HOOFDSTUK 2: HEER, LEER ONS BIDDEN
1. Heer, leer ons bidden
Het gebed en het bidden zijn de longen van de kerk. Wat de longen en ademhaling zijn voor ons lichaam, is het gebed voor onze ziel en het lichaam van Christus. Waar het gebed verdwijnt, daar verpietert ons geloof en vervalt de gemeente. Juist op dit kardinale punt hebben we de wind tegen, want wij vinden bidden moeilijk.
Om nog even bij het beeld van de ademhaling te blijven: misschien vinden dit wel zo moeilijk omdat de lucht zo verontreinigd is. Wij ademen de lucht in van een samenleving die helemaal binnenwerelds denkt, waar God geen enkele rol meer speelt en waar mensen menen dat alles toch gaat langs vaste wetten van oorzaak en gevolg. Heel het leven is als het ware één groot gesloten systeem. Denk je nu werkelijk dat bidden iets uitmaakt? Zou Hij echt iets doen? Ik trof dat al aan in een boek dat ik ooit las, een humoristisch boek: Don Camillo. Don Camillo was een pater in een Italiaans dorpje die altijd ruzie had met de communistische burgemeester. Wat me trof in dat boek was dat die oprecht vrome pater een keer de kerk inging om daar neer te knielen en te bidden zoals hij dat vaker deed. Maar die morgen zei hij: ‘Toen ik bad, leek het of mijn stem tegen het plafond van de kerk terug echode. Ik zat te luisteren naar mijn eigen stem en dacht: is het niet allemaal autosuggestie, is bidden eigenlijk toch niet iets wat alleen maar in je eigen ziel plaatsvindt?’ Zulke vragen komen bij ons boven. Verontreinigde lucht maakt ademhalen lastig en het gebed taant.
Ik las eens in de krant over een dominee die bij een gemeente in Drenthe kwam en daar aan de praat raakte met een hem onbekende man van middelbare leeftijd. De man vroeg hem: ‘Wat is bidden eigenlijk?’ ‘Wel,’ zei de dominee, ‘bent u christelijk opgevoed?’ ‘Tja,’ zei de man, ‘christelijk opgevoed? Als wij thuis gingen eten, dan zei mijn vader aan het begin van de maaltijd “Laten we bidden” en dan deed hij zijn pet voor zijn gezicht en was het enige minuten stil, daarna gingen we eten. Ik heb me altijd afgevraagd wat hij deed achter die pet.’
Maar het zijn niet alleen eenvoudige mensen die met vragen rondlopen omtrent het bidden. Ze kunnen iedereen overvallen, ook voorgangers en geestelijken als Don Camillo. Ik schaamde me diep toen ik de uitslag las van een enquête waarin gevraagd werd hoelang dominees, voorgangers en pastoors per dag bidden. Gemiddeld minder dan tien minuten! Dan is wat in Lucas 11:1 staat hard nodig: ‘Heer, leer ons bidden.’ Het is ook helemaal geen schande om onze verlegenheid op dit punt te erkennen. Het waren de discipelen die dit vroegen, die opgevoed waren in de leer van het verbond en al een tijd met Jezus hadden opgetrokken. Toch vroegen ook zij: ‘Heer, leer ons bidden.’
De basis van ons bidden
In Hebreeën 10 komt naar voren dat wij zonder schroom en in alle vrijmoedigheid bij God mogen komen (zie vers 19 en 35). Daar moeten we beginnen. We hebben allemaal de neiging om te denken: laten we maar gewoon beginnen met onze handen te vouwen. Dat is alvast wat, want die gebalde vuisten worden gevouwen en hopelijk gaat ons hart open. Maar lijken onze gebeden dan niet op postduiven die je loslaat uit een mand? Ze vliegen weg, alle kanten op, zonder adres. Wat de Hebreeënbrief ons wil leren is dat ons bidden een basis heeft en van daaruit kan groeien. De basis is dit: ‘Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom, omdat Hij voor ons met zijn lichaam een weg naar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen’ (10:19,20). De basis is dat wij de weg naar God voor ons open ligt, want Jezus heeft door zijn lijden en sterven alles weggenomen wat tussen God en de mens kan instaan. Dat is de weg naar het nieuwe leven die Hij voor ons gebaand heeft. En dan volgt het beeld van het voorhangsel. In het Oude Testament was de toegang tot het heilige der heiligen aan het oog van de mensen onttrokken door een voorhangsel. Dat voorhangsel scheurde van boven naar beneden op het moment dat Jezus uitsprak: ‘Het is volbracht.’ Dus doordat Jezus mens is geworden en voor ons geleden heeft, is dat voorhangsel nu verdwenen en hebben we vrij toegang tot de Vader.
Achter dat voorhangsel hebben we bovendien een hogepriester, een voorbidder, die ons draagt in onze gebeden en die daar als dé grote priester voor ons dienst doet. De hogepriester was de enige die in het heilige der heiligen mocht binnentreden om verzoening te doen voor heel het volk. Jezus is daar als onze hogepriester. Dit zijn de beelden die de Hebreeënbrief gebruikt om de werkelijkheid van ons bidden weer te geven. De kern van deze beelden zijn de woorden ‘zonder schroom’. Dat heeft hier – en dat vind ik heel bevrijdend – tegelijkertijd ook iets objectiefs, het is niet gebaseerd op een gevoel. Bidden is niet iets waarvoor je eerst in ‘het goede gevoel’ moet komen. Het is ook niet gebaseerd op het leren van de goede woorden, zoals zoveel mensen denken: je moet toch die gebeden allemaal leren, de goede woorden gebruiken, het plechtig en mooi kunnen zeggen. Dat is het ook niet. De enige basis voor ons bidden is die vrije toegang die we gekregen hebben, dat toegangsbewijs.
