Bijbeltekst: Mattheüs 8: 8 — Uit de serie: Het gebed, deel 4

Gemeente van Christus, Vanouds zijn deze woorden: 'Heer, ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen' van de hoofdman van Kapernaüm uitgesproken bij de Avondmaalsviering. In de liturgie van het avondmaal van alle oudkerkelijke vieringen komen deze woorden voor. Ook in het nieuwe dienstboek van de kerken komt het voor bij de viering van het Avondmaal. De dichter W. Barnard heeft er een lied bij gemaakt, lied 51. Waarom nu juist deze woorden, ook vanmiddag bij de viering van het Avondmaal? Daarvoor zijn drie redenen. In de eerste plaats denk ik dat vertrouwelijke, dat van onder één dak komen. De hoofdman zegt: "Heer, ik ben niet waard dat U onder mijn dak komt." In het Oosten was dat heel vertrouwelijk, veel meer nog dan in onze westerse cultuur. Als je iemand in je huis nodigde bood je hem een maaltijd aan, je waste zijn voeten, bewees hem vriendschap, kortom de gemeenschap werd onderhouden. De hoofdman van Kapernaüm wordt vervuld met schroom: "Is dat niet teveel? Is dat niet een veel te grote eer voor mij, dat deze Man bij mij onder één dak zou komen?

Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt." Eigenlijk is dat een heel mooie omschrijving van wat wij bij iedere avondmaalsviering beleven, dat we mogen aangaan met Hem. Jezus zegt dat zelf in Openbaringen: "Ik zal maaltijd met u houden." Tegen de discipelen heeft Hij bij de instelling van het Avondmaal gezegd: "Dit zijn de tekenen van brood en wijn, in die tekenen kom Ik tot u, ben Ik in uw midden, onder één dak." Heel vertrouwelijk aan één maaltijd. Als we dat beseffen gaat ook dat tweede tot ons spreken, namelijk die schroom en bescheidenheid, de ootmoed van deze buitenkerkelijke, niet-joodse, Romeinse of Syrische officier. Hoe hij dit gebeuren benaderde: hij schrikt er voor terug. Dat is de tweede reden waarom deze woorden in de liturgie bij het Avondmaal terugkeren en eigenlijk heel goed passen. Er zit iets heel zuivers in dit verhaal. Spontaan beseft deze buitenstaander hoe groot dit wonder is. Soms heb je daar een buitenstaander voor nodig. Insiders zijn zo vertrouwd met de gang van zaken dat ze het wonder ervan dreigen te verliezen. Maar de hoofdman uit Kapernaüm zag het.

Wie aan de voet van een hele hoge berg woont en leeft, en vertrouwd is met die berg, die verwondert zich niet meer over de top, wordt niet meer geïmponeerd. Nabijheid kan blind maken. Maar kom je van een afstand en zie je dat majestueuze, dan ineens treft het je. Wie iedere zondag komt en altijd avondmaal viert heeft eigenlijk het oog van een buitenstaander nodig om ineens weer te beseffen wat hier eigenlijk gebeurt, dat dit toch wel een hoge eer is. De hoofdman zegt: "Ik ben het niet waard, ik ben maar een klein officiertje, als ik een hogere rang op bezoek krijg is dat al heel wat, laat staan de Overste van de Koningen der aarde." Daar schrok hij voor terug. Jezus zei: "Wat heeft die man een groot geloof!" Gelovige mensen uit de kring van het verbond lopen vaak zonder blikken of blozen in en uit bij God. Ieder besef van Gods hoogheid en heiligheid raakt verloren. Maar over deze buitenstaander is Jezus verwonderd: "Zo'n groot geloof heb ik in Israël niet gevonden." Het is wel aardig om het verschil tussen Mattheüs en Lukas te zien. In Mattheüs staat: 'zo'n groot geloof heb Ik in Israël niet gevonden'. Mattheüs is dan ook zelf een Jood, dan mag je de kritiek aanscherpen.

