Gemeente van Christus, Allereerst wil ik een streep zetten onder het bijzondere van dit woord van Jakobus. Het gaat om dat woord: het gebed van een rechtvaardige vermag veel doordat er kracht aan wordt verleend. Ik zou willen benadrukken hoeveel bijzondere beloften er gegeven worden aan het gebed. "Er gaat een enorme kracht van uit", zegt Jakobus. Hij zegt er wel bij: "Als het goed werkt." Daar gaan we op door. Het gebed van een rechtvaardige heeft veel volmacht. Jakobus voegt daar aan toe: "Kijk maar naar Elia." Elia was een mens zoals wij, en toch bad hij een gebed en het was droog voor drie jaren. Hij bad een gebed tot God dat het zou regenen en de aarde deed haar vruchten uitspruiten. Jakobus zegt: "Toch was hij een mens zoals wij." Hij wil daarmee zeggen: "Denk niet dat bidden iets is voor een paar superheiligen. Of alleen voor heel geestelijke mensen in de kerk, of alleen voor oude mensen zoals je oma." Nee, het gebed is iets heel nuchters voor ieder mens, op dat gebed rust een grote belofte, daar gaat grote kracht van uit. Denk ook maar aan Elia op de Karmel, hoe hij een gebed bad en God deed de bliksem neerdalen.
Denk maar aan mensen als Mozes, die bad terwijl Israël vocht in de vallei tegen Amalek. Terwijl hij zijn handen geheven hield en ondersteund werd door twee mensen aan zijn zij, zolang hij ze geheven hield, bad dus, gaf God de overwinning. Zodra hij ze liet zakken verloor Israël. De bijbel is vol met zulke verhalen. Hanna, die bad om een zoon, en God gaf haar Samuël. Ik denk aan Paulus, aan Petrus, aan de Here Jezus zelf bij het graf van Lazarus. Hij bad tot God en zelfs de dode Lazarus werd opgewekt. Uiteindelijk is de gelijkenis van Jezus over de onrechtvaardige rechter in Lucas 18: 1-8 ook een gelijkenis die dat onderstreept. De vrouw heeft dan toch maar haar rechtzaak gewonnen, hoe slecht die rechter ook was en hoe lang ze er ook om moest smeken, maar dat gebed had een kracht. Daar raak ik een punt wat ik nu wil bespreken. Het had een kracht, dat zeg ik om duidelijk te maken: daar ging heel wat aan vooraf. Die weg tussen vrijmoedigheid, waar we vorige keer over spraken, tot het gebed in volmacht, met grote kracht, dynamische werking. Die weg tussen die vrijmoedigheid en volmacht is niet een ongebroken opgaande lijn. Dat vind ik in die kleine gelijkenis zo bijzonder.
Die maakt duidelijk dat als je zo vrijmoedig begint met bidden, het heus niet altijd zo is dat onmiddellijk de deuren open gaan en alles gaat meteen beter, ieder gebed wordt zomaar verhoord. Hier krijgen we een verhaal van de Here Jezus zelf waarmee Hij ons wil waarschuwen. Die weduwe begint heel vrijmoedig met haar rechtzaak aan die rechter voor te leggen. Nog maar net is ze ermee bezig of ze krijgt de deur in het gezicht geslagen en de rechter keert zich af. Er is helemaal geen openheid. Daarmee heeft de Here Jezus iet willen vertellen wat eigenlijk een ervaring is die heel veel mensen die bidden, krijgen. We kloppen, maar er is niet iemand die opendoet. Ik ken iemand, die is zeer gelovig, die zei: "Er is een fase in mijn leven geweest dat ik bad met heel mijn hart, letterlijk zei hij, - daarom gebruikte ik die woorden- het was steeds of ik de deur in mijn gezicht geslagen kreeg." Die ervaring is ook terug te vinden in veel psalmen. Ik denk aan psalm 22: 'mijn God, ik roep des daags en Gij antwoordt niet.
