Gemeente van Christus Wij verdiepen ons in het levenseinde van de aartsvader Jakob, die op zijn sterfbed ligt. Rembrandt heeft dat op weergaloze wijze geschilderd: de oude Jakob links en zijn twee kleinzonen aan zijn knieën, Manasse heeft hij zwart haar gegeven, duidelijk een joods jongetje, Efraïm is blond. Daarachter Jozef, die probeert in te grijpen. Rembrandt heeft als evenwicht, zo staat in de beschrijving van het schilderij, Aslat, de vrouw van Jozef erbij geschilderd. Het is een bijzonder schilderij omdat er al een stuk uitleg in ligt. Daar ligt die oude Jakob, en als je even terugbladert, denk je: de geschiedenis herhaalt zich. Want vlak daarvoor ligt de oude Isaäk, ook met twee jongens aan zijn knieën. Ook daar de vraag: wie krijgt die eerstgeboortezegen? Maar dan, als de twee zonen door Jozef geleid zijn naar de goede plek, bij de goede hand, Manasse bij de rechter- Efraïm bij de linkerhand, wat gebeurt er dan? De oude stramme Jakob strekt zijn rechterhand uit, legt die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Zo legt hij zijn handen kruiselings. Dat gebaar, die ruil, daarin zit nu alles wat die oude Jakob kenmerkt.
Hij wordt hier dan ook in de bijbel vanaf vers 8 Israël genoemd, prins van God, die gestreden heeft met God en mensen en die heeft overmocht. Drager van de zegen van Abraham, die hij nu doorgeeft aan zijn zonen en kleinzonen. Daarover gaat nu de uitleg van de schrift. Ik zet dat kleine detail, die zegen van Jakob, eerst in het wijdere verband van het hele boek Genesis, zelfs een beetje van de hele bijbel, dan wat nauwer in het verband van deze hoofdstukken, -vanaf hoofdstuk 46 gaat het weer over Jakob-, dan gaan we terug naar de kern, de betekenis van dat kruiselings zegenen, tenslotte trek ik daaruit wat conclusies voor ons. De zegen van Jakob We verdiepen ons in het levenseinde van Jakob. Na vele hoofdstukken, van 37 - 45 over Jozef en zijn avonturen, komt het boek Genesis weer breedvoerig terug bij Jakob. Wat is uit hem gegroeid, uit de derde grote aartsvader? Er zal nooit een vierde komen. In Jakob laat God zien waar Hij eigenlijk op uit is. Dit is een vreemde versmalling in de heilsgeschiedenis. Als we het hele boek Genesis voor ons nemen, begint dat heel breed, denk maar aan hoofdstuk 1: in de beginne schiep God de hemel en de aarde. Wijder kan het niet.
Het verhaal gaat verder met Adam de mens, en de hele interesse is hoe de mensheid zich zal ontwikkelen in en uit die goede schepping van God. We lezen dat het na Kaïn ontaardt, er komt een zondvloed over heel de mensheid, bij Noach maakt God een nieuw begin, maar weer vloeit dat uit naar de einden der aarden, de volkerenlijst in Genesis 10, de torenbouw van Babel, God is bezig met heel de mensheid. Zo lezen we dat in hoofdstuk 1-11. Dan zoomt de camera in op één man, op Abraham, op één nomadenvolk, Abraham, Isaäk, Jakob. Waarom die wonderlijke reductie, die versmalling? Misschien kan ik dat duidelijk maken aan de hand van een voorbeeld. Ik weet niet of u wel eens gezien hebt hoe men in een fabriek een mal maakt, het eerste model voor een nieuw product. Aan zo'n mal wordt geschuurd en geslepen, want het moet voorbeeld zijn voor een heel nieuw soort product. Daar ligt dan ook het antwoord. Alle aandacht van God richt zich nu op dat ene gezin, die ene man en zijn geslacht. Er moet een nieuw mensentype komen, een ander soort. Dat is het ongelooflijke plan van God. Hij wil de mensheid vernieuwen en doet dat naar een nieuw model. Daarom die concentratie op Abraham, Isaäk en Jakob.
