gemeente van Christus, Deze psalm 20 heeft iets. Het is eigenlijk een heel bijzonder gebed, en dat heeft mij getroffen voor de eerste zondag van een nieuw jaar dat op ons wacht. Een jaar waarin veel dingen zullen gebeuren, wij weten niet wat, en dan is het goed om te bidden. Als je dit gebed bidt, en het nog eens bidt, dan gebeurt er iets met je, dan verandert er iets. Ik denk dat dit gebed daarom ook in de bijbel is opgenomen. Want bidden is niet zo makkelijk. De apostel Paulus zei in de Romeinenbrief: 'Eigenlijk weten wij vaak niet wat wij naar behoren bidden zullen. Maar de Geest komt ons in onze zwakheid te hulp.' Dat gebeurt hier, met de woorden van deze psalm 20. Daarin komt de Geest ons in onze zwakheid te hulp en wij mogen ons daarin voegen, in zijn bidden. Dit gebed sluit ook aan bij de preken over Jakob. Als het u zo vergaat als mij, dan kan ik eigenlijk in het oude testament nooit meer over die uitdrukking heen lezen zoals die hier staat, direct aan het begin in vers 2: de Naam van Jakobs God make u onaantastbaar.
Hier wel helemaal opvallend, want als je Genesis 35 leest, waar Jakob naar Bethel gaat, dan staat er: ik ga daar een altaar oprichten voor de God die mij geantwoord heeft ten dage van de benauwdheid. Here, antwoordt mij, ten dage van de benauwdheid. Zo begint psalm 20. Moge de naam van de God van Jakob u onaantastbaar maken. Ook dat laatste woord, dat onaantastbaar, heeft me zeer getroffen. Dat dàt de uitwerking mag zijn van ons bidden! Hij make u onaantastbaar. Dat betekent niet ongenaakbaar, of, nog een stapje verder weg, onbereikbaar, of, nog erger, ongenietbaar. Nee, het betekent niet meer zo kwetsbaar zijn voor de pijlen van de boze, want het is een beeld, genomen uit de oorlog, uit de strijd. Niet meer zo kwetsbaar voor iedere aanval die je anders zou neerstoten of ontmoedigen. Ik kom daar nog op terug. U ziet, de beelden van deze psalm zijn allemaal ontleend aan oorlog en strijd. Ieder commentaar kan u vertellen dat dit een oud Israëlisch gebed is, van het volk voor zijn bedreigde koning. Kijk maar naar de voorlaatste regel, daar staat het letterlijk: O Here, schenk de koning de overwinning. Verder blijkt uit deze psalm dat die koning in nood is. De vijand ligt rond de muur.
Ik las er de geschiedenis van Hizkia bij. Even een zijspoor. In het opschrift staat: van David. Maar die opschriften 'voor de koorleider, van David' zijn later boven de psalm gezet door de rabbijnen, die ze ook hebben ingedeeld in bundels. Dit is de Davidsbundel, van David. Er staan veel psalmen van David in, maar er zijn ook andere bijgevoegd. Waarschijnlijk ook deze psalm 20, omdat ze dachten: het is een gebed voor de koning, die past dus goed in de bundel van David. Het kan niet in Davids tijd geschreven zijn, want er staat: moge Hij hulp zenden uit Sion, uit de tempel. En die was in Davids dagen nog niet gebouwd, dat deed Salomo. Dus het is uit later tijd. Daarom vond ik die geschiedenis van Hizkia, met Sanherib, wel een passende achtergrond achter deze psalm. Het had zo kunnen zijn, dat toen Hizkia bedreigd werd door Sanherib, die daar gelegerd was met zijn strijdwagens en paarden, -ze komen in deze psalm voor-, dat dan dat hele volk zich verenigd in gebed voor de bedreigde koning, en wat doet hij? Hizkia krijgt de brief waarin Sanherib tegen hem tekeergaat: wat is dat voor vertrouwen wat je stelt op Jahwe? Al die volkeren zijn onder mijn voet vertrapt!
