Bijbeltekst: Lucas 17: 5 en 6

Gemeente van Christus, Belijdenis doen is eigenlijk geen eindpunt maar, als het goed is, een startpunt. Juist als je ja gezegd hebt en die keus voor God gemaakt hebt, dan komen er van die momenten waarop je denkt: ja, maar nu haal ik het niet, dit kan ik niet, hiervoor ontbreekt me alle moed en alle kracht. Zo'n moment maken de discipelen hier in de gelezen tekst mee. Vlak voor deze tekst met de vraag: Heer geef ons meer geloof, lezen we dat ze dat vroegen op het moment waarop Jezus het had over zeven keer zeven maal vergeven. Zeven keer per dag, iedere dag, in één week dus zeven keer zeven maal. "Iedere keer als uw broeder bij u komt en hij heeft berouw -dat staat er wel bij!- en vraagt om vergeving, dan moet je uit royaliteit van de liefde van God die vergeving geven". Als de discipelen dat horen en zich indenken wat dat betekent, dan denken ze: Dat halen we nooit!! En dan komen ze met die vraag: Heer, geef ons meer geloof. Er zullen veel momenten komen voor degenen die belijdenis hebben gedaan, dat zo'n gevoel je overkomt, dat je in situaties belandt waarin je helemaal geen uitweg weet of waarin je wel weet wat je zou moeten doen, maar het lijkt je volstrekt onmogelijk.

Dat gevoel van onmacht, dat ligt hier ten grondslag aan die vraag: Heer, geef ons meer geloof. Het is wel opvallend dat de discipelen dan dat vragen, meer geloof. Ze vragen niet: "Geef ons dan meer liefde". Ze weten wel dat die liefde toch weer geloof nodig heeft. Ze zeggen ook niet: "Geef ons meer psychologische vaardigheid om deze situatie aan te kunnen". Ze weten dat dat allemaal wel aardig is, maar als je geen geloof hebt dan loopt het met die psychologische vaardigheden ook allemaal fout. Ze zeggen ook niet: "Geef ons meer kennis". Dat zegt de westerse mens, met meer kennis voelen wij ons sterk. Nee, de discipelen zeiden: "Heer, geef ons meer geloof". En ze zijn verworteld in de schrift, in psalm 111: alle kennis zit gefundeerd, die begint, bij de vreze des Heren. Dus is het eigenlijk wel een hele mooie vraag, er zit al geloof opgevouwen in die vraag. Tegelijkertijd is het ook heel opvallend dat hier plompverloren staat: de apostelen vroegen dit. In vers 1 zien we dat: Jezus sprak tot Zijn discipelen. En dan in vers 5 staat: en de apostelen vroegen Hem: Heer, geef ons meer geloof.

Het is of Lucas door die woorden te kiezen wil zeggen: dit blijft een vraag die echoot door de apostolische kerk heen, en heel de apostolische bediening en het apostolische ambt kan alleen dan functioneren als hier een goed antwoord op gekregen wordt. En zelfs apostelen vragen het: Heer, geef ons meer geloof. Nu het antwoord. Eigenlijk een heel bijzonder antwoord, typisch zo'n antwoord zoals de Here Jezus dat zo vaak doet, want op het eerste oog lijkt het een afstraffing. Je moet die woorden maar eens proeven: Heer, geef ons meer geloof. Als de Here Jezus nu gezegd had: "Wat ben Ik blij dat jullie dat vragen, dit en dat moet je nu doen...". Maar wat zegt Hij? Hij zegt: "Al had je maar het geloof als een mosterdzaadje, dan zou je al het onmogelijke mogelijk kunnen maken!" Hier zit iets in van het terugdringen, eigenlijk van een klap in je gezicht, een beetje een koude douche, vind ik. En dat komt omdat Jezus in die vraag toch iets heeft geproefd van wat we allemaal doen als we in situaties komen van grote nood, of spanning, of druk, moeite of onmacht. Weet je wat we dan allemaal doen? Dan gaan we het zoeken in onszelf. Dan zeggen we: Waar is nu mijn geloof gebleven?

