Gemeente van Christus, De geschiedenis van Jakob bij Laban is een succesverhaal. Een zwerver wordt herdersvorst. We zouden in onze tijd boven dit verhaal zetten: van krantenjongen tot miljonair. Het was succes. We lezen dat in het slot van hoofdstuk 30: en hij verwierf zich kudden, slaven en slavinnen. Kudden, dat betekende geld, daarmee kon je kopen en ruilen. Slavinnen, slaven, kamelen en ezels: Jakob was een machtig man. Dat is zo de voorgeschiedenis. Maar de bijbel zou de bijbel niet zijn als ons niet tegelijk de achtergrondgeschiedenis werd getoond. Vooral ook, hoe Jakobs ogen in de loop van die zes jaar steeds meer geopend worden, van die voorgrondgeschiedenis weg, naar de achtergrondgeschiedenis In zeker opzicht gaat Laban hem daarin voor. Daarom begin ik met die tekst uit hoofdstuk 30: 27, het begin van het verhaal. Eindelijk krijgt Rachel een zoon, ze noemt ze hem Jozef, wat betekent: hij smaakt naar meer: Daarna zegt Jakob: "Nu ga ik terug naar mijn vader". Maar hij moet toestemming vragen aan Laban, bij wie hij in dienst is.
Als Laban er van hoort zegt hij heel beleefd: "Mocht ik toch uw genegenheid gewonnen hebben!" Daarmee bedoelt hij: "Alsjeblieft zeg, dat is het laatste wat ik wil, dat je weggaat!" Dan zegt hij iets opmerkelijks: "Want ik heb waargenomen dat de Here mij om uwentwil gezegend heeft." Dat is wel opvallend. Daarom zei ik: Laban gaat Jakob hier voor. Ineens komt hier dat woord zegen, het woord dat als een rode draad door Genesis heenloopt. U weet, het begon bij Abraham: om uwentwil zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Om die zegen draait het, niet alleen in Genesis trouwens, maar in heel de Schriften. Maar Laban heeft gezien: Jakob heeft het, wat hij aanraakt wordt goud. Waar Jakob werkte, liep alles mee. Laban zegt niet tegen Jakob: de Here heeft jóu gezegend. Hij zegt het heel apart: "Ik heb waargenomen dat de Here míj om uwentwil gezegend heeft." Ik vind dat heel bijzonder, ik ben daar door aangesproken, juist op deze dag van dankstond voor gewas en arbeid. Laban ziet dieper.
Dat is ook juist op de dankstond de bedoeling, dat we eens even door die voorgrond van succes en glamour heenkijken, en letten op de achtergrond die Laban zag: de Here heeft mij om uwentwil gezegend. Wij kijken zo vaak alleen maar naar het succesverhaal van Europa, en van Nederland. Het is een bijzonder bloeiend economisch jaar geweest, met even een recessie. Maar wij zijn zo licht geneigd om dan als vrome christenenen te denken: alle succes is zegen! Is dat zo? Is alle succes zegen? Kunnen we dan blij zijn Moeten we dan blij zijn als ineens in andere delen van de wereld die zegen wegvalt? En is dat wel zo? Is welvaart niet vaak ook een vloek? Want welvaart verwekelijkt, welvaart verslaaft, welvaart is vaak in de handen van de duivel een middel om ons van God los te weken. Zo brengt deze geschiedenis ons bij de kern van de dankstond van deze morgen. Met die opmerking van Laban, die zegt: "Ik heb dat diepere daarachter gezien, ik heb leren zien dat daarachter de zegen van de Here is". De vraag die ons dus vanuit dit gedeelte uit de Jakobsgeschiedenis toekomt is: hoe leren wij die zegen zien? Voor Jakob was dat ook de geestelijke les voor die fase van zijn leven.