Dan gaat hij met die brief naar het heiligdom, legt hem neer voor God, en zoekt het aangezicht van de Here. En dan bidt –denk ik me zo in- het volk psalm 20. Natuurlijk bidt het volk daarin ook voor zichzelf. Want wie bidt voor zijn koning, bidt natuurlijk ook voor zichzelf, koning en volk zijn één. Maar eigenlijk doet het er niet zo toe in welke concrete situatie deze psalm gemaakt is, het is een psalm geworden die met Israël is meegegaan in de geschiedenis. Het gaat in de psalm niet in de eerste plaats over iets, het gaat om iets. Het gaat er in deze psalm om dat wij ons in dit gebed, dit bidden, laten meenemen. De psalm is als een gebedsgolf waar wij ons in mogen laten opnemen. Dit heeft Israël gebeden, door de eeuwen heen. En deze woorden zijn in Jezus mond geweest, toen Hij bad op een berg, alleen. Zijn eigen handtekening staat in vers 7. Het is een gebed voor de Christus, de Gezalfde. Dat staat in vers 7: de gezalfde koning, het gaat hier over de Messiaanse koning. En dat is nog wel de meest bijzondere reden waarom wij dit gebed, als wij het bidden, ook spontaan op onszelf mogen betrekken.
Want wij zijn in Hem, in die Messiaanse Koning, koning en priester, het liedboek is er vol van. En zo denk ik dus ook aan u en aan mijzelf als ik deze psalm bidt. De Here antwoorde ons ten dage van de benauwdheid. De naam van Jakobs God make u onaantastbaar. Dat is de kern van dit gebed. Het leidt me, nu even breder, naar het eerste deel van die psalm 20, vers 2-5, waar het, inderdaad, alleen gaat over de inhoud van ons bidden. Het leert ons waarvoor we mogen bidden. Het tweede deel, vers 6 en 7, gaat over de verhoring, en het laatste deel over de houding. Het zijn dus drie delen. En dan komt het slotzinnetje wat weer teruggrijpt op de eerste zin. De inhoud van ons bidden Eerst vers 2 - 5. De stad wordt bedreigd, het staat niet bij voorbat vast wie wint, en wij mogen dat heel breed ook op onself toepassen. We gaan een nieuw jaar tegemoet, we weten niet wat dat brengen zal, en we leven in een gebroken wereld, en daar is veel bij wat bedreigt, en wat bidden we elkaar toe? De Here antwoorde u ten dage van de benauwdheid. In moeilijke tijden. En: de Naam van de God van Jakob make u onaantastbaar. Dat bidt hij. En dan voegt er aan toe: Hij zende u en Hij gedenke u en Hij geve u.
Vers 3, 4 en 5. Hij zende u, twee zinnen die hetzelfde zeggen in vers 3; Hij gedenke uw offers, twee zinnen die weer hetzelfde zeggen in vers 4; en Hij geve u de wensen van uw hart, ook twee zinnen die hetzelfde zeggen in vers 5. Steeds twee zinnen die op een andere wijze hetzelfde zeggen. Moge Hij u hulp zenden vanuit zijn heiligdom. Verwacht het niet –zegt het volk tegen Hizkia- van de kazerne, hoe belangrijk die ook is, nee, hulp komt vanuit het heiligdom. En dan vers 4: moge Hij al uw offers gedenken. De koning offerde brandoffers voor de Here, hij is een soort priesterkoning. Moge Hij al uw offers gedenken en uw brandoffers aannemen. Het is belangrijk dat ook daarvoor gebeden wordt. Offeren en offeren is twee. Kaïn offerde, en Abel offerde. Maar de Here gedacht aan Abels offer, dat nam Hij aan. Er zat blijkbaar geen bijbedoeling aanvast, het was puur, het wees van zichzelf af naar het grote offer. En God gedacht het. Dat betekent: dan zegent Hij het offer voor anderen, en brengt het als entree voor de gemeenschap met Hem. Het offer van de koning, Heer neem het aan. Het offer van de priesterkoning, -de Gezalfde, het betekent Christus, Messias- neem het aan.
