Bijbeltekst: Genesis 25: 19-34 — Uit de serie: Jakob, deel 1

Gemeente van Christus, God is uit op diamanten. Om dat duidelijk te maken, heeft Hij ons in het oude testament de geschiedenis van Jakob gegeven. Want Jakob, dat is de geschiedenis van hoe God een ruwe steen omvormde tot een stralende diamant. Een diamant is het resultaat van immense druk. Men heeft me verteld dat het in wezen bestaat uit net zulk ruw materiaal als wij hier en overal in de grond hebben, maar het is door een enorme druk gegaan, door hitte gesmolten, onder immense druk geperst, daarna gesneden en geslepen. Het treft me altijd weer, vandaar de welkomsttekst, dat in het boek Openbaring de beschrijving komt van het nieuwe Jeruzalem, het zijn beelden van de stad, maar eigenlijk beeld van heel de gemeente, dan staat daar heel uitdrukkelijk: maar de bouwstof van haar muur was diamant. Iedere keer als er een begrafenis is van een ouder iemand, en je in een rouwdienst zo’n heel leven overziet, dan ben ik altijd weer onder de indruk van het werk van God in het leven van mensen. Steeds is dat weer een klein voorbeeldje van hoe ruw materiaal wordt omgevormd tot karakter, tot unieke formaties, tot diamanten.

Die zijn dan nog niet klaar, ze worden door God nog verder gereinigd en geslepen. Maar toch is het leven van oudere mensen, als het goed is, vrucht, en resultaat, van een heel lang vorming- en schaafproces van God, totdat God hen gevormd heeft zoals Hij ze hebben wil, en dat zijn allemaal stuk voor stuk, diamanten. Even een zijspoor, het is dus ook een groot verlies, als ouderen in de samenleving, en ook in onze gemeente, zo gescheiden worden van jongere mensen. Want wij jongeren hebben de ouderen nodig, om in de realiteit te zien waar God op uit is, en hoe Hij in ons leven werkt. Dat besef, dat God aan het werk is om ons om te vormen tot karakters, tot prachtige mensen, verdwijnt in onze samenleving. De bedding is het gezin, het huwelijk, wat onder hoge druk staat en in verval raakt. De schaafmiddelen zijn normen, vaste normen, want zonder dat komt er niets van terecht. Dat zie je dan ook in onze tijd, alles draait om persoonlijkheden die leven in het hier en nu, het gaat om de uitstraling, de look en de glamour, het lichaam, maar dat is iets anders dan waar het in de Schrift om gaat, en in het werk van God in het leven van mensen.

Daarom heb ik heel bewust deze geschiedenis van Jakob uitgekozen, uit het Oude testament, want hij is de aartsvader, waaraan wij leren hoe God werkt in ons leven, dat mogen wij direct op onszelf toepassen, in uw en mijn leven. Van ruw materiaal tot diamant, zou je kunnen zeggen. Het evangelie leert ons dat, wat God in het oude verbond, in Israël, doet onder enkelingen, particulier, dat doet Hij door de komst van Jezus nu universeel, overal waar het evangelie verkondigd wordt. Dat is het nieuwtestamentisch perspectief. God is in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. Dat is de basis op grond waarvan we dat wat God deed in Jakob, direct mogen toepassen op onszelf, ons eigen leven. Zo werkt Hij door Jezus en door de Heilige Geest nu in u en in mij. Zo smelt Hij, zo schaaft Hij, zo snijdt Hij en zo slijpt Hij. Daar gaan we het over hebben: Jakob, van ruw materiaal tot diamant. We lezen eerst over de voorgeschiedenis, dan, in het tweede deel van de tekst over ‘destiny’. Ieder menselijk leven heeft een hogere bestemming. Het derde gaat over de erfelijke natuur. We zij er mee begiftigd, maar ook mee behept. Het is een gebroken gevallen natuur.

