Gemeente van Christus, Terugblik We begonnen deze serie van Jakob bij hoofdstuk 25, de geboorte van Jakob en Esau, met als thema: Jakob, van ruw materiaal tot diamant. Een voorbeeld van hoe God in het oude Testament, groot model voor ons, in Jakob, één man, laat zien hoe Hij werkt. Hoe Hij mensen, te vergelijken met zwart steenkool, onder druk tot diamant maakt. Hoe Hij hen slijpt en polijst en zo vormt tot bouwstenen van de muren -die van diamant zijn!- van het nieuwe Jeruzalem. Een bijbels beeld dus, om te zeggen dat God bezig is om die muren, geestelijk gezien, op te trekken. Zoals God dat deed met Jakob, zo is Hij bezig met al de mensen die achter Jakob aan gaan: Jakob, de eerstgeborene, Jezus de eerstgeborene. De grote Zoon van Jakob is Jezus, en in Hem is God bezig met u en met mij. Twee punten troffen ons in deze geschiedenis: God is een God is van heel nabij, dat Hij werkt in ons leven. Niet altijd merk je dat. We hebben één geschiedenis gezien waarin God veertien jaar lang, de periode waarin Jakob voor Rachel en Lea werkte, nooit een woord tot hem sprak. Toch was God bezig. Hij is een God van nabij en Hij werkt in uw en in mijn leven. God werkt heel persoonlijk in ons.
Hij is betrokken op u en mij om ons om te vormen van die oude schepping in Adam gevallen, tot een nieuwe mens. 'Sta op, een morgen ongedacht', dat hebben we nu gelezen in de geschiedenis van hoofdstuk 33. Na een nacht van lijden, Pniël, nu 'een morgen ongedacht', een nieuwe Adam zien we hier verschijnen. Ja, nog heel gebrekkig, maar toch, de contouren tekenen zich af. De uitgangspunten aan het begin van de serie, lazen we af uit de tekst: ieder mens heeft een hogere voorbestemming, we zijn maar niet zo uit de lucht gevallen, er is voor ons gebeden voor we geboren werden, we hebben allemaal een hogere bestemming, we bestaan allemaal naar onze erfelijke natuur uit steenkool. Er is de allesvernieuwende genade van God. Zonder die genade komt er nooit iets van ons terecht. Maar als je daarop bouwt dan komt er iets nieuws te voorschijn uit uw en mijn leven. Dat gaan we deze keer zien. De kern van Jakobs verandering We letten in hoofdstuk 33 op waarin dat nieuwe dan uitkomt. Ik volg de geschiedenis, maar het meest centrale punt neem ik eruit en laat vier daaruit voortvloeiende punten, veranderingen in het leven van Jakob, zien. Eerst de kern.
Ik ga weer terug naar het einde van hoofdstuk 32, naar Pniël. De zon was ondergegaan bij Bethel, zoveel jaren geleden, en hij gaat weer op boven Pniël. We lezen dat Jakob zijn ogen opslaat, en Esau met zijn vierhonderd man aan ziet komen. Wat gebeurt er dan? Jakob stelt zijn vrouwen en kinderen op. Vooraan de slavinnen en hun kinderen, dan Lea met haar kinderen en achteraan Rachel en Jozef. Want als er iets ergs mocht gebeuren dan hebben de twee van wie hij het meest houdt de meeste kans te ontkomen. Op zichzelf is er niets mis als iemand de zaken slim aanpakt, op dat punt blijft Jakob dezelfde. God verandert zelden onze genen. Wie slim is blijft slim, wie bedachtzaam is bedachtzaam, wie spontaan is spontaan, wie een optimist is blijft een optimist, strijdbaar blijft strijdbaar, enzovoorts. God is niet uit op veranderingen in het geschapen materiaal. Nee, Hij is er op uit om de mens, die daarmee is toegerust, te veranderen. Want we zijn allemaal als Jakob. We gebruiken onze slimmigheden om er onze doelen mee te verwerkelijken. Daar moeten we vanaf. Om het heel kort te zeggen: van ik in het centrum tot God in het centrum van mijn leven.