Het offer van alle koningen en priesters in zijn Naam, Heer neem het aan, zodat de gemeenschap groeit en wordt gebouwd. En dan tenslotte vers 5: de Here geve u naar uw hart, Hij doe al uw plannen in vervulling gaan. Weer dat dubbele: Hij geve u naar uw hart. Ik vind het heel mooi dat dat er ook bij staat. Wij mogen ook gewoon bidden voor succes. Voor de wensen van ons hart. Als we ooit ergens aan iemand mogen voorleggen wat in ons hart leeft, dan wel aan Hem die ons liefheeft en die onze Vader wil zijn, Hij die zich de God van Jakob noemt. Hulp in nood, daar begon het mee, en dan geestelijke draagkracht, offers die iets doen, die de gemeenschap bouwen, en tenslotte gewoon, heel nuchter al de verdere verlangens die er in uw hart leven. God is zo groot dat ook het kleinste wat ons beroert voor Hem groot is. Dat is echte grootheid. Hij geve u de wensen van uw hart. Vul maar in, alles mag gezegd. Van het heel aardse en nuchtere, van gezondheid en een goede baan, tot het grote en wereldwijde, gerechtigheid en vrede voor Rwanda en Irak en Kosovo. Alles krijgt zo zijn plek in dit bidden tot God.
Maar -en nu kom ik weer terug op waar ik begon- terwijl we bidden, en ons in dit bidden laten opnemen, in dit eeuwenoude gebed van de kerk, dan gebeurt er iets met ons. Eigenlijk gebeurt het al direct bij het eerste woord. Hij, de Here, antwoorde u ten dage van de benauwdheid. De Naam van Jakobs God, die make u onaantastbaar. Hij zende, Hij geve, Hij gedenke? Ineens verplaatst zich het zwaartepunt van mijn leven. Dat zwaartepunt, wat altijd draait om mijzelf en mijn vragen, mijn wensen, mijn angsten, het zwaartepunt verschuift naar Hem toe. Het is eigenlijk een aanzwellende kracht in dit gebed waarin we steeds dieper worden opgenomen. We mogen er ons mee bedekken, het is of we steeds steviger de mantel van Zijn kracht en Zijn bewaring en Zijn plan om onze schouders slaan. En doen we dat terwijl we bidden, dan is God algaande met ons bezig. Want Hij is de God van Jakob, en ik hoop dat we nooit meer vergeten dat Hij zich zo noemt, want het betekent dat Hij de God is die heel persoonlijk met ons meegaat op onze levensweg en zo lang werkt door tijden van benauwdheid en druk heen, totdat Hij ons heeft omgevormd, van dat ruwe materiaal tot diamant. Dat is de God van Jakob.
En Hij laat zich door onze moeiten en door onze zonden niet uit het veld slaan, maar Hij redt ons in het uur van de nood. En Hij doet het, Hij laat alle dingen meewerken ten goeden. Hij slijpt en Hij schuurt en Hij schaaft, totdat zijn beeld in ons zichtbaar wordt. Dat is de God van Jakob. Hij zendt, Hij gedenkt, Hij geeft. Hij is er en Hij werkt, en dat maakt ons nu onaantastbaar, dat wondere woord dat hier gebruikt wordt, in dat eerste hoofddeel. Letterlijk staat er in het Hebreeuws een woord dat betekent: te hoog, te hoog maken. Hij maakt u te hoog. En dan moet je op de achtergrond denken: voor de pijlen van de vijand. Hij maakt u onbereikbaar voor de pijlen van de vijand, te hoog voor de aanval van de vijand om de muur. Dat betekent dus niet: onkwetsbaar in de zin van ongevoelig, of ontoegankelijk voor de naaste. Zoals een burcht altijd een poort heeft waar iedereen, ook de bedelaar, in kan. Maar tegelijkertijd, als de vijand komt, dan rijst hij op, massief en hoof verheven boven de aanslagen van de vijand. Te hoog voor stenen uit de katapult, te hoog voor pijlen uit de boog. Te hoog voor aanvallen van de boze. Daarom vind ik dat een prachtig woord, dat onaantastbaar.