Als het vierde, de allesvernieuwende genade van God, er niet bij kwam werd het niks. Zo zien we hoe hier, in dit inleidende hoofdstuk op de geschiedenis van Jakob, de bakens uitgezet worden. Binnen deze vier hoekstenen van persoonlijkheidsgroei voltrekt zich de geschiedenis van Gods vormende omgang met de mensen. We volgen ze met de tekst op de voet. De voorgeschiedenis. Jakob komt niet zomaar uit de lucht vallen. Hij is het nageslacht van Isaäk. Er staat in de eerste zin: dit is de geschiedenis van Isaäk, maar er staat een hebreeuws woord dat je ook mag vertalen met nageslacht. Ik denk ook dat het beter is, want het gaat daarna over zijn nageslacht: dit is het nageslacht van Isaäk. Isaäk zelf was weer de zoon van Abraham. Hij was veertig jaar oud, vertelt de Schrift, dat wil zeggen: op Gods perfecte timing trouwt hij met Rebecca, de zuster van Laban. We herinneren ons uit het vorige hoofdstuk die bijzondere leidinggeschiedenis, hoe God Eliëzer, de slaaf van Abraham, leidt zodat hij de bruid vindt voor Isaäk, de zoon van Abraham. Daar wordt op gezinspeeld, en er wordt verteld, dat, na hun trouwen, Rebecca kinderloos bleef.

Toen bad Isaäk de Here voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar, en de Here liet Zich door hem verbidden, en ze werd zwanger. Deze verzen leggen alles neer wat kenmerkend is voor Jakobs voorgeschiedenis. Allereerst: hij is geboren in een gezin. Ja kun je zeggen, wat een dooddoener. Maar het is toch heel belangrijk om dat te benadrukken, dat God ieder mens doet geboren worden in een gezin, want het gezin is de broedplaats voor persoonlijkheden, daar worden karakters gevormd. Hoge verantwoordelijkheid dus voor de ouders. Neem er de tijd voor, laat je niet opjagen door de 24uurs economie of door carrièredrang. Tijd aan je kinderen besteed is de beste tijd die je kan besteden, e kan het nooit meer overdoen, of inhalen. Heel belangrijk. We zongen het: het is zo weerloos en zo klein, zo’n kindje, maar het komt in een geborgen bedding van het gezin en heeft dat ook nodig. Dat gezin heeft een voorgeschiedenis, die is ook al weer gelegd is door God. Een geschiedenis van leiding, lezen we dan in een paar zinnetjes, van gebed, en van gebedsverhoring. Ik denk dat dat voor ons allemaal heel bijzonder is, we raken dat historisch besef kwijt.

We leven op de naald van het heden, en we moeten weer bijbels leren beseffen, dat we een voorgeschiedenis hebben. Voordat ik, voor dat u, voordat wij er waren, is er al voor ons gebeden. Reken maar dat je ouders gebeden hebben voor je geboren werd. Het was een perfecte timing. Bijzondere leiding van God ook, in het leven van je ouders. Niemand komt zomaar toevallig op de wereld. Wat ze vandaag wel zeggen: je wordt geworpen in het bestaan. Dat is onzin. Je bent ontwerp van de Allerhoogste, en er gaat een immense zorg en planning en pijn soms ook, en timing, aan jouw leven vooraf, voordat je maar iets besefte. Maar nu, als we opgroeien mogen we het beseffen, en het is belangrijk dat we het beseffen, want het bevrijdt je van dat ‘ijle herfstbladgevoel’, wat rondwaart in deze tijd, een gevoel van nietswaardigheid en bestemmingsloosheid. Dat doortrekt onze samenleving als het vergif van de boze, en daar geeft de Schrift dus anti-gif tegen. De hogere bestemming Want wat gebeurt? Ik volg de tekst. Genesis 25: 22 en 23. Rebecca werd zwanger, God verhoorde het gebed en het was een tweeling. Maar die twee trapten en schopten elkaar, er staat een heel sterk woord: stieten.

