Bijbeltekst: Genesis 29 : 11 en 25; 30: 2 — Uit de serie: Jakob, deel 6

Gemeente van Christus Het grootste probleem waar wij in onze tijd mee kampen zijn gebroken relaties, gebroken verhoudingen. Ik las een boek over de 'generatie X' door iemand die een studie heeft gemaakt van de generatie die in de zestigerjaren zijn geboren. De generatie vlak na de Tweede Wereldoorlog worden de 'babyboomers' genoemd, die van de zestiger jaren 'generatie X'. Wat is het meest kenmerkend van die generatie jongeren? Waar ze het meest mee te maken hebben en kapot op lopen, zijn gebroken relaties. Als je kijkt naar al degenen die de beroepsopleidingen, middelbare scholen en universiteiten bevolken, daarvan komt 50 % uit een gezin waarvan of de ouders gescheiden zijn, of waar andere gebroken relaties zijn. Volgens mij was Jakob zo'n 'generatie Xer'. Want als je de eerste fase van zijn leven bekijkt, kan je het zo leggen over 'generatie X'. Alle relaties verzieken, zijn kapot of verbroken. Er is een groot spanningsveld tussen zijn ouders Isaäk en Rebecca, daarna loopt de relatie met zijn broer Esau stuk, dan begint de relatie met zijn eerste vrouw Lea, waar hij niet voor gekozen had.

Dan volgt de hele geschiedenis van zijn eigen gezin, die we eerder gelezen hebben, dan zijn verhouding met Laban. Jakob werd deel van dat gezin, maar als je die relaties daar bekijkt, dat kraakte van alle kanten. Overal waar Jakob gaat of staat: gebroken relaties. En tóch is God daarin aan het werk. Dat is natuurlijk de boodschap van de bijbel, daarin ligt het evangelie, wat ik u mag brengen: dwars door alle gebrokenheid heen is God echt aan het werk, heel persoonlijk, in het leven van Jakob. Deze geschiedenis van Jakob staat niet in de bijbel om ons wat historisch inzicht te geven in wat God zoveel duizend jaar geleden deed. Nee, het staat model van wat God nú, in Jezus Christus, doet en werkt, - en nog steeds levend aan het werk is -, in ieder van ons, die op God vertrouwen. Zo is God in Jezus Christus bezig met ons. Hij waakt over onze vrijheid, zongen we. Paulus vat het hele evangelie samen in de Galatenbrief, waar hij zegt: "Daartoe zijn jullie nu geroepen, dat je zelfstandig, volwassen, in vrijheid zou mogen leven". God is er en Hij werkt, in het leven van Jakob, om hem om te vormen tot een man, gerijpt en gelouterd in de dienst aan God.

Dat zien we nu in een nieuwe episode: Jakob schudt zich vrij. Ik zeg dat zo omdat het Hebreeuwse woord voor 'volwassenheid' letterlijk betekent: 'hij of zij die zich vrij schudt'. Dat is heel mooi gezegd. Er vindt hier een grote stap plaats in het leven, in het groeiproces van Jakob. Ik geef even een terugblik. We zijn bij de geschiedenis van Jakob begonnen en zeiden toen: 'Jakob, van ruw materiaal naar diamant'. Want zo is God met hem bezig. We zagen: er is een voorgeschiedenis, er is een hogere bestemming, de erfelijke natuur en allesvernieuwende genade. Dat waren de vier punten uit het begin van Jakobs leven, hoofdstuk 24 en 25 aflazen. De daarop volgende vier episodes kan je daar aan verbinden. Het begon met het bedrog tussen Jakob en zijn vader, toen hij zich verkleedde als Esau en zo zijn vader bedroog om de zegen. Daar zie je die erfelijke natuur. Daarna, bij de geschiedenis van Bethel, hebben we bij de allesvernieuwende genade stilgestaan, hoe God als het ware een vloer legt onder de voeten van de dan eenzaam zwervende Jakob. Toen kwam hij bij de put en begint zijn geschiedenis bij Laban, twee keer zeven jaar om een vrouw, eerst Lea, dan Rachel.