Ik was een keer op Schiphol en moest wachten in een hele lange rij. Er was ook een douaneambtenaar die overal vrolijk in- en uitliep, deze deur in, die deur uit, omdat hij een keycard had, zo’n pas met een magnetische strip erop. Hij haalde dat door het apparaatje en alle deuren gingen open. Zoiets zit ook hierin. Het is een objectief gegeven dat wij een keycard hebben, we mogen doorlopen. En van daaruit kunnen we gaan bidden.
Ik vind het belangrijk om daar te beginnen, om bij ieder gebed me dat even bewust te maken:
ik heb toegang tot de Almachtige omdat een ander voor mij dat toegangsbewijs heeft verworven. Ons bidden is dus altijd een reactie. Niet ons initiatief, maar een reactie op iets wat God gedaan heeft. Ons bidden is niet een ladder waarlangs wij met veel moeite opklimmen tot God, maar het is God die langs die ladder naar ons is afgedaald. Wij beginnen met antwoorden door Hem te danken dat Hij bij ons is en dat wij zo direct toegang tot Hem mogen hebben, tot de God van het verbond. Verbond wil zeggen: God wil met ons gesprek, contact, gemeenschap. Dat behoort tot zijn wezen. Je kunt het vergelijken met een huwelijk. Wat heb je aan een huwelijk waarin je niet in een open gesprek bent met elkaar? Zo is het ook met de Here God, met daarin dit verschil dat het in een huwelijk van twee kanten moet komen, in het huwelijk met God komt het van één kant. Dat is wat de Hebreeënbrief benadrukt. Het komt allereerst van zijn kant, Hij heeft door zijn Zoon voor ons een weg naar een nieuw leven gebaand.
Wat is bidden?
Pas op grond hiervan kunnen we komen tot die kernvraag: wat is dat bidden dan toch eigenlijk? Dat kan ik met die woorden ‘zonder schroom’ uitleggen. In vers 35 doet de schrijver de oproep: ‘Leg die onbeschroomdheid dus niet af.’ Op grond van de door God gegeven basis mogen wij onbeschroomd spreken, met alles wat in ons is. Dat zit in dat woord onbeschroomdheid (panresia) opgesloten dat letterlijk betekent: alles mogen zeggen. Eigenlijk heel bijzonder dat onbeschroomdheid zo wordt omschreven. Als je in een hele diepe vertrouwensrelatie staat met iemand, dan durf je die persoon alles te zeggen. Hoe groter de liefde is die de ander voor jou heeft, hoe meer je durft te zeggen. Dat is bidden: alles durven zeggen.
‘Pray as you can, not as you cannot.’ Dat zinnetje kwam ik onlangs tegen. Je moet bidden zoals je bent, zoals je het kan, en niet zoals je denkt dat het moet maar je het niet kunt. Wij denken altijd dat we het meteen helemaal goed moet zijn. Of we zijn ermee bezig wat anderen wel niet van ons denken als we bidden, of hoe we ons voelen terwijl we bidden, maar dat is allemaal niet van belang. We kunnen gewoon met een open hart komen. Leg Hem voor wat in je is en niet wat in je behoort te zijn. Ben je bezorgd over een van je kinderen, of over hoe het moet met de verzorging van je moeder, dan begin je daar. Twijfel je of er wel echt contact tussen God en jou mogelijk is, zeg het Hem dan, zeg Hem alles. Dat is het allereenvoudigste en tegelijk het allermoeilijkste. En toch is het de allereerste definitie die de Hebreeënbrief geeft van bidden. Alles zeggen. Alles, dus ook de dingen die niet zo mooi zijn. Wij denken dat we alleen de mooie dingen moeten zeggen. Nee, ook de verkeerde en negatieve dingen. ‘Heer, ik ben boordevol bitterheid, ik heb nog steeds de belediging in mijn hoofd die ik gisteren van die en die gehoord heb.’ Of ‘Ik ben boos,’ ‘Ik ben bang,’ ‘Ik sta droog, ik heb geen woorden meer.’ Zeg het Hem.