Dat betekent, ze knokten en vochten met elkaar, zo erg, dat het Rebecca tot wanhoop dreef. Ze gaat er mee naar God en zegt: waarom moet mij dit overkomen? Dan onthult God haar een geheim. Ik moet erbij zeggen: dat is uniek in Rebecca’s leven, dat Hij het haar onthult. Normaal krijgen wij dat niet te horen. God zegt: Twee volken zijn in uw schoot, twee natiën zullen zich scheiden, en de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar zijn. Dat gaat tegen alle menselijke wetten in, dat is abnormaal. Dat er twee keer en groot nageslacht uit haar geboren wordt, is een hoge roeping. Maar hoe het met die twee zal gaan, dat gaat tegen ieder normaal menselijk verwachtingspatroon in, want logisch is de jongere ondergeschikt aan de oudere, zeker in die tijd. Maar God keert het om, zo zal God het regelen. Dat heeft niets met menselijk handelen of verantwoordelijkheid te maken, het is ergens hier, in dit tweede deel, een soort hogere bestemming, die God hier duidelijk maakt. Ik zei al, normaal weten wij dat niet, maar het is er wel. Boven ieder mensenleven hangt zoiets als een hogere bestemming.

De Engelsen noemen dat ‘destiny’, de humanisten zeggen: dat is je lot. Maar daarachter zit een besef van iets heel reëels, en dat is: hoeveel we ook denken zelf te kiezen, het meeste in ons leven overkomt ons. Je vrienden, je werk, je partner, de plaats waar je woont, je kinderen. Natuurlijk, je bent daarin zelf actief, en toch tegelijkertijd gebeurt het met me, en het gaat ook niet altijd zoals ik het wenste. Zo is het ook hier, een soort van hogere bestemming. Esau vocht ertegen, en het hielp niet. Het is de kunst om er vrede mee te hebben, en het kan, als je tenminste mag geloven dat achter die hogere bestemming ook een hogere hand zit! En die hogere hand is uit op iets heel moois. Kijk maar hier. Wat we hier leren is de grondwet uit het hart van God: niet wat sterk is is groot, maar wat echt zwak is, dat kiest Hij uit. Het is de allerzwakste van de mensen, die Hij tot de allergrootste van de mensen gemaakt heeft, de gekruisigde. Bij de doop zien we dat, het is als een diepe zee, waarin je toch maar gaat, en er gebeuren dingen met je, maar God geeft je een taal, een teken mee, en dat is een heilgeheim. God wil met u verbonden zijn, en Hij is nabij, waar je ook bent.

Dan kan je het aan, dan ga je ook zien hoe Hij in die kaders met je bezig is, bezig met iets heel moois. Want God is bezig om ons om te vormen, van ruw materiaal tot karakter. Dat is de basis, daar gaat straks dat vierde punt nog breder over door. Maar eerst vervolgen we nog even de geschiedenis van Rebecca, en haar zwangerschap. Erfelijke natuur Genesis 25: 24-28. Toen haar dagen vervuld waren dat ze baren zou, waren er tweelingen in haar schoot. Twee ieder totaal nieuwe schepsels. Een helemaal met haar overdekt, die noemde ze dan ook Harry. Esau betekent harig, dus Harry, harig. Zo klonk het in die tijd. Het tweede kind werd geboren en hield de hiel van zijn broer vast, en die noemden ze dus Hieltje, hielvasthouder. Volgens sommige exegeten zit er al iets negatiefs in die naam, iets van pootjeslichter. Maar dat geloof ik niet. Ik denk dat het alleen iets is van: hij hield de hiel vast van zijn broer, het is een vechter, een strijder, en ze noemden hem naar dat gegeven. Maar het hoofdpunt is hier: twee unieke namen drukken al direct uit dat hier twee verschillende mensen geboren worden. Een stapje verder: niemand van ons kiest zijn eigen erfelijk materiaal.

We krijgen het gewoon allemaal maar mee, we hebben het niet zelf gekozen, en we moeten het er maar mee doen. Is het perfect, of wil je het tegendeel. Onze natuur is door de zondeval verdorven geraakt. Esau is een potentiële Lamech, een killer. Jakob is een potentiële farizeeër, een bedrieger. Met jagen is niets mis, en met huiselijk zijn, aandacht hebben voor agricultuur ook niet. Een mooi, rossig, harig lichaam hebben is prachtig, en Jakobs slimzijn is ook geen ondeugd. Dus steeds zie je mooie creatuurlijke gaven aan de ene kant, en zondige, donkere driften en neigingen aan de andere kant. Ze liggen door elkaar in de mens, ze zitten gemixt in ieder van ons. De mens wordt dus niet als een onbeschreven blad papier geboren, zoals veel humanisten denken. Zoals ik al zei in de inleiding: we zijn ruw en weerbarstig materiaal. Het is belangrijk dat in het oog te houden bij de opvoeding. Aan de ene kant betekent dat: verwen je kinderen niet. Ze hebben leiding nodig, ze moeten normen leren: normen vormen. Maar geniet tegelijkertijd ook van ze! Want ze hebben een unieke persoonlijkheid, uniek materiaal, als je het zo mag zeggen, van hun Schepper meegekregen.

