Bijbeltekst: Hebreeën 10: 35 — Uit de serie: Het gebed, deel 1

Gemeente van Christus, Het gaat deze en volgende zondagen over het gebed, over bidden. Het gebed en bidden zijn eigenlijk de longen van de kerk. Wat de longen en ademhaling zijn voor je lichaam, zijn bidden en het gebed voor het geestelijk leven, voor het Lichaam van Christus. Waar het gebed verdwijnt daar taant en verpietert ook ons geloof. Juist op een heel belangrijke punt, dat kardinale punt, het gebed, hebben we de wind tegen. Wij vinden bidden moeilijk. Om nog even in het beeld van de ademhaling te blijven: misschien komt dat wel omdat de lucht zo is verontreinigd. Wij ademen de lucht in van een samenleving die helemaal binnenwerelds denkt, waar God geen enkele rol speelt waar mensen denken: 'het gaat toch allemaal langs vaste wetten van gevolg en oorzaak. Heel het leven is als het ware een groot gesloten systeem en denk je nu werkelijk dat bidden iets uitmaakt? Zou Hij echt iets doen?' Ik trof dat al aan in een boek wat ik ooit las, een humoristisch boek: Don Camillo. Hij was een pater in een Italiaans dorpje die altijd ruzie had met de communistische burgemeester.

Wat me trof in dat boek was dat die pater een keer de kerk in ging - het was een hele vrome man- en zijn hart zat vol. Hij knielde neer en bad zoals hij dat vaker deed. Maar die morgen zei hij: "Toen ik bad leek het of mijn stem tegen het plafond van de kerk terug echoode. Ik zat te luisteren naar mijn eigen stem en dacht: Is het nu allemaal autosuggestie? Is bidden niet eigenlijk toch iets wat alleen in je eigen ziel plaatsvindt?" Zulke vragen komen bij ons boven. Verontreinigde lucht maakt ademhalen moeilijk en het gebed taant. Dat geldt heus niet alleen voor eenvoudige mensen. Voor eenvoudige mensen geldt het zeker, ik denk dan aan een verhaal wat ik Trouw las, over Marius Noorloos, een gemeenteopbouwwerker in de Samen-Op-Weg kerk. Hij kwam eens in Drente in een gemeente en een hem onbekende man van middelbare leeftijd kwam op hem toe en zei: "Wat is dat eigenlijk, bidden?" "Wel", zegt die dominee Noorloos, "ben jij christelijk opgevoed?" "Tja", zei de man, "christelijk opgevoed? Als wij thuis gingen eten dan zei mijn vader aan het begin van de maaltijd: 'Laten we bidd'n', dan deed hij zijn pet voor zijn gezicht en was het enige minuten stil, daarna gingen we eten.

Ik heb me altijd afgevraagd wat hij deed achter die pet. Wat is bidden?" Ik zei al, dat kan iedereen overvallen, Don Camillo en geestelijken en voorgangers. Ik ben wel beschaamd geworden door een enquête. Er is eens een hele radicale enquête opgesteld hoelang dominees en voorgangers en pastoors nu per dag bidden. Ik zal het maar niet precies zeggen, maar het is gemiddeld minder dan tien minuten. Daar spiegel je je dan aan. Dan denk je: die bede die boven het bulletin staat 'Here, leer ons bidden' dat is natuurlijk een citaat. Maar die houding van is wel nodig. Het is ook helemaal geen schande om in die ontvankelijkheid en verlegenheid te komen. Het waren de discipelen die dit vroegen, opgevoed in de leer van het verbond en al een tijd optrekkend met Jezus. Toch, als ze Hem dan horen, zeggen ze: "Heer, leer ons bidden." Met die vraag willen we vanmorgen beginnen. Het zou mooi zijn als je nu na één, twee of drie weken zou zeggen: "Inderdaad, ik heb leren bidden, ik heb opnieuw leren bidden." Daar gaan we voor! Het zal aan Hem niet liggen, Hij wil het wel kwijt! Maar staan wij er open voor? De basis van ons bidden. Waarom heb ik nu bij de eerste uitleg de Hebreeënbrief gekozen?