Waarom is dit voor ons nu zo moeilijk? Omdat we vaak niet willen weten wat er echt in ons leeft. We zijn op de vlucht of willen niet accepteren hoe we zijn. Dus veinzen we dat we anders zijn. Maar bidden begint met alles zeggen. Wat een bevrijding als je dat leert. Het is als thuiskomen als je ineens weet: ik mag er zijn met alles wat ik heb en wat ik ben. Hebreeën zegt: laat die onbeschroomdheid u niet ongemerkt ontglippen. Letterlijk staat er een woord dat betekent ‘weggooien’. Dat kan op twee manieren. Je kunt iets weggooien zoals je met het badwater het kind weggooit. Hier: gooi met alle kerkelijke vormen de vrijmoedigheid niet weg, want dat is de kern. Maar je kunt dat ‘weggooien’ ook zien als een boom die zijn bladeren ongemerkt laat vallen. De boom had niet eens door wanneer het begon, maar op een gegeven moment staat hij daar, kaal en leeg. Veel mensen ontdekken opeens dat ze er geestelijk kaal en leeg bijstaan. De Hebreeënbrief roept ons op dat niet te laten gebeuren, die onbeschroomdheid niet los te laten. De Heer wil echt contact met ons. Dat kun je ook van zijn kant uit begrijpen. Hij wil contact met ons zoals we zijn. Dat wil iedereen die van ons houdt. Bid ook waar je ook bent, ook tijdens je dagelijkse werkzaamheden, zoals Mozes God op bezoek kreeg in de heilige braambos toen hij gewoon in de woestijn bezig was met schapen hoeden. Dat kan op ieder moment en op iedere plek. Onze werkvloer verandert in heilige grond als we zo de dag doorgaan.
Wat werkt het uit?
Het tweede deel van vers 35 vertelt ons wat dit vrijmoedig bidden uitwerkt: ‘U zult er ruim voor worden beloond.’ Er komt uit dit bidden zoveel goeds voor. Denk weer aan de longen, hoe de ademhaling de zuurstof door het hele lichaam doet trekken. Het hele leven komt eruit voort. De Heidelbergse Catechismus antwoordt op de vraag ‘waarom hebben christenen het gebed nodig?’dat dit zo is omdat God zijn genade en heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met verlangen en zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. Dat is nogal wat, zijn genade en zijn heilige Geest. Daar is in één zin gezegd wat die ruime beloning is. Heel veel mensen denken dat het niets uitmaakt of je bidt of niet. Er zijn duizenden mensen om ons heen die niet bidden. Ze zijn er niet minder om, worden heus niet meer door rampen getroffen, sterven heus niet in grotere doodsstrijd of angst dan christenen. Waarom doen we het dan? Ook worden gebeden niet altijd verhoord. Else Vlug zei op de televisie: ‘Ik heb zo gebeden voor de genezing van mijn kleindochter. Ik heb genezingen gezien vlak voor mijn ogen. Maar toen mijn eigen kleindochtertje ziek werd heb ik gebeden en gebeden, maar de Heer heeft het niet gegeven, ze is in mijn armen gestorven.’
Waarvoor hebben christenen dan het gebed nodig als het toch niks uitwerkt? Daar geven de Hebreeënbrief en de Heidelbergse Catechismus antwoord op: ja, maar vergeet niet dat er wel degelijk heel veel door God gegeven wordt. Hij geeft zijn genade en heilige Geest. En straks komt Hij en maakt alle dingen nieuw. Dat zijn allemaal dingen die ons als een ruime vergelding beloofd worden als we blijven bidden.
Bij ‘genade’ moest ik denken aan de apostel Paulus, die momenten kende waarop hij helemaal niets zag gebeuren op zijn gebed. Toen hij een ‘doorn in het vlees’ kreeg – wij weten niet wat dat geweest is – heeft hij meerdere keren gebeden, maar zijn gebed werd niet verhoord. Je zou denken dat dit dan wel een grote kater voor Paulus was. Maar nee, hij zegt: ‘Ik heb ik daar doorheen gehoord dat God tegen me zei: mijn genade is je genoeg en Ik maak je steeds dieper afhankelijk van mijn genade.’ En Mozes ging door de werking van de genade ten slotte helemaal stralen. We krijgen soms niet waar we om vragen, maar we krijgen wel die genade en de werking van de heilige Geest. Ik vind dat een heel bijzondere belofte. Want het laat zien dat het gebed de krachtbron is van waaruit al die andere dingen komen: het werk van de heilige Geest, de ommekeer van ons hart en de vruchten die Hij werkt in ons leven en de gaven die Hij ons schenkt. Het blijft niet alleen bij een innerlijke werking, maar het mondt uit in liefde en goede werken. Daaruit blijkt of we echt mensen zijn die vrijuit bidden. Die zijn als het ware de thermometer, de proef op de som. Of we goede buren zijn, waar we ons geld aan uitgeven, of we de vreemdeling helpen, de zwakke en de minder begaafde, de arme, de dakloze en de loser. Dat zijn allemaal vruchten van het gelovig gebed. Laten we de onbeschroomdheid daarom niet afleggen!
Vragen:
1. Heb jij moeite met bidden? Waarom wel of niet?
2. Belooft God dat Hij al onze gebeden zal verhoren?
3. Kun jij beamen dat Gods genade genoeg is?
2. Het gebed van een rechtvaardige is krachtig
‘Het gebed van een rechtvaardige is krachtig en het mist zijn uitwerking niet.’ Dit woord uit Jakobus 5:16 is een aanmoediging en een belofte. Want wie op de weg van het gebed gaat, stuit soms op een muur. De hemel lijkt wel doof, zo Oost-Indisch doof als de oren van de onrechtvaardige rechter uit de gelijkenis van Jezus. Psalm 42 spreekt van een vleugellam geslagen ziel, die in een gat lijkt te vallen en diepe leegte ervaart. Wat doen we als we in dergelijke tijden van verlating, dorheid en aanvechting terechtkomen? Wij zouden er niet doorkomen zonder de geestelijke wapenrusting van Efeziërs 6, en het mag ons blijvend bemoedigen dat bekleed met de ons door God omgegespte wapens het gebed werkende kracht verkrijgt. Er ligt een woestijn tussen de uittocht en de intocht, tussen bidden in vrijmoedigheid en bidden met volmacht, d.w.z. bidden in de zekerheid dat er kracht aan het gebed verleend zal worden.
