse angsten en zekerheden. En het enige waar het op aan komt dat is dat ik een nieuwe schepping mag zijn in Jezus die voor mij gestorven is, en daar is God op uit. En daar eindigt dan ook de apostel mee. We lezen er Jesaja bij, "denk niet aan wat vroeger gebeurd is, let niet op wat oudtijds is geschied zie ik maak iets nieuws". En nu gaat het uitspruiten, dat had je als onderschrift onder Golgota kunnen zetten.
Nu breekt de nieuwe schepping door, verlost van gebrokenheid en pijn, en tenslotte uitmondend in die wereld waarop vrede en gerechtigheid woont, en al de tranen worden afgewist. Daarvoor is het kruis als het ware het breekijzer van God, zo breekt hij die oude wereld open en komt daarin binnen met zijn genade. God wil maar één ding en dat is dat deze gebroken wereld wordt vernieuwd, daar is hij op uit. En bange laffe eerzuchtige mensen moeten worden omgevormd tot vrije zonen en dochters van God. Het kruis is de kracht van God waarmee hij dat bewerkt. Nu al in het verborgene waar hij ons hart aanraakt, en waar hij ons van een stenen hart een vlezen hart geeft. Daar is God aan het werk, daar begint hij met het nieuwe leven. Een verborgen begin, straks breekt iet door. "En ieder die zich naar die regel richt", zegt hij, (daar staat het woord kanon) "ieder die dat als kanon neemt" (wij zouden zeggen wie dat als kompas in zijn handen gebruikt), en dan komt hij met een mooie zegenbede aan het einde; "vrede en barmhartigheid zij over hen en ook over heel het Israël van God". Ineens trekt hij ook het verbondsvolk en de gemeente samen tot die ene gemeente die hij het Israël van God noemt.
En zo eindigt de apostel Paulus, alsof hij wil zeggen; ik heb veel scherpe dingen gezegd tegen Israël, zoals het leeft onder de wet, maar moge God het Israël van God geven vrede en barmhartigheid, maar laten ze zich dan wel naar die regel richten.Die regel van niet uiterlijke rituelen en geen uiterlijke gewoonten (besneden te zijn, of niet besneden te zijn), waar het om gaat is deel te krijgen aan dat vernieuwingsproces van God. Met het kruis van Christus als breekijzer dat aan de ene kant ontmaskerd en aan de andere kant eindeloos bevestigd. Dat stenen harten wegbreekt en dat ons een vlezen hart geeft. Richt je naar die regel, ga daarvoor. En als je dat doet dan sta je onder grote belofte; vrede in het heden (shaloom), vrede met God en met de mensen en barmhartigheid, ontfermende genade voor heel de toekomst, waar je ook doorheen moet. "Overigens", zegt Paulus "valle niemand mij lastig, want ik draag de littekens van Jezus in en aan mijn lichaam". Er staat letterlijk 'stigmata'. Er zijn heel veel wonderlijke tradities gebaseerd op stigmata die mensen droegen.
Maar Paulus bedoelde hier wat anders, "ik ben niet ontkomen aan allerlei winkelhaken en bulten en wonden in de navolging van Christus". Hij verteld ervan in één van zijn brieven; "vijf keer heb ik de veertig-min-één-slagen ontvangen, drie keer ben ik met de roede gegeseld, één keer ben ik gestenigd, drie keer heb ik schipbreuk geleden. Het heeft me heus niet onberoerd gelaten, de navolging van Christus". Er klinkt iets van vermoeidheid in; "ieder late me met rust. Soms ben ik moe, maar let niet op mij". Dan vangt hij dat weer op met die laatste zegenbede, "laat de genade van Jezus Christus in u geest werkzaam zijn". Dat is misschien wel het mooiste woord om mee af te sluiten. Je zou deze brief aan de Galaten de brief kunnen noemen die alle licht laat vallen op de genade van God. Tenslotte, aan het einde van deze brief, waarin Paulus scherp is geweest, en dat was nodig, er stond veel op het spel, is het alsof hij eindigt met een arm weer om de gemeente heen; "Broeders, de genade van Jezus Christus moge in uw geest werkzaam zijn". Die stond op het spel, daar ging het om. Die ladder van boven naar beneden, die uitgestrekte hand van God, dat is de genade.
Twee handen om u doorboord, daar ging het om, het kruis. Laat dat werkzaam zijn in uw geest. Dan sta je onder grote belofte, van vernieuwing en uiteindelijk van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Een nieuwe schepping, en die begint nu al waar we die ladder omgekeerd zien, niet meer wij zwoegend met onze prestaties naar God toe, maar omgekeerd. God, die tot ons gekomen is, Christus die door zijn geest in ons werkt en dat proces op gang zet waar hij het hier in dit laatste stuk over had, aan de ene kant afzweren dat wat ons eigen vlees te bieden heeft en aannemen en doorlaten laten werken wat God ons in zijn genade gegeven heeft. Amen