Gemeente van Christus, Strijden met God, dat is de naam van Israël. Kan dat? Wie zou het in zijn hoofd halen om met God te gaan vechten? We zeggen iedere zondag: ik geloof in God de Vader, de Almachtige. Wie zou het in zijn hoofd halen om als klein, nietig mensje met God de Almachtige te gaan vechten? Hoe kom je er op? En als je de strijd al ooit zou beginnen: je hebt toch geen kans van slagen? Toch, de geschiedenis van Jakob en zijn worsteling aan de Jabbok draait om dat kernpunt: zijn naam wordt veranderd. Jakob, via Jabbok, wordt Israël, dat betekent strijder met God. Het wordt in dit verhaal nog vreemder, nog meer onvoorstelbaar: hij wint! Uw naam zal niet meer Jakob zijn, maar Israël, want ge hebt gestreden met God en mensen, en ge hebt overmocht! Jakob, die kleine, nietige, onbetrouwbare, liegende man, hij overwint de Almachtige. Dat is een verhaal dat moet worden uitgelegd. En het moet worden doorverteld, het is te gek voor woorden. De grote wending in Jakobs leven, dat is aan de orde in deze geschiedenis van Jakob in Pniël. We weten intussen, omdat we dat steeds herhalen in het nieuwe testament: het gaat hier om ons.
Romeinen 8: 28, daar staat: zo worden wij in de Zoon omgevormd naar het beeld van Jezus Christus. God werkt in Hem, om ons om te vormen, vrij te maken van de zonden, en om te vormen naar het beeld van Zijn Zoon. Hij is hier, en helemaal hier in Pniël, zeer eindeloos dichtbij gekomen. We zien Hem van aangezicht tot aangezicht, en we worden gered. Strijden met God: hoe kom je erbij, wat houdt het in en hoe kan je winnen? Zo lezen we de tekst. Hoe kom je erbij? Eerst: hoe komt Jakob hier nu toe? Dat lezen we in die dramatische voorgeschiedenis van Pniël. Een prachtig verhaal van hoe Jakob zijn ontmoeting met Esau voorbereidt. Als Jakob zijn bode op Esau heeft afgestuurd, hoort hij hoe deze met 400 gewapende mannen op hem afkomt. Dan slaat Jakob de schrik om het hart. Hier kan hij nooit tegenop. Een oude rekening wordt vereffend. Maar Jakob zou Jakob niet zijn als hij niet weer een sluw plan had bedacht. Hij stuurt drie keer een stootkussen van milde geschenken naar zijn broer, om zijn hart te verzachten en zijn komst voor te bereiden. Want het was nog al wat, ik had er graag bij willen zijn. Eerst een kudde met tweehonderd geiten, en maar mekkeren.
Dan weer een kudde, met tweehonderd ooien, vrouwelijke schapen, en twintig rammen, en maar blaten! Dan dertig zogende kamelen, dertig koeien en twintig ezelinnen, met hun partners. Wat een geloei en gehinnik en geblèr! Wat een vloedgolf aan vee. En dan de woorden die de knechten moeten zeggen: "Alles een geschenk voor u, mijn heer, van uw knecht Jakob, en hij komt achteraan". Steeds weer hetzelfde commentaar: voor u, mijn heer, van Jakob, uw knecht. Weer slim bedacht van Jakob, een zeer diplomatiek gebaar. Maar er staat nog iets in deze voorgeschiedenis, dat wij niet mogen overslaan als we Pniël willen begrijpen. Jakob bidt! Voor het eerst lezen we hier letterlijk een gebed van Jakob. Nood leert bidden, zeggen de mensen, maar dat is het niet alleen hier. Er klinkt in dit gebed, hier overdag, al iets door van wat zich voortzet in de nacht, zoals het zo vaak gaat. Jakob maakt de balans op. Eindelijk zegt hij rechtstreeks tegen de Here: "Het is eigenlijk een wonder dat U mij tot hiertoe gedragen hebt, dat U het met mij hebt uitgehouden!" Wat een verschil met Bethel. Daar sprak Jakob: als U dat doet, wil ik ook wel wat doen.
