Gemeente van Christus, Dit is de vierde keer dat we aandacht geven aan het gebed. Ik sluit even aan bij de vorige keer, toen heb ik twee symbolen laten zien. Ik in het centrum (1) en God in het centrum (2) Met deze symbolen kan ik heel eenvoudig aangeven wat er gebeurt als we bidden. In de eerste preek heb ik gehad over vrijmoedigheid: psalm 80: vraag van Mij vrijmoedig. Ik denk dat we dan ook komen zoals aangeven in symbool 1: onze gedachten vervuld met onze eigen noden, verlangens, angsten, alles wat in ons leeft. Zo komen we tot God, temidden van onze noden. Zo mag het ook. Abba, Vader zeggen, in die vertrouwelijkheid treden waarin we mogen komen zoals we zijn en onszelf nog het middelpunt voelen van alle dingen. Maar de wijze Augustinus zei al -ik heb dit uit een engels boek- : Pray until you pray (bidt tot je bidt). Hou vol tot je in het bidden groeit. Want wie zo biddend echt voor God komt en zijn hart voor Hem openstelt, merkt dat er iets gaat veranderen. In de psalmen noemen ze dat wel: dan neigt de Here zijn hart en zijn oor tot ons. Hij doet open, ik mag bij Hem binnen komen.
Niet altijd gebeurt dat, maar waar het gebeurt wordt ons bidden verdiept en daar gebeurt dit, wat ik met dat andere symbool wilde aangeven, dat, soms ongemerkt, het middelpunt verschuift. God komt in het centrum te staan en ik trek me op aan Wie Hij is, aan zijn beloften, zijn karakter, zijn barmhartigheid, zijn heiligheid. Ineens vallen er dingen van mij af, het heeft een bevrijdende werking om heel diep te beseffen dat niet de Here God een deel is van mijn leven, maar dat ik een deel ben van zijn leven, van zijn plan. Hij staat in het middelpunt en ik mag bij Hem schuilen. Dat is de gang van het bidden. Je zou kunnen zeggen: van vrijmoedigheid naar volmacht. Dat gaat niet gemakkelijk. Soms is het een hele diepe worsteling, we komen onszelf tegen, soms komen dan pas de vragen. De psalmen zingen daarvan. Psalm 43: hart onrustig, vol van zorgen... -dan volgt het beeld van een vogel die vleugellam is- ...vleugellam geslagen ziel. Inderdaad, zo ervaren we dat soms. Maar de psalm zegt ook: Hoop op God! Blijf daar niet in berusten, pray until you pray, blijf volharden in het gebed. Hij verheft wie nederviel.
Vanmorgen wil ik door de overdenking van die geschiedenis van Mozes en zijn voorbede voor Amelek dat gebed versterken. Je zou kunnen zeggen: in die vleugellam geslagen ziel wil een paar draagpinnen aanbrengen. Bidden is niet alleen een privé-zaak. Ware bidders zijn priesters, er rust een grote belofte op priesterlijke voorbede. Bidden is altijd je hand leggen op de troon van God. Bidden is niet alleen een privé-zaak. Bidden is zijn volgroeide vorm de hoogte dienst aan het Koninkrijk. Let maar eens op het onderwijs van Jezus als Hij ons leert te bidden: niet 'mijn Vader', maar 'onze Vader'. Is dat u wel eens opgevallen? Als je dan verder leest: geef ons heden ons dagelijks brood, vergeef ons onze schulden, leidt ons niet in verzoeking. Wij leven in zo'n individualistische tijd dat we de neiging hebben ook het bidden tot een privé-zaak te maken van 'mijn' ziel met God. Daar moet het wel mee beginnen, anders beginnen we totaal fout, maar het bidden wat Jezus ons leert is breder, het is een gezamenlijk bidden. Dan heft Hij ons op, al met die eerste 3 beden, om te denken aan wat op zijn verlanglijstje staat: zijn Naam, zijn rijk, zijn wil.
Dat valt mij ook op in die geschiedenis in Exodus 17, het gebed van Mozes, wat daar één worsteling is om het volk, dat de tocht van uittocht naar intocht mag doorgaan. Daar worstelt hij om, eigenlijk om de voortgang van de krachten van het Koninkrijk. We zien Israël in de woestijntijd. Tussen uittocht en intocht, voor de gemeente de tijd tussen de het kruis op Golgotha, de opstanding van Jezus, -dat is onze uittocht-, en de intocht, daar waar de dag komt van de Heer, de intocht in het beloofde land, daartussen ligt de woestijntijd. Daar kun je Israël voor als model nemen. Israël trekt rond, wordt aangevochten van binnen, dat staat vlak voor deze geschiedenis, bij Massa en Meriba komt de twijfel omhoog: 'laten we teruggaan naar Egypte'. En het volk wordt aangevallen van buiten: 'toen kwam Amelek'. Dat heeft zo'n lading, want Amelek staat hier niet voor een of andere willekeurige vijand, nee, Amelek is de vijand van God. Amelek was de zoon van Esau. Amelek staat in de bijbel voor heidendom in zijn ongeremde vorm, dat met grote kracht Israël tegenkomt en zich de vuist balt tegen het rijk van God.