Eigenlijk vooral om dat ene kernwoord: vrijmoedigheid. Maar daarachter zit veel meer. Wat me zo diep treft in de Hebreeënbrief, -ik geef toe, de eerste woorden die we lazen zijn allemaal lang en zwaar, maar we halen ze toch allemaal naar voren- dat is die nadruk op de basis van het gebed. Dat vind ik zo bijzonder van de Hebreeënbrief, daar moeten we beginnen. Daar wij volle vrijmoedigheid hebben..., daarom: laten we toetreden. We hebben allemaal de neiging om bij bidden, als je dat moet leren, te denken: laten we maar gewoon beginnen, en we vouwen onze handen. Dat is alvast wat, want die gebalde vuisten worden gevouwen en hopelijk gaat ons hart open, maar lijken onze gebeden dan niet net als postduiven die je loslaat uit een mand? Ze vliegen weg, alle kanten op. Wat de Hebreeënbrief ons wil leren, -en dat is ook het eerste punt waar ik mee begin-, is dat ons bidden een basis heeft en van daaruit kan groeien. Eerst wordt hier die basis gelegd, dat is dit: daar wij dan, gemeente, broeders, zusters, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan... -Dat is die basis, die volle vrijmoedigheid.

Vrije toegang, zou je ook kunnen zeggen-. ...in het heiligdom, door het bloed van Jezus Christus... Dat wil zeggen door wat Hij aan het kruis, waar Hij tot bloedens toe zijn leven gegeven heeft, langs die weg, door Hem aan het kruis voor ons geopend, dáár heeft Hij alles weggenomen wat tussen God en de mens kan instaan. Dat is de nieuwe en de levende weg die Hij ons ingewijd heeft, voor ons heeft geopend. Dan komt het tweede beeld, dat is het voorhangsel. Door het voorhangsel -dat is zijn vlees, daar moet je een beetje gepokt en gemazeld zijn in de taal van het oude testament want daar was de toegang tot het heilige der heilige voor het oog van de mensen afgesloten door een voorhangsel. Dat voorhangsel scheurde van boven tot beneden op het moment dat Jezus uitsprak: "Het is volbracht." Toen gaf Hij de geest en scheurde het voorhangsel. Dus door zijn vleeswording, doordat Jezus echt mens is geworden, voor ons heeft geleden, daardoor is dat voorhangsel nu verdwenen. We hebben vrij toegang tot de Vader. Dan komt er een tweede beeld: ...en wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij toetreden... We gaan het voorhangsel door en hebben bovendien nog de Hogepriester.

De hogepriester was de enige die daar mocht binnentreden en verzoening deed voor heel het volk. Die grote Priester is daar. Dit zijn beelden van de werkelijkheid. Als wij ons hart verheffen mogen we door het voorhangsel, dat is Golgotha, dat is de weg waar we doorheen gaan: 'Heer U hebt alles voor ons volbracht', en achter het voorhangsel hebben we bovendien nog een voorbidder die ons draagt in onze gebeden en die daar als dé grote Priester voor ons dienst doet. Met die beelden komt de Hebreeënbrief. Maar de kern daarvan is het woord vrijmoedigheid. Dat heeft hier -en dat vind ik ook heel bevrijdend- tegelijkertijd ook iets objectiefs, het is niet een gevoel. Bidden is niet gebaseerd op gevoel, iets waarvoor je eerst in 'het goede gevoel' moet komen. Het is ook niet gebaseerd op het leren van de goede woorden, zoals veel mensen denken: je moet toch die gebeden allemaal leren, de goede woorden gebruiken, het plechtig en mooi kunnen zeggen. Dat is het ook niet. De enige basis voor ons bidden is die vrije toegang die we gekregen hebben, je zou haast zeggen: een toegangsbewijs. Ik was een keer op Schiphol en moest wachten in een hele lange rij.

Er kwam een douaneambtenaar die overal vrolijk in en uit liep, deze deur in, die deur uit, maar hij had een keycard, een kaartje met zo'n magnetische strip erop, haalde dat door het apparaatje en alle deuren gingen open. Zoiets zit hierin, iets objectiefs. We hebben vrije toegang, we mogen doorlopen en van daaruit gaan we pas bidden, langs die levende en nieuwe weg, zoals het er staat. Ik vind het erg belangrijk om daar te beginnen. Om bij ieder gebed me dat even bewust te maken: "Ik heb toegang tot de Almachtige, ik mag zo binnengaan in het heiligdom omdat een ander voor mij dat toegangsbewijs heeft verworven." Dan ontstaat ons bidden. Ons bidden is dus altijd reactie. Niet ons initiatief, maar reactie op iets wat God gedaan heeft. Het is eigenlijk een beslissende wending. Ons bidden is niet een ladder waarlangs wij met veel moeite opklimmen tot God, maar het is God die langs die ladder naar ons is afgedaald en wij beginnen met antwoorden. Met Hem te danken dat Hij bij ons is, dat wij zo direct toegang tot Hem mogen hebben, want dat is de kern van de God van de Bijbel. Die God is de God van het Verbond, om in de tale Kanaäns te spreken.