In deze zes jaar bij Laban leert hij weg te groeien van zijn eigen slimmigheden en trucs, van het letten op succes alleen, van het zelf manipuleren, we lazen dat hij daar volop mee bezig was. Hij leert er van weg groeien, om mee door dit woord van Laban, te letten op die achtergrondgeschiedenis, om te herkennen, om de zegen van God te herkennen. Om in te zien hoe je die kunt verspelen, en vooral, aan het eind, als hij teruggeworpen wordt op de God van Bethel, om te zien hoe je die kunt voeden en verwerven, hoe je je daarin kunt bewegen. Dat zijn de momenten die ik in deze overdenking naar voren wil brengen. Het is iets wat Jakob moest leren. We zijn bezig met het groeiproces van Jakob. Het is iets wat Jakob leert, wat God in hem bewerkt, maar waar wij bij betrokken raken. Bij de hoofdvraag: hoe herkennen wij de zegen? wil ik stilstaan. Misschien moeten we eerst wel even scherper stilstaan bij de vraag: willen we het eigenlijk wel? Misschien zijn we wel zo verblind door uiterlijk succes dat we alleen daar bij stil blijven staan. Dan heeft onze dankstond de sfeer van: op mijn bankrekening staat vandaag meer dan een jaar geleden: reden om te danken!
Of: het is me goed vergaan dit jaar, materieel zit ik er goed bij: goed dat we een dankstond houden. Dat kan oppervlakkig worden, alsof die uiterlijke dingen, het succes, de welvaart, per definitie zeggen dat we gezegend worden. Dat is niet zo. Zoals ik als zei: welvaart kan evenzeer een vloek zijn. God is niet een grote sinterklaas die willekeurig de pepernoten over de aarde strooit. Nee, de God van Abraham is de God die een plan heeft, een heilsplan voor deze wereld. Daar kiest Hij mensen voor uit, - zegen is altijd verbonden aan uitverkiezing -. Intussen probeert Zijn vijand, de duivel, tegengas te geven, het plan te verstrooien, mensen uit dit plan los te weken. Hoe doet hij dat? Door succes. Geef iemand een pluchen bank, zet hem in weelde, en hij is niet meer weg te krijgen, hij zit vastgebakken. Geef hem geld, meer dan genoeg om te eten, en God krijgt hem nooit meer in beweging voor Zijn plan. Welvaart is niet per definitie een zegen. Het is minstens zo vaak, misschien wel vaker, een vloek. Een pijl uit de koker van de boze. Dat zeg ik nu niet in Midden Amerika, dat zeg ik in Europa, dat ongelooflijk rijke, soms walgelijk rijke Europa.
Ik bedoel hiermee: je kan niet danken als je niet eerst de zegen hebt leren ontdekken, zoals Laban het heel mooi zegt. Alle elementen zitten daar in: "Ik heb waargenomen dat God mij gezegend heeft om een ander". Dan ga je nadenken. Die woorden in het verhaal geven ons alle kaarten in handen om in de eerste plaats te ontdekken wat zegen is. Er zitten drie momenten in: God geeft het ons om een ander. Heeft u daar wel eens bij stilgestaan? God geeft ons zegen om een ander! Daar zit een bovenpersoonlijk moment in. Het tweede is: God geeft het. Dat moest Jakob leren. Hij heeft het niet in eigen hand, dat denkt hij wel, maar dat is een misvatting. Daar zit een bovennatuurlijk moment in. In de derde plaats: je herkent zegen aan de dynamiek die het teweeg brengt. Zegen zet je in beweging. Want je wordt ermee de wereld in gezonden. Er zit dus een boventijdelijk moment in zegen. Bovenpersoonlijk, bovennatuurlijk, boventijdelijk. Ik leg ze alledrie nader uit. Bovenpersoonlijk In de eerste plaats: Laban zegt: " Ik heb gezien dat de Here mij om jou gezegend heeft." Als God ons zegent, doet Hij dat om Jakob, en dat is nog steeds zo!
God zegent ons omdat onze ouders, grootouders voor ons gebeden hebben. Dat denk ik echt, zo was het al met Jakob zelf. Hij is drager van de zegen die God gaf aan zijn grootvader, toen aan zijn vader, en toen aan Jakob zelf. Ooit over nagedacht? Begin daar dan vandaag mee. Een bekend kunstschilder heeft mij eens verteld dat hij tot geloof kwam toen hij zijn vader een keer heeft horen bidden, door een gesloten deur, hij mocht het eigenlijk niet horen. En hij vertelde: "Het gebed dat ik daar gehoord heb heeft mij op de knieën gebracht." Dat verhaal ben ik nooit vergeten. God zegent ons altijd vanwege het gebed van een ander. Je vader, je grootvader, ik weet niet hoe ver dat in mijn geschiedenis doorgaat, het blijft die achtergrondgeschiedenis, die bepalend is voor de voorgrondgeschiedenis. Je ouders, je grootouders, maar als je bijbels gezien teruggaat, is het uiteindelijk het hogepriesterlijk gebed, wat Jezus bad voor allen die door het woord van de apostelen in Hem gaan geloven. Dát staat aan de aanvang van onze geschiedenis.