En des nachts, en ik kom niet tot stilte.' Psalm 13 zegt: 'hoelang Here, zult Gij mij voortdurend vergeten, hoe lang zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen?' Zulke tijden van dorheid, van leegte, van je in de steek gelaten voelen, die kennen alle groten in het koninkrijk van God. Dit was David, maar ik zou ook citaten kunnen geven van de apostel Paulus, en van Mozes. Ik kan ze zelfs geven van Jezus zelf, Hij maakte psalm 22 tot zijn psalm: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Die ervaring van leegte, van ineens -lijkt het wel- in een gat te vallen en geen antwoord te krijgen, brengt ons gebed in groot gevaar. Het kan heel makkelijk dat we van daaruit in gevoelens wegzakken van: waar dient het voor, is Hij er wel echt? Was het niet allemaal inbeelding toen ik zo spontaan en vrijmoedig en vertrouwelijk begon? Tussen dat vrijmoedige begin en de volmacht ligt inderdaad een weg door diepten heen. Daar wil ik een paar bemoedigende woorden over zeggen aan de hand van die drie punten uit de Heidelbergse Catechismus, want die vat aardig samen wat de bijbel daarover zegt.
Ik vind altijd weer dat de Catechismus daarin precies de spijker op de kop slaat, juist ook bij dat eerste gevoel, dat als wij bidden, spontaan bij God komen, dat het dan net zo lijkt als wanneer je telefoneert en je krijgt steeds de ingesprektoon. Focus op God Het eerste wat je moet doen in zo'n omstandigheid -eigenlijk ligt dat ook heel erg voor de hand- is nagaan of je het goede nummer wel gedraaid hebt. Dat is natuurlijk heel logisch, als je steeds de bezettoon krijgt ga je na: heb ik het goede nummer wel? Dan pak je de gids en kijkt of je het goede nummer gedraaid hebt. Dat is het eerste antwoord dat de catechismus geeft: Pak de gids, in dit geval de bijbel. Als je in zo'n moment van een dal zit, ga dan na of je je gebed wel goed geadresseerd hebt, is het wel gericht tot die God die zich in zijn woord aan ons geopenbaard heeft? Die God die Zelf gezegd heeft waarvoor we moeten bidden. Bidden is dus niet een hele zware ervaring opdoen, zoals je hart openzetten en dan bijvoorbeeld met yoga ontspannen worden en je gemoed luchten. Dat is net zoiets als de haak van de telefoon nemen en vergeten het nummer te draaien.
Nee, in de bijbel is bidden iets heel specifieks, het is het nummer draaien van Iemand die het goede nummer van zichzelf gegeven heeft. Die dus tegen ons zegt: "Zorg dat je het goede nummer draait!" Om het iets verder door te voeren: dat nummer, ons nummer, is Jezus. Als je niet langs die levende en nieuwe weg die Hij gebaand heeft door het voorhangsel, zijn vlees, zoals we de vorige keer zagen, als we niet door die weg gaan, dan blijven we steken, of zakken steeds verder weg, in onszelf, in ons religieuze gevoel, of in de leegte. Dat is het eerste. Bidt om wat God beloofd heeft De catechismus voegt daar aan toe dat we moeten bidden om dat wat Hij in zijn woord beloofd heeft. Dat is ook een heel belangrijk punt. Als je tegen een muur stuit dan echoot dat iets terug en dat stelt je voor de vraag: "Bid ik wel echt om iets wat God beloofd heeft?" Dat lazen we, dat heeft de Here Jezus ons geleerd. Dan zal iedereen zeggen: "Ja, dat zijn dan zeker alleen maar geestelijke dingen". Maar dat is niet zo. Het eerste waar Jezus ons in het 'vraaggedeelte' van het Onze Vader voor leert bidden is het dagelijks brood. Kan het nog concreter?
