Gemeente van Christus, Jakob, dat is voor mij de geschiedenis van een man waarin God laat zien hoe Hij mensen verandert. Ik denk dat Jakob ons daarom in de bijbel gegeven wordt, als een soort model. Het is heel belangrijk is om daar bij stil te staan, omdat we in deze geschiedenis zien dat God echt werkt. Dat Hij niet een God is van ver weg, van hoog in de hemel, maar dat Hij Zich verbindt, met alle ins en outs, alle details van ons eigen kleine mensenleven, en dat Hij daarin werkt. In uw leven, in mijn leven, daarvoor hebben we deze geschiedenissen gekregen, om dat te zien. Deze geschiedenis leidt onze blik steeds op God, die als het ware de grote beeldhouwer is, die met zeer weerbarstig en keihard, ruw marmer omgaat, maar die voortdurend bezig is zijn werk te doen, om te vormen, naar het beeld van zijn Zoon. Daarom lazen we aan het begin van de dienst Romeinen 8, daar staat met zoveel nadruk dat heel het werk van God, vanaf Abraham, doorgaand naar Israël, en naar de verschijning van zijn Zoon, en dan naar de uitstorting van de Heilige Geest. En waar gaat het dan om? Dat wij allemaal zullen worden omgevormd naar het beeld van zijn Zoon, die daarom dan ook de Eerstgeborene heet.
Daar is God mee bezig. Die geschiedenis van Jakob is ons daarom gegeven. Bij de eerste aartsvader, Abraham, wordt ons verteld over het verbond, hoe we recht staan tegenover God. Dan komt Isaäk, daarin gaat het over de zoon, in wie het verbond van God gestalte krijgt. Isaäk zelf komt als persoon niet zo voor het voetlicht, maar daarna komt Jakob, in hem maakt de Here duidelijk waar het Hem bij u en bij mij om gaat. In het nieuwe testament wordt dat genoemd: de oude mens afleggen en de nieuwe mens in Christus aandoen. God is aan het werk, heel reëel, in uw en mijn leven. Jakob is de geschiedenis van die persoonsverandering, transformatie. Dt zien we ook weer in Genesis 27. In Genesis 25 zagen we de geboorte en de jeugd van Jakob, van ruw materiaal tot diamant. Daar leidden we toen die 4 punten uit af, die ik nog even herhaal. We hebben een voorgeschiedenis, er is voor ons gebeden al voor we geboren zijn. We hebben een hogere bestemming, die we zelf meestal niet weten. We hebben allemaal ruw, erfelijk materiaal in ons. Daar overheen welft zich de genade van God, die daarin aan het werk gaat.
Waarom ik dit nog even laat zien, is omdat dit hoofdstuk aansluit bij die allesvernieuwende genade. We gaan dus op dat vierde punt verder, maar komen ook in de loop van deze uitleg op die andere punten terug, over dat ruwe, weerbarstige materiaal, en tegelijkertijd dat God zijn plan doorzet. Allesvernieuwende genade We beginnen bij het eerste begin van hoofdstuk 27. Wat valt daarin op? Ik lees het nog een keer. Toen Isaäk oud geworden was werden zijn ogen zo verzwakt dat hij niet zien kon. Hij riep zijn oudste zoon Esau en zei tot hem: "Mijn zoon", en deze zei tegen hem: "Hier ben ik". Jakob ging verder en zei: "Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet, maar nu dan, neem uw wapentuig, uw pijlkoker en uw boog en ga het veld in. Schiet voor mij een stuk wild en bereidt voor mij een smaklijk gerecht zoals ik het graag heb, en breng het me, opdat ik ete, en dan zal ik u zegenen, eer ik sterf." Wat valt nu direct op? Daar ligt die oude Isaäk, z'n ogen zo verzwakt dat hij nauwelijks meer kan kijken. Zijn benen zo stram dat hij niet meer zelf op jacht kan gaan. Zijn handen zo verstijfd dat hij niets meer klaar kan maken. En zijn geheugen?