Ik wens het u en mijzelf, ons allen, toe, iets van die onaantastbaarheid. Je niet laten ontmoedigen door wat om je heen gebeurt, of door een ziekt die je sloopt of de afgang van een examen, wat je vertrouwen kan ondermijnen, alles wat je van het vertrouwen op God kan beroven. Hier staat: moge de God van Jakob, en zijn Naam, je onaantastbaar maken. Vertrouw op Hem. De zekerheid van verhoring En geleidelijk, als dit gebed zo ons hart vervuld, gaat er iets met ons gebeuren. Het eerste is dat het zwaartepunt verschuift naar Hem. Maar dan ineens, in vers 5, gaat de bidder de vlag heffen, de vaandels opsteken. Lees maar, er verandert iets in de toon van de psalm in vers 5 en vers 6. Er breekt iets door, ineens verandert de toon van het bidden, de interesse verplaatst zich, weg van de inhoud, naar de verhoring van het gebed. Het is alsof de bidder voelt: wie zo bidt is maar niet met zichzelf alleen bezig! Eigenlijk bekleedt hij zich met de bijzondere kracht van God en met zijn plan. En er zwelt iets in aan van: daar is mijn leven aan ondergeschikt en toegewijd, maar daarom mag ik ook zeker zijn van de afloop en de uitkomst!
Zolang we met de blik naar binnen gericht zijn, met onze eigen angsten en wensen, blijven we onzeker. Onze gebeden zijn vuurpijlen, die we in de lucht schieten in de hoop dat het ergens aankomt. We zijn dan ook op de verkeerde manier kwetsbaar. Maar komt God Zelf in ons bidden binnen, met zijn naam en zijn kracht, en met zijn gemeenschap, dan ineens groeit de zekerheid van de verhoring. En vers 6 zegt: we gaan zelfs juichen in de overwinning en in de naam van onze God vaandels opsteken: de Here zal al uw begeerten vervullen! Nu weet ik het, zegt hij, de Here geeft zijn gezalfden de overwinning. Hij antwoordt hem uit de heilige hemel met de machtige weldaden, heilsdaden van zijn rechterhand. Het is eigenlijk een gebed dat uitmondt in de zekerheid van verhoring. En dat leert Jezus ook aan zijn discipelen. Hij zegt: 'Als jullie bidden, geloof dat je het al ontvangen hebt, en het zal je geworden.' Kan dat? Is dat niet jezelf overschreeuwen? Psalm 20 leert ons hoe dat echt kan. Het kan alleen als we ons in deze golf van het gebed van de kerk van alle eeuwen door psalm 20 mee laten nemen, ons bekleden met zijn Naam.
De Here antwoorde u, de God van Jakob make u onaantastbaar, Hij zende, Hij gedenke, Hij geve, in zijn Gezalfde, zijn heiligdom, en door zijn heilsdaden, en met zijn rechterhand. En als zo jouw eigen leven daarin schuilt, en we zien dat alles daarom draait, en als dat niet alleen ons denken maar ook ons gevoel en ons hart vervult, dan gaat er iets bijzonders gebeuren. Zijn wensen worden onze wensen, en zijn plan wordt ons plan. En zijn droom wordt mijn droom. Dat is de wending in deze psalm. En het antwoord op de vraag hoe dat kan is dus: wanneer wij zijn wensen tot onze wensen maken, dan doet God dat met ons. Dan maakt Hij onze wensen tot zijn wensen. En dat is de wondere wending, het geheim van de wending van de smeekbede. Van smeekbede tot zekerheid. Natuurlijk, wie Gods droom tot zijn droom maakt, en Gods heilsplan tot de zijne, die meet zich wel een kostuum aan waar stukjes van zijn eigen ondergoed niet bij passen. Dat wordt er dan misschien wel afgesneden, er vindt een reiniging plaats, dat noemen ze de relativering.