Hier spreekt een man die zegt: God het is een wonder dat U het met me hebt uitgehouden en dat u me ondanks alles toch gezegend hebt. In dit gebed, in vers 10-12, zie je Jakob opklimmen van al de gaven tot de Gever. Dat moet u onthouden: vechten met God kan alleen als je dat leert. Opklimmen van de gaven naar de Gever. Maar in de tweede plaats, hij komt in dit gebed ook met zijn pijn en zijn angst: Heer, ik ben doodsbang, dit loopt niet goed af! Daaronder ligt die loodzware last van die schuld. Het was zijn schuld geweest, daar waar het fout ging met Izaäk en met Esau. Tenslotte komt Jakob met zijn vraag. Als U dan zo genadig in mijn leven aan het werk bent geweest, zou het dan hier moeten afbreken? U, die me uw zegen beloofd hebt, gegeven hebt, U hebt het toch gezegd? Ik zal u weldoen? Dat gebed van Jakob is het gebed bij daglicht. Daarna smeedt Jakob zijn slimme plannen en tegen de avond is alles op weg. De kudden dieren met zijn knechts, behalve hij zelf en zijn directe familie. Ik stel me die laatste overtocht tenslotte voor als een soort laatste daad. Nu valt de laatste bescherming, de rivier tussen hem en Esau, weg. Point of no return.
Een punt waarop geen terugkeer meer mogelijk is. Vrouwen en kinderen heeft hij overgezet, en als deze rivier is overgezet, dan is Jakob weerloos in de hand van Esau, overgeleverd aan krachten die zijn controle te boven gaan. Nu moet hij alles loslaten. Dat is wat er hier door Jakob heengaat. Hij die alles altijd zelf in de hand hield, zelfs naar zich toe haalde, tot de zegen van God toe, onder controle hield, beheerste, nu moet hij loslaten. Loslaten aan wie, waarvoor? Jabbok betekent naast 'worsteling' in de volksetymologie daar ook 'leegte', lege wadiën, de Jabbok was een rivier die ook vaak droog stond. De schrijver zegt: in de leegte volgt de worsteling. Jakob wordt nooit Israel dan door Jabbok. Maar gelukkig, zijn naam blijft daar niet op steken. Zo nam Jakob zijn vrouwen en kinderen, en bracht alles wat hij bezat naar de overzijde. Hij bleef alleen achter. Dat is het moment geworden van het gevecht. Een man worstelde met hem in de nacht. Misschien heeft Jakob eerst wel gedacht dat het een huurmoordenaar van Esau was. Of een rivierdemon. In die tijd geloofden de mensen daar dat iedere rivier zijn eigen demon had.
Psychologen zeggen wel eens dat hij een gevecht leverde tegen zijn eigen schaduw. Maar wat Jakob, of anderen, of ik in eerste instantie ook gedacht mogen hebben, het vervolg van het verhaal maakt overduidelijk wat hier aan de orde is. Gaandeweg heeft Jakob in dit gevecht, de worsteling die daar uitbreekt, ineens gemerkt: hier wordt mijn gevecht tastbaar dat ik heb met God! Hier komt God op mij toe, zoals Hij op Abraham, zijn grootvader was toegekomen en voor hem stond. Zoals Hij vocht met Mozes en Zippora. Zo'n gevecht is hier aan de orde. De engel die met hem blijft strijden, wil tegen het morgenuur weer weg. Dan zegt Jakob: nee, ik laat u niet gaan, tenzij ge me zegent. Bij die strijd wil ik nu in het hoofddeel van de preek stilstaan. Wat houdt het in? Die strijd met God, eigenlijk vind ik het ongelooflijk dat God als het ware een materiele handtekening zet onder het belang van dit gevecht. Je zou kunnen zeggen dat het een geestelijk gevecht is van Jakob met God, en God komt op hem toe in een man. Zo vecht Jakob dat geestelijke gevecht letterlijk in een worsteling met die man, aan de rivier, in die nacht. Jakob wist gaandeweg wat hem te doen stond, en dat was: vechten.
