Bijbeltekst: Titus 3: 3 - 7 — Uit de serie: Groeien in genade, deel 3

gemeente van Christus, Er is een boek, dat heet 'de pelgrimsreis', in 1680 in Engeland geschreven. Alle personen in dat boek hebben allegorische namen, de hoofdpersoon heet Christen. Maar zo heette hij niet altijd. Maar weinig mensen wisten dat hij, voor hij christen genoemd werd, een andere naam had. In het boek vraagt de portier van een paleis hem hoe hij heet. Hij antwoordt: "Mijn naam is Christen, maar vroeger heette ik Genadeloos." Dat trof me, voor hij christen werd heette hij Genadeloos. Eigenlijk heeft de schrijver daar met één woordje uitgedrukt wat Paulus hier in deze brief aan Titus met heel veel woorden beschrijft en dat is dat we in een genadeloze wereld leven zolang we aan onszelf zijn overgelaten. Dat geldt voor ieder van ons persoonlijk maar evengoed voor de samenleving. Daar schrijft Paulus hier breder over. Hij herinnert ons eraan, vers 3 begint met 'vroeger'. We worden ergens aan herinnerd: denk eens na waar je uit weggehaald bent! Paulus zegt tegen zijn geestelijke zoon Titus: "Je moet op dit punt een krachtig getuigenis geven." Vorige week zagen we dat hij dat ook tegen Timotheüs had gezegd.

"Focus op de genade", zei tegen beiden, "Laat je eigen hart er vastheid in vinden, groei er in en groei er niet van af." In de Hebreeënbrief noemt Paulus dat: 'verachteren in de genade'. Laat je er helemaal door vervullen, breng anderen er bij terug, dompel je kinderen er in onder, straal het uit. Vorige week hebben we bij het Avondmaal gezien dat dát de kern was, nu bij de doop. Ze bepalen ons bij het grote wonder dat de genade van God is verschenen, is vastgepind in de geschiedenis. Paulus gebruikt het woord epifanie, wat betekent dat er iets is opgelicht, echt daar en toen en is verworteld in onze geschiedenis, in het midden, toen God verscheen. Toen was er niet een bliksemend licht dat ons allen verzengt, of een waarschuwende vinger over wat we allemaal nog moeten doen, maar Iemand die voor ons aan het kruis heeft geleden. We zagen tranen, ontferming, we zagen een Vaderhart. Dat is de verschijning van de genade. Dat is wat ieder mens tot christen maakt als hij dat ontvangt. Dat is ook het enige wat een genadeloze wereld kan omturnen in een wereld waarvan Paulus zegt: gekenmerkt door gerechtigheid, wat wil zeggen: goede verhoudingen.

Dat is Paulus' boodschap in een notendop uit Titus 2 en 3. Daar wil ik het in deze uitleg met u over hebben, je zou het in één zin kunnen zeggen: het verspreiden van genade in een genadeloze wereld. Eerst iets over die genadeloze wereld -daar begint Paulus tenslotte ook mee-, dan iets over de genade waar we niet over uitgedacht raken, dan iets over het verspreiden ervan. Allereerst: Palus begint met: vroeger waren wij dat ook! Vroeger? Paulus bedoelt naar onze oude natuur. Hij spreekt tot mensen die in hun eigen leven een grote overgang hebben meegemaakt van heidendom naar christendom. Hij zou tegen ons zeggen: "Naar jullie oude natuur, zoals jullie zijn in Adam, die oude mens, dan zijn jullie inderdaad genadeloos." Paulus zet in enkele pennenstreken die samenleving voor ons neer. Nog even naar die eerste zin kijkend, hij zegt: 'zo waren wij ook!' Ik vertaal dat met: 'aan onszelf overgelaten is dat ook onze oude natuur', waren we zonder inzicht. De vertaling 'verdwaasd' betekent dat je het goede inzicht mist. Het tweede is: ongehoorzaam aan God. Letterlijk staat er: iemand die niet tot vertrouwen kan komen.