Verbond wil zeggen: God wil met ons gesprek, contact, gemeenschap. Dat hoort tot zijn Wezen. Je kunt het vergelijken met een huwelijk. Wat heb je aan een huwelijk waarin je niet in een open gesprek bent met elkaar. Zo is het ook met de Here God, met daarin dit verschil dat het in een huwelijk van twee kanten moet komen, in het huwelijk met God komt het van één kant. Dat is wat de Hebreeënbrief benadrukt. Het komt allereerst van zijn kant, Hij heeft voor ons een levende en een nieuwe weg geopend, door zijn Zoon. Daar beginnen we. Wat is bidden? Dat leidt me tot het tweede punt, pas op grond hiervan kunnen we komen tot die kernvraag: wat is dat bidden dan toch eigenlijk? Dat kan ik met dat kernwoord vrijmoedigheid uitleggen. Waar het in vers 19 nog iets objectiefs is, daar is het aan het slot van dit hoofdstuk - waar de schrijver die oproep doet: 'laat dan uw vrijmoedigheid niet los...' - iets subjectiever. Op grond van die basis mogen wij vrijmoedig spreken. Met alles wat in ons is, dat zit in dat woord vrijmoedigheid opgesloten. Het woord vrijmoedigheid betekent letterlijk: Alles mogen zeggen. Zo staat het in het Grieks.

Eigenlijk heel bijzonder dat vrijmoedigheid zo wordt omschreven. Als je in een hele diepe vertrouwensrelatie staat met iemand, dan durf je die persoon alles te zeggen. Hoe groter de liefde is die de ander voor jou heeft, hoe meer je durft te zeggen. Als het een perfecte liefde is durf je alles te zeggen. Dat is bidden: alles durven zeggen. Pray as you can, not as you can not. Dat stond boven een hoofdstukje over gebed, wat ik deze week las. Toen dacht ik: dat is het. Je moet bidden zoals je bent, zoals je het kan, en niet zoals je denkt dat het moet, maar wat je niet kunt. Begin dus zoals je bent en niet zoals je denkt dat je moet beginnen. Wij denken altijd dat we heel mooi moeten beginnen, of wat anderen wel niet van ons denken als we bidden, of hoe we ons voelen terwijl we bidden, dat is allemaal afleiding. We kunnen gewoon met een open hart en met onszelf komen. Leg Hem voor wat in u is en niet wat in u behoort te zijn. Ben je bezorgd over één van je kinderen, of over hoe het moet met de verzorging van je moeder, wat ook, dan begin je daar! Heb je twijfel of er wel echt contact tussen God en jou mogelijk is, zeg het Hem dan, zeg Hem alles.

Dat is het allereenvoudigste en tegelijk het allermoeilijkste. Vreemd is dat, en toch is het de allereerste definitie die de Hebreeënbrief geeft van bidden. Alles zeggen. Alles, dus ook kwade dingen. Wij denken dat we alleen de mooie dingen moeten zeggen, en dan vallen we weer in die valkuil. Nee, ook de kwade dingen. "Heer, ik ben boordevol bitterheid, ik heb nog steeds de belediging in mijn hoofd die ik gisteren van die en die gehoord heb." Of: "ik ben kwaad", of: "ik ben bang", of: "ik sta droog, ik heb geen woorden meer." Alles zeggen, zeg het Hem. Waarom is dat allereenvoudigste voor ons nu tegelijk het allermoeilijkste om mee te komen? Omdat we vaak niet willen weten wat er echt in ons leeft. We zijn op de vlucht of willen niet accepteren hoe we zijn. Dus veinzen we dat we anders zijn. Of we zijn veel te verlegen en dan bergen we ons op. Waar het bidden begint is: alles te zeggen. Wat een bevrijding als je dat leert. Het is als thuiskomen, als je ineens weet: eindelijk mag ik er zijn met alles wat ik heb en wat ik ben. De Hebreeënbrief zegt: Laat die vrijmoedigheid u niet ongemerkt ontglippen. Letterlijk staat er een woord dat betekent: weggooien.