Allereerst zou ik willen benadrukken hoeveel bijzondere beloften er gekoppeld worden aan het gebed. ‘Het mist zijn uitwerking niet,’zegt Jakobus, ‘kijk maar naar Elia’ (Jakobus 5:17). Elia was een mens als wij, en toch bad hij en het was droog voor drieëneenhalf jaar. Toen bad hij opnieuw dat het zou gaan regenen, en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vruchten uitspruiten. Jakobus haalt hier het voorbeeld van Elia aan, omdat hij daarmee wil zeggen dat bidden niet alleen maar iets is voor een paar superheiligen, of voor de heel geestelijke mensen in de kerk of voor oude mensen zoals je oma. Nee, op het gebed van wie dan ook rust de belofte dat daar grote kracht vanuit zal gaan. We kunnen ook denken aan Mozes, die bad terwijl Israël vocht in de vallei tegen Amalek. Zolang hij bad en zijn handen geheven hield, ondersteund door twee mensen aan zijn zij, gaf God de overwinning. Zodra hij ze liet zakken, verloor Israël. De Bijbel staat vol met zulke verhalen. Hanna, die bad om een zoon, en God gaf haar Samuël. Denk aan Paulus, aan Petrus, aan de Heer Jezus zelf bij het graf van Lazarus. Hij bad tot God en zelfs de dode Lazarus werd opgewekt.
Dichte deur
Dit wordt onderstreept door de gelijkenis over de onrechtvaardige rechter in Lucas 18:1-8. De vrouw heeft dan toch maar haar rechtszaak gewonnen. Hoe slecht die rechter ook was en hoe lang ze er ook om moest smeken, haar gebed had uiteindelijk toch kracht. Daar ging echter wel heel wat aan vooraf. Daar lag de weg van het gebed in onbeschroomdheid (zie hoofdstuk 2 - 1) naar het gebed met volmacht tussen. Die weg tussen vrijmoedigheid en volmacht is niet een ongebroken opgaande lijn. Dat is zo bijzonder aan deze kleine gelijkenis. Die maakt duidelijk dat als we zo vrijmoedig beginnen met bidden, het heus niet altijd zo is dat onmiddellijk de deuren opengaan en ons gebed verhoord wordt.
Jezus vertelt ons dit verhaal om ons te waarschuwen. Die weduwe begint heel vrijmoedig met haar rechtszaak aan de rechter voor te leggen. Nog maar net is ze daarmee bezig of ze krijgt de deur in haar gezicht geslagen en de rechter keert zich af. Er is helemaal geen openheid. Daarmee heeft de Heer Jezus willen ingaan op de ervaring die biddende mensen vaak opdoen: we kloppen, maar er is niemand die opendoet. Ik ken een zeer gelovig iemand, die zei: ‘Er is een fase in mijn leven geweest dat ik bad met heel mijn hart, maar het was steeds of ik de deur in mijn gezicht geslagen kreeg.’
Die ervaring is ook terug te vinden in veel van de psalmen. Ik denk aan Psalm 22: ‘Mijn God! roep ik overdag, en U antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.’ Psalm 13: ‘Hoelang nog, Heer, zult U mij vergeten, hoe lang nog verbergt U voor mij uw gelaat?’ Zulke tijden van dorheid, van leegte, van je in de steek gelaten voelen, kennen alle groten in het Koninkrijk van God. Ik zou ook citaten kunnen geven van de apostel Paulus of van Mozes. Ik kan ze zelfs geven van Jezus zelf, die Psalm 22 tot zijn psalm maakte: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’
Die ervaring van leegte, van geen antwoord krijgen, brengt ons gebed in groot gevaar. Het kan heel gemakkelijk gebeuren dat we van daaruit in gevoelens wegzakken van: waar dient het voor, is Hij er wel echt? Was het niet allemaal inbeelding toen ik zo spontaan en vertrouwelijk begon? Tussen dat vrijmoedige begin en het met volmacht bidden ligt inderdaad een weg door diepten en soms wanhoop heen. De Heidelbergse Catechismus vat in Zondag 45 goed samen wat de Bijbel daarover zegt, juist ook als we het gevoel hebben dat we steeds een in gesprek toon krijgen. In antwoord op de vraag ‘Wat behoort tot een gebed dat God behaagt en door Hem wordt verhoord?’ noemt de Catechismus drie punten: 1. Dat wij alleen de enige, ware God, die zich in zijn Woord aan ons heeft geopenbaard, van harte aanroepen om alles wat Hij ons bevolen heeft Hem te vragen; 2. Dat wij onze nood en ellende goed en grondig kennen, opdat wij ons voor zijn majesteit verootmoedigen; 3. Dat wij deze vaste grond hebben dat God ons gebed, hoewel wij het niet waardig zijn, om Christus wil zeker wil verhoren, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft. Deze drie punten wil ik hier nu verder uitwerken.