Als je Jakobus leest, ik heb nu alleen die ene tekst laten zien, maar als je het hele gedeelte leest, gaat het daar over genezing. "Is er iemand ziek", zegt Jakobus, "laat hij de oudsten roepen en het gelovige gebed zal de zieke redden." Dat staat er letterlijk. Daar kun je je aan vasthouden als je bidt. Daar moet je ook goed over nadenken wat dat dan betekent: "Gered van je ziekte", daar mag je voor gaan. Er valt veel te verwachten als je bidt om wat God beloofd heeft. Zo moet je je geloof in werking zetten, zegt Jakobus, dan rust daar die bijzondere belofte op. Eigenlijk is dat wat in die geestelijke wapenrusting in Efeziërs 6: 10-18 het zwaard is van het woord. Dat moet je hanteren. Het woord waarin God zich geopenbaard heeft, het woord waarin Hij ons gezegd heeft waarvoor we mogen bidden. Onderzoek Toch noemt de catechismus ook dat zo'n tijd heel louterend werkt. In de Anglicaanse liturgie wordt gezegd dat dit het moment is waarop we het gebed bidden: the prayer of examination, het gebed van onderzoek. Woestijntijd loutert en beproeft. Dat zegt de catechismus in die tweede zin.
Echt in de stijl en de woordkeus van de gereformeerde traditie: 'dat wij onze nood en ellende goed en grondig kennen.' Dat zou je in de put kunnen duwen, maar dat hoeft niet. Ik ken heel veel mensen die zeggen: "Ik zou die diepe crisis in mijn leven toen, hoe moeilijk dat ook was, nooit hebben willen missen, want toen heb ik voor het eerst in mijn leven leren loslaten. Al die fanatieke doelen en idealen waar ik iedereen mee lastig viel. God maakte mij duidelijk dat ik totaal en alleen voor mijzelf leefde." Dat zijn van die reinigende werkingen die in zo'n moment in ons gebedsleven boven komen. Wie bidt, en net als de vrouw uit de gelijkenis op een muur stuit, moet een tijd van zelfonderzoek ondergaan. Het werpt ons terug op onszelf. Psalm 139 begint zo heel vertrouwelijk: 'Heer, die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken', die psalm eindigt met: 'doorgrondt me en ken mijn hart'. Dat is 'prayer of examination', gebed van zelfonderzoek. Wij leren dan niet te bouwen op onszelf, op ons eigen gevoel, maar we leren onze doelen te toetsen. We leren daarmee ook onze nood en ellende kennen, precies zo als de catechismus zegt. Dat is waar.
We leren de duivel afweren, die op zulke momenten komt influisteren: jij... en dan komt hij met zijn aanklachten. Zo leren we ons in die fase van het bidden pantseren met het pantser van de gerechtigheid van Jezus Christus, we bekleden ons met Hem. Dat is een heel diep werk, wat in zo'n fase in ons gebed groeit. Niemand kan kracht van God ontvangen en die belofte echt werkelijkheid zien worden -dynamische werking- als hij niet eerst zelf zwak geweest is en zwak en naakt en blind. Dan zijn je handen leeg, en pas dan kan je je uitstrekken naar wat Gód je wil geven. Dat is de tweede fase: het gebed waaraan kracht wordt ontleend is het gebed waarin we ons bekleden met de gerechtigheid van Christus en ons zo met lege handen verootmoedigen voor het aangezicht van God, ons uitstrekken naar wat Hij ons geboden heeft te bidden. Belofte Dan dat derde: Dan wordt ons bidden een toevluchtnemend bidden. De catechismus zegt dat we deze vaste grond ontdekken, dat God ons gebed, ook al zijn we het niet waard, zeker zal verhoren om Christus wil, zoals Hij in zijn woord heeft geopenbaard. Die derde fase van het bidden komt heel duidelijk naar voren in die gelijkenis van de weduwe.
Ze gaat niet zomaar naar die rechter, maar ze staat in haar recht. Ze heeft God aan haar kant, daarom houdt ze vol, zelfs tot onbeschaamd wordens toe. Tenslotte zegt die rechter: "Ook al bekommer ik me niet om God en al stoor ik me aan geen mens, toch al ik deze vrouw recht verschaffen, anders komt ze me tenslotte nog 'onder mijn oog slaan', zo staat het letterlijk in het Grieks, op mijn gezicht slaan." Zo zegt Jezus: "Als dat al zo is bij een schurk van een rechter, die helemaal niet uit eigen beweging geneigd is om recht te doen, hoeveel te meer zal dan God die uw Vader is en die niets anders wil en dat ook beloofd heeft, zijn kinderen recht verschaffen als ze dag en nacht om Hem roepen?" Zo wordt het hier genoemd. Als de Here ons geeft waar we naar zijn woord om vragen dan is dat ons recht. Daar mogen we Hem om bidden. We mogen onze hand leggen op die belofte van vergeving, die belofte van heiliging, die belofte van groei en van verzoening, van vervulling door de Heilige Geest, de vruchten en de gaven van de Heilige Geest. We mogen onze hand leggen op die beloften en Hem erbij aanroepen en het Hem afsmeken.