Dat moeten ouders er uit beminnen. Ze moeten hen bevestigen, ze moeten dat zien, ze moeten ervan genieten, en die uniekheid er uit beminnen. Zo zie je dat ook bij Rebecca en Isaäk. Ze houden van de unieke kwaliteiten van hun kinderen. Wildbraad van de jacht bij de één, en huiselijkheid bij de ander. Dat is natuurlijk fout, als de ene ouder het ene, en de andere ouder het andere kind voortrekt en bemint. Dat gaat straks grote problemen opleveren, daarin moeten we hen totaal niet navolgen. Maar het laat wel zien dat we als opvoeders zelf ook met fouten behept zijn, maar dat we moeten leren, leren van anderen, leren vanuit de Schrift, leren uit het voorgeslacht, en als conclusie bij het derde punt: zie je kinderen nooit als kopie van jezelf! Laat staan dat je ze zo wilt kneden. Nee, bevestig ze in de uniekheid van, ieder zijn eigen, gaven. Leef ze voor, hoe je alleen binnen de tien geboden karakter krijgt. Maar gaat dat zomaar? Genade van God Nee, dat gaat niet zomaar. Alleen als de genade van God in ons leven werkt en ingrijpt, snijdt, smelt, schaaft, schuurt, alleen als die genade van God er in grijpt, dan komt er pas echt wat van terecht.

Dat is natuurlijk, als in een climax, wel het meest belangrijke waar de Schrift in de Jakobsgeschiedenis alle licht op laat vallen. Ik heb het nu over de genade van God, maar het wordt natuurlijk hier in dit slotverhaal, vers 27-34 anders genoemd. Het heet daar het eerstgeboorterecht. Dat is in de geschiedenis vanaf Abraham, Isaäk, Jakob, en dat gaat zo verder, onlosmakelijk verbonden met de Abramitische zegen. Die moet je er achter zien staan. Daar zit alles in: Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en door uw nageslacht alle volken van de aarde zegenen. Dat is de zegen die God daar verbindt aan Abraham, Isaäk, Jakob en zo gaat het door de geslachten heen. Dat is Gods reddende heilsplan. Het is zijn ingreep in de zieke wereld, die natuurlijk straks zal uitlopen in de komst van Jezus. Esau heeft dat eerstgeboorterecht. Maar Esau is een man van het heden. Hij is ruw, hij is eerlijk, hij is een brok natuur. Jagen, vissen, eten, drinken, maar verder, lees je hier en dat zeggen wij ook zo, zit er niets bij. In bergen en in dalen, maar nergens ziet hij God.

Als hij dan een keer op een avond, zoals wordt verteld, terugkomt van de jacht, dan ziet hij daar hoe Jakob een gerecht heeft gemaakt, rode linzen, en dan zegt hij: "Laat mij slokken van dat rode, dat rode daar!" Dat 'slokken' is een heel uitdrukkelijk gekozen woord. Daar zit alles in, van gulzigheid, van vergaan van dorst en honger: geef mij dat. "Trouwens, vergaan doen we tocht allemaal", zegt Esau later cynisch, als Jakob hem z'n eis stelt. Want Jakob komt hier al in naar voren als de sluwaard. Hij ziet zijn kans, en zegt: "Je kunt alles krijgen, op een voorwaarde, verkoop je eerstgeboorterecht." En Esau stemt toe en zegt: "Wat kan dat mij schelen, ik ga toch dood, dus wat heb ik er uiteindelijk aan?" En zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht. Dan volgt dat slot: en hij at, hij dronk, hij stond op en ging heen. Het lijkt haast alsof de schrijver in deze zin, in vier korte stoten, zijn gevoel heeft willen leggen. Dat was het dus. Hij at en hij dronk, hij stond op en hij ging heen. Zo verachtte hij zijn eerstgeboorterecht. Dat was zijn leven, zo ging het. Zo gemakkelijk ook ging het. Vers 34 doet me zeer, ik zou erbij kunnen janken.