Help, ik heb hier geen geloof!! En zo redeneren de discipelen hier ook, de Here Jezus heeft dat feilloos gezien: Als jullie in moeilijkheden komen dan zoek je het weer in jezelf! Natuurlijk geestelijk, je wilt wel meer geloof alsof het geld is wat je in je portemonnee kunt stoppen, een hele hoop geld, een hele hoop geloof, dan voel ik me sterk dan kan ik er weer tegenaan. Maar zo werkt het niet! En Jezus is zo streng omdat Hij dat punt er bij ons in wil hameren. Hij wil als het ware zeggen: Maar als je nu in nood bent, zoek het dan eens een keer niet bij jezelf, juist dan niet, en zoek het juist dan niet bij jouw sterke geloof, en zeg dan niet: Heer geef me meer geloof, alsof jij je er dan weer op grond van jouw geloof uit kunt redden. Dat is Jezus' eerste hoofdpunt. Maar Hij zegt ook: Eigenlijk is geloven niks, geloven is het helemaal van die Ander verwachten, en al heb je daarvan, -en dan komt het bemoedigende, want het is natuurlijk niet echt een afstraffing-, al heb je daarvan maar zo'n klein flintertje, dan kan God al grote dingen doen. Dat is Jezus' antwoord. Daar wil ik wat breder bij stilstaan. Het eerste is dus aan de ene kant dat terugdringen.

Ik heb haast het gevoel dat de Here Jezus denkt, of zo'n zelfde soort gevoel heeft als wat Petrus had bij Simon de tovenaar. Dat verhaal staat in Handelingen, en die Simon zag Petrus grote dingen doen, en hij dacht: als ik dat nu ook heb, dat geloof, dan kan ik ook grote dingen doen! En hij zegt tegen Petrus: "Wat moet ik daarvoor betalen?" Hij wilde Petrus er wel geld voor geven! Vandaar die krachtige afweer van Jezus: Dat is het niet. Geloof is niet een bezit wat wij hebben, waar wij uit kunnen putten omdat het iets van onszelf is, maar -en dat is dat bemoedigende-, Jezus zegt daarover niet: als je het had, maar als je het hebt. Geloven is eigenlijk een gat, een gat in je hart. Het is een je helemaal opheffen tot God, het is een openheid naar Hem toe, een afhankelijkheid laten voelen, en in zichzelf is het dus niks. Kunnen ontvangen, en kunnen krijgen, en niet in jezelf hebben. En dan zegt de Here Jezus niet -en daar moet ik wel een streepje onder zetten, want dat is niet goed vertaald-, Hij zegt niet: Dat geloof hebben jullie niet dus hou maar op. Als je dat idee zou hebben zit je ernaast. Nee, Hij zegt: "Dat hebben jullie!!

Als je dat geloof hebt, al is het maar een mosterdzaadje, dan zou je tot deze moerbeiboom zeggen: Wordt ontworteld en in de zee geworpen en het zal je geschieden!" Dus het is een realis, niet een irrealis. Dat is een bemoedigend punt, Jezus heeft best wel geproefd dat er achter die vraag van de discipelen al wel dat kleine beetje geloof zit. Want ze vragen het dan toch maar aan Hem. En dat is geloven. Geloven is het van God vragen, en Hem het je laten geven. Dat heeft Jezus geproefd, en daarom zegt Hij : "Al heb je maar een geloof zo flinterklein als een mosterdzaad". En dat "al heb je" heeft Luther goed vertaald en het kinderlied vertaalt het goed: als je een geloof hebt als een mosterdzaad, niet als je het had. U zult het inmiddels wel van de kinderen in uw handen hebt gekregen. Dat mosterdzaadje was heel bekend, het was het kleinste van alle zaden, maar als je dat in de grond stopt en het laat werken, dan groeit het uit tot één van de grootste struiken in het oude oosten. En dat werd natuurlijk een beeld, het is vaker door de Here Jezus gebruikt, en hier wordt het gebruikt voor dat flinterdunne schilletje van geloof wat wij vaak alleen maar hebben.