Ik vraag me af waar dat gebleven is. Herinnert hij zich niet meer van Jakob, van de profetie? Wie weet heeft hij zichzelf opnieuw gebonden gevoeld als op het altaar, een jeugdtrauma dat hem natuurlijk zijn leven lang is bijgebleven. Maar nu, weet hij, komt geen engel tussenbeide: hij gaat sterven. En wat doet hij? Alle licht valt daarop. Er is maar één ding dat hem op zijn hart drukt, -daarom is hij een aartsvader- en dat is de zegen. Hij weet: voordat ik sterf moet ik die zegen hebben doorgegeven! Diezelfde zegen die hem zijn leven lang, niet alleen toen hij daar op het altaar lag, maar ook de rest van zijn leven door gedragen heeft. Die zegen moet verder! Als alles wegvalt is dat het enige wat bij hem overblijft. Maar dat is dan ook wel ontzaglijk veel. Want die zegen van God, dat is het grote geheim dat Isaäk met zich meedraagt, het grote wonder dat God, de Schepper van hemel en aarde, de God van Abraham, met hem een verbond sloot, die in Isaäk zijn Zoon zond, en nu door het verbond en door zijn Zoon de wereld zegent, dát is eigenlijk die zegen. We staan er zelf middenin, nog steeds, we weten dat het zo gebeurd is, dat God de wereld gezegend heeft, dat is geen utopie.
We weten uit Romeinen 8, dat het zo ook gegaan is: de genade van God is reddend verschenen. Dat is ook alles wat Isaäk overhoudt, daar valt hij bij het oud worden helemaal op terug. Dat noemt Genesis hier de zegen, maar dat moet je zien als het geestelijke erfgoed van Isaäk. Hij denkt: als dát maar doorgaat, dan komt alles goed. De ouderdom komt met veel gebreken, maar leert ook onderscheiden waar het op aan komt. Bijzaken vallen weg en de hoofdzaak komt boven, én het diepe verlangen om dat door te geven. Dat is het mooiste hier van Isaäk, hij wil zijn geestelijke erfenis doorgeven, overhandigen. Esau zat er niet om te springen, maar toch verzint Isaäk een foefje om hem helemaal alleen bij zich te hebben, om hem dan dit mee te kunnen geven. Totaal belangeloos is het niet, want hij houdt van lekker eten, vooral van wildbraad, en hij zegt tegen Esau: "Bereidt het me smakelijk, zoals ik het altijd graag hebben wil". Dat weet Esau. Tot het laatst toe geniet Isaäk van het leven en waarom niet? Zo verbindt hij het nuttige met het aangename. Want nuttig, belangrijk, wezenlijk, van groot gewicht is het wel wat Isaäk hier gaat doen. Want hij gaat de eerstgeborene zegenen.
Maar als hij die lijn uitzet, dan beginnen de complicaties en de verwikkelingen, vers 5 - 33, u kent het verhaal. Om die verwikkelingen te begrijpen, moet u weten dat in het oude Israël, onder het oude verbond, de zegen onlosmakelijk verbonden was met het eerstgeboorterecht, dat legt vast wie de erfgenaam is. Het eerstgeboorterecht is ook een beetje materieel, de zegen meer geestelijk, spiritueel als je het zo wilt noemen. Bij ons zijn ze gescheiden, het materiele geven we ook letterlijk door, maar het geestelijke is bij ons niet altijd logisch gebonden aan de eerstgeborene. In Israël wel, daar wordt de eerstgeborene de baas van de familie, hij beheert de erfenis, en ook al krijgen de tweede, de derde en de vierde ook allemaal hun deel, het loopt via de eerstgeborene, die heeft ook deel aan de geestelijke zegen. Maar Isaäk lijkt wel vergeten te zijn dat God bij de geboorte Jakob had aangewezen! De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, staat er. De geschiedenis van de linzenmoes! En Esau wil het vergeten dat hij zijn eerstgeboorterecht verkocht heeft aan Jakob. Jakob wordt de hoofdfiguur van dit verhaal, dit drama dat zich dan voltrekt.
Want als Rebecca daar bij de deur dit hele gesprek tussen Isaäk en Esau heeft afgeluisterd, dan schiet ze direct op Jakob af en zegt: "Heb je het gehoord? Hij gaat Esau zegenen! Kom op, haal snel twee geitenbokjes, ik zal ze klaar maken zoals hij ze graag heeft, breng jij dat naar hem, zodat hij jou zegent!" En Jakob doet het. Hij pruttelt eerst tegen, maar hij doet het. In volle verantwoordelijkheid gaat hij op weg, haalt de geitenbokjes, kleedt zich om, trekt dierenvellen over handen en hals, want Esau was ruig behaard, en, met een zekere dubbelzinnigheid, zegt Jakob: "Ik ben glad." Zo treedt hij binnen bij Isaäk. We weten dat Isaäk eerst zeer wantrouwend is. Tot drie keer toe zegt hij: "Kom toch dichterbij!" Bij zichzelf mompelt hij: "Die stem is Jakobs stem, maar die handen zijn Esaus handen!" En dan staat er veelzeggend: toen hij gegeten en gedronken had dacht hij: "Ik geef de zegen." Nog één keer zoekt hij bevestiging, haalt Jakob naar zich toe, kust hem, ruikt de geur en weet dat het Esaus geur is, en dan zegent hij Jakob.