Leiding van God, maar ook confrontatie. Hij loopt tegen zichzelf op, krijgt een koekje van eigen deeg. Hij leert in de omstandigheden te groeien. Maar toch loopt er door het hele verhaal van Jakob heen, als een rode draad, die zegen. Waar draait het nu om in dit gedeelte van Jakobs leven, het afscheid van Laban? Het beste komen we dat op het spoor als we op een heel klein woordje letten. We vinden dat twee keer in de tekst, in hoofdstuk 30: 25, en als laatste woordje van hoofdstuk 31. Het is een hebreeuws woordje wat wij verbasterd kennen als Mokem, de joden spraken voor de Tweede Wereldoorlog over Amsterdam als hun Mokem, hun woonplaats, hun plek. In hoofdstuk 30: 25 is het vertaald met geboorteplaats, in hoofdstuk 30 met woonplaats. Het woord 'plek' in het Nederlands heeft misschien nog de beste klank. Dit verhaal begint met Jakob, die zegt: "Ik wil terug naar de plaats waar ik thuishoor". Het eindigt met Laban, die ook terugwil naar de plaats waar hij thuishoort. Dat heeft iets diepers in zich. Terugkeren naar je plek, je plek vinden, je plaats in het leven, de ruimte waarbinnen je jezelf mag zijn én waarbinnen je dan ook je roeping mag vervullen en je bestemming mag vinden.

Dat is het. Jakob weet: "Dit is het moment, nu moet ik gaan." Tot dan toe was hij als het ware helemaal versmolten met de familie van Laban, ingetrouwd. Om een moeilijk woord te gebruiken, het was een soort symbiose, versmelting. Maar nu weet hij dat hij sterk genoeg is om op eigen benen te staan. En, heel bijzonder: God bevestigt hem op die weg, in hoofdstuk 31. Jakob kiest er voor, maar de Here roept hem ertoe om die plek te vinden. Hij is er rijp voor. De plaats waar hij zijn bestemming vindt, de ruimte waar hij nu zelfstandig zijn roeping kan vervullen, en dat is een hoge roeping. Want hij is bestemd als stamvader van het geslacht. Abraham, Isaäk, Jakob, hij is drager van de zegen. Nu moet hij, en dat weet hij, die roeping gaan vervullen. Daarvoor moet hij terug naar zijn eigen 'plek'. We nemen het verhaal op waar we het de vorige keer onderbraken, het gesprek met zijn beide vrouwen. Hij legt het ook aan hen voor, ze zijn het hartgrondig met hem eens: dit is het moment van scheiding. Jakob maakte zich reisvaardig. Hij zette zijn vrouwen en kinderen op de kamelen, drijft zijn kudde uit de kraal, en - want zo ging het eerlijk gezegd wel -, hij knijpt er tussenuit.

Net op een moment dat Laban drie dagen weg was voor een schaapscheerdersfeest. Het besluit was goed, maar de uitvoering…, het is weer typisch Jakob. Hij durft de confrontatie niet aan en zet zo het patroon van gebroken relaties nog steeds voort. Het is een vlucht, wat zo mooi een eigen eerste stap naar volwassenheid had kunnen worden. Ik denk dat velen die eerste stap zo nemen, op een toch wat geforceerde manier, en, zoals Jakob hier ook, met angst vervuld. Dan brengt God Jakob in een leerproces. Ik zie vier stappen in dat groeiproces. Jakob leert: kritiek aanvaarden; afgoden ontmaskeren; opkomen voor jezelf; grenzen stellen. In dat wondere slot van dit hoofdstuk richt hij grensstenen op, daaromheen houdt hij een maaltijd met Laban en maakt goede afspraken. Ik lees die vier punten af uit het verhaal. Als Laban thuiskomt van zijn schaapscheerdersfeest en hoort dat Jakob weg is met al z'n bezit, zijn dochters, zijn kleinkinderen, en dat hij bovendien nog zijn afgodsbeeldjes gestolen en meegenomen heeft, stelt hij een knokploeg samen en jaagt achter Jakob aan, die zich met al zijn vee niet zo snel kan bewegen. Hij heeft hem dan ook na drie dagen achterhaald.

