Gemeente van Christus, Twee keer zeven jaar in de leerschool van God. Zo zou ik dit volgende gedeelte uit het leven van Jacob willen omschrijven: Genesis 29 en 30.Twee keer zeven jaar beitelt, schuurt en slijpt God, als de grote Beeldhouwer, zijn knecht Jakob. Paulus zal later zeggen: "De oude mens die we in Adam zijn, moet sterven,de nieuwe mens die we in Christus zijn, moet opstaan." Dat is een heel werk, daar zit ook een prijskaartjeaan vast, want dat gaat veel kosten. Bij God vinden we niet alleen troost en geborgenheid, maar Hij snijdt ook diep in ons leven in. Hij laat ons keihard tegen onszelf oplopen, Hij houdt ons de spiegel voor: "Wat jij hier met die ander deed, zie hier, nu overkomt het jou, dan weet je hoe het voelt." Op talloos veel manieren gaat God in ons leven met ons aan de gang. Dat zien we hier in die twee keer zeven jaar van Jakob. Misschien denkt u nu wel: "Ja, dat deed God wel met Jakob, maar niet met mij. Jakob is natuurlijk een aparte figuur uit de bijbel. Hij is zelfs een aartsvader van Israël, dus daar zal het allemaal wel waar voor zijn, maar bij mij?
Ik merk er in ieder geval niets van!" Wie zo denkt zou ik speciaal op één ding willen wijzen: ook bij Jakob was er in die fase van zijn leven niets te horen en niets te zien. Ook aan Jakob werd het pas gaandeweg duidelijk wat er hier eigenlijk aan de gang was. Ik ga nu over naar het bijbelverhaal zelf: noch in hoofdstuk 29, noch in hoofdstuk 30 lezen ook maar één keer dat God iets tegen Jakob zei. Als we terugbladeren naar hoofdstuk 28: Jakob in de woestijn, Bethel, de Jakobsladder, die geweldige belofte van God, daar verscheen God, daar sprak Hij, daar was contact. Daar wist Jakob zich gezegend. Bethel is zoiets als de basis. Wat wij in de bijbel in de Romeinenbrief in hoofdstuk 5 hebben uitgedrukt: "Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God." Dat is Bethel. Dat is de vloer, daar staan we op. Maar ook in de Romeinenbrief, hoofdstuk 6 en 7, volgt daarna de strijd tegen de wet, de strijd tussen de oude en de nieuwe mens. "Het kwade begon te leven", zegt Paulus dan, "en ik begon te sterven.
Het goede wat ik wenste te doen deed ik niet, en het kwade dat ik niet wenste dat deed ik." Ik zie Genesis 29 en 30, die twee keer zeven jaar van Jakobs leven, cruciale jaren, als een trainingskamp van God. In die tijd, -en dat is heel opvallend-, verschijnt God niet één keer aan Jakob. Toch is Hij enorm met Jakob bezig. God zwijgt na Bethel, tot hoofdstuk 31, daar komen we de volgende keer aan toe. God zit overal achter. Hier naderen we de kern van deze hoofdstukken. Dat is die hele diepe waarheid die we allemaal moeten leren in ons leven: alles wat over ons komt in het leven is maar niet toevallig! Nog indringender dan door woorden leert God ons in de dingen, in de gebeurtenissen, door de daden, door dat wat Hij ons in het leven zelf doet overkomen. Dat vormt, en daar ligt dan ook de emotie in dit hoofdstuk. Daarom heb ik die drie verzen eruit gelicht, die drie kernwoorden. Op drie punten lezen we dat: 1) Jakob weende, hij verhief zijn stem en weende -daar moet je oosterling voor zijn-. De tweede keer staat er: en hij raasde tegen Laban, na het bedrog. De derde keer, in hoofdstuk 30: 2: hij valt uit, hij wordt woedend.
Op deze drie plaatsen is er het moment waarop Jakob dit inziet, waarop hij los komt, er gebeurt iets met hem. Hij liep ook heus niet rond met de gedacht: "Ieder moment doet God wat." Integendeel, waarschijnlijk heeft hij lange tijden gedacht: "Waar is die God nu Die mij bij Bethel zo verschenen is? Die mij zo diep zijn liefde betuigde? Waar is Hij nu?" Maar dan gebeurden er dingen, en ze sneden diep in zijn vlees. De leerschool van het leven blijkt de leerschool van God. Omstandigheden waarvan ieder misschien zou zeggen: het is toeval, maar waarvan Jakob in een flits beter weet: dit kan geen toeval zijn, dit is de hand van God! Laten we die momenten er eens uitlichten. De ontmoeting bij de put Als Jakob de reis door de woestijn, vol ontberingen, heeft afgelegd, lopend, 800 kilometer, dan komt hij aan bij de stammen in het Oosten. Hoe in de wereld vindt hij daar nu zijn oom Laban? De mannen bij de put zijn bepaald niet toeschietelijk. Ze hangen midden op de dag bij de put rond, voelen ze zich betrapt omdat ze zomaar midden op de dag zitten te wachten op de avond tot de herders samen de steen van de put wentelen?