In het nieuwe testament drievoudig vervuld in Jezus de Messias. De apostel Paulus vat die inhoud samen in één van zijn meest kernachtige en inhoudsrijke brieven, de Galatenbrief, als hij in het slot zegt: "Want besneden te zijn of niet besneden te zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is!" Daar was het God om begonnen. Dan spreekt Paulus de gemeente ook aan als het Israël Gods, Galaten 6. Besneden te zijn of niet besneden te zijn betekent niets..., -dat moet je een jood horen zeggen!-, maar of men een nieuwe schepping is! Want daar is God op uit. Genesis legt ons heel dit heilsplan uit. Het begint breed en dan ineens versmalt het. Die beweging zie je steeds weer in de bijbel. Het verbreedt zich in Exodus, de volkeren komen weer aan de orde, het versmalt zich weer in het boek Job, het gaat weer breed uit, Amos met alle volkeren komen ten tonele, het versmalt zich weer bij Hosea tot alles zich weer toespitst in de komst van die Ene, door Wie al die beloften van God worden vervuld, die het grote operatiemes van God is, om in alle mensen te werken en hen om te vormen naar zijn beeld. Hier in Genesis wordt ons het model aangereikt.
In de eerste aartsvader Abraham wordt het fundament gelegd. Het fundament is het verbond, dat wordt met Abraham gesloten, daarvan zongen we in psalm 105. Isaäk komt kort, maar wel fel, voor in een paar hoofdstukken. Zijn persoon komt er niet helemaal uit, maar dat komt omdat alle licht moet vallen op de weg waarlangs God dat doet, en dat is wel via de zoon der belofte, dat wordt in het oude testament al gezegd: uit een onvruchtbare verwekt. Dan komt Jakob. Vijfentwintig hoofdstukken lang slijpt en polijst de Here God dit model, zoals we in een van de eerdere preken zeiden, van weerbarstig materiaal tot daar uiteindelijk iets heel bijzonders, iets heel zuivers naar voren komt, ik noemde het een diamant. De muren van het nieuwe Jeruzalem zijn gebouwd uit diamanten. Dat staat in Openbaringen. Want het is waar, wat we na Genesis 32 lezen is de keerzijde van Jakob. Voor hoofdstuk 32, voor Pniël, zien we hem in dat weerbarstige materiaal.
Maar dan als hij daar bij Pniël met God geworsteld heeft, als een soort climax in een lange ontwikkeling, en een nieuwe naam krijgt, -God zegt: van nu af aan ben je Israël, je hebt gestreden met God en mensen, je hebt overwonnen-, dan zien we zo langzamerhand de contouren oprijzen van de ware Jakob zoals God hem ziet: Israël. Nee, het betekent niet dat er geen moeiten meer zijn. Ik denk dat de tweede helft van zijn leven haast nog veel meer moeiten kende dan de eerste helft. Rachel sterft. Schandalen onder zijn zonen. Jozefs bebloede mantel. Hongersnood tot stervens toe. Tenslotte moet hij zelfs Benjamin loslaten. Maar dan die plotselinge wending, waar natuurlijk die geschiedenis van Jozef voor verteld wordt. De plotselinge wending dat hij daar als grijsaard van over de honderd in Egypte komt en daar zijn liefste zoon weer terug ziet. Hier in Genesis 48 is hij 147 jaar en hij weet dat hij gaat sterven. En het is een groots sterfbed. Het is als een zonsondergang met gouden kleuren en prachtige uitstraling. Het laat ook heel veel facetten zien van het nieuwe leven waar God op uit is. Aan het eind van zijn lange levensweg zien we daar de nieuwe Jakob in de oude.