Ik zie namelijk achter Esau, eigenlijk al die mensen die gedoopt zijn, in ons land en daarbuiten, maar die het verloochenen. In het nieuwe testament worden alle gedoopten eerstelingen genoemd. Heel de gemeente, met hun kinderen, worden door Jakobus uitverkoren genoemd, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder de schepselen. Ze delen in Jezus' eerstgeboorterecht. Bij de doop worden we in het verbond van God met Abraham opgenomen. Daarin belooft God ons zijn genade. Die heilskracht van God gaat ons veranderen tot een zegen, en het stelt ons tot een zegen. Van ruw materiaal tot diamant, God doet het. Bij het doopvont zingen we: zo komt jouw leven aan het licht, zo krijgt het zin, zo krijgt het zicht. Gods adem heeft je aangeraakt en je tot bondgenoot gemaakt. Maar wat zeggen de meeste gedoopten, van ons land? Toch ook dit: "slokken van dat rode, dat rode daar. Er is de natuur en alles wat dat aan heerlijkheden te bieden heeft -en het heeft wat te bieden- en daar gaan we voor, en dood gaan we toch! Laten we eruit halen wat er uit te halen valt!" Ze eten, ze drinken, ze staan op en ze gaan heen. Zo verachten ze de genade van God, en dat is verschrikkelijk.

Want zonder die genade van God verruwen we en vervallen we. Is het niet nu, dan wel de volgende generatie, maar het gaat gebeuren. Waant waar gaat het om draaien? Om het leven in het moment. De look en de glamour, het lichaam, de schittering van het moment, het succes, wat je hier en nu bevredigt. Let maar op het persoonlijkheidsideaal wat vandaag hoog aan de lijst staat, in de soapseries op televisie, in de politiek, in de geldwereld, overal. Ze zijn geen diamanten, maar ze zijn plastic. Het zijn geen karakters, maar sterren en zeepbellen. Er zit een afgrond van nihilisme onder: laten we eten en drinken, morgen sterven we. In de vorige eeuw was er een bekende schrijver, die zei: "leer de natie haar doop verstaan, want als ze dat doet zal ze gered worden." En dat geldt tot vandaag toe. Want wat is nu de kern van de doop? Dat is dat we in Christus worden ingelijfd. Christus is de eerstgeborene, Hij heeft die zegen van Abraham en het eerstgeboorterecht al in die Ene Persoon verenigd, regelrecht zaad van Isaäk, de Zoon. Bij de doop verzekert God ons dat wij delen in dat eerstgeboorterecht.

Alleen als we ons daar aan geven, dat in ons toelaten, dan komt er iets van ons terecht, dan kan Gods genade door ons de wereld in. Wat Esau betreft, hij krijgt later een tweede kans, daar komen we nog op terug. Hij wordt dienstbaar aan zijn broer. En Jakob? Ja, die denkt dat hij er is. Maar er is nog zoveel oude natuur in hem, zoveel schijnheiligheid en bedrog, zoveel zelf naar zich toehalen, want dat doet hij. Zoveel, dat het God nog moeite zal kosten om hun hem een diamant te scheppen. Maar daar zullen we de volgende keren breder bij stil staan. Voor dit moment houden we voor ogen, houden we vast aan wat we op zo'n bijzondere wijze in dit eerste hoofdstuk over Jakob gezien hebben. Samenvatting 1. God is uit op diamanten, Hij laat ons als in zonde gevallen zonen en dochters van Adam niet los. Jakob staat model. In hem leren we het wonder beseffen van onze voorgeschiedenis. Er is voor mij gebeden voordat ik bestond. Het was een perfecte timing en bijzondere leiding. 2. Ik sta onder hogere bestemming. 3. Ik ben begiftigd en behept met een erfelijke natuur die ik zelf niet koos maar meekreeg. 4.

Maar daarover welft zich de genade van God, die zeer krachtig werkzaam is in Jezus Christus onze Heer. Amen