Hoe ook, Jakob vraagt heel vriendelijk: "Mijn broeders, vanwaar zijt ge?" Ze antwoorden kortaf: "Haran". "Ken je Laban, de zoon van Nahor?", vraagt Jakob dan. "Ja", zeggen ze. Verder niets. Jakob vraagt verder: "Gaat het hem wel?" Ze antwoorden: "Vraag het zijn dochter, daar komt ze aan". Dan die reactie, typisch Jakob, hij denkt: Wegwezen met die lui, ik wil ze hier niet bij hebben! Hij zegt: "Ga je schapen toch water geven!" Maar de herders hebben hun excuus al klaar: "Nee, we moeten wachten tot de avond, alleen dan kunnen we samen de deksel van de put lichten". Jakob moet dan wel rechtstreeks op Rachel af. Als hij haar ziet schiet er zo'n elektrische schok door hem heen. Zo sterk, dat hij in z'n eentje de deksel van de put licht en haar schapen water geeft. Wat liefde op het eerste gezicht niet allemaal bewerken kan. Dan, het was tenslotte zijn nicht, omarmt hij haar en noemt zijn naam. Calvijn zegt: Hij zal wel eerst zijn naam genoemd hebben en dan gekust. Ik vind het leuk dat Calvijn zich daarmee bezig heeft gehouden, maar de bijbel zegt het omgekeerd: Jakob kuste eerst en noemde toen zijn naam.
In ieder geval is het een moment van hoge emotie: dan verheft Jakob zijn stem en hij weent. Waarom? Hoezo? Dat moment moet je even proeven. Bedenk dat Jakob een huiselijk man is, hij is in eenzaamheid zijn weg door de woestijn gegaan, vele dagen, en dan komt hij hier. Bedenk ook dat Jakob, die zo huiselijk is, het verhaal van zijn moeder zo vaak gehoord heeft, hoe Eliëzer ook naar Laban ging, en ook een bron aantrof, en de eerste die hij ontmoette, na zijn gebed tot God, was Rebecca, Jakobs moeder. Komen bij Jakob die herinneringen boven? Eerst de put, dan de eerste die hij ontmoet, Rachel, wat gaat er dan door je heen? Dat is de achtergrond achter die emotie die Jakob door zich heen voelt gaan. L'histoire se repète, zeggen de Fransen. Inderdaad, het lijkt of de geschiedenis zich herhaalt. Maar met die geschiedenis ook het verhaal van Rebecca, die zei: "Kijk, dat was nu leiding vanGod!" Ineens ziet Jakob dat weer en denkt: "Kijk nu toch, hier ben ik, en opnieuw is daar God die mijn vrouw op mijn weg stelt!" Hij barst in tranen uit.
Jakob, hij die altijd alles zelf in de hand hield, dat is zijn karakter, alles onder controle blijven houden, manipuleren, alles naar je eigen hand zetten. En nu, voor het eerst gebeuren er dingen met hem die hij niet in de hand heeft. In die omstandigheden ziet hij ineens hier de hand van God. Dat laat je niet onberoerd. Het zet direct ook de toon voor de volgende geschiedenis. De eerste zeven jaar Als Jakob een maand bij Laban is, zegt deze op een beleefde manier: "Zou je ook niet eens wat gaan doen?" De oosterlingen zeggen dat heel aardig: "Waarom zou je mij dienen voor niets?" Daarmee bedoelt Laban: "Laten we een contract maken, kom in dienst en ga wat doen. Zeg maar wat je loon moet zijn." Jakob ziet zijn kans en zegt: "Ik wil werken voor een bruidsschat". Want Laban had twee dochters, de oudste was Lea, maar die was niet mooi. Er staat in de bijbel: haar ogen waren flets. Niemand weet wat dat precies betekent, de één zegt waterig, de ander dof, maar ze was in ieder geval geen knappe gestalte. De jongste was Rachel, dat was een beauty, een schoonheid. Jakob wist wat hij wilde, hij was tot over zijn oren verliefd op Rachel.