Ik kan natuurlijk uit de veelheid van stof maar een bepaald deel laten zien, daarom richt ik mij op het allermooiste. Dat zijn die kruiselingse handen, daar raak in niet over uitgedacht. Daar ligt Jakob, z'n zoon Jozef komt op bezoek, hij weet dat zijn einde nadert, en dan merk je dat zijn hele leven aan hem voorbij gaat. Ik ga nu verder met het hoofdstuk 48 uit Genesis. U moet trouwens eens opletten wat hij uit zijn lange veelbewogen leven zelf aan het eind naar voren haalt. Dat zijn eigenlijk maar twee dingen: 'El chaddai', God almachtig, zoals Hij aan Jakob verschenen was; en Rachel. Die twee dingen, God die hem verscheen in Bethel als de almachtige, God die hem nooit een verwijt maakte, u moet maar eens terugkijken door heel Genesis, aan Jakob wordt letterlijk door God nooit een verwijt gemaakt. Heel opvallend. Altijd heeft Hij gezegd: "Ik ben God, de almachtige, die je zegent." Toch is de Heer hem heel vaak tegengetreden. Hij heeft Jakob getuchtigd, Hij heeft hem geleerd, Hij heeft hem bestreden zelfs, met hem gevochten.
Maar als God hem verscheen en sprak dan zei Hij altijd: "Ik hou van je, je bent mijn zoon, door jou ga Ik zegen de wereld binnen brengen." Het tweede wat bij Jakob bovenkomt is zo menselijk, die kleine scène toen hij terugkeerde, over Rachel. Dat is zijn diepstpersoonlijke verdriet. Hij zegt het hier ook weer: "Dat ik haar heb moeten begraven, toen we nog maar kort van Efrath verwijderd waren." Daar voel je wat er bij hem bovenkomt. Had ze nog maar even het reisdoel mee mogen bereiken. Daar is Jakob nooit helemaal overheen gekomen. Maar 'El chaddai' staat voorop, God de machtige in zijn liefde. Ook dan, juist dan komt er ook wel de pijn. Maar van daaruit de kern, daar stoot hij door. Het lijkt of ineens de geschiedenis zich herhaalt, zo verduidelijkt de schrijver van Genesis met dat nog even aan te geven. Want als die twee kinderen het bed naderen dan zegt die oude Jakob: "Wie zijn dat?" Dat geeft de schrijver gelegenheid om te zeggen: "Zijn ogen waren dof geworden en hij kon niet meer zien", ineens zien we daar de geschiedenis van Isaäk achter liggen. Dan brengt Jozef zijn twee zonen bij hem, de oudste, Manasse natuurlijk rechts, en de jongste, Efraïm, links.
Natuurlijk kent Jakob die twee. Het zijn z'n twee liefste kleinzonen. De oudste heet 'vergetelheid', de jongste 'vruchtbaarheid'. Had Rachel ze nog maar kunnen zien. "Wat een wonder dat ik ze zie", zegt hij tegen Jozef, "Ik had niet kunnen vermoeden dat ik jou ooit nog zou weerzien, en nu heeft God me zelfs je nageslacht laten zien." Hij kuste en omhelsde hen. Toen, zo vertelt de schrijver, strekte Israël zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de jongste was, en hij strekte zijn linkerhand uit en legde die op het hoofd van Manasse. Hij legde zijn handen kruiselings. Als Jozef nog wil ingrijpen omdat hij denkt: mijn vader ziet niet goed, dan zegt zijn vader: "Ik weet het, ik weet het, mijn zoon. Ook Manasse zal zich tot een groot volk ontwikkelen, maar nochtans zal de jongere groter zijn en diens nageslacht zal een volheid van volkeren worden." En hij legde zijn handen kruiselings. Isaäk, zijn eigen vader, had ook de jongste de zegen gegeven voor de oudste, en de oudste de zegen voor de jongste, in zeker opzicht ook zijn handen kruiselings gelegd. Maar bij Isaäk was het afgedwongen door misleiding, hij was blind.