"Bewaar hen voor de boze", heeft Jezus gebeden, "en dat ze allen één zijn en dat ze allen die zegen, die Ik nu mag doorgeven, weer verder geven." Daar sluiten we straks de dienst ook mee, als we gaan staan en de zegen krijgen die de Hogepriester voor ons allen heeft verworven. Wij worden gezegend om een ander, om Jakob. Bovennatuurlijk In de tweede plaats: er zit in de zegen ook altijd iets extra's. Twee mensen doen hetzelfde, de één heeft bijzondere uitkomst, en de ander niet. Kaïn, Abel, enzovoort. Laban zegt: "Dat heb ik waargenomen". Daar gaat het tweede gedeelte van dit verhaal over. Ik stap nu over naar dat middenstuk, de bekende geschiedenis over hoe Jakob aan de gang gaat. Want hij denkt toch nog helemaal in de wetten van gevolg en oorzaak. Als je hem aan de slag ziet gaan met zijn kudden! Zijn hele gedrag spreekt de taal van: ik geloof in succes en ik kan het zelf wel realiseren. Jakob heeft dan nog geen echt begrip van wat zegen is. Want zegen bestaat altijd in het extra wat bóven gevolg en oorzaak uitgaat. Dat moet Jakob leren. Hij leert het ook in deze geschiedenis. De tekst in het slot van hoofdstuk 30 is niet altijd even helder.
Misschien denkt u: wat is er hier nu aan de hand met Jakob? Als je het eens rustig leest, dan zie je Jakob aan de gang gaan met drie principes die in zijn hoofd opkwamen. Jakob is in zeker opzicht misschien wel de eerste technicus: hij probeert de natuur te manipuleren. Hij doet dat met veel bijgeloof en magie, maar toch ook is hij de eerste man die probeert de natuur naar zijn hand te zetten door middel van techniek. Hoe doet hij dat? Hij past drie principes toe: het ene is een magische idee, als je stokken schilt in een bepaald patroon en in de voederbak legt, dan krijgen de schapen en geiten, als ze uit die bak drinken, ook gestreepte, gevlekte en zwarte jongen. Een magische idee, wat wel vaker voorkwam. Ook in Nederland. Vroeger dacht men dat als je bij de verwekking van een kind aan een bepaald iemand dacht, dat het kind op die persoon zou gaan lijken! Dat noemen ze: zich verzien. Een bijgeloof dat nog lang bestaan heeft. Het is natuurlijk allemaal onzin, bijgeloof, maar dat zit er bij Jakob ook een beetje achter. Als de dieren in de voederbak maar keken naar die gestreepte, gevlekte of zwarte takken, dan kregen ze dat soort jongen.
Bijgeloof tot en met, maar Jakob denkt dat hij het daarmee beïnvloeden kan. Het tweede idee is dat hij de witte schapen, zodra ze gedekt worden door de rammen, laat kijken naar zwarte schapen. Ongeveer hetzelfde principe, dan zou dat ook een gunstige uitwerking hebben. Het derde principe kan ik goed begrijpen, daar zit wel wat in. Het is een fokmethode. Jakob laat de zwarte bokken en rammen alleen omgang hebben met de sterke, witte ooien en schapen. Dan krijg je een sterk ras, gekleurd of gespikkeld, en dat was voor hem. Hoe dan ook, het verhaal vertelt het wat door elkaar heen, maar we krijgen toch wel een goed beeld van wat Jakob drijft, dat hij zelf door eigen list en sluwheid de zegen naar zich toehaalt. Toch weer zelf manipuleren, zelf alles in de hand houden, zelf zijn succes realiseren. Dat is iets waar God hem dan stap voor stap van gaat genezen. Dat blijkt uit het volgende hoofdstuk. Als Jakob ziet dat hij met al zijn rijkdom heel veel naijver, jaloezie verwekt bij de zonen van Laban, en als het gezicht van Laban begint te betrekken: het staat niet meer als gisteren en eergisteren, dan weet Jakob: er hangt een bui, en straks breekt die los.
