Bijbeltekst: Genesis 28:15 — Uit de serie: Jakob, deel 3

Gemeente van Christus, De rode lijn die door al deze verhalen van Jakob heen loopt, is hoe reëel God bezig is, werkt, in zijn leven. Jakob is hier als model voor ons allemaal. Hoe reëel God werkt als de grote beeldhouwer om mensen om te vormen naar het beeld van zijn Zoon. Zo zegt Paulus dat in Romeinen 8. Van steenkool tot diamant, zoals we in de eerste preek zagen. Dit keer zien we in deze geschiedenis van Jakob in de woestijn, wel heel bijzonder hoe reëel het is, dat Jakob die bijzondere droom ontvangt. Ik zie dat als een soort vloer, een bodem, onder alles wat God verder in het leven van Jakob gaat doen. Voor het eerst verschijnt Hij hier zelf aan Jakob, als je let op de details van wat Jakob ziet en als je luistert naar wat God dan zo nadrukkelijk zegt, dan ga je begrijpen dat hier de vloer wordt gelegd voor wat God verder in het leven van Jakob gaat doen. Let dan vooral, wat ik het meest bijzondere vind van dit hoofdstuk, op die kerntekst.

Dat woord, dat God daar zonder enige conditie tegen Jakob zegt: "Ik ben met je, Ik sta achter je, Ik zal je niet verlaten." Daarom heb ik dit woord eruit gekozen, om ons bij het hart van de zaak te bepalen: God is aan het werk, Hij is aan het werk in Jakobs leven, maar de grote hoofdlijn van de bijbel is: Jakob is de eerst geborene, maar als straks dé Eerstgeborene de wereld ingezonden wordt, gaat God dat onder alle mensen doen. Zo is Hij aan het werk, in jouw leven, in uw leven, in mijn leven. Maar hoe dan? Hier zien we in Jakob het model, we zien hier de verschijning, de ontmoeting tussen God en Jakob, we zien eerst hoe wonderlijk verrassend dat is, daarna hoe ontzagwekkend, en tenslotte hoe uitnodigend. Dat is wat Jakob ervaart in de woestijn van zijn leven, want daar begint het verhaal. Verrassend Jakob is één dagreis op weg in de woestijn, in de Negev. Hij komt bij een stadje of een nederzetting, we weten niet precies wat het geweest is, wat vroeger Luz heette. Daar midden in die woeste eenzaamheid 'gaat de zon over hem onder' staat er, en daar legt hij zijn hoofd op een steen, want er is niets anders om op te slapen.

Daar ligt hij in de kille grauwe eenzaamheid, voor het eerst in zijn leven totaal alleen. Waarom deze reis? Ik heb niet alles gelezen, maar dat wordt uitgelegd in de tekst ervoor. Isaäk en Rebecca wilden niet dat hij een vrouw zou kiezen uit de Kanaänieten, maar uit de familie van Abraham. Die kwam uit Haran, daar was zijn familie, en daarom zenden ze Jakob 800 kilometer ver, door de woestijn, naar Haran. Dat is de eerste reden. Geen slechte, want Esau was daarmee in de fout gegaan. Kies een gelovige vrouw, zei Isaäk tegen Jakob. Dat geldt tot vandaag toe als een bijbelse grondregel. Waneer je nog voor de keus staat: kies een gelovige man of vrouw als partner. Isaäk zei tegen Jakob: "Het is de moeite van een lange reis waard!" Hij zond Jakob erop uit, de woestijn door. Vlak daarvoor wordt ook verteld dat Esau Jakob wilde doden. "Als straks Isaäk dood is, dan gaat Jakob eraan, ik kan hem wel villen!", zei Esau. En Jakob vlucht, het is dus ook een soort ballingschap waarin hij belandt. Voor het eerst op reis, alleen in een uitgestrekte woestijn. Ik kan me voorstellen hoe hij daar ligt, de zon gaat onder, het is een duistere, oosterse nacht, hij legt zijn hoofd op een steen.