Focus op God
Het eerste wat we moeten doen als de hemel gesloten lijkt, is nagaan of we wel het goede nummer gedraaid hebben. Dat is logisch, als je steeds de bezettoon krijgt, ga je je afvragen of je het juiste nummer wel hebt. Dan pak je de gids en zoek je het nummer op. Dat is het eerste antwoord dat de Catechismus geeft: pak de gids, in dit geval de Bijbel. Als je in zo’n dalmoment zit, ga dan na of je je gebed wel goed geadresseerd hebt. Is het wel gericht tot de God die zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, de God die zelf gezegd heeft waarvoor we moeten bidden? Luther zei: theoloog word je maar op één plek en dat is in de aanvechting. Dan leer je echt te focussen op wie God is.
Bidden is niet je hart openzetten en dan bijvoorbeeld met yoga ontspannen worden en je gemoed luchten. Dat is net zoiets als de haak van de telefoon nemen en vergeten het nummer te draaien. Nee, in de Bijbel is bidden iets heel specifieks, het is het nummer draaien van iemand die ons zelf het goede nummer gegeven heeft. Dat goede nummer is Jezus. Als we niet de weg tot God gaan die Jezus voor ons gebaand heeft (zie hoofdstuk 2 –1), dan blijven we steken in onszelf, in ons religieuze gevoel, of in de leegte.
De Catechismus voegt daaraan toe dat we moeten bidden om dat wat Hij in zijn Woord beloofd heeft. Als we tegen een muur oplopen, dan stelt dat ons voor de vraag of we wel echt gebeden hebben om iets wat God daadwerkelijk beloofd heeft. Dat zijn dan zeker alleen maar geestelijke dingen, denken we misschien. Maar dat is niet zo. Het eerste waar Jezus ons in het vraaggedeelte van het Onze Vader voor leert bidden is het dagelijks brood. Kan het nog concreter? In Jakobus 5:14,15 gaat het over genezing: ‘Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer. Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan.’ Daar kunnen we ons aan vasthouden, daar mogen we voor gaan. Er valt veel te verwachten als we bidden om wat God beloofd heeft. Zo moeten we ons geloof in werking zetten, zegt Jakobus, dan rust daar een bijzondere belofte op. Dat is wat in de geestelijke wapenrusting van Efeziërs 6:10-18 het zwaard van Gods woorden is. Dat moeten we hanteren. God heeft ons in zijn Woord geopenbaard waarvoor wij mogen bidden.
Zelfonderzoek
Zo’n tijd van godsverlating werpt vaak goede vruchten af. Woestijntijd loutert en beproeft, brengt ons tot zelfonderzoek en inkeer. Dat noemt de Catechismus, geheel in de stijl en de woordkeus van de gereformeerde traditie, bij punt 2: ‘Dat wij onze nood en ellende goed en grondig kennen.’ Dat zou ons in de put kunnen duwen, maar dat hoeft niet. Ik ken heel veel mensen die zeggen: ik zou die diepe crisis in mijn leven, hoe moeilijk die ook was, nooit hebben willen missen, want toen heb ik voor het eerst in mijn leven leren loslaten. Al die fanatieke doelen en idealen waar ik iedereen mee lastig viel... God maakte mij duidelijk dat ik totaal en alleen voor mijzelf leefde.
Dat is de reinigende werking die van zo’n moment van beproeving kan uitgaan. Wie bidt en net als de vrouw uit de gelijkenis op een muur stuit, moet een tijd van zelfonderzoek ondergaan. We worden op onszelf teruggeworpen. Psalm 139 die zo heel vertrouwelijk begint met ‘Heer, die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken’, eindigt met ‘doorgrond mij en ken mijn hart’. Dat is het gebed van zelfonderzoek. Wij leren dan niet te bouwen op onszelf en ons eigen gevoel, maar we leren onze doelen te toetsen. We leren daarmee ook onze nood en ellende kennen, zoals de Catechismus zegt. We leren de duivel af te weren, die ons op zulke momenten zijn aanklachten komt influisteren. Zo leren we ons in deze fase van het bidden te pantseren met het pantser van de gerechtigheid van Jezus Christus, we bekleden ons met Hem. Dat is een heel diep werk dat zich in zo’n periode in ons voltrekt. Niemand kan kracht van God ontvangen en die belofte echt werkelijkheid zien worden, als hij niet eerst zelf zwak en naakt is geweest. Pas als onze handen leeg zijn, kunnen we ons uitstrekken naar wat God ons wil geven. Dat is de tweede fase: het gebed waaraan kracht wordt verleend is het gebed waarin we ons met lege handen verootmoedigen voor het aangezicht van God.
Vaste grond
Dan wordt ons bidden ten slotte een toevluchtnemend bidden. De Catechismus zegt dat we dan de vaste grond ontdekken dat God ons gebed zeker zal verhoren. Die derde fase van het bidden komt heel duidelijk naar voren in de gelijkenis van de weduwe. Ze gaat niet zomaar naar die rechter, maar ze staat in haar recht. Ze heeft God aan haar kant, daarom houdt ze vol, zelfs tot onbeschaamd wordens toe. Ten slotte zegt die rechter: ‘Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen, toch zal ik die weduwe recht verschaffen, anders vliegt ze mij nog aan.’ Jezus zegt: als dat al zo is bij een schurk van een rechter, die helemaal niet uit eigen beweging geneigd is om recht te doen, hoeveel te meer zal dan God zijn kinderen recht verschaffen als ze dag en nacht om Hem roepen. Als de Heer ons geeft waar we naar zijn Woord om vragen, dan is dat ons recht. Daar mogen we Hem om bidden. We mogen onze hand leggen op die belofte van vergeving, van heiliging en groei, van vervulling door de heilige Geest, van de vruchten en de gaven van de heilige Geest. We mogen Hem die beloften afsmeken. Zo drijft de woestijnfase van het bidden ons naar de toevluchtnemende fase: Heer, verschaf me recht naar uw beloften, schenk mij brood, vergeving en bevrijding. Gods beloften moeten ons uitdrijven tot een stormloop op het hart van God, met de helm van de verlossing en de hoop op ons hoofd.