Terecht zegt Esau, als hij thuiskomt en alles merkt: "Nu zie je waarom hij -terecht- bedrieger genoemd wordt!" Want Jakob betekent eigenlijk 'hielvastpakker', en van het woord hiel, daar is ook een zelfstandig naamwoord van gemaakt, 'hielig'. Dat zegt ons niets, maar in het oude hebreeuws betekent dat zoiets als leep, link. "Nu zie je wat zijn naam is, "zegt Esau, "tot twee keer toe heeft hij me bedrogen!" En inderdaad, hier in deze geschiedenis zien we niet alleen Esau, Isaäk, Rebecca, maar ook Jakob, de nieuwe eerstgeborene, de fout ingaan. Isaäk, die niet wil zegenen degene die God had aangewezen, Esau, die wel met een bittere schreeuw reageert, maar die toch die zegen alleen begeert om zijn positie, voor zichzelf. Dan Jakob, die liegt en bedriegt voor het goede doel. Het is een zootje. Als dat de kerk is, het volk van God in zijn oervorm, dan zou je toch alle moed verliezen? Dan zou je nergens meer mee te maken willen hebben! Maar weet u wat nu het meest verwonderlijke is van deze geschiedenis? Dat is dat dit het verhaal is dat Israël van zichzelf vertelt! Eigenlijk kan ik daar niet over uit. Hoe is het mogelijk, stel je even voor, dat wij Nederlanders dat zelfde zouden doen?
Dat op de basisschool de kinderen de verhalen zouden horen, over hoe Nederlanders de eerste waren die slaven naar de Verenigde Staten brachten? Ik heb er zelf gestaan, op de kusten van Virginia, waar een zuil is opgericht met een inscriptie: hier werden de eerste slaven gebracht door... en dan staan daar Nederlandse namen, een Nederlandse kapitein. Stel je voor dat wij onze kinderen zouden vertellen hoe wij met de West-Indische en de Oost-Indische Compagnie hebben gelogen en bedrogen, in de handel en de zeevaart. Dat onze zeehelden bij ons wel helden heten, maar in de ons omringende landen heten ze zeepiraten. Stel je voor dat wij dat onze kinderen zouden vertellen? Een slecht geweten wordt gevoed, vaderlandsliefde afgeleerd en kinderen ontmoedigd! Nee, dat doen we niet..., en we maken een mooi verhaal. Maar Israël deed het wel! Jakob is Israël! Israël vertelt van haar eigen stamvader, -en in hem zijn ze allen begrepen-, het vertelt onbeschaamd van zijn bedrog, en van zijn gedrag, uiterst eerlijk. Hoe kan dat nu? Snapt u het probleem? Wat zit daar achter? Nu, er zit een geheim achter dit probleem. Als het dit verhaal vertelt, wil het ons iets leren.
Israël is er niet op uit om ons iets te leren over Jakob in hun eigen voorgeschiedenis, nee, het wil ons iets laten zien van God, van de God van Israël. Het geeft inzicht in wie God is, dat Hij zo is dat Hij deze mens tot een volk heeft gemaakt waardoor Hij de wereld heeft gezegend. Er zit iets in van: die onderste steen komt boven. Het laat het volk zien in al zijn doortraptheid en zondigheid, maar dan met de bedoeling dat dat nu het materiaal is dat weerbarstig is, en hoe groot God is dat Hij ermee aan het werk gaat. Ik denk, dat overal waar God gaat werken, -dat kan je als een ijzeren regel aannemen-, daar zullen eerst mensen moeten beseffen wat voor weerbarstig materiaal ze eigenlijk zijn, of om het wat plechtig te zeggen: "Er zal nooit een opwekking komen zonder zondebesef, zonder zondekennis". Daarom vertelt Israël heel eerlijk hoe rauw en zondig het materiaal is waar God mee werkt. Als we in psalm 146 lezen dat God zich de God van Jakob noemt, dan mogen wij tot vandaag toe met een zucht van verlichting zeggen: "Maar dat heb ik ook nog een kans!" Dat is de boodschap van Genesis 27.