Vechten en niet loslaten. We weten intussen wat de inzet was van dit gevecht. Het is Jakob die de balans opmaakt van zijn leven. Hij heeft alles eruit gegooid, alles erkend, zijn angst, zijn eenzaamheid, zijn bedrog, die loodzware last van zijn schuld, zijn wanhoop, alles heeft hij eruit gegooid voor God. Maar hij zegt: Maar U laat ik niet los. Als de engel hem vraagt: hoe heet je?, dan zegt hij: Jakob. Voor het eerst zegt Jakob wie hij feitelijk is: Jakob, bedrieger. Toch, en dat is het wonder, laat Jakob zich er niet door terneerslaan. Hij zinkt niet weg in zelfmedelijden, zelfveroordeling, zelfverwerping. Het begint al in vers 12, als hij zegt: Heer, ondanks alles hebt U mij vastgehouden. Ondanks alles hebt U mij gezegend. Want U hebt immers gezegd... Dat is de kern, zo heeft Jakob als het ware God zijn belofte voor de voeten geworpen. Luther zei al: als je God zijn beloften voor zijn voeten werpt, dan struikelt Hij erover, dan kan je winnen. Dat is de heilige kern van Jakobs gevecht, zichzelf totaal vergetend, alles heeft hij losgelaten, en hij zegt: Doe met mijn oude mens wat U goeddunkt, maar in Uw beloften ben ik meer.
U hebt een heilsplan, U hebt mij uitgekozen, U werkt aan de zegen, U hebt de nieuwe mens al in het oog, die uit de oude groeien moet. U hebt beloofd, U bent begonnen, U hebt al gegeven, laat niet los. Ineens gaat het Jakob niet meer om wat hij nu moet krijgen, zwarte of witte schapen, of Rachel of Lea, het gaat niet meer om Jakob of Esau, eenmaal alles losgelaten gaat het hem alleen maar om die zegen, dat wil zeggen om God in die zegen. U weet wel, zegt hij tegen God, die zegen die U hebt beloofd! De strijd duurt voort, uur na uur en de engel wint niet. Hij kan niet winnen van Jakob. Dat is zo enorm, daar staat Jakob natuurlijk achteraf, net als wij, verbaasd over. De engel kan niet winnen! Ook al breekt hij wel Jakobs heup, zijn lendenen, de kracht van een man. Er staat eigenlijk niet eens dat de engel hem slaat, er staat dat hij hem alleen maar aanraakt. Er staat 'jigav' met een zachte g, het lijkt ook een beetje op Jakob. Dit verhaal is vol van zinspelingen op naamsverandering. Jakob - Jabbok, Jakob - jigab, dat zou ook een mooie naam zijn, aangeraakt in zijn natuurlijke kracht. Zijn lendenen blijven voor altijd verzwakt, gebroken. Er zit een prijskaartje aan dit gevecht.
Je houdt er wat aan over, inderdaad. Aangeraakte, dat zou ook een mooie naam zijn. Maar een mooiere houdt God zelf in petto, die komt daarna. Want als de morgen komt, en de engel weg wil gaan, komt er tenslotte uit wat Jakob zijn onoverwinbare kracht geeft: ik laat U niet gaan, tenzij ge mij zegent. Dat wil zeggen: U mag alles hebben, mijn kudden, die heb ik al vooruit laten gaan, mijn knechten, mijn vrouwen en mijn kinderen, maar dit ene laat ik nooit los, en dat is Uzelf, en in U de zegen. Dat is de kern van Jakobs gevecht met God, je zou het wat vreemd kunnen zeggen: hij vecht tegen God om God. Hij zegt hetzelfde als Mozes het later zal zeggen: Heer, ik ga niet verder, tenzij U met ons meegaat, tenzij U met ons optrekt. Dat is de kern van het gevecht. Op dat punt laat God zich vermurwen en krijgt Jakob een nieuwe naam. Want hier kan zelfs de Almachtige niet tegenop. Dat is het mooiste uit deze ontmoeting. Jakob krijgt het mee in de naam. Nog niet heeft Jakob gezegd, na een lange worsteling: ik laat U niet gaan, tenzij U me zegent, of de engel vraagt hem: wat is je naam? Ik zei al, Jakob zegt: Jakob.
