gemeente van Christus, De kerk is er voor de moraal... U moet eens opletten hoe vaak dat in onze tijd naar voren komt. De samenleving ontkerkelijkt, en tegelijkertijd -het blijft natuurlijk de vraag hoe dat verband ligt- leven we in een samenleving waarin iedereen klaagt over het verval van normen en waarden, zoals dat heet. Daar klagen de leraren over op school: wat drijft die jongeren? Daar klaagt de politie over op straat, bij zinloos geweld, en je moet je fiets 86 keer vergrendelen wil ie niet weggehaald worden. Daar klaagt de overheid over waneer we denken aan het innen van de belastingen, we laten woorden vallen als nihilisme en materialisme. Ik ga daar niet allemaal op in, het gaat erom dat het in onze tijd bewust leeft: er is een verval van normen en waarden. Soms merk je dat zelfs de paarse overheid wat schuin kijkt naar de kerk, of de kerk toch niet een beetje kan meehelpen om daar verbetering in aan te brengen, want daar is de kerk toch voor. Christelijke politieke partijen en politici laten zich er soms toe verleiden om hierin mee te doen, ze werpen zich op als kampioen van normen en waarden: Wij laten zien wat het betekent: gehoorzaamheid aan de geboden van God.
Dit hoorde ik in een reclamespotje van een christelijke politieke partij. Want daar is de kerk voor, voor de moraal dus... Is dat zo? Je zou het iets breder kunnen zeggen: Wat is een christelijk boek? Is dat een boek waarin normen en waarden hoog worden gehouden? Of wat is een christelijke film? Bijvoorbeeld de serie: 'Little house on the prairie?', dat is bij uitstek een christelijke film denkt men dan, omdat daar de waarden hoog gehouden worden. Christelijke kunst, dat zijn van die mooie harmonische beelden, liefst vanuit de natuur. Maar opnieuw de vraag: is dat wel zo? Is dat nu christelijk? Is het christelijk als je de normen en waarden omhoog houdt? Ben je een christelijk mens als je netjes leeft, als er niets op je aan te merken is? Is de kerk er voor de moraal? We hebben teksten gelezen uit het Nieuwe Testament, die toch een heel ander accent leggen. Daar ga ik op door, opdat het niet te snel weer aan ons voorbij gaat. Het is toch heel opvallend wat de apostel Paulus zegt tegen zijn geestelijke zonen. Vorige keer lazen we Timotheüs, nu Titus.
We begonnen niet voor niets met de 2e Corinthenbrief, een soort autobiografie, waarin Paulus zegt dat hij zelf ook door schade en schande heen heeft leren ontdekken waar het eigenlijk op aan komt, wat nu echt -als je het woord christelijk wilt gebruiken- christelijk is. Dan gaat het Paulus altijd weer om de genade. "Wees krachtig, wees sterk in de genade", zegt hij tegen Timotheüs. Als Paulus zijn brief aan Titus schrijft, ook in hoofdstuk 3, dan grijpt hij altijd terug. Niet op: want we hebben de wet gekregen van Mozes op de Sinaï. Nee, hij grijpt terug op: want daar in het midden van de geschiedenis is iets gebeurt wat ons leven een wending gaf, daar is de genade van God verschenen! Dát moet worden verkondigd. Dát is het waar de kerk voor is, om een vrijlating te verkondigen aan mensen die op de moraal zijn stukgelopen, of die onder de moraal is bezweken. En, als het goed is, wie bezwijkt er eigenlijk niet onder? Genade is niet: doe dit en gij zult leven. Paulus zegt: "Dat is het niet!" Dat is de wet en die is door Mozes gekomen.
De evangelist Johannes zegt: "De wet is door Mozes gekomen maar de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus verschenen." Genade is dus niet: doe dit en gij zult leven, maar: "Wat u ook gedaan hebt en hoe uw leven ook is vastgelopen, Ik ben er en Ik vergeef je." Dat zegt de Here Jezus vanmorgen ook bij de tekenen van brood en wijn en bij deze schriftwoorden tegen u en mij: "Wat er ook gebeurt met je, Ik ben er en Ik hou je vast." Dat is genade. Daarvan zegt hier de apostel Paulus: Ze heeft een dragende grond, geworteld in de geschiedenis. Heel belangrijk dat we dat eerst zo stellen. Het tweede wat we zien is: Ze heeft een doel, en is nog niet uitgesproken. Het derde is: Ze heeft een drijfveer, ze drijft ons aan om naar de toekomst te reiken. Dat zijn de drie momenten in deze tekst. Het blijft opvallend dat het woord genade meer dan honderd keer staat het in het kleine boekje van het Nieuwe Testament. Waarom begint God met Maria en Elizabeth? Omdat ze genade gevonden hebben in zijn ogen. De engel zegt tegen Maria: Vol van genade... Als Jezus geboren is en opgroeit, groeit Hij op in de genade.