Hier, Jakob is ook blind, ook zijn ogen zijn dof geworden, maar de schrijver zegt: "Hij zegent in de stijl van God, en hij doet het als ziende de onzienlijke. Hij zegent met zijn innerlijk oog wijd open, als een visionair, die na een levenslange pijnbank van Gods discipline nu ziet zoals God ziet. Hij zegent zoals God zegent, en hij doet het vrijwillig, eenswillend, eensgeestes. Waarin ligt nu die wondere schoonheid van Jakobs omgevormde hart? Ik zie daarin drie momenten. De wondere schoonheid van Jakobs omgevormde hart 1. Concreet inhoudelijk Jakob kende zijn twee kleinzonen. Er wordt verteld in Genesis 41 over die twee. Jozef gaf aan de eerstgeborene de naam Manasse, (Gen 41: 51) want, zei hij: "God heeft mij al mijn moeiten doen vergeten en ook het gehele huis van mijn vader." Dat voelt iedereen wel, 'ook het hele huis van mijn vader', die rotbroers zullen we maar zeggen. De naam van Manasse is vergetelheid. Maar toen daarna aan de tweede (Gen 41: 52) gaf hij de naam: Efraïm, want hij zei: "God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ellende. Efraïm betekent vruchtbaarheid.
Als je die teksten niet helder voor de geest hebt, -er wordt ons in Genesis 41 verteld dat Jakob zijn kleinzonen kende-, als je dit er niet bij in gedachten houdt dan ontgaat je iets. Jozef zei, toen hem veel verdriet overkwam, bij de eerste zoon, toen er weer een zonnestraal door de wolken scheen: "God heeft me al mijn moeiten doen vergeten en ook het gehele huis van mijn vader." Iedereen begrijpt het, en het is soms ook een troost, vergetelheid als troost. Maar het is natuurlijk maar een voorlopige oplossing, het is niet een echte verwerking. Maar dan later komt Efraïm, daarvan zegt hij: "God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ellende." Dat raakt de kern. Niet alleen van Jozefs leven, maar ook van Jakobs leven, en van uw leven. Hier wordt het ware antwoord gegeven. Ik denk dat Jakob altijd gedacht heeft: vergetelheid is een schrale troost. Maar dat God dwars door pijn en moeiten heen zijn vruchten in ons voortbrengt, ons vruchtbaar maakt in het land van de ellende, dat is zijn plan, de ellende heeft een doel.
"Nu zie ik het", zegt Jozef, en hij zal teruggedacht hebben aan al die momenten, dat hij daar in die put zat, en in het huis van Potifar, in de gevangenis bij de schenker en de bakker, waar hij kleingelovig had gedacht: dit loopt gewoon muurvast, waar is hier nu iets van God te zien? Dat was kleingeloof. Maar door al die druk en pijn heen is Jozef hier beland waar hij zijn hele volk tot zegen mag zijn. Zo heeft ook Jakob dat ontdekt. Dat is de naam Efraïm. Jakob keert hier Manasse en Efraïm om. Hij maakt Efraïm één, en Manasse twee. Vergetelheid, de pijn van de smart vergeten, kan alleen pas echt, -en dan gebeurt het ook echt-, wanneer we het mogen zien nadat de Here het kwade ten goede gekeerd heeft. Romeinen 8, als Hij alle dingen doet meewerken ten goede, en daardoorheen zijn vruchten in ons heeft voortgebracht. Efraïm is het uiteindelijke heilsplan van God. Vruchtbaarheid via veel pijn. Filippenzen 3, waar Paulus zegt: "Hem te kennen, daar ga ik voor, en zijn opstanding, en de gemeenschap aan zijn lijden." Manasse krijgt de troostprijs, hij moet volgen, en die volgt dan ook, want daarna kan je pas echt vergeten wat je allemaal doorleden hebt.
Zo zie je in deze kruiselingse zegen allereerst een stuk levenservaring van Jakob, het is doorleefd, gelouterd vertrouwen. Dat is de eerste kleur in Jakobs nieuwe menszijn. 2. Verrassende genade Dat leidt me tot het tweede, wat natuurlijk het meest opvalt in Jakobs zegen. Waar het Isaäk werd afgedwongen, brengt Jakob het naar voren als eigen inzicht. Dat is ten diepste: eersten worden laatsten, en laatsten eersten. Bij God gebeurt alles omgekeerd naar wat mensen verwachten. Eigenlijk is dat de kern van genade: het onverwachte. Een sterke boom wordt geveld, en de zwakke loot, een rijsje uit een afgehouwen stam, die wordt groot. Een ter dood veroordeelde krijgt gratie en een sterke heerser, een man als Pinochet, komt voor het gerecht. De oudste, die het eerstgeboorterecht heeft, moet dienen en de jongste die geen rechten heeft, gaat voor. Dat geeft ergernis. Waarom moet dat zo? Jozef wil graag de handen op het hoofd van zijn zonen omleggen: de rechterhand op het hoofd van Manasse, de linker op het hoofd van Efraïm. De jongste is toch geen haar beter, en de oudste toch kwalitatief niets minder? Dat wist Jacob intussen ook wel, maar waarom wil de Here dit zo?