Niet: de mens wordt zwartgemaakt; niet: de geschiedenis van Israël wordt overdreven slecht verteld om je eigen nest even te bevuilen -dat gebeurt vandaag ook overal-. Nee, maar wel: laten we komen tot ware eerlijkheid, om je dán te verwonderen over God, over hoe groot Hij is, dat Hij met zijn genade daarop inwerkt en vasthoudt en verdergaat. Een onmisbare schakel in de keten in het werk van God leer ik uit Genesis 27, dat is de zelfontdekking. Jezelf laten ontdekken, in je hart je laten ontdekken aan die dubbelzinnigheden, bedrieglijkheden, leugenachtigheden die er allemaal leven in ons hart. Laten we eens op een rij zetten wat die zonde van Jakob nu is. Ik denk dat het nog niet eens op de eerste plaats bedriegen en liegen is. Als je in vers 12 leest, staat daar een heel opmerkelijk vers. Daar staat dat Jakob zelf zegt: "Als ik dat doe, zal mijn vader mij betasten, hij zal voelen dat ik Esau niet ben en dan zal ik in zijn ogen zijn als iemand die de spot met hem drijft. Ik zal vloek over mij brengen en geen zegen!" Ik heb dit altijd een beetje verbaasd gelezen: dat ik de spot met hem drijf...
Dus dat denkt Jakob bij zichzelf: dit is mijn eigenlijke fout, dat ik de spot met hem drijf. Er staat in het Hebreeuws een woord wat 'toneelspelen' betekent. "Dat ik een spelletje met hem speel", bedoelt Jakob. "Dat ik hem niet echt serieus neem, de spot met hem drijf" Dat is Jakobs zonde. Het zit dus in de relatie tussen hem en de medemens. Hij speelt met ze, hij manipuleert ze, hij ziet ze niet echt in de ogen, maar hij zet ze naar zijn hand. Dan dat tweede: hij doet dat om heilige redenen! Want Jakob is echt ernaar verlangend om die zegen en dat eerstgeboorterecht te bezitten. Daar zal hij goede redenen voor gehad hebben. Hij heeft de verhalen gehoord, van Abraham, zijn grootvader, van Isaäk, zijn vader. Hij is altijd getroffen geweest door het heilsplan van God en die zegenende bedoeling, daar wil hij in meedoen. Daarom gaat hij hier, en doet wat hij doet, speelt zijn spel. Hij doet het voor God. Eigenlijk vonden Rebecca en Jakob dat ze God een handje hielpen.
Want had Hij het zelf niet gezegd: "De oudste zal de jongste dienstbaar zijn?" Toen Isaäk begon met Esau, dachten ze: "Dit loopt finaal uit de hand, dit gaat fout, hier moeten we wat aan doen!", en ze namen het in eigen hand. Daar ligt die tweede oerzonde van Israël. Als ik eerlijk ben vind ik het zo begrijpelijk allemaal! Voor Gods zaak een klein beetje onwaarachtig worden, dat doen we toch allemaal wel eens? Er wordt avondmaal gevierd, in mijn hart heb ik geen vrede met God, maar ja, wat zouden mijn kinderen er van zeggen als ik niet aan het avondmaal ging? Dus word ik een klein beetje onwaarachtig voor het goede doel! Zulke momenten zijn er voortdurend in ons leven. Onwaarachtig zijn, toneelspelen, voor het goede doel: heilig bedrog. Heilig bedrog heeft de kerk van binnen uitgehold en een slechte naam gegeven. Want de Esaus die binnenkomen, kijken er dwars doorheen en zeggen: "Maar dat is helemaal niet echt!" Daar ligt bij Jakob dan ook een groot probleem. Hij is wel gered, zou je kunnen zeggen, maar hij is niet vernieuwd, wel gerechtvaardigd, maar niet geheiligd.