Zo drijft die woestijnfase van het bidden ons naar dat toevluchtnemend gebed: Heer, verschaf me recht naar uw belofte: brood, vergeving, bevrijding. Dat zijn de drie dingen die Jezus ons leert bidden. Hier en nu. In een worsteling, samen met mijn wil en Uw wil gevonden. Hij toetst in die fase mijn wil. God wil van mij weten of ik het echt wil. Ik toets zijn wil: wil Hij me dit geven? Of wil Hij het me niet geven? Geef het aan mij, wat staat in uw woord, Uw belofte: verschaf me recht, geef het aan mij. Dat is de helm van de hoop (heil, redding) opzetten. Met die helm van de hoop ga je zelfs door een muur heen, dat is ook een onderdeel van die wapenrusting. Samenvatting Zo verbind ik aan het slot die drie punten met de wapenrusting en geef bij ieder van die drie een typering. Er staat in Jakobus: Het gebed van een rechtvaardige heeft dynamische werking, het vermag veel als het in werking gezet is, als God en mens beiden daarin in een worsteling aanzwellen in kracht. De lijn van vrijmoedigheid naar volmacht is geen ongebroken, vloeiende, happy lijn. Nee, ze gaat door diepe dalen, soms zo diep dat we wanhopen. Tijden van Godverlating, je in de steek gelaten voelen.
Tijden van diepe onzekerheid, van zelfverwijt, van twijfel, van aanvechting, de duivel komt op ons af. Diepe vragen komen in ons boven. We zagen dat dat ons leidt tot die vraag: Maar wat hoort dan tot een gebed dat God aangenaam is? Dat vraagt de catechismus en antwoordt met drie dingen: Trek in die tijden van leegte de geestelijke wapenrusting aan! 1. Hanteer het woord, focus op Hem, heb je het goede nummer gedraaid? Van God, die zich in zijn woord aan je geopenbaard heeft? Bidden is antwoorden, geen religieuze oefening. Eerst goed focussen, het telefoonboek opslaan. Luther zei: theoloog wordt je maar op één plek en dat is in de aanvechting. Dan leer je echt te focussen op wie God is. Daar beginnen we, dat is dat zwaard van het woord en de waarheid. 2. Doorgrondt me en ken mijn hart. Dan komen we na het gebed van de aanvechting in het gebed van zelfonderzoek: Heer, ik verootmoedig me, ik bouw in geen enkel opzicht op iets van mijzelf. Reinig en bescherm me, doe me groeien.
Ik geef mijn eigen doelen en afgoden op, ik kom met lege handen en bekleed me met het pantser van de gerechtigheid van Christus, en de lendenen omgordt met de waarheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie van de vrede. 3. Het toevluchtnemend bidden. Zo vinden we de vaste grond. De enige vaste grond is dat wat God ons beloofd heeft: U hebt het beloofd, dan gaat U het ook doen. Dat moet ons uitdrijven tot een stormloop op het hart van God, met de helm van de hoop op ons hoofd. Zo zien we: van vrijmoedigheid naar volmacht ben je niet zomaar. Daar zijn we ook niet direct, daar zijn we niet altijd. Maar het is wel de richting waar Jezus ons naar wijst als Hij zegt: Zou de Zoon des mensen dat geloof vinden als Hij komt? Amen Deze verkondiging is de tweede in een serie van vier over het gebed. Wim Rietkerk stelt het op prijs als u mee wilt denken in de voorbereiding voor de preken van deze serie. Daarvoor hebben we een speciale discussiepagina gemaakt, waar u kunt reageren op deze verkondiging of de reacties van anderen. ©2000 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.