Hij is niet dom, dus hij denkt: nu moet ik maken dat ik wegkom. Maar bovendien, God zegt het tegen hem: "Jakob, je moet terug naar Isaäk, naar de plaats van je geboorte, naar 'Mokem', staat er letterlijk, naar je 'Makoom', je geboorteplaats". En dan leert de Here God hem iets, wat Hij in de loop van de jaren al heeft voorbereid. Want dán hoor je hoe Jakob in dit proces toch iets heel diepzinnigs heeft geleerd. Hij roept zijn vrouwen Rachel en Lea en zegt tegen hen: "God heeft mij iets laten zien. Ik dacht het met die gespikkelde takken werkte, maar toen gaf God mij ineens, net als bij Bethel, een droom, en in die droom verscheen mij een engel en ik heb gezien hoe, terwijl ik die kudde hoedde, voortdurend de gespikkelde, gestreepte en zwarte rammen en ooien de geiten en schapen bevruchtten". Zo heeft de Here God hem laten zien: "Jakob, er zit hier een bovennatuurlijk element in, daar heb Ik de hand in". Tegelijk is dat ook het antwoord op de vraag, wat dan dat extra moment is. Dat is dat wij, met al onze inspanning nog geen zegen verwekken.
Zegen is dat je ineens merkt dat achter alles wat een mens doet, God hem ondersteunt, draagt, deuren opent, vrucht geeft waar we dachten dat geen vrucht meer gekregen kon worden. Dát is wat Jakob hier leert. Hij leert die diepe afhankelijkheid van God. Hij zal aan het eind van die zes jaar ook gedacht hebben: "Waar ben ik mee bezig geweest? Die engel heeft me zo duidelijk laten zien dat het iets was wat God zo gebruikte, Hij heeft mij op een bijzondere manier voorspoed gegeven en dat tegenover alle trucs van Laban in". Dat moeten we ook in het oog houden. In een klein zinnetje wordt verteld dat Laban blijkbaar wel tien keer het loon heeft veranderd. De ene keer zei Laban: jij krijgt alleen het gespikkelde vee. Tot zijn stomme verbazing werden er alleen gespikkelde jongen geboren. Maar dan zei Laban: je krijgt alleen het gestreepte vee. En er werden alleen gestreepte jongen geboren. Zo ging Laban van het één naar het ander. Op uitzonderlijke wijze heeft God Jakob gezegend, en hij dacht steeds dat hij het zelf deed. Zo zit Jakob in elkaar, en zo treurig zitten wij ook in elkaar.
Want wij denken ook dat wij het zelf gedaan hebben en we hebben absoluut niet door dat op de achtergrond de gebeden staan, die ver rijken, dat God daar staat, die gezegd heeft: "Ik kies jou uit om mijn zegen te dragen!" Dat is het wonder. Boventijdelijk In het derde element zit een boventijdelijk moment. Ik noem dat zo omdat het in de rij past: bovenpersoonlijk, bovennatuurlijk, boventijdelijk. Ik bedoel ermee: de zegen van God zet ons altijd in beweging. Daar zit nu de fout van Laban. Hij heeft gezien dat God hem gezegend heeft, maar wat doet hij? Hij weigert te delen. Daarmee verziekt de zegen en verandert in het omgekeerde. Dat zie je ook, want aan het eind zeggen de zonen van Laban: "Nu heeft Jakob al onze rijkdom meegenomen, het is allemaal overgegaan op hem!" Terwijl Laban - die natuurlijk gezien heeft dat hij zo gezegend werd door de aanwezigheid van Jakob -, had tegen Jakob moeten zeggen toen die hem vroeg wat zijn loon zou zijn: "De helft, laten we minstens delen wat we samen hebben verdiend." Maar dat doet Laban niet, hij denkt: "Ik kom er goedkoop af, ik geef hem alleen de zwarte schapen". Dat was 1 % van de kudde, het stelde niets voor.