Maar in die nacht, voordat het tot een confrontatie komt, krijgt Laban een droom. Weer lezen we hier van zo'n wondere droom. In die droom weet Laban: dit is God. En God zegt tegen hem: "Denk erom, niet aan hem zitten, pas voor hem op. Vloek hem niet en vlei hem niet" Ik moest denken aan de vrouw van Pilatus, die later zei: ik heb vannacht een droom gehad, ter wille van deze man. God doet dat, dat Hij soms mensen een hint geeft. Hij zegt hier ook tegen Laban: afblijven. Hoe dan ook, de confrontatie is nog steeds fel als na die nacht Laban Jakob ontmoet. Laban verwijt hem: Je hebt me misleid, je bent heimelijk gevlucht, en nog eens: je hebt me misleid. Dat is oud zeer openhalen, Jakob vastpinnen op zijn negatieve kanten, die Laban zelf ook had. Geen vrijheid, geen kans geven, bovendien zei hij: je hebt mijn afgodsbeelden gestolen. Kritiek aanvaarden Ik vind het heel bijzonder hoe Jakob hierop reageert. Heel volwassen, hij begint zich niet te verdedigen, hij begint niet te schelden van: jij kan er ook wat van. Nee, het is een hele eerlijke volwassen reactie, niet defensief. Heel kwetsbaar zegt hij: "Ik was bang!" Dat was het gewoon.

Hij was doodsbang, hij had gedacht: als ik tegen Laban zeg dat ik wegga, houdt hij mijn twee vrouwen, ik kom nooit bij die man weg. Hij zegt dat ook: "Ik ben bang geweest." Ik noem dat de eerste stap in een groeiproces: scherpe kritiek kunnen aannemen. Niet een schild optrekken, maar, zoals Jakob dat doet: zelf komen met je diepste angst en wat je ten diepste beweegt. Jakob zegt het, en voegt daaraan toe: "En ik had er best redenen voor." Dat te zeggen ontwapent. Afgoden ontmaskeren Dan dat tweede. Laban zegt: Laat me dan eerst jullie tenten doorzoeken, want je hebt mijn afgodsbeelden meegenomen. Hij gaat met al zijn manschappen de tenten langs, want dat met die afgodsbeelden zit hem dwars. Merkwaardig dat dat zo'n rol speelt. Ik denk dat het ook een verziekende rol speelt in relaties. Vaak hoor je pas achteraf dat er iets heel anders was wat in het leven van die ander een rol speelde. Daardoor kan je pas begrijpen waarom de ander zo vreemd of zo krampachtig reageerde, of zo afwerend. Tot een echt gesprek kwam het niet, daar zaten die afgoden tussen. Hier vind je dat even boven water gebracht. Afgoden, dingen waaraan je verslaafd bent, waarop je vertrouwd buiten God.

Dat zijn je afgoden. Die had Laban ook. Die afgodsbeeldjes raadpleegde hij als hij in nood was, en Rachel, kind van haar vader, heeft datzelfde vertrouwen blijkbaar opgevat, en heeft die huisgoden van haar vader meegenomen. Laban komt haar tent binnen, en Rachel, in haar angst, is slimmer dan de dochter van Jefta. Die verloor onder zo'n vloek haar leven. Maar Rachel weet ervan. Als de huiszoeking plaats vindt en de tent wordt doorzocht, zegt Rachel, de onschuld zelve, op het zadel gezeten: "Alstublieft heer, laat mij hier mogen blijven zitten, want het gaat mij naar de wijze der vrouwen". Dit is toch wel een humoristisch onderdeel van het verhaal. Daar zitten die afgodsbeeldjes, weggemoffeld onder de rokken van Rachel. De bijbelschrijver wil zeggen: "Moet je zien wat je aan ze hebt in nood!" Er zit iets van ironie in, een spottende lach over de afgoden die niet echt en nooit werkelijk helpen. Maar die juist groei blokkeren. Ze moeten ontmaskerd worden, en straks, dat lezen we in hoofdstuk 35, gaat Jakob met Rachel die huisgoden in de grond begraven. Daar horen ze thuis, onder de grond, weg er mee. Afgoden blokkeren groei.