Zo zien we dat we aan het bidden met volmacht een weg van worsteling, zelfonderzoek, groei en leren bouwen op God voorafgaat. Het is niet een plek waarop we ons meteen of ook altijd bevinden. Maar het is wel de richting die Jezus ons wijst als Hij de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter afsluit met de woorden: ‘Maar als de mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?’
Vragen:
1. Zijn er tijden van verlating of geestelijke dorheid in je leven geweest? Hoe ben je daar weer uitgekomen?
2. Kun je je vinden in de hier beschreven weg van je (opnieuw) richten op de God van de Bijbel, verootmoediging en door ervaring leren dat God zich daadwerkelijk houdt aan zijn beloften?
3. Zijn er ook een of meer beloften van God die je nog niet vervuld ziet? Hoe ga je daarmee om?
3. De Geest helpt ons in onze zwakheid
Het lijkt soms wel alsof bidden een moeilijk karwei is, waar alleen maar vragen bij oprijzen. Wie de Bijbel opendoet, bemerkt dat het omgekeerde het geval is. In gebed en al biddend worden de vragen pas opgelost. Niet voor die tijd. Het lijkt wel alsof je pas leert bidden, als je niet meer weet hoe je bidden moet. Dat is precies de inhoud van de belofte uit de Romeinenbrief: ‘De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat wij in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten’ (Romeinen 8:26).
Wij mogen vrijmoedig bidden tot God de Vader, omdat Jezus de weg naar Hem voor ons heeft opengelegd. Het gebed is echter ook het middel bij uitstek waardoor de heilige Geest ons openmaakt voor God en al zijn gaven. Het werk van de heilige Geest in het gebed is onder ons zeer ondergewaardeerd. Misschien is het wel een van de hoofdredenen waarom onze gebeden zo zwak zijn en waarom er zoveel vragen zijn. We weten wat God de Vader betekent voor ons bidden, we weten ook heel goed wat Jezus Christus voor ons gebed betekent. Laten we daar blij over zijn want dat is de weg waarlangs we gaan, Hij is onze voorspraak, Hij leert ons volharden. Maar ik weet heel zeker dat als ik u zou vragen hoe de heilige Geest werkt in ons gebed, ik niet zoveel antwoorden zou krijgen. Terwijl toch alle onderwijs over het gebed ons steeds weer heenwijst naar het werk van de heilige Geest.
De heilige Geest is God zoals Hij werkt in ons. God de Vader boven ons, Hij draagt zijn schepping. God de Zoon voor ons, onze Verzoener en Redder door het kruis op Golgota. God de heilige Geest in ons, als werkende kracht, Trooster en Raadsman. Daar ligt het antwoord op onze vragen over hoe we kunnen weten waarvoor we moeten en mogen bidden. De heilige Geest zal het ons leren. Hoe kunnen we groeien in vertrouwen? Door de heilige Geest. Hoe kunnen we zien wat God doet? Door de Geest, Hij onderwijst ons. Jezus zegt in Lucas 11: wanneer wij bidden, dan mogen we er zeker van zijn dat wie klopt wordt opengedaan en dat wie vraagt zal worden gegeven. Jezus gebruikt daarbij het voorbeeld van een vader, die als zijn kind hem zou vragen om een vis, hem toch geen slang zou geven. ‘Hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen’ (vers 13).
Geeft God ons dan altijd wat we Hem vragen? Als we bijvoorbeeld vragen om genezing, zal dat dan zeker gebeuren? In Jakobus 5:14 staat dat iemand die ziek is de oudsten moet laten komen, want ‘het gelovige gebed zal de zieke redden’. Maar Jezus zegt hier niet dat het gelovige gebed de zieke beter zal maken. In het Grieks staat een woordje dat redden betekent, in dit geval: daar zal een zegenende werking vanuit gaan. Er gaan dingen gebeuren, daar kun je honderd procent zeker van zijn. Maar soms wel dingen die anders zijn dan we dachten of wensten. Maar of dat dan minder is, is de vraag.
Wat doet de heilige Geest?