En Jezus zegt dus: "Al heb je het maar nog zo klein, en je gebruikt het, dan wordt het onmogelijke mogelijk!" Hier leert de Here Jezus ons dus hoe geloof kan groeien. En hoe kan het groeien? Met dat beeld van het mosterdzaadje is eigenlijk alles al gegeven. Je moet het in de grond stoppen, en niet in een donkere kast laten liggen. Of om een beeld uit de computertaal te gebruiken: je moet het aanklikken en activeren, inschakelen, dan gaat het werken, al is het nog zo klein. Het zit misschien maar ergens in een schuilhoekje in je eigen hart, dan moet je daarbij aansluiten. Het zit misschien ergens diep verzonken in je hart, om een voorbeeld te noemen: een gelijkenis als die van de barmhartige Samaritaan: Je zoeft langs een autoweg, en je ziet een automobilist met pech staan, en even flitst het door je heen om te helpen, maar nee. "En hij ging aan de overkant van de weg voorbij". Even twijfelde je, maar toen dacht je aan je afspraak en zoefde je verder. Een gemiste kans. Je hebt dat kleine beetje geloof wat er zat niet geactiveerd. Je hebt er niet naar gedaan. Gauw naar je volgende afspraak. Jammer, het zaadje is niet gebruikt.

Een ander voorbeeld: Je bent ernstig ziek en inderdaad -want je gaat het weer bij jezelf zoeken- je denkt: had ik maar meer geloof! Je ziet als bergen op tegen de dag van morgen. Geloven is heel bewust zeggen: Met morgen heb ik niets te maken. Maar vandaag sluit ik mijn accu aan op die grote krachtbron van God. En ineens geef je Hem de kans om in het heden bij je te zijn, en je bent blij in het heden, en je bent jezelf vergeten wat betreft de toekomst. Die rottige moerbeiboom blijkt ineens ontworteld en in de zee geworpen. Want zo heeft Jezus het natuurlijk bedoeld, het was oosterse beeldspraak. Zelfs het onmogelijke wordt mogelijk, als je met dat piepkleine geloof God maar een kans geeft, als het maar toevluchtnemend geloof is. Dat zeiden de oude gereformeerden, maar het is het natuurlijk wel. De kern van het geloof is dat toevluchtnemende. In zichzelf is het niks, het is een lege hand. Maar een geloof, een piepklein geloof als een mosterdzaadje, wat een kracht kan daardoor in je leven komen! Ineens, in een reuze-conflict als je ruzie hebt met de ander, dan ga je denken: Hoe zou de Here Jezus die man nu zien? En ineens verandert heel je verhouding met die ander.

Het geldt eigenlijk voor alle moeilijke omstandigheden. Laat de Heer er in toe en probeer door Zijn ogen te zien. Dat is eigenlijk dat zaadje in de aarde doen, in de aarde van je eigen leven. Je moet het erin doen, je moet er wel wat aan doen dus, je moet het activeren, mee laten spelen in al je aardse keuzes, dat is dat zaadje in de aarde doen. En doe je dat, dan moet je er natuurlijk wel wat aan toe voegen. Dat is het tweede punt: geen zaadje groeit zonder water en geen zaadje groeit zonder licht. Als je geen beeldspraak wilt gebruiken: geen zaadje van geloof groeit zonder dat het Woord daar aan toegevoegd wordt, zonder dat je je zelf met dat zaad stelt onder de bediening van dat Woord, daar is de kerk voor. Dat is het wezen van de kerk: samenkomen in de gemeente, en de kern daarvan is: je laten beregenen, dat woord van God over je leven laten gaan. En dat kleine zaadje van het geloof in je leven kan ontkiemen. Er moet dus Woord bij, water erbij, regen erop. En Licht moet er aan toe gevoegd worden, als het gaat opgroeien. Licht vind ik de Heilige Geest, dat vind ik de lofprijzingsdienst, dat vind ik het gezamenlijke gebed.