In Lukas 4 kondigt Hij het jaar van genade aan: vrijlating van gevangenen en het evangelie voor de armen. Als Hij sterft, dan sterft Hij -en nu gebruik ik de plechtige taal van het avondmaalsformulier- om het verbond der genade aan ons te bevestigen en te bezegelen. Als je verder leest in Handelingen, wat was nu de kracht van die vroegchristelijke kerk? Waarom had ze zo'n uitstraling? Dat was, zoals we lezen in hoofdstuk 4, omdat er zo'n grote genade was over hen allen. Waar draaien alle brieven van Paulus om? Zoals door één mens de zonde is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook door één Mens de genade meer dan overvloedig geworden. Dat is het hart van Paulus verkondiging. Dat moest Paulus zelf ook leren, daar schrijft hij over in 2 Corinthe 12, dat hij dat moest leren door een zeer pijnlijke fase in zijn leven heen, en waar roept de apostel dan de nieuwtestamentische gemeente toe op? Hou die genade vast! Zink niet terug in wettiscisme of judaïsme, dat waren in die tijd twee grote gevaren. Misschien vandaag nog. Dat de genade genade mag blijven en dat we moeten groeien in de genade. Je hebt het maar in één keer in je handen en vast, nee daar moet je in groeien.
Daar moet je sterk in worden, in het kennen, ervaren en doorgeven van de genade. Daarom wensen natuurlijk alle apostelen in hun brieven de gemeente eerst toe: 'genade en vrede'. We doen dat iedere zondag. Want alleen dan is er vrede, als die wet, de normen en waarden, onder het verzoendeksel liggen. Een prachtig beeld, dat ze in het Nieuwe Testament worden meegedragen in de verbondsark, dat de tafelen der wet daar liggen in de ark, maar wel onder de verzoendeksel. Maar wat is nu die genade van God die reddend verschenen is? Daar spreekt deze tekst over. Paulus zegt in de eerste plaats -een vreemd woord- het is een epifanie, de genade van God. We moeten wel even letten op dat woordgebruik. Een epifanie was in die tijd een geladen woord. Voor een epifanie ging je naar Delphi. Als mensen in die tijd in nood waren, geen raad wisten, de weg zochten, dan gingen ze naar Delphi. Daar was het heilig orakel en kon je onder leiding van de priester ingewijd worden en een epifanie krijgen, een verschijning van god, het goddelijke, daar spraken de goden tot de mensen. Daarvoor gebruikte men dat woord epifanie.
Paulus zegt: "Zo'n epifanie is er geweest, zo heeft God in het midden van de geschiedenis zijn heilig gelaat laten zien." Als je het aangezicht van God wilt kennen, dat zie je daar waar Jezus verschijnt. En zie je dan in Hem een waarschuwende vinger, of zie je in Hem de balans geheven waarop onze daden worden gericht? Nee, dan zien we tranen, mededogen, dan zien wij uitgestrekte armen waarmee Jezus aan het kruis hangt en dan mogen we thuis komen. We worden aangenomen tot kinderen, en natuurlijk alleen om wat Jezus voor ons gedaan heeft. "De genade is een fenomeen", zegt Paulus, "en het is waar geworden." Dat is een fenomeen, ze is nooit vanzelfsprekend, ze heeft heel veel kleuren, heel veel gewaden. Ze manifesteert zich op veel manieren, maar toch eigenlijk altijd als wij aan het eind van ons Latijn zijn. Genade is dit dat als ik denk: 'Nou zit ik in een fuik, nou zit ik vast, ik ben vastgelopen even hopeloos als een vis die in fuik is gezwommen, nu is mijn leven verloren.' De genade is dan dat God die fuik opentrekt, en ik ben vrij. Genade is dit, als ik denk: 'Nu val ik en er is op de hele aarde niemand bij me en niemand die me opvangt'.