Dat is nu de aanstoot van het evangelie. Het rust niet op menselijke kwaliteit. U komt niet in het koninkrijk van God omdat u een beter mens bent dan uw buurman. Als hij u zou voorgaan, gaat hij u niet voor omdat hij beter is. God wil niet dat wij in iets anders roemen dan alleen in zijn grondeloze liefde. Soevereine genade, zei Calvijn, dat is het. Soevereine genade, waarin Hij deze verheft, en die vernedert, waarin Hij ons de ene dag verhoogt, en de andere dag verlaagt. Waarin Hij van degene die Hij verheft verwacht dat die het doorheeft, dat die het begrijpt: "Ik ben hier niet omdat ik beter ben dan de ander." Maar precies zo verwacht Hij van degene die Hij vernedert, dat die het ook leert zeggen: "God vernedert mij niet omdat ik slechter ben, of omdat Hij mij minder liefheeft." Zo leert God de sterke en de zwakke, zo leert Hij de rijke en de arme allebei. Hij leert ze te roemen in zijn genade, die soeverein is. Met het operatiemes van zijn genade blijft God wereldwijd opereren. Bij de één zet Hij het operatiemes in zijn trots en in zijn bezit, bij de ander in zijn minderwaardigheidsgevoel.
Ik sluit dit tweede punt af met een citaat uit 1 Corinthe 1, het zou zo onder Genesis 48 geschreven kunnen zijn: Wat voor de wereld dwaas is heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen, wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees zou roemen voor God. Want uit Hem is het dat ge in Christus Jezus zijt, die ons van God geworden is: wijsheid, rechtvaardiging, heiliging en verlossing, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here. Dat is wat Jakob hier tot uitdrukking brengt met die kruiselingse handen. De tweede kleur in dat veranderde hart van Jakob is: Ik roem in vrije gunst alleen. Het goud van de genade schijnt hier door Jakob heen. 3. Gods levensleiding in de zegen Let u eens op wat Jakob daar dan met die gekruiste handen doorgeeft! Die door en door materialistische Jakob, we weten het nog van die zwarte en witte schapen, van die gespikkelde geiten, die materialistische Jakob geeft de minst materialistische zegen. Dat moet ons opvallen.
Let maar eens op die woorden als u ze er bij opslaat. Het is haast Vader, Zoon, en Heilige Geest. Hij spreekt in drie woorden, en zegt : "God, voor wiens aangezicht mijn vader Abraham en Isaäk gewandeld hebben (1); God die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag (2); de engel die mij verlost heeft uit alle nood (3), Hij zegene deze jongelingen, zodat in hen mijn naam en die van mijn vader Abraham en Isaäk voortleve en ze in menigte mogen toenemen in het land." Nu is het niet Jakob haantje-de- voorste, nu zit er iets heel dieps in, als hij zegt: zodat in hen mijn naam voortleve..., dan noemt hij eerst zìjn naam, - God heeft met zijn genade in mij nog het meest gewerkt, had hij, met Paulus, kunnen zeggen-, zodat in hen mijn naam en die van mijn vader Abraham en Isaäk voortleve en ze in menigte mogen toenemen in het land. Dat is inhoudelijk de zegen van Jakob. In de kern staat: de God die mij als herder geleid heeft. Daar komt dat woord leiding weer, daarvoor hadden we ook de geschiedenis van Jozef nodig om dat te begrijpen. God die het kwade ten goede keert.