In het woordenboek las ik dat dat op twee manieren kan. Je kunt iets weggooien zoals je met het badwater het kind weggooit. Trouwens een toepasselijk beeld voor bidden. Heel veel mensen hebben een hekel aan de kerk en alles wat met de kerk te maken heeft en gooien met het badwater ook het kind weg. Hier zit daar een zinspeling op: gooi het kind niet met het badwater weg, geef die vrijmoedigheid niet prijs want dat is de kern! Maar je mag dat woord 'weggooien' ook zien als een boom die zijn bladeren ongemerkt laat vallen. De boom had niet eens door wanneer het begon, maar op een gegeven moment staat hij daar, kaal en leeg. Dat is ook een ontdekking van heel veel mensen, dat ze er opeens kaal en geestelijk leeg bijstaan. Wat de Hebreeënbrief zegt is: Laat dat niet gebeuren, laat die vrijmoedigheid niet los! De Here wil met ons reëel contact, echt contact. Dat kun je ook van zijn kant uit begrijpen. Hij wil contact met ons zoals we zijn. Dat wil iedereen die van ons houdt, die wil contact met ons zoals we zijn. Dat doet Hij op de werkvloer. Ik leg nu even de link naar Mozes bij het brandende braambos.

Ik vind het altijd heel apart dat Mozes God niet op bezoek kreeg op zijn 'heilige' moment of terwijl hij op de sabbatdag daar in de woestijn ergens naar een heiligdom ging, op een heilige plek. Nee, gewoon in de woestijn terwijl hij zijn schapen hoedde, aan het werk was. Dáár was ineens dat contact. Onze werkvloer verandert in heilige grond als we zó de dag doorgaan. Wat werkt het uit? Zou Hij echt iets doen? Dat leidt me tot het derde punt, de laatste zin van de tekst en ook het uiteindelijke antwoord van de vraag wat het uitwerkt. Zulk bidden belooft veel. "...Geef uw vrijmoedigheid niet prijs want ze heeft een ruime vergelding te wachten." Letterlijk staat het er nog krachtiger: want ze heeft beloning. Beloning vind ik wat economisch klinken, dus ik vind ruime vergelding mooier. Ze draagt in zich ruime vergelding. Er komt uit dit bidden zoveel goeds voor, denk maar weer aan de longen, hoe de ademhaling de zuurstof door het hele lichaam doet trekken en hoeveel goeds daar uit voort komt: het hele leven komt er uit voort. Dat wil de Hebreeënbrief benadrukken en het is tegelijk antwoord op de vraag: waar doen we het voor?

De Heidelbergse Catechismus antwoordt op de vraag die ze stelt heel erg fraai. Die zegt: Waarom is het gebed de christenen van node? Waar doen we het voor? Omdat God zijn genade én zijn Heilige Geest alleen aan diegene geven wil die Hem met verlangen en zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. Dat is nogal wat, zijn genade én zijn Heilige Geest. Daar is in één zin gezegd wat die ruime vergelding is. Heel veel mensen denken: 'Wat maakt het nu uit of je bidt of niet bidt?' Er zijn duizenden mensen om ons heen die niet bidden. Ze zijn er niet minder om, worden heus niet meer door rampen getroffen, sterven heus niet in grotere doodsstrijd of angst dan christenen, waarom doen we het dan, bidden? Anderen komen misschien met opmerkingen: en al die onverhoorde gebeden dan? Else Vlug zei op de televisie: "Ik heb zo gebeden voor de genezing van mijn kleindochter. Ik heb genezingen gezien vlak voor mijn ogen. Maar toen mijn eigen kleindochtertje ziek werd heb ik gebeden en gebeden, maar de Heer heeft het niet gegeven, ze is in mijn armen gestorven." Waarvoor hebben de christenen dan gebed nodig als het toch niks uitwerkt?

Daar geven hier de Hebreeënbrief en de Heidelbergse Catechismus antwoord op: Ja, maar vergeet niet dat er wel degelijk heel veel door God gegeven wordt. Hij geeft zijn genade en de Heilige Geest! En straks komt Hij en maakt alle dingen nieuw. Dat zijn allemaal dingen die ons als een ruime vergelding beloofd worden als we blijven bidden. Bij dat 'genade' moest ik denken aan de apostel Paulus, die kende ook momenten waarop hij helemaal niets zag. Hij heeft gebeden voor de man die van de eerste verdieping naar beneden viel en daar dood bleef, en die man werd genezen. Dat lezen we in Handelingen. Aan de andere kant schrijft hij zelf in de Corinthenbrief toen hij zelf een 'doorn in het vlees' kreeg, -zo noemt hij het, wij weten niet wat dat geweest is-, dat hij heeft gebeden. Niet één keer, maar meerdere keren, en niets gebeurde. Een onverhoord gebed. Dan zou je zeggen: Dat was dan wel de grote kater van Paulus! Maar nee, hij zegt: 'Wat ik wel daar doorheen gehoord heb is dat God tegen me zei: "Mijn genade is je genoeg en Ik maak je steeds dieper afhankelijk van mijn genade." De Heidelbergse Catechismus zegt dat God zijn genade en de Heilige Geest geeft.