Het is steeds weer alleen die dragende hand van God, de ware God, de God van Abraham, die je echt op weg zet en bevrijdend werkt. Maar die nietige afgoden van Laban zijn nog niet goed genoeg voor de prullenbak, zegt de tekst. Voor jezelf opkomen Als het onderzoek van Laban is afgelopen en niets heeft opgeleverd, ziet hij ineens een heel andere Jakob. Zelf heb ik ook in de lezing van Genesis nog nooit zo'n Jakob aangetroffen. Hij is niet kruiperig of onderdanig naar Laban toe, niet lamenterend 'kijk eens hoe zielig ik ben', ook niet defensief of sluw, helemaal niet. Hij is puur verontwaardigd. Hij heeft gelijk en ongelijk, hij wist niet dat hij ongelijk had, hij dacht echt dat ze niets hadden gestolen, hij wist het niet van Rachel. Hij was eerlijk verontwaardigd en zegt tegen Laban: "Wat heb ik nu misdreven? Je bent al mijn spullen langs gegaan, laat maar zien wat ik gestolen heb." Dat was natuurlijk niks, en ineens komt bij Jakob alles boven. Hij zegt: "Moet je nagaan, twintig jaar heb ik u gediend, nooit iets van uw kudden genomen, altijd uit mijn eigen zak vergoed als er iets verloren ging. Zelfs een bokje voor mijn eigen maaltijd heb ik niet genomen.

Wat heb ik gewerkt, overdag sloopte mij de hitte, en 's nachts de kou. En nooit heb ik er waardering voor gekregen." Het is heel goed wat Jakob hier doet. Hij reageert het af, het komt er allemaal uit. "Twintig jaar heb ik bij u gediend, veertien jaar voor uw twee dochters, zes jaar voor uw vee. En als het aan u gelegen had was ik met lege handen weer terug gestuurd. Maar –en daar schrijf ik die vrijheid van uitdrukking ook aan toe-, de God van mijn vader Abraham en de vreze van Isaäk is met mij geweest." In onze vertaling staat vreze, een heel moeilijk woord, het komt maar twee keer in dit hoofdstuk in de bijbel voor. De vertaling die ik kies is schuilplaats, het Aramese woord. "De schuilplaats van Isaäk is met mij geweest. Ik was anders al lang vergaan. (Psalm 124: als de Here niet bij mij was geweest…). Maar nu, de Here heeft mijn ellende en mijn moeizame arbeid gezien, en Hij heeft me recht verschaft. Gisternacht, toen Hij u ervan weerhield mij geweld aan te doen." Ik schrijf het daar aan toe dat Jakob zo vrijmoedig is.

Hij weet die dragende hand onder zijn leven, hij weet dat God hem ziet en dat maakt hem sterk om op te staan en te zeggen wat er leeft in zijn hart, en niet bang te zijn voor mensen. Dit deel, dit proces vind ik het mooiste deel uit de geschiedenis van Jakob. Dit gedeelte, waar hij eerlijk opkomt voor zichzelf, met zijn teleurstellingen en frustraties en zijn pijn komt, dat dan ineens Laban ook opveert, want ook dat treft ons. Terwijl je verwacht dat Laban wel kwaad zal worden, gebeurt precies het omgekeerde. Het lijkt of Laban ook ineens ontspannen is en denkt: "Ja, nu snap ik het allemaal." Ineens voelt Laban zich ook aangesproken als mens. Ik denk dat we bij dit derde punt wel wat breder mogen stilstaan. Christenen hebben te vaak gedacht dat het pas echt vroom is als we maar slikken wat ons is aangedaan. Je moet altijd aardig zijn, je moet altijd ja zeggen, je moet altijd vergeven, niet protesteren, zelfs de andere wang toekeren, enzovoorts. Hier zien we hoe het ook kan, en hoe het moet. Jakob had het al veel eerder moeten doen. Gewoon op de goede wijze opkomen voor jezelf. Om bij Laban verder te gaan, hij bindt in, en dan komt het hoogtepunt van het hoofdstuk.