Die engel, de Heilige Geest, die hem verlost uit alle nood, zodat in hem, in zijn naam, zijn kinderen nu ook weer verder kunnen, zodat zijn naam mag voortleven in zijn nageslacht. Wat me daarin het meest treft is toch wel die levensleiding. In deze zegen komt Jakobs hele leven mee. Een leven waarin God heeft gewerkt, gered, gebeiteld en geschaafd. Levensleiding, dat is de neerslag in deze diepe zegen van Jakob. Godsbestuur, het eerste, leiding het tweede, redding het derde. Dat zijn de drie delen van de inhoud van zijn zegen. Ze laten ons zien waar Jakob aan het eind is uitgekomen. Spiegel dat nog eens een keer terug naar die oude Jakob van voor Pniël. Laten we eerlijk zijn, een bijna onsympathiek mens. Egocentrisch, manipulatief, altijd berekenend, sluw, het alles onder controle houdend, hij weet de dingen altijd naar zijn hand te zetten, zelfs als God hem verschijnt is er geen dankbare openheid, maar dan lijkt het nog of hij God met zijn beloften achter zijn eigen karretje wil spannen. Wat een verschil met de Jakob hier in de laatste fase van zijn leven. Let eens op wat hij zegt als hij Jozef wat vraagt, we hebben dat overgeslagen aan het slot van hoofdstuk 47.
Hij zegt dan: als ik genade heb gevonden in uw ogen... Hij maakt zich daar afhankelijk, kwetsbaar. Hij is aan zichzelf ontdekt, in die laatste levensjaren. IJzingwekkend vergroot heeft hij zijn eigen fouten in zijn zonen gezien, is er zelf ootmoedig van geworden en hier op zijn sterfbed tot vrede gekomen. Hij ziet hoe achter alles Gods genadige, liefdevolle leiding zich verborg. Eigenlijk heeft hij maar één verlangen: dat doorgeven aan kinderen en kleinkinderen. Hoe wonderbaarlijk die leidende en reddende hand van God is. Dat poetst het verdriet bij hem niet weg, bij Rachel blijven de tranen hem in de ogen komen. Maar het lijkt of hij doorschenen is door die vreemde genade van God. Alles spreekt van verzoening en vrede. Zo is het geworden. Zo zal het zijn, zo geeft hij de zegen door. En hij komt er zelf in mee, zo is het ook in het heilswerk van God. Ik sluit met een tekst van Paulus uit 2 Corinthe 3, wat tegelijk een soort conclusie is naar ons toe: Wij zijn geen postbodes van de goede boodschap van God, maar we zijn zelf levende brieven!
De tekst is: (2 Corinthe 3: 2) "onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen, geschreven niet met inkt maar met de Geest van de levende God." Daar zie je het weer opnieuw, nu begrijpen we ook waarom God zo lang aan Jakob gewerkt heeft om ons dat te leren, en hier ook, dat draagt hij over aan zijn zonen. Misschien is de kerk van Christus in onze tijd daarom wel zo in verval geraakt, omdat wij halverwege die versmalling van God, wat ik in het begin zei, niet hebben mee willen maken. Misschien zijn we teveel postbodes geweest, met alsmaar boodschappen van God voor de wereld. Maar God wil geen postbodes. Hij wil levende brieven. Geschreven door de Geest in de harten van mensen, zoals Hij bij Jakob deed. Jakob moest eerst zelf een levende brief worden en daarna mocht hij dat doorgeven, die woorden en zichzelf, aan zijn kinderen. Samenvatting Dat doorgeven van de zegen deed Jakob hier met die kruiselingse handen. Efraïm als eerste, de belofte van Romeinen 8: Hij doet alle dingen medewerken ten goede, Efraïm, vruchtbaarheid, eerst, en dan Manasse. Het tweede wat we zagen was: hij deed het met de handen kruiselings: opdat wie roeme, roeme in de Here.
In de derde plaats: we zien het vol van verdiepte ervaring, dat het echt waar is, dat God, voor wiens aangezicht we leven, zegt Jakob, dezelfde is als die ons als herder leidt, die ons in zijn engel redt. Die God gaat mee met ons, met u, met mij, de toekomst tegemoet! Amen ©1999 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht. Terug naar de startpagina of naar de preekindex.