Toen zei de engel: je naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, dat betekent: strijder met God. Want je hebt met God gevochten en met de mens, en je hebt overmocht. Een nieuwe naam is in de bijbel ontzaglijk veelzeggend, dat is veel meer dan wat er op je paspoort staat, een etiket, nee, het is hier de wisseling van zijn wezen. Het is of Jakob hier zegt: mijn feitelijke ik, mijn feitelijk identiteit was Jakob. Dat was ook zo, Jakob, daar zit in: het vastpakken van de hiel, hielenlikker, pootjeslichter, hoe je het noemen wilt. Maar God zegt: je eigenlijke kracht is altijd al dat geweest, en dat komt er nu uit. Je eigenlijke ik, je ware naam is Israël. Het ware Israël heeft zijn vertrouwen afgetrokken van alles wat ons bindt aan ons ik, aan ons eigen heil, aan ons eigen leven, het heeft het daarvan afgewend en gericht op God alleen. Dat is Israël. Dan krijgt God de ruimte om ons te gebruiken. Zelf houdt Hij zijn ondoorgrondelijk geheim. Als Jakob vraagt: maar wat is dan Uw naam? Dan zegt Hij: wat vraag je toch naar mijn naam? Je zult nooit weten wat Ik ben, maar je weet nu toch hoe ik ben? Je hebt mijn aangezicht gezien, is dat niet genoeg?
Jakob zegt: deze plaats is Pniël, want ik heb het aangezicht van God gezien, en Hij heeft mij het leven gegeven. Hij heeft me niet neergeslagen, Hij heeft me niet afgewezen, Hij heeft me niet weggemaaid, maar Hij heeft me genade gegeven en een nieuwe naam, en de zegen gaat door! Hoe kan je winnen? Hier ligt natuurlijk, -het derde punt van mijn preek-, de kern. God laat zich overwinnen. We vroegen aan het begin: kan je winnen van God? Kan ooit een stukje sterfelijk mens het winnen van de Almachtige? Het antwoord, met de hand op de bijbel is: ja! Maar dan moet je Hem wel treffen op zijn zwakke plek, en dat is zijn vaderhart, zijn verlangen om ons te zegenen. Dat is geen vrome bijbelse taal, maar dat is nu het onvoorstelbare wonder van de God van de Bijbel, van de God van Israël. Hij houdt echt van ons. We zeggen tegen Hem: Heer, ik laat U niet gaan, tenzij U me zegent. Alleen om Hem zelf en om die patriarchale zegen, daar draait het om. Jakob zegt: U hebt het toch beloofd? Als je daar een beroep op doet, dan kan de Almachtige daar niet tegenop, dan zwicht Hij en laat Hij zich vermurwen. Je kan het dus winnen van God. Niet van de Almachtige, maar wel van God de Vader.
We zeggen dan ook God, de Vader, de Almachtige, in onze geloofsbelijdenis. "Hem heb ik gezien", zegt Jakob, "van aangezicht tot aangezicht, en Hij heeft mijn leven gered". Dat is Israël, zo vechten met God. Wist u dat dat ook uw en mijn naam geworden is? Als God naar ons ziet en vraagt: "Wat is jullie naam", dan zeggen we: "Nederlands gereformeerd, of evangelisch, of katholiek, of calvinist", en dan zegt Hij: "Een streep erdoor, je naam is Israël!" Wij zijn in Israël ingelijfd door Jezus. Eigenlijk was Jezus Israël op zijn smalst. Alles samengebald in die ene Zoon van Jakob, die streed en overwon. Getsemané en Golgotha. Wat Jakob hier doet, het nog niets in vergelijking met wat straks de grote Israël, de Strijder tussen God en mensen, doen zal en gedaan heeft. We gaan er van zingen in lied 461: 5: Hij die voor ons gestreden heeft, alleen, man tegen man, als God en mens geleden heeft wat niemand lijden kan. In Hem zijn wij in Israël ingelijfd, dat betekent voor ons ontzettend veel. Samenvatting Een praktische samenvatting aan het eind. Strijden is: alles durven loslaten, alles durven toegeven, en zo tot Hem gaan. Dat is het eerste, dat was die heenweg van Jakob.
En dan zeggen, als de kern van die strijd: en toch..., als de zonde ons benauwt, als angst ons overvalt: "Heer ik doe een appèl op uw hart, Uw vaderhart. Die zegen, die blijft beloofd". Dan raak je God op zijn zwakke plek, en nooit tevergeefs. En wij, wijzelf veranderen in die strijd, we krijgen een nieuwe naam, een nieuw hart, en nieuwe ogen. Want als God met ons vecht is dat niet om ons klein te krijgen, maar om ons groot te laten zijn. Als God met ons vecht is dat om ons te laten groeien. Want dan laat Hij ons winnen! Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.