Hij weet zich een eerstgeborene, drager van de zegen, en tegelijk leeft hij helemaal naar zijn oude natuur, en in de kracht van zijn oude mens, met zijn eigen egoïsme, zijn eigen slimheden en bedrieglijkheden en toneelspel. En het is waar: God gaat met die Jakob verder. Dat leidt me dan ook tot het slotpunt waarmee we al vooruit kijken op de volgende hoofdstukken. God gaat met Jakob verder, ondanks alles! We lezen dat hier in het slot, in vers 33: toen schrok Isaäk geweldig, want Esau kwam binnen, en zei: "Hier ben ik!". En Isaäk zei: "Maar wie was het dan die mij wildbraad bracht? Ik heb gegeten, en ik heb hem gezegend en gezegend zal hij zijn!" Ineens flitst het bij hem binnen, of nu zijn geheugen weer bovenkomt, of zijn geweten hem ineens weer duidelijke taal spreekt, ineens weet hij: het was ook Gods bedoeling dat het Jakob was! Gezegend zal hij zijn! Hij herhaalt die zegen aan het begin van het volgende hoofdstuk nog veel duidelijker.
Als Jakob dan naar Laban gaat, dan zegt Isaäk: "De Here geve u de zegen van Abraham, u en uw nageslacht met u." Ik concludeer daaruit weer dingen die ons zeer vertrouwd in de oren klinken, die we steeds weer opnieuw moeten horen, en dat is: "Gods genade is onverdiend, ze is vrij en soeverein, ze laat zich niet door de zonde van mensen tegenhouden. Integendeel, ze werkt er op in, ze laat ons niet los, ze vormt ons om." Dat wordt ons in het nieuwe testament nog veel dieper gezegd en voor ogen gesteld dan in het oude. Daarom begonnen we de dienst uit Filippenzen 2, waar de apostel samenvattend zegt wat je leren mag uit dit hoofdstuk: Werk aan je redding, -dat is goed, dat is onze verantwoordelijkheid, die moeten we dragen,- maar dan zegt de apostel er gelijk bij: Maar besef wel dat God het is die in je werkt, Hij werkt in je, zowel het willen als het werken. Dat is een ondoorgrondelijk raadsel, dat wij moeten werken, maar dat we dat moeten doen met respect en ootmoed. Dat staat er, respect en ontzag. Want het is God die in ons werkt. De middelen zijn daarom heel belangrijk. We moeten ook de middelen leren van God, het steeds weer van Hem verwachten.
Samenvatting Aan het slot wil ik samenvatten wat we in deze drie punten, wandelend door hoofdstuk 27, hebben gezien. Ik begon met: God werkt echt in mensen. Dat is zo belangrijk, dat je God niet alleen maar ziet als een God ver weg, maar een God die reëel in jouw en mijn leven werkt. Hij is daar echt in aan het werk! Als we dat niet gaan beseffen, dan kunnen we ons christenzijn wel weggooien. God is bezig met u, en met mij. Hij werkt echt in uw leven, want Hij wil, om met Paulus' woorden te spreken, dat Christus in u gestalte krijgt. Paulus zegt in de Galatenbrief: daarvoor doe ik al mijn werk. Ik werk als een vroedvrouw, opdat Christus in u geboren worde. Dat is in één zin zijn hele werk. God wil ons omvormen naar zijn beeld. Maar wij? Wat ben ik toch blij met dit totaal eerlijke zelfbeeld van Israël. Welk volk heeft zichzelf zo diep, zo onbeschaamd in de geschiedenis van zijn stamvader blootgegeven? Dat is geen masochisme of zelfkwelling, maar dat is een heel diep besef van de grootheid van de genade van God. Want waar de zonde ongenaakbaar getoond wordt, daar gaat het wonder spreken dat God toch verder gaat. Hoe is het mogelijk dat God het uitgehouden heeft!
Meer nog, dat Hij met dat grove, ruwe materiaal aan de gang is gegaan. Dat geeft ons ontzaglijk veel hoop en vertrouwen. Het brengt ons ertoe om precies het omgekeerde te leren doen van wat Jakob hier deed. In crisis, wanneer je denkt: "Nu gaat het allemaal fout!", ga dan niet zelf manipuleren, bedriegen, toneelspelen, maar kom met die crisis gewoon voor God, ga naar Hem toe, leg het in zijn handen. Dat is toch Gods werk? Hem in je laten werken? Op Hem leren wachten, je voor zijn Geest open stellen dan zal Hij, dan had Hij hier ook wegen gewezen. Dan zal Hij je ook wegen wijzen. Kortom, dit hoofdstuk geeft ons weer de moed om echt te worden. Als deze God zich de God van Jakob durft te noemen, dan is er hoop voor ieder van ons! Amen. ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.