Ja, daar heeft hij zich totaal alleen gevoeld, op zichzelf teruggeworpen. Opvallend is dat er in de Jakobsgeschiedenis twee keer melding wordt gemaakt van de zon die ondergaat en weer opgaat. Hier gaat hij onder, en dan gaat hij pas weer op na Pniël, er zit nog iets van een samenhang in ook-, in hoofdstuk 31 vers 32. Daar lezen we: en de zon ging over hem op. De joodse Midrasj zegt: daar wil de schrijver mee zeggen dat de nacht zich uitspreidt zich over Jakobs ziel. Het is donker, kil, koud, de zon gaat over hem onder. En dan die verrassing! Dat 'en zie' is eigenlijk niet krachtig genoeg, in het Hebreeuws staat het er wel vier keer, dat drukt de verrassing uit. Ineens gebeurt er iets, midden in de nacht. Juist op dat moment komt de Here tot hem in een droom. Die droom licht als het ware iets van de sluier op. In die droom ziet Jakob een ladder, een trap, opgericht aan zijn hoofdeind, die eindeloos ver reikt tot boven in de hemel. En op die ladder ziet Jakob, -en let goed op de volgorde-, een stroom van engelen, die opstijgen en neerdalen.

Ik vind dat wel heel bijzonder, er staat niet dat ze eerst op hem neerdaalden met de boodschap van God, om daarna terug te brengen wat de mens er van maakt: nee, het is een omgekeerde volgorde. Ze rapporteren eerst wat ze hier hebben gehoord, ontdekt, gezien, ze brengen het omhoog tot voor de troon van God en dan zendt Hij ze weer neer om te dienen. Want zo worden de engelen in de bijbel genoemd. In Hebreeën 1 staat: ze zijn dienende geesten, uitgezonden ten dienste van hen die het heil zullen beërven. Wonderlijk dat de bijbel dat steeds weer even laat zien, dat er een veel intensiever contact is tussen God, de hemel, de onzichtbare wereld, en deze wereld. Daar is een voortdurende stroom van engelen die heen en weer gaan en het contact onderhouden. Ze gaan maar op, en ze dalen maar neer. Daarin zit al iets opgesloten van die grote verrassing, die straks ook blijkt uit de woorden die daarna volgen. Want als Jakob dan verder omhoog kijkt in die droom, dan, daar in de hoge, daar staat de Almachtige zelf in zijn glorie en majesteit.

Dan spreekt Hij, en let eens op wat Hij zegt: "Jakob, Ik ben de God van je grootvader Abraham, en van je vader Isaäk", en dan wordt heel die Abrahamitische zegen herhaald. Het land, het nageslacht, de zegen: "Door jou zullen alle nageslachten van de aarde gezegend worden!" De Abrahamitische zegen daalt neer op Jakob, maar er komt een extra bij, en dat is heel bijzonder. Een persoonlijke belofte, onvoorwaardelijk. Want de Here zegt onvoorwaardelijk tegen Jakob: "En zie, Ik ben met je overal waar je gaat, en Ik zal je terugbrengen naar dit land, Ik zal je niet verlaten totdat Ik gedaan heb wat Ik je beloofd heb." Waarom is dat zo verrassend? Als je deze geschiedenis leest, ziet wat Jakob daarvoor allemaal gedaan heeft, dan ben je verbaasd. Ieder verwijt ontbreekt. Het is een omarming van God zonder enige opgestoken wijsvinger, zonder waarom, zonder straf, zonder eis. Nu begrijpt u waarom ik dit vers uit het hoofdstuk heb gelicht, hier raak je de kern van het evangelie en de oneindige wijsheid van God, als Hij daar zo'n mens in ballingschap, verstoten in de woestijn aantreft. Dat God hem als het ware eerst aan zijn hart sluit, zo zou je het kunnen noemen.