Nergens komt Laban zo menselijk naar voren als juist hier. Ik denk dat het hem goed gedaan heeft. Hij zegt: "Wat ben ik hier aan het doen? Dit zijn mijn eigen kinderen, het zijn mijn eigen kleinkinderen, het vee is allemaal bij mij afkomstig! Wat zou ik jullie toch ooit kunnen aandoen?" Ineens voelt hij de band trekken en wordt menselijk. En hij zegt: "Laten we een verbond sluiten". Daarmee eindigt het hoofdstuk. Grenzen stellen Heel breedvoerig wordt verteld hoe Jakob en Laban daarna scheiden. Ze scheiden, en toch laten ze elkaar niet los. Dat vind ik het bijzondere van dit slot. Het wijst erop hoe gebroken relaties kunnen genezen. Scheiden, en toch niet loslaten. Elkaars territorium afbakenen, en tegelijkertijd wederzijdse verplichtingen en verantwoordelijkheden vastleggen. Dat is wat hier gedaan wordt. Een groots voorbeeld van hoe de bijbel ons leert gebroken relaties weer te herstellen. Er worden zelf letterlijk grensstenen aangebracht. Laban zegt tegen Jakob: "Van nu af aan blijf jij daar, op je eigen benen, en ik hier. En God zij ons tot getuige dat ieder van ons, jij daar in ik hier, ons verantwoordelijk gedragen.

Jij zorgt goed voor mijn dochters, en ik van mijn kant, ik zal deze grensstenen niet in vijandschap overschrijden. De steenhoop zij ons een zichtbaar teken van dit verbond. Hij zij ons tot getuige. Van nu af aan is het niet meer jij óf ik, maar: jij én ik. We moeten samen verder. Onder de hoed van de God van onze vaderen." Zo leggen ze hun uitspraak vast met een eed. Jakob bracht een vredeoffer op de berg en hij nodigde al zijn verwanten uit om met een maaltijd de volwassen relatie te vieren. Daarna ging Laban weg. Hij kuste al de kleine 'Labannetjes, vrouwelijk en mannelijk', zoals het in het Hebreeuws zo mooi staat. Hij ging weer terug naar zijn plek, hij had zijn eigen plek en zijn eigen verantwoordelijkheden. Ieder zijn eigen plek, zijn eigen plaats, zijn eigen taak, zijn eigen roeping. Dat kan als er grenzen zijn, de vierde stap in Jakobs groei tot volwassenheid. Grenzen stellen en die vastleggen in een bundelafspraak, in een verbond. Stel grenzen. Het lijkt moeilijk maar het is 'levensnoodzakelijk'. Herstelde volwassen relaties kunnen alleen bestaan bij de gratie van zo'n bewuste afbakening van ieders eigen terrein. Ik hier, jij daar.

Hier mag ik er zijn, mag ik helemaal alleen beslissen, zelf de kleur van m'n behang bepalen, zelf bepalen hoe ik mijn kinderen opvoed, zelf verantwoordelijkheden dragen. De pijn dragen als het niet lukt, zeker, en ook de diepe bevrediging als het wel lukt. Levensvervulling, levensbestemming, persoonlijke levensroeping. Daar werkt God naartoe in het leven van Jakob. Langs vele stadia. Die grensafbakening wordt gevierd met een maaltijd. Want wonderlijk, als een mens weet waar hij staat, en als hij het kan nazeggen: ik hier, jij daar, en als de grenzen niet vervloeien, maar iedereen zichzelf kan zijn, dan ineens is er weer gemeenschap mogelijk. Dan komt de familieband weer terug, en de lach en de traan, er kan weer worden gedeeld en er kan weer worden geholpen, en ieder weet waar hij staat. Ware gemeenschap is nooit een gesloten cirkel. Ik heb daar drie beelden bij, van wat ware gemeenschap is. 1. Beeld van versmelting: Ware gemeenschap is nooit een symbiose, een cirkel, waarin je je kleffig aan elkaar verbindt in overdreven afhankelijkheid en weinig verantwoordelijkheid. Dat is fout. 2.