Dat wil ik proberen duidelijk te maken aan de hand van een symbool: ik sta in het centrum van mijn leven, ik ben bezig met mijzelf, van mijzelf vervuld, en van daaruit richt ik me op mijn medemens, op de natuur en op God. Zoals de schrijver van Psalm 43 God vraagt of Hij hem recht wil doen en beschermen. Hier is een man aan het woord die gewoon komt zoals hij is en zonder schroom zijn noden aan God voorlegt. Wij mogen komen zoals we zijn en niet zoals we denken dat we moeten zijn (zie hoofdstuk 2 – 1). Zo begint het bidden, met alles zeggen. Zo begint ook de bidder in Psalm 43, hem is onrecht aangedaan, hij is ontzettend teleurgesteld in de mensen. Misschien niet alleen in wat ze hem gedaan hebben, maar ook om wat ze zijn volk Israël – deze psalm is waarschijnlijk in de ballingschap geschreven – hebben aangedaan. En dan gaat het ook nog om mensen die afgoden dienen. Hij begint met zijn onmacht, onrust en teleurstelling in God. Hij zegt: ‘U bent toch mijn God, mijn toevlucht, waarom wijst U mij af, waarom ga ik gehuld in het zwart, door de vijand geplaagd?’ Hij heeft het als een afwijzing gevoeld, als een deur die hem in zijn gezicht werd dichtgeslagen. Zo komt hij met al zijn gevoelens bij God. Wat zien we daarna in die psalm gebeuren? We zien de dichter veranderen, al biddend. Aan het slot eindigt hij met: ‘Mijn God die mij ziet en redt.’ Dan staat God in het centrum en zijn eigen leven meer aan de rand.
Het lijkt zo eenvoudig, maar dat is nu het werk van de heilige Geest. Als wij bidden wat staat in vers 3 van Psalm 43: ‘Zend uw licht en uw waarheid,’ dan wordt wat groot leek in onze eigen ogen klein, het wijkt naar de periferie. Niet dat het onbelangrijk is in Gods ogen, maar God in zijn majesteit komt in het centrum te staan. Dat is het eerste wat de heilige Geest doet en dat is ongelooflijk bevrijdend. Het is niet dat je tot meer verplicht wordt, of dat God ons iets aandoet, nee, we worden bevrijd van onszelf, van alles wat ons totaal vervulde, waar we ons zo bezorgd over maakten, waar we zo teleurgesteld in waren. Het is niet weg, maar het komt op een andere plek te staan. Ons kleine leven wordt een onderdeel van Gods leven, in plaats van dat Gods leven een klein onderdeel van ons leven is. Langzaamaan worden de rollen omgekeerd.
Licht en waarheid
Dat zien we gebeuren in het hart van de psalm, in vers 3. Als de dichter van de psalm dreigt weg te zinken in somberheid, boosheid en teleurstelling, gaat hij bidden. Daar heb ik ook een symbool bij: gebalde vuisten. De bidder is teleurgesteld door mensen: ‘Verschaf mij recht, o God,’ zegt hij, en zijn vuisten zijn gebald. En wat zie je midden in dit gebed? Het worden open handen naar God toe: ‘Heer, zend uw licht en uw waarheid en mogen die mijn geleiden en mij brengen naar uw heilige berg.’ Ver voor de uitstorting van de heilige Geest op de Pinksterdag wordt hier die heilige Geest met de woorden ‘licht en waarheid’ in zijn kern getroffen.
De dichter zegt: ‘Waarom ga ik gehuld in het zwart, hul ik me in het duister, dompel ik me in rouw, o Heer, zend me uw licht.’ Licht is in de Bijbel de bevrijdende kracht die van God uitgaat, als we onze handen en ons hart maar openen en Hem binnenlaten in die donkere gebrokenheid en pijn van ons eigen leven. Dan komt daar licht binnen, licht dat warmte geeft, wat bevroren is ontdooit, wat koud is warmt, wat doods is weer doet uitspruiten. Dat is bidden. Dat is de heilige Geest binnenlaten en je openen voor God. En als we dat doen, dan gaan we de dingen zien zoals ze zijn. Dat is nu waarheid: de dingen om ons heen zien zoals God ze ziet. Een heel eenvoudige omschrijving van waarheid, maar ze gaat altijd op. Dat betekent dus dat waarheid hier niet een theoretisch inzicht is dat we met veel moeite verwerven – ook al is ook daar niks fout mee – maar het is meer een licht dat van Hem uitgaat waardoor we de werkelijkheid gaan zien zoals die is. Jezus noemt de Geest de Geest van de waarheid, als Hij zegt dat de Geest van de waarheid zal komen om de wereld te overtuigen van zonde en ons de weg te wijzen naar de volle waarheid. Dat zit ook in deze psalm: ‘Zend uw licht en uw waarheid, laten zij mij geleiden en brengen naar uw heilige berg.’
Mijn hoogste vreugde
Dan voert ons bidden ons naar Sion, naar de heilige berg, de woning van God, met daarvoor het altaar. De Geest leidt ons altijd via het altaar, wat een beeld voor Golgota is, en via dat altaar naar het hart van God, het heiligdom. De Geest werkt door de Zoon. Langs die weg naar een nieuw leven komen we tot God, die hier in vers 4 ‘de God van mijn hoogste vreugde’ genoemd wordt.