Lukas schrijft: 'zelfs in Israël heb Ik een zo'n groot geloof niet gevonden'. Hij is dan ook een niet-Israëliet. Een klein detail, maar dat staat er. Zo'n groot geloof heb Ik in Israël niet gevonden. De hoofdman van Kapernaüm wordt zo door Jezus zelf naar voren gehaald om ons iets heel basaals te leren. Namelijk schroom en eerbied en ootmoed. Ik zal het met een paar opmerkingen nog wat scherper voor uw aandacht roepen. Spiegel je niet aan wat mensen van je zeggen In de eerste plaats valt het op dat de officier zich niet spiegelt aan wat anderen van hem denken, aan wat mensen zeggen. Hij had daar reden voor, hij was een bijzondere man. Als een Russische officier op dit moment door de inwoners van Grozny zou worden aanbevolen, dan moet het wel een zeer bijzondere man zijn. Dat is wat hier gebeurde: een Romeinse officier, de bezettende macht, en het zijn de leiders van de synagoge die komen en hem bij Jezus aanbevelen: "Deze man heeft ons zelfs een synagoge gebouwd, hij is het waard!" Maar deze man gaat, als hij zelf komt, oog in oog met Jezus, niet af op het oordeel van mensen. Dat is wel heel bijzonder.

Het is fijn als mensen goed van je denken, maar maak het niet tot grondslag of steunpunt van je geloof als je voor God komt, denk niet dat dát je basis is om in te gaan, dat de Here je dan ook wel fantastisch moet vinden. De hoofdman komt tot Jezus, hij zit niet te paard als Willibrord met de kerk in de hand, op het Jansplein in Utrecht. Dat had hij kunnen doen, met de synagoge in zijn hand en zeggen: "Heer, kijk, dit zeggen ze van mij." Dat deed hij niet, hij weet beter, deze officier. Gelukkig mag je het ook omdraaien. Baseer je vrijmoedigheid voor God niet op het goede oordeel van mensen, die je op een voetstuk zetten, maar ook niet omgekeerd, op het slechte oordeel van mensen die je neerhalen of afdanken. Echte ootmoed kijkt aan beiden voorbij. Paulus zegt: "Het raakt me zeer weinig of ik al door u of door enig menselijk gericht beoordeeld wordt, wie mij beoordeelt is de Here". Dat zie je hier heel spontaan bij deze officier optreden: baseer je vrijmoedigheid en vertrouwen niet op wat mensen zeggen. Geen onzuiver minderwaardigheidsgevoel Dat is de tweede opmerking die ik wil maken over wat opvalt: de officier baseert zijn vertrouwen ook niet op zijn eigen geringe zelfbeeld.

Zijn ootmoed heeft iets heel zuivers. Het draagt niet dat valse element wat er bij ons soms insluipt. Wij denken vaak: 'als ik mezelf maar diep genoeg afkeur, dan ben ik ootmoedig voor God.' Dan komen er vaak zulke woorden: "Heer, ik ben zo slecht, ik heb alles voor U verspeelt, ik ben een worm in Uw oog, een stofje dat neerdwarrelt." Dan lijkt het: hoe dieper ik mij afkeur, hoe beter ik ben voor God. Dat is wel wonderlijk, dan maken we het weer tot één van onze goede werken. Het is een religieus minderwaardigheidsgevoel in een vroom gewaad gestoken, haast tot een verdienste gemaakt. Eigenlijk is het verschil tussen zuivere en onzuivere ootmoed het verschil van één s. De hoofdman zegt niet: ik ben nietswaardig voor Uw ogen. Hij zegt: Ik ben dit niet waard voor Uw ogen. Die ene s is precies het verschil tussen een Farizeeër verkleed als tollenaar en ware ootmoed. Zelfbewustzijn Dat is het tweede wat mij getroffen heeft in deze officier. Hij is zich zijn waardigheid bewust. Hij haalt zichzelf niet naar beneden. Hij zegt: "Ik ben ook een commandant met honderd man onder me.