Als echt Gods heilsplan voorgaat, wat kan het mij dan schelen of ik voor dat examen slaag of niet slaag, of deze weg moet gaan of een andere, het wordt er in dat licht door gerelativeerd. Als ik met heel mijn hart wil wat Hij wil, dan mag ik weten, dat Hij ook wil wat ik wil. En dan mag ik er ook zijn, met al mijn wensen, maar mijn zekerheid ligt daar. Die verhoring, dat is het wat in dit gebed van psalm 20 opvalt, en wij mogen ons daar in laten opnemen. De goede houding Zo biddend verandert ook zijn houding. Ineens, toen Hizkia die brief echt tot God had opgeheven, viel zijn angst weg voor de wagens en de paarden van Sanherin, en er bleef alleen nog verwondering over. Psalm 20 eindigt daarmee, in vers 8: 'Deze beroemen zich op wagens, en genen op paarden. Maar wij roemen in de Naam, de Naam van onze Here God.' U ziet het, ineens is hier sprake van een basishouding die veranderd is. In het begin van de psalm ging het over de inhoud: redding uit benauwdheid, in het midden verhoring: nu weet ik dat de Here overwinning geeft, en tenslotte gaat het over de houding. Waar ligt mijn laatste vertrouwen? Paarden en wagens, middelen dus, zijn best belangrijk.
Ze zijn middelen in de handen van de koning om de overwinning te behalen. Zoals vandaag kruisraketten en straaljagers. Maar je moet op die middelen nooit vertrouwen, zegt de bijbel. Je moet ze goed gebruiken, maar intussen je vertrouwen stellen op de Naam van de levende God. Als God het wil kan Hij ook zonder die middelen redding geven. Bij Hizkia deed Hij dat. Of Hij kan andere middelen geven. Zo is het eigenlijk bij al ons werk in gezin, kerk en samenleving. Wat we ook doen, welke middelen we ook gebruiken, een alfa-cursus, een mooie liturgie, een filmavond, goede scholen voor onderwijs, wat mij betreft computers die razendsnel zijn, wat er ook aan middelen bestaat, onze houding verandert als we gaan bidden zoals hier psalm 20 het ons leert. Als we gaan bidden in die houding van: Nee, we roemen niet op de middelen, maar vertrouwen daarbij op de Naam van de levende God. Samenvatting Je begint zoals we zagen met inhoud, met wat er leeft in je hart aan angsten en wensen. Ze mogen er allemaal zijn en ze zullen er zijn.
Maar dan, als we ons hebben laten meevoeren in de baan van dit gebed, dan komt de Geest ons zwakke bidden te hulp, en ons zwaartepunt verschuift, weg van mijn naam, en hoe belangrijk die is, naar zijn Naam, de Naam van Jahwe, Jakobs God die nooit in de steek laat, en die redt en geneest tot we zijn omgevormd naar het beeld van de Zoon. En alleen waar dat zwaartepunt verschuift, groeit de zekerheid van de overwinning. Bidden is niet zomaar een lichtkegel afschieten in de nacht, nee, het is gericht schieten op het hart van God. En dat verandert ons zeurderig vragen in zeker bidden, zelfs roemen in de overwinning. En dat verandert tenslotte ook onze houding. Dezen beroemen zich op paarden, genen op wagens, maar wij roemen in de Naam van onze God, en als we dan vallen, dan staan we weer op. Er staat: zij zinken neer die op paarden en wagens vertrouwen, en ze vallen. Maar wij richten ons op en we houden stand. Wat Paulus zegt in Romeinen 8: 'Wij zijn meer dan overwinnaars in Hem die ons heeft liefgehad.' De psalm eindigt tenslotte met: 'O, Heer, schenk die koning, die gezalfde de Priesterkoning, de overwinning, Laat Hem het laatste woord hebben in de geschiedenis.
Voor Hem zal alle knie zich buigen.' En dan neemt hij in de laatste zin de eerste zin weer op: 'Hij antwoorde ons ten dage dat wij roepen.' Met dit gebed, over de Naam van de God van Jakob, gaan we het nieuwe jaar weer bidden. Zulk bidden maakt ons onaantastbaar, dankzij die Naam van de God van Jakob! Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht