Bijbeltekst: Genesis 49 : 18 — Uit de serie: Jakob, deel 10

Gemeente van Christus, Een oudejaarsavond heeft wel iets van een sterfbed. We dragen, bij wijze van spreken, het oude jaar ten grave. Zoals een sterveling op zijn sterfbed een heel leven moet loslaten, heeft het wel wat om op deze oudejaarsavond de lezingen over het leven van Jakob, die we al twee maanden houden, te besluiten. Nu vanavond Jakobs sterfbed, een passende afsluiting van dit jaar. Als je dit zo leest, dit hoofdstuk 49 uit Genesis, waarin staat: Jakob trok zijn voeten op zijn bed, gaf de adem en werd tot zijn voorgeslacht vergaderd, het einde van Jakob. Wat valt nu op in dit hoofdstuk? Alleen al het opschrift, het begin en het eind, de toon van het hele hoofdstuk, het moeten ons treffen dat Jakob zich in de laatste momenten van zijn leven maar met één ding heeft beziggehouden, en dat is de overdracht van de zegen die verder moest. En het gebeurde, terwijl hij hen zegende dat hij van hen scheidde. Waar lezen we dat? Een bekend woord. Zo eindigt het evangelie van Lukas. Zo is Jezus geëindigd. Toen hij naar de hemel opvoer, is hij opgevaren met zegenende handen. Terwijl Hij hen zegende scheidde Hij van hen. Hier, bij de aartsvader Jakob, kunnen we dat letterlijk overnemen.

Het gebeurde dat terwijl hij hen zegende, hij van hen scheidde. Hij gaf ieder van zijn zoons zijn eigen zegen. Het tweede wat opvalt is dat Jakob niet terugkijkt, maar vooruitziet. Zijn grondhouding is: wachten op wat nog komen moet. Hij kent de geschiedenis, hij kent het gevaar van de vrouw van Lot. Ten derde. Hij zegt: "Op Uw heil wacht ik." Dáár komt het op aan. We zien hier hoe Jakob tenslotte, aan het eind van zijn leven, nog maar op één ding richt, en dat is: "Ik wacht op Uw heil." Wat betekent dat? Daar wil ik mee beginnen, met dit derde punt, vandaar naar het tweede, en dan weer uitkomen bij de zegen. Ik wacht op Uw heil Wat betekent dat woord, vers 18? Het bevat als een kernachtige korte zin een verzuchting van Jakob. Midden tussen die spreuken waarmee hij zijn zoons heenzond een verzuchting van Jakob waaraan wij ons vanavond, op oudejaar, ook mogen vastklemmen en aan optrekken. Op Uw heil wacht ik. Het staat er zo maar ineens tussenin. Eigenlijk past het er helemaal niet. Hij begint bij zijn zonen, ieder geeft hij een spreuk voor de toekomst mee, zegenspreuken.

Er zijn nogal wat exegeten die beweren dat een latere overschrijver -u weet dat alle teksten van geslacht op geslacht werden overgeschreven, eerst door rabbijnen, later door de monniken- het er in de kantlijn heeft bijgezet. Die heeft dat gelezen, de lotgevallen van de twaalf stammen van Israël, want daar gaat het hier over, je proeft tussen de woorden van die zegenspreuken in dat het heus niet alleen een toekomst zal worden van rozengeur en maneschijn. Er vinden ook pijnlijke dingen plaats en er is strijd. Soms ook staan er gerichtswoorden bij, met twee pieken: Juda, uit u komt de verlosser, Silo, de heerser, die Israël zal hoeden als een herder, en voor wie de volkeren zullen buigen. Jozef, die de verlossing ontvangt en zegenrijk verder draagt. Maar de andere stammen, alleen al de vergelijking met de dieren, waar Genesis 49 door opvalt, maakt het in een blik duidelijk. Daar zit iets dubbelzinnigs in. Dan is een slang, Issaschar een ezel, Naftali een hinde, Benjamin een wolf. Daar kan het mooie beeld van Juda als een leeuw niet veel aan veranderen. Andere stammen zullen in hun gedrag, in hun lot, meer lijken op het dubbele gedrag van de slang, de ezel, de hinde en de wolf.

Jakob spreekt hier geen suikerzoete beloften uit. Het zijn visionaire voorspellingen. Je kan er zo de geschiedenis van het oude en het nieuwe testament naast leggen. Heil en onheil, hoogte en diepte, licht en donkerte, ze liggen hier doorheen gemengd. Veel exegeten zeggen dan ook dat de overschrijver hier zelf tussen heeft gezet: maar het gaat hier bij dit alles toch om Uw heil, op Uw heil hoop ik, Heer. Maar ik zou zeggen: waarom zouden we die verzuchting nu niet juist in het hart van Jakob laten? Zo gelezen, laat dat ene zinnetje nu juist precies zien, waar Jakob na zijn lange bewogen leven nu uiteindelijk uitgekomen is. Hij zegt: "De geschiedenis gaat verder, ze gaat voort onder de leiding van God. Die achtergrondgeschiedenis zal er steeds doorheen breken van het heil van God. Maar de voorgrondgeschiedenis zal nog wat te zien geven aan pijn en conflict en moeiten. Maar uiteindelijk reikt het heil tot eeuwige heuvelen. Als hij dat zo zegt, komt hij tot die grondbelijdenis waar heel zijn leven in uitmondt: "Op Uw heil wacht ik, o Here." Wat is dat nu, dat heil waar Jakob hier van spreekt? Dat ene waar hij zich naar uitstrekt?

We lazen in Mattheüs 13: het Koninkrijk der hemelen laat zich vergelijken met een zaad dat uitgezaaid wordt in de akker van de wereld. Maar een boos man zaaide er onkruid tussendoor en beide kwamen op. Maar de diepe drijfkracht blijft dat eerstgezaaide zaad. Die primeur zet door, het zaad van de belofte van God, het zaad van Koninkrijk. Daar mondt straks dan ook alles in uit. Als je op de vertaling let, valt het wel op dat iedere tijd en iedere vertaling zijn eigen keus heeft gemaakt. Wanneer je de oude statenvertaling leest, zegt die op Uw zaligheid wacht ik. Als je Groot Nieuws leest, staat daar bevrijding. Willibrord heeft redding. Wij lazen in de nieuwe vertaling: heil. Je zou kunnen zeggen: je kunt uit de keus van de vertaling afleiden hoe mensen dit woord hebben ingevuld. In de tijd van de Statenvertaling dacht men aan zaligheid, dat wat je bij het sterven ontvangt als de mens bij God komt, in de hemel is, een redding weg van de aarde met al haar pijn en moeite. Groot Nieuws, geboren uit de geest van de zestiger jaren, doet precies het omgekeerde, het spreekt van bevrijding, dat is een politiek woord.

Het wil daarmee zeggen: Gods heil heeft alles te maken met redding van gevangenen, van armen, van verdrukten, hier en nu op aarde. Willibrord houdt het maar neutraal en kiest het neutrale woord redding, wat wij ook kennen, het is modern, denk maar aan reddingsboei, reddingsoperatie, je kan het naar alle kanten toe invullen. Maar kan je met dit woord wel alle kanten op? Laat je de Schrift dan niet buikspreken? Als iedereen maar invult wat hij zelf verwacht, als we de woorden gaan invullen met onze dromen? Moeten we dat doen? Nee, het woord wat er eigenlijk staat in het hebreeuws is 'jeshua', dat wat Jozua gaat doen. Hij voert hen in het beloofde land. Dat wat Jezus gebracht heeft, die naam zit erin. Dat wil zeggen: het begint heel aards en reëel in de geschiedenis. Er zit inderdaad een bevrijdende kracht in de belofte van God die Hij aan Israël gaf en die van Abraham af als een zegen de wereld in gaat. Daar zit bevrijdende kracht in, hier en nu. Maar het stoot door, door de geschiedenis van Jozua en Jezus heen tot de komst van het Koninkrijk, en tot, -wat hier al staat-, de hemelse hoogten van de eeuwige heuvelen. Dat wat zich aan gene zijde van alle aardse verwachting ontplooit.

Dat wat we verwachten als straks het Koninkrijk binnenkomt en daar de vreugde is van het feest. Heil, in de vertaling van Het Boek en van de nieuwe vertaling, heeft het nog het beste getroffen. Inderdaad, op dat heil wachten we. Die heelheid, dat heel de schepping, uw leven, mijn leven, gaat beantwoorden in al zijn aspecten aan de bedoeling van God. Dat heil is gegeven, beloofd aan Abraham, opgekomen uit Juda, het is de wereld ingedragen door Jezus. De oude Jakob zegt: "Op dat heil wacht ik, daarnaar zucht ik." Straks zal het uitkomen in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Dan is het zaad van het Koninkrijk volledig ontkiemd. Uitgegroeid tot de boom van het Koninkrijk. "Op dat heil wacht ik", zegt Jakob. Wachten op wat komen gaat Ik ga nu over naar dat tweede punt. Dat wachten op het heil is het enige wat in Jakob leeft. Heel zijn bestaan is daarin uitgemond. Met open handen wachten op het heil van God. Daar wil ik iets meer over zeggen. Misschien denkt u: "Is dat niet een beetje mager, alleen maar wachten? Bovendien, voor een modern mens is wachten ook irritant. Wachten?

Wij slaan liever de hand aan de ploeg!" Ik lees weer een klein stukje uit die gelijkenis: Toen de knechten van de heer zagen dat het onkruid opkwam, tegelijk op met het goede zaad, zeiden ze tegen de boer: heer, zullen we het er niet direct uittrekken? Maar de heer zei: nee, doe het niet, je zou onherroepelijk ook het goede koren beschadigen. Laat het rijpen tot de oogst. Dat is nu de wondere werking van het zaad van het heil van God. Het moet rijpen, en rijpen en wachten zijn in de bijbel één. Wachten is ook ruimte geven om te rijpen. Wachten is in de bijbel iets heel anders dan bij ons. Bij ons is wachten de verkwisting van je tijd. Het is zinloos, je doet niets, je produceert niet, je werkt niet, je wordt op non- actief gezet. Erg is dat. Het geldt al voor de kleinste vorm van wachten, maar ook voor de grotere vormen. We voelen het bijna altijd als een last. De kleine vorm van wachten, staan in een file, je nummer afwachten op het postkantoor, maar het geldt des te meer voor grotere vormen van wachten. Wachten tot je voor een studie bent ingeloot, wachten op een kind, wachten op een baan. Wachten staat bij ons in een negatief licht.

Wonderlijk dat je in de bijbel leest dat wachten nu juist één van de grootste dingen is die de gelovige moet opbrengen voor God. De bijbel spreekt in Hebreeën 11 over de grote gelovigen in het oude verbond. Als je dat hoofdstuk doorleest moet het je treffen dat ze allemaal op één punt door God werden geprezen, en dat is dat ze dwars door alles heen hebben volgehouden te wachten. Abraham, Mozes, Jeremia, Daniël, geen van allen hebben het beloofde gezien, maar ze hebben het blijvend verwacht, ze hebben zich ernaar uitgestrekt als ziende het onzienlijke, alsof ze het al bezaten, maar nu alleen nog moesten ontvangen. Wachten is dus in de bijbel met alle vezels van je bestaan, je naar iets uitstrekken. Het woord is gemaakt van het zelfstandige naamwoord 'snaar'. Er staat dus iets wat wij ook in het Nederlands kennen: 'een gespannen verwachting'. Een snaar is gespannen. Eigenlijk staat er: op uw heil 'snaar' ik, ik strek me er naar uit, in een gespannen verwachting. De bijbel zegt: Dat is geen verkwisting, het is niet zinloos of vervelend of saai, nee, het is het belangrijkste wat we doen. Want het schept de voorwaarde voor groei. Het gaat hand in hand met rijpen.

Wie met heel zijn hart zich richt op het heil wat God brengt in de wereld, die groeit eraan. Ik geef een klein voorbeeld. Ziek zijn is een vorm van wachten. Je wordt op non-actief gezet. Ik sprak iemand die een zware leverziekte gekregen had. Daar moest hij een jaar voor kuren. Hij zei tegen mij: "Achteraf had ik dat jaar van mijn leven nooit willen missen. Ik vond het vreselijk toen het begon, liggen in bed, veertig jaar oud, met tientallen plannen over wat ik allemaal nog wilde doen. Maar ik moest liggen. Maar toen is de Here mij dingen gaan leren. Ik ging me afvragen: waren die doelen waarvoor ik zo voortraasde en al mijn tijd aan besteedde nu echt de moeite waard? Of waren ze toch heimelijk ergens mijn afgoden geworden? Wat ik in mijn activisme permanent verdrong kwam nu boven. En dan die gesprekken aan bed, met familieleden die je anders nooit alleen sprak. Dingen kwamen boven die ik eigenlijk had weggestopt. Ineens kon ik dingen verwerken die ik had verdrongen. Er kwam ruimte vrij om keuzes te maken. Veel van mijn eerste activiteiten waar ik zo graag mee was voortgeraasd, kwamen me toen onbelangrijk voor. Mijn hele prioriteitenlijst veranderde.

Ik ging verder, verrijkt door dat jaar." Daar moet ik aan denken, aan dat voorbeeld, wat er gebeurt als een mens wacht. Wachten is dus reinigen, gereinigd worden. Wachten is leren verwerken, wachten is echte keuzes kunnen maken en dat doen met de snaar gespannen op dat wat God in je leven wil gaan doen. Passieve activiteit, noemde Schaeffer dat. Hij keerde dat ook graag om. Hij zei: het is ook heel actief, actieve passiviteit. Wachten is inderdaad in de eerste plaats passief, het is God zijn werk laten doen. Op Hem letten, letten op het groeien van het zaad, in je en rond je. Tegelijk is het ook met alle vezels van je bestaan ernaar uitzien en heel actief meewerken. Het onkruid om het zaad wieden, begieten, snoeien, en waar het bloeit genieten van de vruchten. Dat hoort er allemaal bij. Dat alles hoor ik in het woord van Jakob doorklinken, als hij ons dit woord meegeeft. Als hij zegt: "Daar komt het toch uiteindelijk op neer. Op Uw heil blijf ik wachten, o Here." 'Here' betekent hier de naam van het verbond, Jahwe, die pas eeuwen later aan Mozes wordt uitgelegd. Het is: 'Ik ben er voor jou'. Dat is Uw naam, en op Uw heil wachten we. Gegronde verwachting Tenslotte.

Het is niet alleen een gespannen verwachting, maar ook een gegronde verwachting. Het heil is gegrond in zegen. Ik begon met te zeggen dat Jakob op zijn sterfbed eigenlijk alleen daarmee bezig was, met dat doorgeven van die zegen. Het geschiedde dat terwijl hij hen zegende, dat hij van hen scheidde. Die zegen zat eigenlijk ook meer in Lea dan in Rachel. Jakob heeft Rachel bemind. Maar, heel opvallend, bij Lea laat hij zich begraven, in de spelonk van Machpela, waar ook Abraham en Sara, Isaäk en Rebecca begraven werden. "Waar ik ook Lea begraven heb," zegt hij. Ik denk: in Lea zag je de eerste zegen. Uit Lea kwam Juda, uit Juda Jezus Christus de Verlosser. Die spelonk van Machpela, dat was ook de eerste zegen van God aan Abraham gegeven. De eerste landtong van het beloofde land dat al eigendom was van het volk van God. De eerste landtong van het Koninkrijk, daar wil Jakob zich laten begraven. Daar zit weer die totale verbondenheid aan de zegen achter. Die zegen is iets aards. Het is de manier waarop God zijn beloften in het heden vervult. Zo zou ik de zegen van God willen omschrijven. Land, oogst, kinderrijkdom, dat is de grondslag van ons heil.