Ruimte geven voor de Geest van God, dat is het licht laten schijnen op dat ontkiemende zaadje. En er dan ook niet aan trekken, laat het maar groeien. Dat is het tweede. En dan tenslotte het derde punt: onkruid wieden! Want er zijn duizend-en-één soorten onkruid, die als je het maar laat groeien, dat kleine ontkiemende zaadje overwoekeren. Jezus heeft daar in een andere gelijkenis over gesproken: geld, rijkdom, een luxe leventje, dat werkt zo, dat overwoekert dat opkomende zaad, het verstikt het. Of je carrière, of je hoogmoed of je jaloezie, al de dingen die eigenlijk dat kleine wonder, dat je leven mag openbloeien naar God, helemaal dichtsluiten. En de New Age- beweging is zo'n vals onkruid, en het sektarisch gelijk willen hebben, het kerkisme in de kerk, en het wetticisme in de kerk, het zijn allemaal van die gemene soorten onkruid die echt het opgroeiende zaad verstikken. Sta daarvoor open en haal het onkruid tijdig weg uit de tuin van je leven. En als je die drie dingen dan doet? 1) Duw dat zaadje van je geloof in de grond van je dagelijks leven 2) Laat water (het woord van God) en licht (de Heilige Geest) toe. 3) Wiedt het onkruid. Dat is echt een bewust werk wat je moet doen.

Als je dat doet sta je onder bijzondere beloften, en daarmee eindig ik. Zoals ik al zei: Zelfs het onmogelijke wordt mogelijk. Dat zegt Jezus. Dat bedoelt Hij met die moerbeiboom. Dat was een spreekwoord in die tijd, een moerbeiboom was bekend omdat hij zulke hele diepe wortels had, hele gemene lange wortels, die kreeg je niet uit de grond. Daarom kiest Jezus die boom als voorbeeld, Hij zegt: "Zelfs die moerbeiboom, als je ertegen spreekt en zegt: wordt ontworteld en in de zee geplant!, dan wordt hij ontworteld en in zee geplant!" Met andere woorden: waar wij menselijk gezien geen weg zien, daar baant God een pad. Dat is het. Een goed voorbeeld daarvan is het volk Israël bij de Rode Zee. Die zagen menselijkerwijs gezien geen weg. De Farao achter zich, water voor zich, en God baande een pad. Soms liggen er inderdaad bovenmenselijke problemen voor ons, een moerbeiboom met die rotwortels. Dat was zo bij de apostelen, en zo zijn in de kerk ook altijd weer mensen tegen die onmogelijkheden opgebotst. Om nog even terug te gaan naar die apostelen, zij liepen op tegen diepgewortelde Grieks-Romeinse culturen, dat was zo'n moerbeiboom. En hij is ontworteld!

En het christendom is doorgedrongen, dat is het wonder. En zo liepen Willibrord en Bonifatius hier in de Nederlanden op tegen die moerbeiboom van het Germaanse heidendom en ze zeiden: "Wordt ontworteld en in de zee geplant!, en hij verdween". Het christendom kreeg zijn volle kracht. En nu zijn we weer op z'n retour, we roepen weer om geloof, want achter die nieuwe religiositeit zit een diep besef van "zo komen we er niet". Kennis helpt ons niet, psychologie helpt ons niet, geld en luxe goederen helpen ons niet: Heer geef ons meer geloof! En dan zegt Jezus: "Zoek het niet bij jezelf, maar laat dat kleine beetje, dat je je lege handen uitstrekt naar Jezus Christus, laat dat actief worden. Als je dat doet, dan verdwijnt die moerbeiboom, die persoonlijke problemen, die weerstanden in de cultuur, dan ga Ik daar op in". Om het kort samen te vatten: Activeer het kleine beetje geloof dat u hebt. Ook een heel klein draadje geeft God al ruimte om te werken. Door een glasvezeltje zijn al die computers op de wereld met elkaar verbonden, het is niks, en daar straalt maar alles doorheen.

"Dus het hoeft maar piepklein te zijn", zegt de Here Jezus, "Maar activeer het, sluit het dan ook aan op de grote Krachtbron, en dan komt Hij door in uw leven, en dan laat Hij zich niet onbetuigd, want Hij is getrouw, en Hij laat niet los wat Zijn hand begon". Amen.