Als ik tegen mijn ondergeschikte zeg: "Ga", dan gaat hij; en "Kom", dan komt hij; en "Doe dit", dan doet hij dat." Ik voel daar iets in van: "dat is ook een beetje Uw vak", naar Jezus toe. Hij bedoelt: "Ik ben niet zomaar iemand maar -en dan komt het-, ik weet dat ik zelf in die dingen onder een ander sta. Wat ik aan anderen doe met mijn bevelen, er is een hogere die weer boven mij staat, die zegt: "Kom", en ik kom; "Ga" en ik ga; "Doe dit" en ik doe het. Waarom vertelt die hoofdman dit aan Jezus? Omdat hij wil zeggen: 'ik ken mijn plaats, ik weet mijn plek, er wordt ook over mij beschikt.' Is heel het leven niet 'staan onder hogere macht', van Iemand die zegt: "Kom", en ik kom; "Ga", en ik ga? Ik kies dat niet zelf uit. Er zit hier iets in van een man die beseft: 'Ik sta niet in centrum van mijn leven, in het centrum van de wereld, er staat iemand boven mij die mij kiest.' Was dat niet de tekst van vorige week zondag: 'die mij kiest en over mij beschikt?' Dat beeld laat hij gelden voor de verhouding met Jezus. Ik proef daarin dat hij salueert voor de Koning der Koningen.

Zo leert hij ons wat ware ootmoed is: eerst als piepklein mensje je plaats kennen tegenover de grote God, we zijn zijn schepsel, op zijn Woord gemaakt. Hij, de Schepper, wij, die alleen met eerbied tot Hem mogen naderen. Daarna is in de tweede plaats echte ootmoed ook: huiver kennen. Huiver, schroom, dat ik als deel van een gevallen mensheid; ik, die bevangen ben door mijn egoïsme; ik, die mezelf in het centrum van het universum plaats, en botheid en haat en wat niet al in me heb, ik mag naderen voor de Heilige God, die dit eenvoudig niet kan verdragen. Daar zit altijd iets in van: Heer, bekleedt mij met uw gerechtigheid, zoals ik nu ben kan ik niet komen." Dat zijn de kenmerken van een ootmoed zoals ik die hier leer van deze Romeinse officier. Tenslotte: -dat is de derde reden waarom deze woorden toch wel heel passend zijn bij het Avondmaal- tegelijkertijd zijn z'n woorden doortrokken met een kinderlijk vertrouwen, een heel simpel vertrouwen.

De hoofdman zegt: "U hoeft maar een woord te spreken en mijn knecht hier zal genezen." Dat dát Jezus werk is, dat Hij daar op uit is en dat Hij dat kan met een enkel woord, dat is de diepste reden waarom Jezus zich verwondert over deze man en zegt: "Groot is uw geloof". Daar ligt natuurlijk ook bij de viering van het Avondmaal bij ons al ons vertrouwen en onze hoop: de belofte van het Evangelie dat God reddend en genezend in deze wereld bezig is en dat door zijn Zoon en door zijn Woord: vergevend, genezend voltooiend. Zo is de God van Jezus die door zijn Woord werkzaam is in deze wereld. Dat vieren we bij ieder Avondmaal, bij brood en wijn, waar de Here het zelf tegen ons zegt: "Dit brood, het is voor jou gebroken. Die wijn, het is het bloed van Mij, voor jou vergoten." En wij, we naderen met grote schroom. Wat een wonder dat Hij onder ons dak komt. En toch zeggen we: "Heer, kom en spreek tot het hart, laat het wonder opnieuw gebeuren. Gij zegt: "Kom", en ik kom, en uw bloed wordt wijn en uw lichaam brood voor wie hongerig zijn en uw Woord, uw Naam wordt een lied in mijn mond.

Lieve Heer, Gij zegt 'kom' en ik kom, (Lied 51) Lieve Heer, Gij zegt 'kom' en ik kom, want mijn leven is onder de macht gesteld van de Heer die mijn dagen en nachten telt en de Heer zegt 'kom' en ik kom. O mijn God, Gij zegt 'ga' en ik ga, Gij zegt 'ga' en ik ga, laat mij niet alleen, wees het woord in mijn vlees en de geest om mij heen, wees de adem waaruit ik ontsta. Want o Heer, ik zeg 'kom' en Gij komt, ik zeg 'kom' en Gij komt en uw bloed wordt wijn en uw lichaam brood voor wij hongerig zijn en uw naam wordt een lied in mijn mond. Amen Deze verkondiging is een intermezzo in de serie over het gebed. Via onze speciale discussiepagina kunt u reageren op deze verkondiging of de reacties van anderen. ©2000 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.