Wij verwachten dat wat daar gebeurt: die vervulling van de belofte, vandaar trekken wij lijnen naar de toekomst. Vandaar zeg ik: het is gegronde verwachting, het al gezaaide zaad ontkiemt. Jakob zendt zijn zonen de toekomst in met gegronde verwachting. Daarom is het zo treurig wanneer een leraar van de kerk, pas geleden, voor de televisie uitspreekt dat het misschien wel mogelijk is dat hij aan het eind van zijn leven zal concluderen dat we hersenschimmen zijn nagejaagd. Dat is gezegd door een hoogleraar theologie: Je klemt je eraan vast omdat je niks anders hebt. Maar het heil van God, waar hier Jakob van spreekt, is gegronde verwachting, dat berust ergens op! Het ligt bij Jakob ingebed in de zegening die hij al had gezien, die zich al begonnen te vervullen in zijn leven. Hij zegent zijn zonen één voor één, ondanks al hun falen, daar gaat hij niet aan voorbij, hij zegent ze één voor één om hen die gegronde verwachting mee te geven. Hij zegende ze ieder met een eigen zegen. Daar is die heilsverwachting op gegrond. We hebben vaste grond onder de voeten en dat is wat God al gegeven heeft. Wat Hij gaf in Jakob, in Jozef, in Juda, in David, en in Jezus.

Wij vieren dat als feest, Goede Vrijdag, Pasen, Pinksteren, wat Hij in de geschiedenis al heeft ontvouwd. Daarop is onze heilsverwachting gebouwd. "Op 'jeshua' wacht ik, Jahwe", zegt Jakob. Het zijn eigenlijk maar drie woorden: 'jeshua', 'wacht ik', 'Jahwe'. Die drie woorden zet Jakob midden tussen de zegenspreuken. Die zegen is zich aan het vervullen en ze gaat voort. Ze vraagt van ons het besef: nee, we staan nog niet aan het eind, maar we hebben alle grond en reden om dat laatste uitbloeien van het zaad van God en van zijn beloften te verwachten en het tegemoet te zien, en ook het te bevorderen. Dat alles spreken we met Jakob uit aan het eind van dit jaar. We hebben gegronde verwachting. Veel zegen heeft zich voltrokken, maar er blijft toch een onvervuld slot. Wanneer komt het? 1999? De laatste vervulling van zijn belofte, als de bruidegom binnenkomt en we met brandende lampen hem tegemoet mogen gaan? In het jaar 2000? 2010? 2050? We weten het niet. Maar bij het tellen van de jaren, bij het voorgaan in de tijd maken we dit woord van Jakob tot het onze: "Heer, op Uw heil wachten we! Geef ons zo Uw toekomst in te gaan, met onze kruiken vol olie, om die brandende te houden".

We willen Hem danken voor de zegen die ook wij hebben mogen zien in het jaar 1998. Zeker, er is ook veel geweest wat pijn deed, en veel verdriet, maar we mogen ook met Jakob onze ogen houden op die zegen die God geeft, die wij mogen doorgeven. Samenvatting Jakobs sterfbed valt op door echtheid, door gegronde verwachting en door gelouterd vertrouwen. Dat is toch het prachtigste beeld dat we van Jakob kunnen ontvangen. Daar mondt het bij Jakob in uit. Echtheid, het was echt, echte zegen, echt verdriet, echt onkruid naast echt zaad, echte vervulling van Gods belofte naast echt gemis , echte gronden voor het heil dat wij verwachten en geen hersenspinsels. In dat alles is God reëel aanwezig. En wij, we gaan met Jakob in het hart het jaar, de eeuw uit en het nieuwe in. We doen dat met gegronde verwachting en met gelouterd vertrouwen: op Uw heil wacht ik, o Here. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.