Als God met Israël een verbond sluit, is het eerste wat Hij zegt niet -dat denken wij-: en nu de tien geboden doen! Ge zult, ge zult, ge zult... Dat is niet zo. Boven de wet, - dat hoort er absoluut altijd bij-, staat eerst: "Maar Ik ben de Here, uw God, en Ik heb je gered!" Dat is het eerste wat de Here zegt en daarmee sluit Hij ons aan zijn hart. Ik ben de Here uw God, die u uit Egypte, het slavenhuis, geleid heb. Je mag er zijn, dat is het eerste wat God zegt, en daarna komen er meer dingen. Als de Here God tot de mensen komt zegt Hij eerst: "Vrede zij u, vrede op aarde, in mensen welbehagen." Dat is het eerste wat we horen als Hij verschijnt. De vroede vaderen zeiden: "Het verbond van God met de mensen is totaal eenzijdig in zijn oorsprong, en tweezijdig in zijn uitoefening." Dat was zo'n vaste slogan. Dat is ook wel de kern van de zaak. Het is inderdaad absoluut eenzijdig in z'n oorsprong. Of om het nieuwtestamentisch te zeggen: "Gods liefde gaat aan alle werken die wij doen, vooraf." En ze is onvoorwaardelijk. Jezus heeft dat zelf geschetst in de gelijkenis van de verloren zoon.

Wanneer die thuiskomt, dan zegt zijn vader ook niet als eerste: ga nu eerst je zonden belijden en je leven beteren, dan is er voor jou misschien ook nog een plaatsje in het vaderhuis. Nee, er staat: toen hij zijn zoon van verre zag -dat wil dus zeggen dat hij op de uitkijk stond-, liep hij op hem toe, en voordat de zoon nog maar een woord gezegd had omarmde hij hem. Zo is God. Dat zie ik ook hier weer in die verschijning aan Jakob. God zag hem van verre, zijn engelen hadden Hem van alles verteld, en Hij omarmt Jakob met die belofte: Jakob, Ik ben er voor jou, k zal alles vervullen wat Ik je beloofd heb, Ik zal je niet begeven, noch je verlaten. Dat raakt namelijk precies het teerste punt, hier in Jakobs leven. Ik zie dat gedrag van Jakob, -zelfs in de moederschoot Esau's hiel vasthouden: je zult me niet verlaten!- als iets van een mens die altijd gedreven is geweest door angst om verlaten, verstoten te worden. Van daaruit tegelijkertijd angst om de controle te verliezen. Vandaar dat Jakob zo'n figuur is die alles bedisselt, alles in eigen hand neemt, alles manipuleert, -bedrog incluis, dat heeft hij er voor nodig-, en zo alles naar zijn hand zet.

Als het hem maar niet ontglipt, dat is Jakobs angst. In die oerangst houdt hij Esau's hiel vast, neemt hij alle rechten in eigen hand: controleren en beheersen. Dan blijkt dat juist alles fout loopt. Nergens zie ik zo diep de wijsheid van God als in de geschiedenis van deze droom. God is er, hier in de woestijn, nu alles hem ontvalt en zijn bangste dromen lijken uit te komen. Want hier is hij in totale eenzaamheid, en God geeft hem dan een tegendroom. God wijst er zelfs niet naar wat Jakob fout deed, maar Hij zegt: Jakob, Ik laat jou nooit en nooit en nooit en nergens in de steek! Dat is nu die vloer, die dragende genade vanGod, die ook alles geneest. Om een voorbeeld te geven uit het nieuwe testament: als Jezus tegen Zacheüs, de tollenaar die in de vijgenboom klom, zou zeggen: "Zacheüs, als je het nu eerst eens even goed ging maken met de mensen, of ophield met je vak, want het was totaal fout, dan kom Ik vanavond bij je eten!" Dan was Jezus nooit bij die man in huis geweest, Hij was er nooit te eten gekomen, Zacheüs zou nooit een ander mens geworden zijn. Maar Hij doet precies het omgekeerde, Jezus zegt: Zacheüs, vanavond ga Ik met jou eten.