Ik kan u verzekeren, als dat gebeurt, zoals bij Jakob gebeurde bij Pniël, dat maakt alles anders. Ook de manier waarop je met je genen, je slimmigheden of wat je verder nog in huis hebt, omgaat. Ook hier. Want wat maakt het hier bij Jakob nu zo anders? Dat staat in een prachtige tekst, midden in de tekst, vers 10. Dan zegt Jakob tegen Esau: "Ik heb uw aangezicht gezien zoals men het aangezicht van God ziet." Laat die zin eens op je inwerken. Wat hij daar zegt raakt de kern. Na de worsteling bij Pniël heeft Jakob heel de situatie met Esau totaal en radicaal losgelaten. Hij heeft het als het ware in de handen van God gelegd. Zo gaat hij Esau tegemoet. Wat hem betreft is wat Esau doet gelijk aan wat God doet. Z'n lot is nu in Esaus hand. "Zijn aangezicht is uw aangezicht. Slaat hij me en wreekt hij zich, het was allemaal mijn schuld, want ik heb het totaal en geheel verdiend, ik ben in zijn hand zoals ik in de hand van God ben." Dan volgt het wonder, wat zich midden in het verhaal voltrekt.
Want nauwelijks heeft Jakob zijn vrouwen en kinderen op de goede wijze opgesteld, zelf treedt hij nu voorop, buigt zich neer voor die overmachtige heer, zoals hij Esau noemt, zeven keer gaat hij op hem toe, of Esau snelt hem tegemoet, omarmt hem, valt hem om de hals, kust hem, 'en zij beiden weenden'. Ik moest bij deze beschrijving steeds denken aan die vader uit de vergelijking van de verloren zoon. Ook hij ziet zijn zoon van verre, de zoon is verbroken en schuldbewust, dan lezen we ook: 'hij zag hem van verre, snelde hem tegemoet, sloeg de armen om hem heen en kuste hem, en zij weenden.' Zo gaat dat als de genade van God overhand krijgt. Want zo is God. Wie Hem schuldbewust tegemoet treedt en denkt: 'nu komt het oordeel!', die vindt bij Hem een liefde, niet te geloven, en vergeving, en blijdschap. Wat we hier lezen is het wonder van het evangelie: "ik heb uw aangezicht gezien zoals men het aangezicht van God ziet, en ik ben in het leven gebleven! Sterker nog, ge hebt een welgevallen aan mij gehad. Mijn broer hier was verloren, en is gevonden". Esau en Jakob, beiden zonen van Isaäk en van Abraham, ze laten hier in die ontmoeting zien wat de genade van God is.
Dat is de kern, God staat hier in het centrum. Wist u dat er in het hele boek Genesis maar twee keer het woord genade voorkomt? Dat is beide keren hier in dit hoofdstuk, in vers 5 en vers 11. Als Esau die hele sleep vrouwen en kinderen ziet vraagt hij Jakob: Wat heb je daar toch bij je? Dan zegt Jakob: "Dat zijn de kinderen die God in Zijn genade aan mij gegeven heeft. Daarna, in vers 11, zegt hij het nog een keer: "God heeft mij genade bewezen". Daar ligt de kern. Hier staat dus niet alleen God in het centrum, maar de genade van God. Dat is het wonder -wat steeds weer een wonder mag blijven-, dat God ons niet doet zoals wij verwachten. God deed hier niet wat Jakob van Hem verwachtte. Hij had er alle reden voor om te verwachten dat God zou komen met gericht, en in Esau is dat helemaal een reële verwachting. Wat verwachtte hij anders dan wraak, oordeel? Precies het omgekeerde gebeurt. Dat kenmerkt de nieuwe Jakob, Israël heet hij nu, wat betekent: hij die de confrontatie met God aandurfde, toen op zijn genade stuitte en zich daaraan vastklampte op leven en dood. Dat is Israël. Toen heeft hij gewonnen, want als je God op zijn genade vastklampt, op leven en dood, dan win je het.
We zagen dat in de bespreking van Genesis 32. Voor die God richt Jakob een altaar op en zegt: "De God van Israël..." Dat is niet op hem persoonlijk gericht maar het betekent: de God die hij zó heeft leren kennen en Die hem díe naam gegeven heeft, Die is God. Inderdaad, we zouden het zo onder de evangeliën kunnen schrijven. Meer veranderingen in Jakob Het zien van de genade is de kern van Jakobs verandering. Als we de tekst volgen vloeien daaruit een aantal veranderingen voort, die een opvallend ander profiel schetsen van Jakob: Verzoening: hij kan delen, en zo verzoenen. Tevredenheid: hij zegt: ik heb alles. Tederheid: de omgang met zijn kudde, met zijn kinderen. Zelfstandigheid: hij vervolgt zijn eigen weg. Verzoening Als Jakob Esau en zijn hele familie ontmoet heeft, dan zegt Esau, wijzend naar al de kudden die Jakob drie keer vooruit gestuurd had: "Wat moet ik daar nu mee?" Dan antwoordt Jakob: "Die waren bedoeld om u gunstig te stemmen! Dan zegt Esau: "Maar mijn broeder, waar is dat nu goed voor?" Esau zegt voor het eerst: mijn broeder, terwijl Jakob hem steeds aanspreekt met: mijn heer.