Amelek is van Haman tot Hitler, altijd weer die concentratie van de tegenstroom van de vijand van God in de geschiedenis. Het is in onze christelijke cultuur, in het westen van Europa, een onderstroom geworden, maar wel altijd gebleven. Amelek blijft bestaan, staat hier. Aan het eind zal God de gedachtenis aan Amelek uitwissen, maar Amelek blijft steeds weer de kop opsteken: 'toen kwam Amelek'. Opeens duikt hij op uit zijn schuilplaats, waar hij zich verborgen hield. Hij valt Israël aan, heel venijnig, altijd van achteren. Dat lezen we in Deuteronomium: de vijand Amelek valt aan waar wij ons slecht verdedigen kunnen. De colonnes waar de oude mensen gaan, de moeders met kinderen en de zieken. Hij heeft het altijd gemunt op je zwakke plekken en op het weerloze. 'Toen kwam Amelek', de belichaming van de mens die zichzelf tot wet stelt. Zijn naam, zijn rijk, zijn wil. Master of your own destiny, dat las ik in een tijdschrift over moderne technologie, het verborgen ideaal achter heel zo'n technologische welvaartsmaatschappij als de onze, is eigenlijk dat je je bestemming in je eigen hand neemt. Ondermijner van alle godsvertrouwen.
Een ideologie van vooruitgang en groei rond de mens die zich sterk maakt, maar zonder enige diepere zin en doel, altijd in de afweer tegen de krachten van het Koninkrijk. Die geest valt ons aan. Wat is het verweer? Vers 9: Mozes zei tot Jozua: "kies u mannen uit, trek op ten strijde tegen Amelek en ik zal op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand." En Jozua deed zoals Mozes gezegd had, koos zich mannen uit, trok op en Mozes besteeg de top van de heuvel en beneden ontbrandde de strijd. En wanneer Mozes in het geloof zijn handen ophief in het gebed, dan had Israël de overhand. Maar wanneer hij zijn handen liet zakken, had Amelek de overhand. Hier zien we nu dat: bidden in volmacht. Het kan best zijn dat Mozes begon met zijn eigen nood. In hoofdstuk 17: 4 lezen we zo'n privé-gebed van Mozes, met 'ik' in het centrum. Maar hier groeit Mozes uit tot voorbidder, tot vurig bidder voor de voortgang van het Koninkrijk: 'Heer laat wat U begonnen bent bij de Rode Zee hier niet doodlopen. Ga verder met wat U ons gegeven hebt en laat de vijand het niet smoren. Stort Uw Geest uit!
Sterk Jozua en met hem al degenen die daar staan en die door de vijand belaagd worden, dat ze hem herkennen en weerstaan.' Maar terwijl Mozes bidt en zijn staf geheven houdt, de maatstaf van God over deze strijd, worden zijn armen moe, wie weet zinkt hem de moed in de schoenen en bekruipt hem de twijfel over wat hij aan het doen is. Dan komt die eerste draagpin: het gemeenschappelijk gebed. Aäron en Hur komen bij hem, ze zijn meer dan alleen twee mensen: daar komt de steun van meebidders bij Mozes. Ze dragen een steen aan waarop de profeet mag zitten, ze ondersteunen zijn armen, de één aan de ene, de andere aan de andere zijde, zodat ze onbeweeglijk bleven tot aan zonsondergang en toen was Amelek verslagen. Dat noem ik nu bidden in volmacht. Bidden is niet alleen een privé-zaak, we moeten het samen doen, samen bidden, elkaar daarin ondersteunen. Daarom lezen we ook in het Nieuwe Testament hoe Jezus, die de vervulling is van Mozes, de grote Mozes, hoe Hij de discipelen bemoedigt om te volharden in eenparig gebed: "Ik zeg u , wanneer twee of drie eenparig iets begeren zal het hun geworden." Twee of drie is al genoeg, hoe meer hoe beter.