Heel opvallend dat iemand die niet in staat is de ander te vertrouwen, een samenleving waarin het vertrouwen gaat ontbreken. Het derde is: op de verkeerde weg, inderdaad dwalend. Dan het vierde: slaven van allerlei verlangens en genoegens. Dat moet je je niet zo dramatisch voorstellen. Die mensen denken dat ze vrij zijn: ik ga alleen voor dát wat míjn leven vervuld en rijk maakt. Het menselijke ik centraal stellen. Ze hebben niet door dat ze intussen zijn ingesponnen en slaaf worden van hun verlangens en begeerten. Intussen creëert dat een sfeer van -hier vertaald met- gemeenheid en afgunst. Je zou kunnen zeggen: een sfeer van wantrouwen waarbij je elkaar het licht in de ogen niet gunt. We waren gehaat en we haten elkaar. Nu, dat is een samenleving! Dat was de samenleving van de Kretenzers waar Paulus hen aan herinnert: 'zo waren jullie vroeger ook, precies aan hen gelijk.' Wat een typering. Een röntgenfoto van een samenleving waarin de genade ontbreekt. Dat is heel verschrikkelijk. Wat was je naam voordat je Christen heette? Genadeloos.

Daar zit iets in van: ik had de genade van God nooit leren kennen; maar daar zit ook dat andere in: ik liet me in de praktijk leiden door die harde ongenaakbare regels die de natuur ons eigenlijk aanreikt: het recht van de sterkste; oog om oog en tand om tand; je bent jezelf het meest na; volg je eigen doel. Intussen had je niet door dat je er slaaf van was. Zo was het, zo waren we, zo zijn ze allen die los van Christus zijn. Daar zijn we uit gered. Natuurlijk kunnen wij ons bij die typering wel afvragen: 'is dat nu echt zo? Zijn mensen zonder Christus genadeloos? Vaak merk je in de wereld meer genade dan in de kerk.' Dat heb ik iemand wel eens horen verzuchten. Maar, kun je zeggen, het zijn wel snijbloemen, dat moeten we nooit uit het oog verliezen. We moeten natuurlijk eerst naar onszelf kijken. In de eerste plaats naar de kerk kijkend kunnen we zeggen dat het bederf van het beste vaak het slechtste is. Inderdaad, niets is zo erg als genadeloosheid in de kerk. Dat moeten we toch wel met een zekere schaamte opmerken als we zo op een hele eeuw kerkelijk leven terugkijken. Waar was de ontferming en de menselijkheid? Het bederf van het beste is het slechtste, in en buiten de kerk.

In de wereld -dat is een feit-, daar bloeit het soms op, de wondere vriendelijkheid die je soms kan meemaken, mildheid, oog voor de zwakke. Is dat niet een doelstelling van het paarse kabinet die zich zeker niet christelijk willen noemen?. Ik ken een dokter, hij is atheïst, maar hij is een zeer gevoelige mens en altijd uit op het welzijn van de ander. Ja, kan je zeggen als je terugkijkt naar de Friezen en de Saksen, sloegen die niet ooit Bonifatius dood bij Dokkum, en heersten daar niet angsten in die samenleving, en vandaar uit de sfeer die Paulus hier typeert? Jazeker, maar wij leven in een samenleving met de vruchten van de vruchten van de Geest. Daar mogen we wel heel dankbaar voor zijn. Maar je moet er wel bij zeggen: als de Geest zelf wijkt en de bijbel niet meer opengaat en Christus niet meer gekend wordt, dan gaat de basis weg en dan missen die bloemen de wortel. We weten wat er met snijbloemen gebeurt. Dan missen ze de krachtbron waar we het van moeten hebben, waar we onze kracht vandaan halen.

We kunnen wel met een angstig hart naar onze samenleving kijken en zeggen: 'hoe lang zullen die bloemen bloeien?' Nu, daar waarschuwt Paulus voor en hij zegt met klem tegen Titus: "Dring er op aan en spreek hierover, gebruik al je gezag als je aanmoedigt en uitleg geeft, de vrucht van de genade bloeit alleen echt op waar ze wortelt in -en kan komen daar die grote woorden- mensenliefde, filantropie van God en zijn goedertierenheid. Even iets over die twee woorden. Goedheid en filantropie. Maar de goedheid en de filantropie van God is verschenen. Weer die epifanie, wat Paulus in hoofdstuk 2 ook al had gezegd. Die twee wonderlijke woorden waarmee de genade van God wordt beschreven. Het eerste, die goedheid, zegt: het zit in Gods karakter. Het woord wat daar gebruikt wordt duidt niet op zomaar een incidenteel bewijs van goedheid, maar op iets wat blijvend in iemands persoonlijkheid verankerd zit. Dat vind ik een prachtig woord. Het tweede woord kennen we, maar dat is intussen beduimeld geraakt: filantropie. Hier staat het in zijn echte kracht. Filos is vriend en antropos is zo wijd als de wereld. Vriend van alle mensen, heilbrengend voor alle mensen.