Geen condities, niets erbij, daar zie je precies ditzelfde. Jakob zou nooit een ander mens geworden zijn als God hem niet zo had aangeraakt. Zeker, er komt nog een hele geschiedenis bij! Laban, twee keer zeven jaar, daarna Pniël, maar hier legt God de vloer voor iedere verdere groei. Het is genade, rijk en vrij.. Dat heet weergaloze ontferming, daar kan je eigenlijk ook alleen maar over zingen. Ontzagwekkend Dan komt dat tweede punt. Alleen deze genade brengt Jakob in beweging. De wet verandert ons niet, maar de genade doet dat wel. Dat zien we. Voor het eerst zien we Jakob open, uit zijn rol, niet meer glad, niet meer de controle eisend. Hij zegt: "Hoe is het mogelijk, de Here was aan deze plaats, en ik heb het niet geweten." Dat vind ik zo'n mooi zinnetje. Ja, Jakob, er gebeuren dingen buiten je om! Er gebeuren in het geloof ontzettend veel dingen buiten ons om. We hebben maar een glimpje van wat God doet, we zijn meestal blind voor wat God doet in de hemelse gewesten. Dit had Jakob niet voor mogelijk gehouden, dat er dingen gebeuren waar hij geen besef van heeft. Ontzagwekkend, zegt hij, en zo is het ook.

Hij zegt: "Dit is een huis van God, dit is een poort van de hemel!" Dan richt hij een gedenksteen op. Uitnodigend Nu even een sprong. Vanmiddag vieren we hier het Avondmaal. Bij iedere Avondmaalsviering staan wij ook stil bij gedenkstenen, want brood en wijn zijn onze gedenkstenen. Er is een verband tussen het één en het ander, tussen brood en wijn en die gedenksteen die Jakob daar opricht. Die band heeft Jezus zelf gelegd, toen Hij in Johannes 1 zei: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg ulieden, het grootste is dat straks die open hemel en dat intens verkeer tussen God en mensen, ze zullen opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen, door Mij zal plaatsvinden op de aarde. Dat betekent overal waar de Zoon des mensen is, waar zijn Geest werkt, waar we het Avondmaal vieren, daar is weer die open poort. Daar hebben we gedenkstenen bij gekregen, om daar weer bij bepaald te worden. Daar is weer die open poort, en boven aan de ladder zien we weer God in zijn eindeloze liefde voor een gebroken en gevallen wereld. Brood en wijn, ze zijn onze gedenkstenen, ze breken de hemel open. Getuigen van het wonder dat God daar staat, en dat Hij het ook ons belooft!

Ik zal je niet begeven, ik zal je niet verlaten, tot al mijn beloften aan jullie zijn waargemaakt. Daarom neemt Jezus die woorden ook op als Hij zegt: zie, Ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding van deze eon, van deze wereldtijd. De ladder is dus eigenlijk een slinger, zoals een slinger aan zo'n ouderwetse 'omaklok' van boven vast, maar van onder beweging. Hij beweegt mee, God beweegt met ons mee, overal waar we ook gaan of staan. Het is goed om dat iedere keer weer met elkaar te vieren, zoals bij het Avondmaal. Ik kan u tenslotte wel verzekeren: dat alleen verandert mensen. Dat zien we aan het slot van het hoofdstuk. Dat slot, het is nog maar een beginnetje, ik weet het, maar toch is dit kleine beginnetje van Jakobs gelofte iets heel bijzonders. Bij eerste lezing stelt het teleur. Is dat nu echt alles wat God bewerkt met zo'n machtig visioen, zo'n droom?

Het enige, luister maar eens goed, het enige wat Jakob uitbrengt is: "Als God dit doet wat Hij zegt, als Hij echt mij behoedt op deze weg, als Hij me echt brood zal geven, als Hij me echt kleren geeft om aan te trekken, als ik echt behouden mag terugkeren, ja, dan zal Hij mij tot een God zijn en deze opgerichte steen een tempel, en ik zal Hem de tienden gaan geven." Dat is toch weer dat wettische trekje: voor wat hoort wat, het is toch weer een beetje zakendoen met God. Je kan die reactie heel teleurgesteld lezen, ik heb dat ook gedaan, eigenlijk al vele jaren als ik het las. Moet je nagaan, dacht ik dan, hoe kan Jakob nou toch zo reageren? God zegt conditieloos: "Ik ga met je mee!", en Jakob maar condities bouwen. Als God dit doet, en als Hij dat doet, en als..., wat een reactie! Conditieloze liefde vraagt om een conditieloos antwoord. Dat is het enige volle antwoord. Maar toch ben ik door een joods commentaar op een andere voet gezegd. Die zei: "Ja, maar je moet eens letten op het begin, het is een gelofte. Dat staat in vers 20: toen deed Jakob een gelofte. Jakob deed een gelofte. Een gelofte is een manier om jezelf voor de toekomst aan God en zijn dienst te binden, vast te legen.