"Zeven jaar wil ik voor haar werken", zegt Jakob, en Laban gaat akkoord. De zeven jaren vlogen om, ze waren voor Jakob als even zoveel dagen. Jaren, vervuld van verlangen dat niet direct werd bevredigd. Daar ligt een tweede punt in de leerschool van God. De ongeduldige Jakob leert wachten. De onbekeerde Jakob wilde zijn verlangen en zijn wensen direct bevredigen. Hij organiseerde het wel als het te lang duurde, dan haalde hij het naar zich toe. Maar hier leert het, leert God, Jakob zelfbeheersing, het leert hem het verlangen levend te houden, zonder het direct te bevredigen. Heel belangrijk, ook in onze tijd, in ons leven. Een onmisbare schakel om echt karakter te krijgen: verlangen leren dragen zonder direct te bevredigen. Daar groei je van, dan groei je in kracht. Dan, na zeven jaar, is het moment van de bruiloft daar. Laban nodigt alle mannen van het dorp -er worden alleen de mannen vermeld- uit, en er komt een grote bruiloft, zeven dagen lang. Na de eerste dag is daar het moment dat de bruid door haar vader 's avonds naar het echtelijk bed geleid wordt van de bruidegom.
Als die dag de bruiloft gevierd is en alle mannen van het dorp gegeten en gedronken hebben, -ik denk Jakob ook-, dan haalt Laban zijn truc uit. In het begin van de nacht, in het schemerdonker, brengt hij de bruid, gesluierd en al, bij de bruidegom. En Jakob, beneveld, slaapt met haar. Als hij 's morgens wakker wordt treft hij tot zijn verbijstering niet Rachel maar Lea in zijn bed aan. In zijn droom was het Rachel, maar 's ochtends, zie, het was Lea Wie denkt niet terug? Die dubbelheid: zie, het was de stem van Jakob, maar de handen van Esau. Zie, het was Lea... Op dat moment springt hij op, rent naar Laban en roept: "Welke streek heb je me nu uitgehaald? Ik heb toch zeven jaar voor Rachel gewerkt?" En dan dat woord dat hij gebruikt: "Waarom hebt u mij bedrogen?" Het zit in de kern van zijn eigen naam. Laban antwoordt, van alles op de hoogte: "Bij ons -met de nadruk op ons- doen we zoiets niet, dat de jongste de oudste voorgaat. Bij ons gaat de eerstgeborene voor". Dus niet alleen het bedrog van Jakob aan Esau komt hier naar boven, maar ook de gebeurtenis met de linzenmoes, waar Esau zijn eerstgeboorterecht verkoopt aan Jakob: ze worden hier gewroken.
Ieder woord, ieder onderdeel in dit verhaal wijst terug naar Jakobs eigen bedrog, hij krijgt een koekje van eigen deeg. Ineens voelt Jakob wat het is om zo bedrogen te woorden. Wat woorden niet kunnen doet het leven zelf. Ja, er is zoiets als vergeldende gerechtigheid. Wie zelf bedriegt wordt bedrogen. "Met de maat waarmee gij meet zult ge gemeten worden", zegt Jezus. Wees blij als dit je nog tijdens je leven overkomt, en niet na dit leven! We zijn in onze tijd heel erg bang geworden om zomaar in ons leven de hand van God aan te wijzen. Toch is dat heel bijbels. De bijbel leert ons niet, laat ik dat heel duidelijk maken, dat alle omstandigheden regelrecht uit de hand van God voortkomen. Dan zou God het lot zijn. En, even aangenomen dat ik de mohammedanen goed begrijp, daar zou Allah zo'n god zijn, hij regeert alles, alles is gedetermineerd, wat gebeurt is zijn wil. Maar dat is niet wat de bijbel leert. Die zegt het heel subtiel: "In alles wat gebeurt is God met ons bezig". Dat is wel een diepe waarheid. Er gebeuren dingen die niet door God gewild zijn, moord en bedrog, maar God werkt er wel doorheen. Het lijkt een en al toeval, maar het is geen toeval.