God houdt van mensen, daar gaat zijn liefde naar uit en ze zijn tenslotte allemaal naar zijn beeld gemaakt. Er zit dus in de woorden die Paulus hier gebruikt: filantropie en in genade, niet dat neerbuigende wat er in onze tijd vaak ingekomen is. Filantropie, dat is voor zielige mensen, en genade, ja, als jongens vochten wij met elkaar en als je de ander in je macht had, met je knie op zijn bovenarm, dan zei je: genade. Velen herkennen dat en genade heeft voor ons dan ook iets van: je moet wel je nederlaag toegeven, je bent een verliezer. Maar dat zit in de genade van God niet. Gods genade verheft een mens. Ik vind het mooiste woord van genade, maar dan genade als een eenmalige daad, bij het bekende verhaal van Esther en koning Ahasveros. Je mocht zo'n absolute heerser maar niet zo naderen, maar Esther, door de nood gedreven, doet het toch. Ze gaat naar koning Ahasveros toe met kloppend hart. Het kon haar dood betekenen, maar als hij haar de scepter reikte... we weten hoe het afliep. Het gezicht van Ahasveros begon te stralen toen hij Esther zag binnenkomen, hij zei: welkom, kom binnen, vraag wat je wilt, al is het de helft van mijn koninkrijk.

Maar nu is het wonderlijke, daarom past het ook bij het dopen als teken van het verbond, bij God is niet een incidentele daad, maar het is blijvend zijn karakter. Bij God is het niet één keer dat Hij dat doet, nee, daar sluit Hij een verbond over en zegt: "Van die genade kun je nu bij Mij op aan, dat zweer ik je, dat Ik zo ben als je zo tot Mij komt." Dat is leven uit de genade en dat wil God kwijt aan alle mensen. Inderdaad, filantropie. En de mensen die daardoor zijn getroffen en veranderd en bewogen, moeten dat weer doorgeven aan alle mensen. Zo zegt Paulus dat tegen Titus: "Het heeft je veranderd, het heeft je gered", -dat woord gebruikt hij. Hij zegt er nog eens extra bij: "Heus niet omdat jullie, jij, nu zoveel beter was, niet om werken der gerechtigheid, niet om dingen die jij nu gepresteerd hebt, daar is de genade niet op gebaseerd, ze is puur om niets aan je bewezen, het komt van God uit. En het geloof is er om die genadegaven van God met open handen te ontvangen. Het wonder van de prediking is, als het kruis van Christus wordt verkondigd: zó is God voor u, om niet. Alles wat u heeft moeten volbrengen is daar aan het kruis voor u volbracht, u bent gerechtvaardigd.

Dat is genade en die moet verder. Dat gaat via het bad der wedergeboorte, zoals Paulus er in vers vijf nog even tussen zegt: 'God heeft ons gered via het bad der wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland.' Het gaat na doop en vervulling met de Heilige Geest. Daar worden we andere mensen van en daardoor verandert onze naam en dat is een nieuwe geboorte die door het teken van de kinderdoop ook wordt uitgebeeld. Je moet die waterdoop zien als een beeld, een teken, zoals een trouwring. Die schuif je aan de vinger van je bruid op een heel plechtig moment. Het betekent een liefdesverbond dat je hele leven verandert, maar het moet daarna natuurlijk nog allemaal inhoud krijgen. Zo is de doop een teken van het verbond met onze kinderen, met daarbij wel in gedachten dat het door de vernieuwing door de Heilige Geest allemaal nog inhoud moet krijgen, want de Heilige Geest is de motor achter alle vernieuwing. Die past toe wat God geeft en gedaan heeft aan ons leven. Daarom noemt de apostel beide in één adem: het bad der wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest.