De dichter gaat stamelen als hij het daar over heeft. Het wezen van God is vreugde! Waar leiden Gods licht en waarheid ons heen? Naar de God van onze vreugde. Vreugde is het hart van al Gods werken. We weten allemaal dat God na iedere scheppingsdag zei: ‘Zie, het is goed.’ Aan het slot zelfs: ‘Zie, het is zeer goed!’ En wat doet God op de zevende dag? Dan verheugt Hij zich over zijn werken. U kent misschien dat mooie citaat van de Engelse journalist Chesterton wel: ‘Eigenlijk bestaan er geen natuurwetten. Iedere keer dat de zon opgaat, vindt God dat zo mooi dat Hij zegt: bis!’ Net zoals een klein kind, wanneer je een zeepbel voor hem blaast die omhooggaat, zegt: ‘Nog eens, nog eens!’ Een klein kind blijft dat zeggen, dat houdt niet op. Zo is het bij God ook, het houdt niet op. Iedere keer als Hij de zon ziet opgaan, zegt Hij: ‘Prachtig, nog eens!’en er volgt weer een nieuwe dag. Zoveel vreugde put Hij uit zijn schepping.
Waarom zijn u en ik geschapen? God heeft ons tot vreugde gemaakt. Hij geniet ervan met ons om te gaan, Hij geniet ervan ons te zien spelen, te zien werken en te zien lachen. Zodra mensen dan ook in Gods nabijheid komen en Hem ontmoeten, is het alsof er een golf van vreugde door hen heen spoelt. Je zou je kunnen afvragen of die vreugde niet totaal door de zondeval om zeep is gebracht. Maar dat is niet zo. De schepping is wel geschonden, maar daarna is God aan het werk gegaan, en alles wat God heeft gedaan en doet en zal doen tegen de zonde is allemaal op één doel gericht, en dat is de vreugde weer herstellen. Toen Jezus aan het kruis stierf en opstond uit de doden, was dat om de vreugde van de schepping weer te herstellen en de vreugde van God weer mogelijk te maken. Daarom zei Jezus ook: ‘Er is een ongelooflijke vreugde in de hemel als er maar één zondaar zich bekeert.’
Professor Jager zei vaak tegen zijn studenten dat de opschriften boven de gelijkenissen over het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon eigenlijk niet kloppen, want ze gaan helemaal niet over het verlorene, maar over de vreugde. De vreugde van de herder die het schaap terugvindt, de vreugde van de vrouw die haar penning vindt en de vreugde van de vader als zijn zoon terugkomt. Daar monden die gelijkenissen in uit, daar mondt heel het leven in uit. Daarom is bidden iets moois en vreugdevols. Het is iets om verslaafd aan te raken. Waarom bidden monniken zoveel? Waarom spenderen mensen veel tijd aan bidden? Doen ze dat om zichzelf te plagen of te kwellen? Ik kan u het omgekeerde verklaren: die bidders zijn heimelijke levensgenieters. Wat zoek ik als ik bid tot God? Als ik eerlijk ben, zeg ik met Psalm 43: die vreugde. Het hoogste wat een mens mag beleven op aarde is niet zweet en plicht of desnoods berusting en vrede, het hoogste wat een mens mag doen op aarde is genieten, Hem genieten. In de catechismus van Calvijn – dat had je misschien van Calvijn niet verwacht – staat in artikel 1: ‘Waarom heeft God de mens geschapen?’ Het antwoord luidt: ‘Opdat de mens de Heer, zijn God, zou dienen en zich over Hem zou verheugen al de dagen van zijn leven.’ Ik heb van Francis Schaeffer geleerd dat het doel van een mensenleven niet is dat we God zouden dienen, maar, in het Engels, ‘that we would enjoy Him forever’.
Brandstof
Die vreugde wordt in Psalm 43 heel mooi beschreven. De dichter heeft gebeden: ‘Heer, zend uw licht en uw waarheid,’ en dan klimt zijn hart op tot de heilige berg en ontmoet hij daar de God van ‘de vreugde van mijn jubel’. Taalkundig is het niet zulk mooi Hebreeuws, het is of hij gaat stamelen. Er komt, lijkt het wel, een beetje dronkenschap over ieder mens die door die vreugde wordt overstroomd. Het doet je jubelen. Het gaat bruisen en overstromen, het zet je voeten en je handen in beweging, het zet je hele leven in een ander licht.
Dat is nogal wat. Dat is de belofte die Jezus geeft als Hij zegt: ‘Hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’ De heilige Geest stelt alles in een ander licht, Hij geeft ons de kracht om het vol te houden, ook middenin gebrokenheid, onrecht en pijn. Heel dit bestaan ligt al onder Gods verlossende regime. Dat te zien en in het centrum te stellen geeft ons de moed om voort te gaan en onze kleine noden worden daaraan ondergeschikt.
Hoe belangrijk is het gebed. Als je de gemeente van Christus met een auto zou vergelijken, dan is het gebed de benzine. Die auto doet niks zonder brandstof, al is hij nog zo mooi. Waarom hapert de gemeenschap, waarom is er gebrek aan kracht, waarom is er nauwelijks een doorbraak van het evangelie in onze samenleving? Altijd speelt een hoofdrol: de benzine is schaars. En als het gebed taant, dan krijgt ook de werking van de heilige Geest geen ruimte in ons. Als er één ding is wat Jezus ons te allen tijde beloofd heeft, dan is het de gave van de heilige Geest. Laten we ons daarvoor openstellen, het leidt ons naar grote vreugde.
Vragen:
1. Heb jij ervaren dat door te bidden de heilige Geest de ruimte krijgt om in je te werken? Kun je daar een voorbeeld van geven?
2. Herken je dat God je vreugde kan schenken of zelfs je grootste vreugde kan zijn?
3. Geniet je van het leven en van God? Vind je dat belangrijk?