De theoloog Miskotte zei: "Toeval is de naam vanGod als Hij optreedt in vermomming". Maar waar het in deze geschiedenis van Jakob om gaat, en waar het nu ook steeds weer om gaat is: God is echt aan het werk, Hij is er echt. Hij zit erachter. Wie goed doet, goed ontmoet, zeggen we. En wie kwaad doet, kwaad ontmoet. Vaak precies het kwaad dat je zelf anderen aandeed. In het klein en in het groot. Ik hoorde van iemand die bij een onhandige manoeuvre tijdens het parkeren tegen een ander aanreed. Een kras op die auto, maar hij was te laf, en te bang, te gemakzuchtig, om h et even te vertellen. Drie dagen later staat zijn auto geparkeerd. Een ander heeft er toen een flinke deuk in gereden, en niks verteld. Wat gaat er dan door je heen? Dan voel je, in het klein, iets van wat er, in het groot, door Jakob heen ging. Want ook in het groot geldt dat. Wie zelf geen liefde bewees, wie zelf loog of bedroog, de ander liet vallen of manipuleerde, ik voorzeg u, er komt een uur dat u overkomt wat u de ander aandeed. Dat is het uur van de waarheid. Dat soort gebeurtenissen als bij Jakob werken wonderen uit. We worden er andere mensen van.
Niet automatisch, maar als we daarin de tuchtiging van God ervaren, die ons even op de schouder klopt, dan wel. Dat moet er wel bij gezegd worden, dat we de hand vanGod er in herkennen. Dezelfde hand die Jakob eerder droeg, -en nog wel draagt- , diezelfde hand is het die hem hier slaat. God bedroog Jakob niet, maar Hij was het wel die in dit bedrog op hem toetrad en zo langzaamaan heenwerkt naar die andere Jakob, die de naam Israël zal dragen. Dat is een proces. Dat zien we tenslotte, als in een climax, ook in dat derde deel van Jakobs leerschool bij Laban. De tweede zeven jaar. Als Laban zijn wisseltruc heeft uitgehaald, legt hij wel een pleister op de wond. Direct na de bruiloftsweek mag Jakob ook met Rachel trouwen. Maar dan moet hij daar nog wel weer zeven jaar voor werken. Die tweede zeven jaar breken voor Jakob aan in een hele andere situatie, midden in de clan van Laban. Wat valt ons op in die tweede zeven jaar? Als je heel hoofdstuk 30 leest, treffen ons een paar dingen. In de eerste plaats: de zegen van God gaat wel door! In een tijd van zeven jaar heeft Jakob twaalf kinderen! "Ge zult uitbreken in menigte", had God gezegd.
Maar je moet tegelijkertijd wel zien dat het toch werkelijk uitverkiezing is, dat dit nu de aanvangen zijn van het volk vanGod. Als je dit hoofdstuk leest valt het tweede op: wat moet er nog veel geleerd in het mijnenveld van die familieverhoudingen! Het is een mijnenveld. Strijd en spanning, jaloezie en rivaliteit tussen Lea en Rachel, pijn die mensen elkaar aandoen, schrijnende eenzaamheid midden in het gezin. Lea kan het niet verdragen dat ze zoon na zoon baart en Jakob haar niet liefheeft. Onbemind zijn is het ergste wat een mens kan overkomen. Ze blijft het zoeken bij iedere zoon. "Nu zal hij me beminnen", denkt ze als Ruben als eerste geboren wordt. "Nu zal zijn haat verdwijnen", zegt ze bij Simeon. "Nu worden we één", bij Levi. Tot ze het uiteindelijk aan God overlaat. Daar zit ook bij Lea een leerproces achter. Bij de vierde zoon zegt ze: "God zal ik loven", en ze heeft het niet meer over Jakob. Maar dat komt weer terug, later in het hoofdstuk, want ze kan Jakob niet loslaten. Maar Rachel wordt verteerd door jaloezie.
Bij iedere geboorte van een kind van haar zus staat dat in haar op, tenslotte roept ze uit tegen Jakob: "Geef me kinderen, en zoniet, dan ben ik dood!" Ze zegt niet: dan ga ik dood, maar: dan ben ik dood. Zo diep zit dat in het bijbels oud-israëlitische levensgevoel. Voor een vrouw was kinderen baren de eerste roeping van God uit in haar leven. En baart ze geen kinderen, dan heeft haar leven geen zin: dan ben ik dood. Dan zien we bij Jakob die derde uitbarsting van emotie. Hij wordt woedend, hij overregaeert: "Neem ik soms de plaats vanGod in die u de vrucht van uw schoot ontzegd heeft?" Die overreactie laat voelen hoe diep dit zit. "Neem ik soms de plaats van God in?" Ja inderdaad, hij was zijn hele leven gewend geweest om voor God te spelen. Eindelijk krijgt hij dingen door. We zijn bij het lezen na dit verhaal gestopt. Het verhaal gaat door, de rivaliteit tussen Lea en Rachel loopt nog verder op, het zijn zeven lange jaren die vergiftigd worden door afgunst, bitterheid, slimme trucs, magie, nijd. Dat alles gebeurt. Als je dit leest denk je: "Die uitverkiezing vanGod is werkelijk alleen te danken aan zijn genade die een volk tot die hoogte opheft".