Beeld van fragmentatie Dit is het ook niet, twee cirkels, in de moderne tijd denken we zo, gefragmenteerd. Ieder op zijn eigen eiland, ik hier, jij daar, en we hebben niets met elkaar te maken 3. Beeld van de ellips Dit is het beeld van de ware gemeenschap, twee helemaal zelfstandige individuen, maar toch daar omheen verbonden in dat ene verbond met God, die zich de vriend van Abraham, de schuilplaats van Isaäk noemt. Daar wil ik in het slotdeel nog even bij stil staan, dat de Here God zich zo diep laat betrekken in het persoonlijke groeiproces van zijn knecht Jakob. Dat doet Hij niet door onheil te voorkomen, vreemd genoeg. Daar hebben wij zelf toch altijd wat moeite mee. Ergens in ons achterhoofd hebben wij zo'n verborgen opvatting vanGod, zo'n karikatuurbeeld van Hem, dat we denken: "Waarom greep Hij toen niet in? Op het moment dat het nog kon, voordat Jakob Esau bedroog? Waarom was Hij niet in Jakobs tent toen de relaties verziekten en elf kinderen er onder leden? Waarom liet God dat toe, gebroken relaties?" Eigenlijk hebben alle hoofdpersonen in dit verhaal gebroken relaties. Voor de kinderen is dat het ergst. Waarom laat God dat toe?

Een vraag die uit dat beeld vanGod voortkomt. Maar God is niet die grote 'allesregelaar' met Wie we heerlijk mogen versmelten. Deze voorbeelden zijn ook op God van toepassing. Het is niet zo dat wij met God mogen versmelten. God is in de hemel en wij zijn op aarde. Hij heeft mensen verantwoordelijkheid gegeven en de geschiedenis is reëel. Maken mensen fouten dan lijden mensen daaronder. In zo'n werkelijkheid heeft Hij ons gezet. Maar het is ook niet het beeld van twee cirkels. God in een gesloten cirkel boven, en wij in een gesloten cirkel beneden. Nee, het is een ellips. Hij is daar, en wij zijn hier. God is niet de grote Tita Tovenaar die ineens als het moeilijk wordt ingrijpt. God heeft de hele geschiedenis anders gewild. Maar als wij lijden onder de gebrokenheid, dan is daar zijn verbond om ons heen, dat is de ellips. Dat is het grote wonder van de geschiedenis van Jakob. De gemeenschap met God is ook een ellips, geen twee cirkels. Er is een verbond met bijzondere heilsbeloften. Hij laat ons niet echt alleen. Wat we hier in deze geschiedenis zien is: God bevestigt Jakob op zijn verlangen om zelfstandig te worden, hoofdstuk 31: 3.

God bevestigt Jakob in zijn voornemen om nu een plek te zoeken. Het tweede is: God beschermt Jakob, hoofdstuk 31: 24. In het uur van de nood grijpt God in door Laban even te laten voelen: dit kan je niet maken. Tenslotte: Hij is de God van Mizpa. De God die waakt. De grensstenen zijn een getuige van de realiteit dat God er is en Hij waakt. Hij houdt de wacht over de toekomst van Jakobs relaties. Dat is wat ik God zie doen in Jakobs bestaan. Hij is er steeds bij, heel reëel. Maar niet door de verantwoordelijkheden die wij moeten dragen van onze schouders weg te nemen. Maar wel door bij te sturen, te bevestigen, door in nood en pijn in te grijpen, en door te waken. Hij is er altijd bij. Via vele wegen en middelen. Mahanaïm God is er altijd bij en Hij heeft vele wegen en vele middelen tot zijn beschikking om ons dát ineens te laten voelen. Een woord, bezoek van een vriend, een brief, een droom, een ontmoeting op het goede moment. De middelen van God zijn eindeloos. Je moet het alleen zien, en je moet er mee leren rekenen. Dat is ook het hoogtepunt in dit 'zelfstandigwordings-verhaal' van Jakob, hoofdstuk 32: 1 en 2. God leren zien.

Jakob ging zijns weegs en zijn metgezellen trokken verder. Toen hij verder ging ontmoeten hem de engelen van God. Jakob zag hen en riep: "Het is een leger van God! Mahanaïm!" 'aïm' in het Hebreeuws is de uitgang voor 'twee'. Jakob zegt dus: "Twee legers! Hier trek ik met mijn leger op weg naar mijn plek, maar er is ook een ander leger, het leger van de engelen vanGod." In het nieuwe testament worden ze genoemd: dienende geesten, uitgezonden aan hen die het heil zullen beërven. God laat het even zien. Hij is er werkelijk bij. Hij trekt met ons mee, Hij is er en Hij werkt. Mahanaïm, een mooi opschrift voor het eerste huis dat je zelfstandig gaat bewonen! Amen. ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.