"Mijn broeder, waar is dat nu goed voor, ik heb al zo veel!" Let even op dat zinnetje, daar antwoordt Jakob aan het slot van dit gesprek op. "Ik heb al zoveel, -en dan heel mooi, heel diep-, maar wat van u is blijve het uwe!" Hoor je het Esau zeggen? Uit zijn mond klinkt het: wat van u is blijve het uwe, die zegen hoef ik niet terug. Voelt u het? Ook Esau is door iets heen gegaan. God heeft ook in hem gewerkt. Zodra Esau -en in hem de volkerenwereld- erkent dat Israël de drager is van de eerste zegen, dan is er een groot probleem uit de wereld, dan is de weg open naar verzoening. Daar kom ik nog op terug. We letten nu eerst weer op Jakob. Hij had hier best kunnen afhaken. Toen hij merkte hoe Esau er over dacht: ik hoef het niet, waar is dat goed voor?, toen hij zag dat Esau niets wilde, hij zou vroeger zeker gedacht hebben: "Heb ik dat even goed voor elkaar? Mooi geregeld!" Maar nu niet. Nu zegt Jakob: "Geenszins, neem deze gaven uit mijn hand aan." Daarna zegt hij iets heel bijzonders, wat alleen de oude Statenvertaling goed vertaald heeft. Er staat in dat volgende zinnetje niet: "Neem mijn geschenk", maar "Neem mijn zegen." Dat staat er in het hebreeuws.
"Neem toch mijn zegen die mij gebracht is. God is mij genadig geweest, neem toch mijn zegen." Let eens op wat hier gebeurt, je moet dat gesprek proeven. Esau zegt tegen Jakob: "Neem toch wat jij hebt, het blijve het uwe." Jakob zegt: "Die zegen, die ik je ontstolen heb, hier is die, laten we delen." Esau laat Jakob de zegen, Jakob, Israël, deelt de zegen. Israël geeft ze aan Esau, en Esau neemt ze aan. Dat is nu verzoening. Het woord wordt niet gebruikt, maar alles spreekt hier de taal van verzoening, en die vloeit voort uit genade. Genade was de kern in Jakobs verandering, verzoening vloeit er uit voort, en tevredenheid, en tederheid, en zelfstandigheid. Verzoening door te delen, en met een machtig perspectief! Want daarbij kom ik even terug op Esau en Edom, want Esau is Edom. Esau, Edom, het is hier het oerbeeld van de 'broeder-heidenvolkeren', en Jakob is Israël, dat God als eerste uitverkoos om zijn zegen te dragen. Ja, zo liggen de kaarten tot vandaag toe. En hoe loopt het af? Het begint met conflict, het eindigt met vrede, doordat Jakob Esau in de zegen doet delen. Een ongelooflijk perspectief. Want het is precies zo gebeurd in de geschiedenis.
Wij, Edomieten, delen in de zegen van Jakob, door Jezus, want Jezus is de grote Zoon van Jakob, de Eerstgeborene die God in de wereld bracht. We hebben al vaak geciteerd uit Romeinen 8, waar Paulus zegt: "En al degenen die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. Al die heidenvolkeren, ze worden geënt op die ene stam Israël. Dat is de eerste uitwerking van Jakobs transformatie. Tevredenheid De tweede uitwerking zien we in dat kleine zinnetje. Esau zegt: "Ik heb veel." Jakob zegt: "God is mij genadig geweest, ik heb alles." Jakob overtreft Esau. Nu snoeven ze en proberen elkaar te overtreffen op een hele goede manier. Jakob zegt: "God is mij genadig geweest, ik heb alles." Als of hij wil zeggen: dat is eigenlijk het grootste wat ik -denk aan Pniël- ontvangen heb." Ik heb mijn God, dat is genoeg, veel meer dan 't meeste dat ik vroeg is me in Hem gegeven, lied 466. Zo werkt dat. Wie echt Gods Vaderhart heeft, en wie dat heeft zien opengaan, die weegt zijn welzijn niet langer af in schapen en runderen.