Daarbij moet ik altijd denken aan Maarten Luther, die in zijn eerste preek toen hij terugkwam -hij preekte in de Wittenberg, ongeveer 1523-, zei: "Dan zal ik niet bij u zijn en u niet bij mij." Zo begint die preek, hij gaat over het sterven. Denken: 'Ik val, er is niemand die mij opvangt, en dan... gedragen worden. Dat is genade, dat er een dragende arm onder mij is. Genade is dat ik het totaal heb verknoeid, ik heb zo'n beetje alle foute keuzes gemaakt die er te maken zijn in het leven. En dan te merken dat God de deur opent, dat is genade. Ik denk hierbij aan een gedicht van Gerrit Achterberg: Ik deed van alles wat gedaan kan worden het meest misdadige, en was verdoemd Maar Gij hebt, God, een witte naam genoemd met die van mij, nu is het stil geworden zoals een zomer om de dorpen bloeit. Genade heeft dus veel gezichten en veel kleuren. Maat één ding heeft het altijd gemeen, het begint waar het bij ons ophoudt. Waar onze moraal ophoudt. Waar ik denk: 'Ik weet het niet meer met mijn kinderen'. Of: 'Ik ben op de een of andere manier totaal vereenzaamd geraakt en onbegrepen'.
Dan is daar in al zijn kleuren de genade van God die reddend verschenen is, daar mogen we ons voor openstellen, we mogen onze lege handen laten vullen, we mogen ons laten dragen. We mogen het laten vergeven, vandaag bevestigen de tekenen van brood en wijn ons dat. Ik denk hier ook even aan dat debat over euthanasie. Mag een jongen van twaalf jaar die door lijden heen gaat sterven, omdat hij bijvoorbeeld leukemie heeft, mag die nu zelf bepalen of en wanneer hij sterven wil? Dat is nu zo'n voorbeeld waarbij iedereen dan bezig is met normen en waarden over wat mag en niet mag. Ik zou eerst willen spreken over dit, over wat hier staat, over de genade vanGod die reddend verschenen is! Je zou tegen zo iemand willen zeggen: die jongen van twaalf hoeft niet bang te zijn! Hij hoeft niet bang te zijn voor die fuik, voor dat vallen in de nacht. Daarvoor is Jezus nu gekomen. Er is een dragende arm, en daar staat de kerk voor, om dat te zeggen, dat door te geven. Dan is er in gebrokenheid geen regel te maken. Dat is mijn mening. Hoe kan je nu in diepe gebrokenheid regels maken alsof het zich in regels laat vangen? Dat zou je niet in wetten moeten leggen.
Ik denk dat die jongen van twaalf er totaal anders tegenaan zou kijken als hij die genade leerde kennen, daar staan wij voor. Ik wil maar zeggen: met moraal valt hier niet veel te redden, wel met het evangelie. De genade van God die verschenen is -en dan staat er iets bij- heilbrengend voor alle mensen. Jezus hing daar aan het kruis, en Hij nodigde allen, Hij is het Licht der wereld. Het is zo wijd als de wereld. Natuurlijk, mensen moeten Hem dan wel aannemen, dan krijgen ze het aanbod van de genade in hun leven binnen. Ze moeten in hun wanhoop hun lege handen openen, dan zal Hij ze vullen. Dan is Hij daar. Daar alleen is heil, redding. Paulus zegt: "Dan is er ook moreel herstel", en dat is ook echte hoop. Dat zijn de twee dingen waar de tekst in vers 12 en 13 in verder gaat. Over die twee nog een enkel woord. Het valt op dat de apostel Paulus de wet dus niet wegwuift, en normen en waarden niet laat vallen als onbelangrijk. Nee, hij zou zeggen: "Zolang ze de genade voor de voeten lopen, weg ermee." Daar is hij heel radicaal over. Maar waar de genade van God reddend verschenen is, daar komen die normen en waarden via de achterdeur toch weer binnen.