Ineens zien we Laban in het hart, hij dacht er met een koopje af te komen: een man die niet wil delen. Daarin ligt de stagnatie van de zegen. En dat is ook veelzeggend voor ons. Wanner wij de ontvangen zegen niet willen delen met anderen, dan stagneert die zegen. Dat was mijn punt: je herkent de zegen dan ook bij uitstek aan de dynamiek waarin het je brengt. Als die zegen je niet bezielt om er anderen mee te zegenen, dan is het geen zegen. Dan had God het in eerste instantie wel zo bedoeld, maar is het in ons midden verziekt. Zo stelt de zegen ons voor een grote opgaaf. Dankstond is ook deelstond, zou je kunnen zeggen. Leren delen met de ander. Daarin ligt dat derde moment waaraan je de zegen herkent: een gezegend mens beseft dat hij staat in de lijn van een traditie. Hij beseft dat er voor hem gebeden is, ja, sterker nog, dat hij gezegend wordt om een ander. Daar zit een stuk uitverkiezing in. In de tweede plaats ziet hij daarin iets bovennatuurlijks, hij weet dat Gods hand daarin was. Soms kan je het niet eens aanwijzen, maar je weet het: daar zit Gods hand in. Dat wordt Jakob geleerd. En het derde: succes smoort met de bezitter.
Als de bezitter van succes verdwijnt, dan verdwijnt ook het succes. Maar zegen ontsluit, zegen zet in beweging. Ik hoorde onlangs weer het verhaal van de Hernhutters, een prachtig voorbeeld om het hoofddeel van de preek mee te beëindigen. Die Hernhutters begonnen in Hernhut, een klein dorpje in Zuid Duitsland, en hun boodschap spreidde zich uit over Europa, -Zeist, hier vlakbij-, over Noorwegen. Met een enorme bewogenheid om het evangelie te verkondigen. Het ging verder naar Suriname, en van daar uit naar de zuidelijkste landen, in het zuidelijkste puntje van Zuid Afrika, daar zitten de Hernhutters. Zo gaat dat, de zegen bezielt om er op uit te trekken. Gezegenden zijn gezondenen. Dat is wat we vanmorgen leren. Ik vat kort samen, en wil van daaruit ook onze ogen richten op wat we vieren bij het Avondmaal. We begonnen bij Jakob: van krantenjongen tot miljonair. Maar wat gebeurt er intussen met hem? Wat laat de Here hem zien in die zes jaar bij Laban? Waarin groeit hij? We zagen: hij leert de zegen zien, zeker, door God in een droom, maar zo kan het tot vandaag toe gaan. God kan door een droom, door een engel, ons daarop indachtig maken.
De engel helpt een handje om een tipje van de sluier van die achtergrondgeschiedenis op te lichten, zodat Jakob die ziet. Er ligt een dynamiek in de geschiedenis en dat is de zegen van God. De hele geschiedenis wordt gedreven door Gods wil om zegen te brengen tot aan de einden der aarde. Hoe kan Jakob dat? Doordat hij steeds weer - dat blijkt aan het slot -, terugvalt op de God van Bethel. Daar eindigt dan ook dit gedeelte van Jakob. Aan het eind verschijnt de engel en zegt tegen hem: "Je moet altijd weer opnieuw bouwen op die gelofte bij Bethel gedaan: Ik ben de God van Bethel.". De God van Bethel is de God die ons onvoorwaardelijk zegent. Dat is het bijzondere van Bethel. Jakobs leven was in die tijd een puinhoop en hij had er zelf niets aan gedaan, en God verschijnt hem en zegt: "Ik ben jouw God, eenzijdig, vast voor altijd". Dat is de God van Bethel. Daar moet Jakob op leren bouwen, juist ook in dat punt van het herkennen van de zegen. Daar worden wij deze zondag ook weer naar teruggevoerd. Ik denk aan dat hele kleine zinnetje bij de instellingswoorden van het avondmaal: 'terwijl ze aten, nam Jezus een brood, en sprak de zegen uit.
Dat zijn die oude zegenwoorden: De God van Abraham, Isaäk en Jakob moge u zegenen. Toen brak Hij het brood en gaf het aan zijn discipelen. Ik denk dat daar, ook voor ons, het antwoord ligt op de vraag hoe je in die zegenstroom kan blijven: door het gebroken brood te eten en de wijn te drinken, door in de weg te gaan van Zijn liefde voor ons die vast ligt, zoals de liefde van God werd vastgelegd onder de voeten van Jakob bij Bethel. Zo willen we dan ook het avondmaal vieren en daarbij steeds weer gedenken: hiermee bewegen we ons in de lijn van de zegen die al aan Abraham werd gegeven, die niet ophoudt totdat de einden der aarde verzadigd zijn. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.