Dat vind ik wel een mooi omschrijving. Ik had daar overheen gelezen. Het is een gelofte, en in een gelofte geef je jezelf voor de toekomst uit handen! Daar ligt toch eigenlij iets in van een sprong: ik geef mezelf voor de toekomst uit handen. Het is nog omringd met twijfelvragen. "Zou God het echt doen?" denkt Jakob, en als Hij het doet... Enorm veel twijfelvragen en onzekerheden. Hij meent dat hij eerst nog één, twee, drie, vier, vijf dingen moet zien, dus vol van die twijfel, en als hij dat dan allemaal gezien heeft, onder die voorwaarden, dan geeft hij zichzelf uit handen. Jakob, de man die alles zelf in handen wilde houden en onder controle wilde hebben. Als je het zó leest, dan denk je: ja, toch wel een enorme stap, er zit iets in van wat je ook leest bij die vader van die epileptische jongen in Marcus 9, die, als Jezus zegt: "Alle dingen zijn mogelijk voor God", ook om dat ongeloof te bestrijden, dan zegt hij: "Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp". Zoiets proef ik hier bij Jakob, die zegt: "Ik heb nog allerlei ongeloofsvragen, maar ik spring, ik leg me vast. Als U dat waarmaakt, dan ga ik er ook helemaal voor!" Dat is voor God genoeg om verder te gaan.

Dat geldt tot vandaag toe. Wij westerse mensen, die alles willen beheersen, die zelf ons leven in handen nemen, het naar onze hand zetten, er komt een moment in het leven van ieder mens, dat God op ons toetreedt. Een lied zegt: eens vindt Ge ons moe en zonder kracht -Jakob is hier in de woestijn- maar er komt zo'n moment, en dan krijgt God de kans om Jakob in een droom te laten zien dat Hij er echt is: "Ik ben er voor jou", wat in het evangelie nog sterker wordt gezegd: "en Ik heb alles voor jou over!" De goede herder die zijn leven inzet voor zijn schapen. En dan? Wat verwacht God dan van ons? Wel, als ik Genesis 28 aan het slot goed begrijp, dan is dat minimaal. Eigenlijk is het alleen dat we antwoorden: "Heer, als het echt zo is, dan ga ik er ook voor, voor honderd procent. Dat is het antwoord, ook het antwoord van Jakob, met de eed gezworen. Dat heeft me toch weer gewonnen voor Jakobs reactie. Nee, hij is er nog niet. Hij is nog niet waar de Heer hem hebben wil. Maar er is een scheur, een barst in zijn narcisme, in zijn zichzelf-genoeg-zijn. Hij heeft zich afhankelijk gemaakt, en waar God dat ziet, daar gaat Hij verder in die kier, daar gaat Hij werken.

God doet dat ook, Hij gaat voort met Jakob, in de school van het leven. Dat zullen we de volgende keer zien. Dan blijven de engelen opstijgen en God vertellen waar hij staat, hoever het met hem is, en neerdalen om te dienen. Daar voert God ons verder, op die leerschool die pas dan eindigt als, wat de apostel Paulus zegt in Romeinen 8: als wij gelijkvormig geworden zijn aan het beeld van zijn Zoon." Zo reëel werkt God in het leven van Jakob. Even reëel is Hij nu aan het werk in zijn Zoon Jezus Christus. Onder u en onder mij, en onder de miljoenen die bij Hem schuilen! Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.