Dat is die ruime vergelding die Hij geeft. Dat doet Hij bij de apostel Paulus, en bij Mozes die door de werking van de genade tenslotte helemaal ging schijnen, ging stralen. Het straalt door ons heen. We krijgen soms geen uitleg maar we krijgen wel die genade van God, én de werking van zijn Heilige Geest, die Hij geeft als we vrijmoedig blijven komen tot Hem. Dan wordt zijn genade zichtbaar en geeft Hij ons de Heilige Geest. Ik vind dat een hele bijzondere belofte. Want het laat zien dat het gebed de krachtbron is van waaruit al die andere dingen komen. Het werk van de Heilige Geest, de ommekeer van ons hart en dan de vruchten die Hij werkt in ons leven. Al de gaven van de Heilige Geest, ze krijgen alleen ruimte in ons leven als we beginnen bij deze vrijmoedigheid, dat vrijuit alles zeggen waar hier de Hebreeënbrief over spreekt. Dat maakt de Hebreeënbrief trouwens ook concreet. Er staat: het blijft niet alleen bij een innerlijke werking, bij iets persoonlijks, een gevoel, maar het wordt concreet in liefde en goede werken, daar blijkt of we echt geestelijk mensen zijn. Die zijn als het ware de thermometer, de proef op de som.

Of we goede buren zijn, waar we ons geld aan uitgeven, of we de vreemdeling helpen, de zwakke en de minder begaafde, de arme, de dakloze en de loosers, of we die zegenen. Dat zijn allemaal vruchten van het vasthouden van vrijmoedigheid. In het gebed worden vaak ook de meest creatieve ideeën geboren. Het werk van de Stichting Redt een Kind, -dat weet ik van nabij-, is in de binnenkamer geboren als een idee wat opkwam als vrucht van gebed. Creatieve ideeën ontspringen in de binnenkamer. Gebed is niet een binnenwaarts gebeuren, het is de werkplaats van de Heilige Geest. Genade en Heilige Geest, ze worden beloofd waar we de vrijmoedigheid vasthouden. Daar krijgt de Heilige Geest ruimte om te bewegen. Dat is het antwoord op die derde en laatste vraag: waar doen we het voor? Samenvatting Bidden. Ik zei aan het begin: bidden is de ademhaling van de ziel. Zoals letterlijk ademhalen is voor het lichaam. Astmapatiënten weten heel goed hoe alles stagneert als je geen lucht krijgt. Zo stagneert alles als het gebed er niet is, als vervuilde lucht binnendringt en alles remt.

Dat is niet nodig, zegt de Hebreeënbrief, dan moet je weer bewegen in de vrije lucht van de belofte van God, van de Schriften die hier zeggen: "We hebben volle vrijmoedigheid om het heiligdom binnen te gaan." Dat is de basis van het gebed, dat God ons heeft aangenomen, dat Hij door Jezus de weg naar zich toe heeft gebaand. Ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hecht. Op die grond mag ik komen en ontdekken wat bidden is: antwoorden, alles zeggen. Dat is bidden: alles zeggen, alles mogen zeggen, alles durven zeggen en alles willen zeggen. Dat is het bidden wat Jezus ons geleerd heeft: "Daarom, begin je gebed met Abba, Vader", dat heel vertrouwelijke. Zo leerde Jezus ons te bidden, daar te beginnen. Daarop rust belofte van ruime vergelding. Mijn werkvloer wordt heilige grond, we worden doorschijnend als Mozes, de Heilige Geest heeft vaste voet gevonden in ons hart en gaat door met het geven van vruchten en gaven. Dus: geef die vrijmoedigheid niet prijs! Amen Deze verkondiging is de eerste in een serie van vier over het gebed. Wim Rietkerk stelt het op prijs als u mee wilt denken in de voorbereiding voor de preken van deze serie.

Daarvoor hebben we een speciale discussiepagina gemaakt, waar u kunt reageren op deze verkondiging of de reacties van anderen. ©2000 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.