Want hier begint het, die aanvang van Israël. Dat alles gebeurt, -dat kun je ook zeggen vanuit het Nieuwe Testament-, als de oude mens de overhand heeft en als God afwezig is. Wat me in die tweede zeven jaren treft, vat ik samen in drie punten. De zegen gaat door. God gaat door met zijn werk, dwars door alle menselijke zonden en verwordingen heen. Hij gaat verder met zijn plan. Wat heel treffend is: God opent Lea's schoot. Hier kijk je God weer even in het hart. Lea, de zwakste, de onbeminde, die geeft Hij de eerste plek. Daar zie je God, Hij geeft háár de eerste plaats, boven de sterke, de schone, de beminde. Dat is ook weer een les aan Jakob. Tenslotte zie ik God aan het werk in Jakob. Als Jakob één ding leert, is het wel het wonder dat God steeds met hem verder gaat. Alle verhoudingen liggen scheef, en Jakob leert in die leerschool van het leven het enige wat nodig is: op God te letten, en op wat Hij doet. Ineens wordt God daarin voor Jakob een realiteit die hij heel serieus neemt, in al zijn relaties. In het krijgen van kinderen, in het opvoeden daarvan. Het gebeurt met vallen en opstaan. De ene keer vervalt hij in een overreactie, -het kwade dat ik niet wil, dat doe ik-.
De andere keer valt hij in een onderreactie, -het goede dat ik wil dat doe ik niet-. De typisch foute manier van reageren. Tegenover Rachel de overreactie, de uitval, -want is dat een manier om je vrouw te troosten als ze zo pijnlijk getroffen is om dan te zeggen: ben ik God dat ik kinderen kan verwekken?- Maar tegenover Lea is Jakob altijd onderkoeld. Er wordt in al deze hoofdstukken, in heel de bijbel, niet één gesprekje tussen Jakob en Lea vermeld. Erg is dat. Tussen het zwijgen, dat slap is, en de overreactie die zo stoer is, daartussen moet Jakob toegroeien naar de man zoals God hem hebben wil. Maar hij is op weg. Hij ziet de hand van God in zijn leven, hij leert zijn zonden kennen, hij zweert het af om ooit nog voor God te spelen. Zo verschijnen als het ware de contouren van de ware Jakob, van de man die recht doet en gerechtigheid. Tussen zwijgen en overreactie, onze twee manieren van handelen in, je verantwoordelijk gaan gedragen en daarbij ootmoedig wandelen met je God. Dat zijn de contouren van Israël. We zien Jakob dus in een geboorteproces. In dit bijbelgedeelte, dit deel van de geschiedenis van Jakob, zagen we, -na Bethel waar de vloer gelegd werd-, nu de strijd.
Denk aan Romeinen 7. Samenvatting Wat doen wij nu met deze episode uit Jakobs leven? Samenvattend: we leren er uit dat er fasen zijn in ons leven waarin God zwijgt, maar intussen ontzettend veel doet. Ik zei al, niet alles wat ons gebeurt en overkomt is daarom per definitie iets wat God doet. Maar, -en die stelling is volbijbels-, in alle omstandigheden is God bezig u en mij te leren, te bekeren, te snijden en te schaven en te schuren tot die oude mens dood is, en die nieuwe mens in ons opstaat, die in Christus geschapen is tot volkomen waarachtigheid, echtheid en heiligheid. God is uit op karakters. Wat Hij in Jakob als enkeling deed in het oude verbond, dat doet Hij in Jezus, de eerstgeborene van alle volkeren, en in allen die in Hem zijn ingelijfd. Daarom: vertrouw op Hem, let op zijn hand in je leven, zet het mes in je eigen vlees, en bidt dat gebed uit lied 78 tot Jezus: Heer, laat me in U blijven, groeien, bloeien,? o Heiland die de wijnstok zijt!? Uw kracht moet in mij overvloeien,? of 'k ben een wis verderf gewijd.? Doorstroom, beziel en zegen mij,? opdat ik waarlijk vruchtbaar zij! Amen. ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.
Terug naar de startpagina of naar de preekindex.