Als dat tweede er niet direct aan verbonden is dan is het eerste krachteloos, laten we dat niet vergeten. Maar God verbindt er het tweede aan wanneer wij ons naar Hem uitstrekken. Natuurlijk met maar één doel, opdat wij nu ook zelf, en dan zegt hij nog een keer, gerechtvaardigd door de genade, daar bedoelt hij mee in goede verhoudingen staande door die genade daad van God, erfgenamen worden overeenkomstig de hoop op eeuwig leven. Dus we zijn door die genade omgevormd tot erfgenamen van God. Navolgers, zegt Paulus elders. Mensen die de fakkel verder moeten dragen, eerstelingen van de nieuwe oogst. Dat zijn allemaal typeringen, benamingen van Paulus die hij gebruikt voor christenen. Daarvoor is God met ons bezig en dat is altijd maar weer opnieuw dat we leren die genade te laten zien. Die genade die het enige is die onze wereld en onze samenleving toekomst geeft. De vraag waarmee wij deze woorden lezen is: Doen we dat ook? Concentreren we ons daar ook op? Doen we dat iedere dag? Hoe krijgt dat nieuwe bij ons nu inhoud? Hoeveel genade straal u uit? Dat zou Paulus de graadmeter noemen. Hoeveel genade straalt deze gemeente uit, hoeveel genade straalt u uit in uw leven?

Tot slot nog een paar punten daaruit. Genade betekent dat ik zelf niet meer in het centrum van mijn leven sta. Dát is wel ten diepste de kern van wat dat uitwerkt. Ineens is het niet meer wat wíj doen voor God en de mensen, wat in het centrum staat van ons vrome leven, maar wat God gedaan heeft voor ons. Daar kijken we naar, dat is een ommekeer. Ik zou kunnen zeggen: genade is dat we kunnen ontvangen, dat we elke dag ontvangend leven, daar begint het mee. Lege handen laten vullen, genade aannemen en van daaruit het ook uitstralen. Paulus zegt: "In de kerk hoofd- en bijzaken onderscheiden". Hij heeft het over al dat gediscussieer over geslachtsregisters, doe dat niet. Zo kunnen wij er ook wel een aantal noemen. "Je kan je beter concentreren op goede werken", zegt Paulus, "die zijn schoon en nuttig voor de mensen." Daar gaat het om, filantropie in de goede zin van het woord. Liefde voor de mensen, hen weldoen en als zij je wat verkeerd gedaan hebben zeggen: "Vader vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen". Dat bad Jezus aan het kruis en tegelijkertijd altijd als een goed soldaat meelijden met een ander.

Loop niet om de moeite van een ander heen als je die tegenkomt, maar laat altijd iets zien van die verrassing. De verrassing van: als je valt, er is een hand die je draagt. Wees zo een hand die draagt voor een ander. Tenslotte: die genade verspreidt een sfeer van openheid, van vrijheid, van hartelijkheid. Een sfeer waarin iedereen een plek kan vinden, de gehandicapte, de homofiel, de verliezer, de kinderloze, de achterbuurtjongere in de samenleving. Zo kunnen we verder, want je kunt altijd verder met het uitstralen van die genade. Dat is eigenlijk het juk van Christus waarvan Hij zelf zei: "Mijn juk is zacht en mijn last is licht." Dat zijn zo de woorden van Paulus die hij ons vanmorgen in de naam van God meegeeft. Ik begon met de portier uit dat boek, die vroeg aan Christen: Hoe heet je? Hij antwoordde: Christen, maar vroeger heette ik genadeloze. Op die dieptepeiling gingen we in. Aan zichzelf, aan onszelf overgelaten is deze wereld genadeloos. Ik denk aan de wereld in het klein, aan kinderen die niet meekunnen in de klas, kinderen die misbruikt worden. Ik denk aan de harde wetten in onze samenleving van school en universiteit, van het bedrijfsleven.

En spreek me niet over de hardheid van de beurs en de financiële wereld en de stress die dat geeft aan zoveel mensen. Ik denk wereldwijd wat ik op televisie zie, Oost- Timor, de Balkan, brandende flats in Moskou, wat een genadeloze wereld. Dan denk ik: Paulus zat er heus niet naast dat het een genadeloze wereld is. Er zit een genadeloos hart in ieder mens die onrecht doen en onrecht wreekt. Nu, in die wereld is God binnengegaan, heeft Hij een wending aangebracht. Hij heeft het voortouw genomen en dat hebben we gevierd, dat mochten we ook nu weer zien. Die grote wending in Jezus Christus moet natuurlijk wat uitwerken in ons leven, daar zagen we in het slot van. We bidden aan het eind: "Heil hem die hoopt in vrees en beven op Gods genadig aangezicht, want dat alleen geeft ons moed en krachten voor altijd", met psalm 33: 7 en 8. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.