Want die genade is krachtig om ons op te voeden, zoadat we -en dan volgen morele dingen van normen en waarden- zodat we de goddeloosheid, dat lege nihilisme, de wereldse begeerten -er staat eigenlijk kosmische begeerten die ons aan de aarde vastklemmen- dat we die verzaken en 'bezadigd' -ik zei al, dat is meer bezonnen-, rechtvaardig en vroom in deze wereld zouden leven. Daar heb je het. De genade voedt dus op tot morele waarden. Dat is zeker waar, dat is het effect, de genade van God is tot dat doel verschenen. Verkeerde begeerten opgeven, zuiver, evenwichtig en verstandig leren leven. Zo komt het dus -zei ik net al- door de achterdeur weer binnen, maar dan niet, om met de oude Heidelberger Catechismus te spreken, als eis tot gerechtigheid of zoiets, of als eis tot bevestiging van hoe goed we het wel doen, wat we lezen in de tien geboden, nee, maar als regel van de dankbaarheid. Zo komt het weer terug in ons leven. Want het is raar maar waar, wat je met de zweep niet bereikt, is soms met één glimlach wel te bereiken. Ik moet altijd denken aan de tijd dat wij in Eck en Wiel woonden, op l'Abri. We hadden junks die bij ons het erf daar werkten, de hele dag.
Ik was er zeker van dat als ze in de stad zwierven, niks deden. Wij kregen ze aan het werk. Hoe kon dat dan? Het arbeidsbureau kreeg ze met geen zweep aan het werk, en bij ons werkten ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Dat komt omdat dat een plek was waar ze zich aanvaard wisten en in hun gaven gewaardeerd. Zo is het ook bij God. In zeker opzicht zijn we allemaal junks voor Hem. Die genade geeft onvermoede kracht, die alleen is motor tot verbetering om ons in te zetten, bezonnen, rechtvaardig en vroom. En dat gaat niet via de zweep van de wet. Tenslotte, die genade geeft hoop op de toekomst. Er staat in dat slotvers: 'verwachtende -en dan komt opnieuw dat woord terug-, de epifanie, nu de grote epifanie van de Mens Jezus Christus in nederigheid, die is verschenen, maar nu verwachten wij Hem als onze grote God en Heiland'. Zo'n tekst zou je toch graag weer even aan professor Kuitert mee willen geven. We verwachten de verschijning van onze grote God en Heiland, Christus Jezus. We verwachten zijn laatste epifanie. Dan wordt het werk dat begonnen is bij zijn eerste verschijning in vernedering, dat wordt dan voltooid in verhoging.
Bij de Tweede verschijning komt Hij als de rechter die alles recht zet. Dat gaan we nu met elkaar vieren bij de tekenen van brood en wijn. Die wijzen ook terug op de eerste en heen naar de tweede verschijning. De apostel schetst het met enkele pennenstreken: 'toen Hij zich voor ons heeft overgegeven' dat zegt dat brood en die wijn: Hij heeft zijn lichaam voor ons gegeven, om ons te bevrijden van alle ongerechtigheid -daar komt weer dat doel-, en zo heeft Hij ons tot zijn eigen volk gemaakt. Een volk dat niets lever verlangt dan goed te doen, en zijn genade en liefde uit te dragen. Maar datzelfde brood en diezelfde wijn wijzen ook vooruit naar de toekomst. Wij verlangen naar die laatste verschijning en daar wijzen brood en wijn ons heen. We gebruiken het totdat Hij komt. Paulus noemt dat in ouderwetse taal: een zalige hoop, maar er staat: eenverwachting die je gelukkig maakt. Want ze draagt je door de wanhoop heen. Want we hebben een reisdoel we zijn onderweg, en dan is daar het levende manna. Zo zagen we, kort samengevat: Nee, de kerk is er niet in de eerste plaats voor de moraal maar voor dit verhaal dat ik vanmorgen weer verteld heb.
Dat de genade vanGod verschenen is, heilbrengend voor alle mensen. Daar moeten we nu sterk in zijn, want die alleen voedt op tot zuiver leven. Die alleen geeft echte hoop, om daarin te groeien, ons daaraan op te trekken. Het oude formulier zegt heel mooi: opdat wij vast zouden geloven dat we tot dat genadeverbond behoren, nam Jezus het brood, Hij brak het en gaf het aan zijn jongeren en zei: "Neem, eet, het is mijn lichaam, en deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed dat voor velen vergoten is tot vergeving van zonden." Zo helpt de Heer ons bij het avondmaal om te groeien in de genade. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.