Toen de vroegchristelijke kerk bedreigd werd, -we lezen dat in Handelingen 4-, door Herodus en Pontius Pilatus en het Sanhedrin, toen kwamen ze bijeen en baden, -in vers 24 staat weer dat woord eenparig-, ze verhieven eenparig hun stem tot God en terwijl ze bijeen waren werd de plaats waar ze vergaderden bewogen en ze werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord van God met vrijmoedigheid. Dus gemeenschappelijk gebed heeft een meerwaarde, een kracht die boven de optelsom van die drie uitgaat, het krijgt een speciale belofte van God. Ik noem dat de eerste draagpin. Bidt samen, zegen elkaar, doe voorbede voor elkaar, in alle noden die je kent van elkaar. Dan moet je dat natuurlijk wel met elkaar delen, als er een ding is wat we vandaag nodig hebben is dat het gemeenschappelijk gebed in volmacht, zoals we dat hier in Handelingen 4 lezen. Ze gaan het gewoon aan God vertellen: "Heer, er zijn er in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus die Gij gezalfd hebt." Het wordt genoemd. Amelek.
"Heer let op hun dreiging en geef Uw dienstknechten vrijmoedigheid, strek Uw hand uit tot genezing, dat tekenen en wonderen geschieden door de Naam van Jezus." Ik denk dat we dat vandaag ook nodig hebben. Dat eigenlijk niets Amelek echt kan verslaan dan de dienst aan het Koninkrijk. Dat is het eerste, elkaar daarin ondersteunen. Je kan het beeld nog verder doortrekken: samen de armen van Jezus ondersteunen. Is Hij niet de vervuller van Mozes? Is Hij niet onze voorbidder? Hij bidt iedere dag, en wij, we dragen zijn armen. De beslissende invloed op de strijd Dan het tweede. Waar we dat doen daar gaan dingen gebeuren, het heeft een beslissende invloed op de strijd. We lezen dat: wanneer Mozes zijn handen ophief had Israël de overhand, maar zodra hij ze liet zakken won Amelek. Dat is toch wel heel bijzonder. Dus door die gezamenlijke, gemeenschappelijke inspanning bleven Mozes handen geheven en daardoor won Jozua! Die zal misschien gedacht hebben: 'ik heb behoorlijk gevochten, wij zijn goed getraind, het is mijn succes'. Niets van dat alles, het was uiteindelijk de voorbede van Mozes. Bidden in volmacht staat dus onder bijzondere beloften. We lezen dat in Openbaring 8.
Daar krijgt het zelfs een gewicht wat boven ons vermoeden en vermogen uitgaat. We lezen daar dat de engelen met de zeven bazuinen, die zevenvoudig de krachten van het Koninkrijk moeten aankondigen in gericht en later ook in herstel, moeten wachten. Er is een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang. Pas als het reukwerk met de gebeden, dat is een beeld van de gebeden van alle heiligen, zijn opgestegen tot voor de troon van God, toen wierp de engel vuur op de aarde en de zeven engelen maken zich klaar om te bazuinen. Alles wacht op deze gebeden zodat het Koninkrijk kan doorbreken in deze wereld. Daarom noem ik bidders priesters. Letterlijk waren dat ook priesters, Aäron en Hur. Ik zei al, we hebben een Hogepriester van het nieuwe verbond, en Hij wordt door de priesterlijke voorbede van de gemeente ondersteund in zijn voorbede.
We lezen dat in het Hogepriesterlijk gebed in Johannes 17: 'voor de discipelen, voor hen die door het Woord in Mij geloven, voor heel de wereld, voor de gemeente, dat zij allen één zijn opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt.' Met die gebeden komt de Hogepriester voor de troon van God en als dat bidden stagneert verflauwt de strijd en als dat bidden aanzwelt dan verliest Amelek. Het priesterlijk gebed bemiddelt de kracht van God. In dat volmachtig bidden mag je soms ook bijzondere dingen zeggen. Ik vind het heel apart, die tekst: 'zeg tot deze berg: wordt opgenomen en in de zee geworpen en het zal u geschieden.' In de preekbespreking waren daar veel vragen over. Velen zeiden: 'als je dat betrekt op een nood die je in gedachten komt, mag je met die zekerheid bidden? Mij is het niet overkomen en ik heb het echt gebeden!' Het is heel opvallend dat in die passage niet staat: zeg tegen God: neem die berg weg, maar: zeg tot deze berg... Het is een gebiedend, volmachtig spreken. "Zeg tot deze berg...", zegt Jezus, "wordt opgenomen en in zee geworpen" en het zal u geschieden. Dus je moet het niet toepassen op je eigen verlanglijstje, maar op het verlanglijstje van God.
In dat gezag, met die volmacht, mogen we dingen regelrecht aanspreken en de satan schelden en hij zal van u vlieden. Zo deed Jezus het ook. Hij zegt op een gegeven moment tegen Petrus: "Ga achter mij, satan!" Daar spreekt Hij regelrecht de boze macht die Petrus vervulde, aan. Zo mogen wij tegen weerstanden van het Koninkrijk soms in aanspraak en volmacht spreken en zeggen: 'weg, ga weg achter mij, verdwijn!' Dat geldt ook voor die tegenkrachten in ons eigen hart. Amelek zit natuurlijk ook in ons eigen hart, in twijfel, en weerstand, in ongeloof. Bidden in volmacht is niet altijd bidden tot God, dat Hij het verwijdert. Het is sóms ook bidden met de hand op zijn beloften en gebieden, die machten gebieden dat ze wijken. Dan moeten ze zwichten, want dat priesterlijk gebed heeft bijzondere beloften. Maar dan wel met onze hand op de troon van God. Ik vind het heel bijzonder dat Mozes daarmee eindigt, vers 15 en 16, aan het eind bouwt hij een altaar. Dat is toch ook wat we in onze gebeden God aanbieden. Mozes zegt dan: de Here is mijn banier. Dat wil zeggen: ik zwaai maar niet met mijn eigen staf, met mijn eigen kracht en mijn eigen persoonlijkheid, maar Hij is mijn banier!
Dan zegt hij erbij: de hand op de troon des Heren, want de Here heeft de strijd tegen Amelek gewonnen. Leg je hand op Gods troon Daar zien we wat dat letterlijk betekent waar ik mee begon, dat we God in het centrum van ons leven hebben, dat is steeds weer onze hand leggen op zijn troon. Dat wil zeggen dat we onze hand in vertrouwen en geloof leggen op Gods belofte: 'U hebt het beloofd, die krachten van het Koninkrijk; U hebt het beloofd, vergeving; U hebt het beloofd, de doorbraak van die krachten in deze wereld, in mijn eigen leven, geef het dan ook!' Leg je hand op de troon. Dat heeft Mozes ook moeten leren. Ik denk aan het moment dat hij met heel Israël voor de Rode Zee stond en de farao hen achterna kwam met paarden en wagens en voor hem diepe wateren. Toen zag hij zijn volk ondergaan, bij wijze van spreken. Dan lezen we precies datzelfde, dat hij in paniek gaat bidden en dan zegt de Here tegen Mozes (Exodus 14: 15): "Waarom roep je toch zo luid tot Mij? Zeg tegen de Israëlieten dat ze opbreken!
Het is niet jullie strijd, het is Mijn strijd, -ineens worden de rollen omgedraaid-, en zij zullen weten dat Ik de Here ben!" Dat bedoelde ik met die bevrijdende kracht van zo bidden en spreken in volmacht. Het is ineens tot het besef komen dat wij een onderdeel zijn van Gods plan en dat wij uiteindelijk mee mogen doen in Zijn strijd. Mozes leert ons dat. Het is niet, als u worstelend door het leven gaat, de eerste taak om voor je eigen zaken te strijden, maar te beseffen: het is niet mijn zorg, mijn strijd, maar het is die van God. Maak uw leven onderdeel van die zorg en strijd van God. Dat doet u als u met Mozes dit leert, samenvattend wat we vanmorgen gezien hebben: 1. Als we op die wijze voorbede doen en elkaar ondersteunen 2. Dat het die priesterlijke voorbede is, die vast onderdeel is van gemeentezijn 3. Dat we dat doen met de hand op Gods troon, wat betekent dat we met een beroep op zijn beloften zeggen: "Heer, U heeft het beloofd, geef het ons, het is Uw gevecht om deze wereld te bekeren." Het is toch Gods gevecht om deze wereld te genezen? Bekeren, vergeven, genezen, dat is Gods zaak. Daarvoor heeft Hij zijn Zoon gezonden.
Dus zeggen we tegen Hem: Ga er mee verder, sta op, zoals we zongen in psalm 82. Soms mogen vanuit die volmacht ook de boze schelden en hij zal van ons vlieden. Dat mochten we vanmorgen zien uit de Schrift. Is dat nu een last, bidden van vrijmoedigheid tot volmacht? Bidden in volmacht, is dat een zware taak, een lange weg? Nee, want ik mag eindigen met te wijzen op Hem die gezegd heeft: "Meer dan Mozes is hier", er wordt voor ons gebeden in die volmacht. En belaagd door Amelek, van binnen en van buiten, is er Eén die over ons zijn handen geheven houdt, maar die om wondere redenen wil dat we Hem daarin gezamenlijk steunen en zo zelf uitgroeien tot een volk dat mee de wereld mag besturen, naar zijn beeld. Voorbidders voor deze wereld. Dat mogen we worden. Amen Deze verkondiging is de laatste in een serie van vier over het gebed. Via onze speciale discussiepagina kunt u reageren op deze verkondiging of de reacties van anderen. ©2000 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.