Hij houdt soms best wel pijn -straks moet Jakob Rachel missen-, het blijft hem zijn hele leven lang zeer doen. Toch is daar gelijkertijd een onderliggende vrede in Jakobs leven. Hij wordt gezegend met een stuk vrede temidden van zijn bezit en zijn gemis. Ik heb veel, zegt Esau. Ik heb alles, zegt Jakob, want ik heb de genade van God gekregen. Dat noem ik een tweede verandering in Jakobs leven. Dankbaarheid, tevredenheid. Tederheid Als Jakob verder trekt met zijn hele kudde en familie om zich heen, zegt Esau: "Laten we samen optrekken, ik zal u begeleiden." Dan antwoordt Jakob: "Ja, maar mijn heer, weet toch dat de kinderen teer zijn, en dat ik kleinvee en nog zogende kalfjes bij me heb. Jaag je die op, al is het maar één dag, dan sterft de kudde. Ga rustig voor mij uit, op je eigen snelheid. Ik kom wel naar de tred van het kleinvee en naar de tred van de kinderen." Mooi is dat, Jakob de drammer, die als de wiedewind bij Laban vertrokken was, al gauw op drie dagen voorsprong stond, zegt hier: "Ja, maar er zijn baby's, er zijn kalfjes, en we gaan naar de tred van de zwaksten." Dat noem ik tederheid. Er zat meer achter, maar toch voel ik er een eigen moment in.
Op zijn minst valt hier toch het licht op het hart van Jakob als het hart van een herder die niet langer jaagt en drijft, maar die het ritme laat bepalen door de zwaksten. Is dat niet bijzonder? Naar de tred van kinderen, naar de tred van de kalfjes. Zo moet het gaan, als mensen echt leven uit genade. Daar kunnen we veel van leren. Doen we dat ook echt, de tred zetten naar de zwaksten? Zelfstandigheid Er zit ook nog meer achter, dat komt er tenslotte ook uit als Esau nog wel een extra oplossing achter de hand heeft. Hij zegt: "Laat me dan tenminste nog een bataljon soldaten bij je achterlaten, dan kunnen die je begeleiden op weg naar Seïr." Daar gaat Esau weer naar terug. Maar dan is Jakob heel beslist. Hij zegt: "Waarom toch? Alsjeblieft -dat zegt hij- laat mij alsjeblieft de genegenheid van mijn heer mogen winnen!" Wij zeggen: alsjeblieft zeg, wat betekent: nee! Dat zegt Jakob keihard: nee! Dat is toch een vierde moment in de veranderde houding van Jakob. Die wil ik niet voorbijgaan. Jakob wil doodgewoon zijn eigen weg verder vervolgen. Kort gezegd: verzoening met je broeder betekent niet dat je nu weer onder één dak moet gaan wonen en dus in oude patronen terug moet vallen.
Jakob vervolgt zijn eigen weg. "Ik kom wel achter je aan", zegt hij, met weer de hem bekende slimmigheid. Maar h ij doet het niet. In plaats van de weg naar Seïr te vervolgen gaat hij rechtsaf, naar Sichem. Maar Esau heeft dat heus wel begrepen. In hoffelijkheid zit soms ook een klein beetje verhulling. Esau heeft het begrepen, en geaccepteerd. Hij zal gedacht hebben: je hebt gelijk, het is goed. Alle conflictstof is nu verzoend, maar samen wonen, weer in het oude gezin terug, dat is niet je roeping. Je bent nu zelfstandig, op eigen voeten. Ga je weg zelfstandig met God. Dat is een vierde en mooi moment in het leven van een man die leeft onder de genade van God. Wie leeft met God in het centrum wordt geen doetje. Wie leeft met God in het centrum wordt geen voetveeg en laat zich zo ook niet gebruiken, en wordt ook geen slaaf van zijn broeder. Nee, hij krijgt iets van de fierheid van Jakob, die zelf van nu af aan zijn eigen leven vorm mag gaan geven. Niet meer onder vreemde machten, maar vrij onder God, op eigen benen. Zo heeft de Here het gewild. Niet alleen met Jakob, maar ook met u en met mij. Daarmee kom ik aan het eind van dit hoofdstuk.
Wat God deed in Jakob staat model voor u en mij. We mochten leren: leven met God in het centrum betekent: leven vanuit de genade vanGod. Dat is de kern van alles. Dat leidt ertoe dat er in ons leven relaties verzoend worden. Dat leidt ertoe dat we verzadigd worden, het leidt ertoe dat we vertederd zijn en dan volwassen worden. God is een God van nabij, Hij heeft een plan met uw leven. Hij gaat daarmee door, door dik en dun, dwars door alles heen. Door de Heilige Geest, en in Jezus die de Eerstgeborene is onder alle volkeren. God zal u en mij, ons allen, zelf bevestigen en schragen en op zijn rol, waar hij de volken schrijft, u tellen als in Israël ingelijfd, en zo doen de naam van Sions kinderen dragen. Psalm 87. Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.