Bijbeltekst: Lucas 14: 15-24 — Uit de serie: Het Koninkrijk, deel 1

Gemeente van Christus, Het is winter, en wat mij in de winter fascineert is de natuur. Wie in deze koude dagen door de bossen dwaalt, of bescheidener hier in het stadspark een wandeling maakt, die moet wel getroffen worden door het gevoel dat alles slaapt. En als er sneeuw ligt geldt dat wel heel in het bijzonder. Dan is alles stil, alles wacht, alles slaapt. Maar toch, vergis u niet, er gebeurt heel veel. Ik heb op mijn wandeling eens heel nauwkeurig al die ogenschijnlijk dorre takken bekeken. Aan iedere tak zitten knoppen, die soms al heel ver zijn gezwollen. En ineens dacht ik eraan hoe ik bollen heb geplant in de tuin. En dat die intussen al wortel hebben geschoten. De meeste bloembollen dringen met hun knop al van onder tegen die harde bevroren ijslaag aan. De lente en de zomer komen eraan. Dit voorbeeld uit de natuur brengt ons heel dicht bij de boodschap van Jezus. Want al Jezus' woorden, al Zijn gelijkenissen, Zijn onderwijs in de Bergrede, en natuurlijk Zijn eigen levensweg, die Hij bewust koos, ze draaien allemaal rondom dat ene thema wat ik las uit Mattheüs: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nu nabij gekomen.

En dat is Jezus' boodschap geweest: het Koninkrijk is nu heel dichtbij gekomen. Dat was Jezus' antwoord op de nood van de mensen. Er waren altijd zieken om Hem heen en Hij verkondigde hen het Koninkrijk en richtte er de tekenen van op. Er waren altijd vrome mensen onder Zijn gehoor die alles zo goed wisten. Hij verkondigde hen het Koninkrijk zo, dat het hen van hun stuk bracht. Want vrome mensen kiezen voor veiligheid in plaats van heiligheid. En er waren ook altijd activisten onder Zijn gehoor, politieke activisten, want Israël leefde toen onder een bezettende macht. Een van Jezus' discipelen heette Judas de messentrekker. En wat deed Jezus? Hij verkondigde hen het Koninkrijk, en zo zette Hij ze op een heel andere voet. En als zich al een Romeinse officier uit Kapernaüm, of een weduwe uit Tyrus, of een tollenaar uit Jericho bij Hem aandiende, Hij verkondigde hen het Koninkrijk. Welk Koninkrijk, en wat bedoelde Hij daarmee? Daarover wil ik het deze en volgende diensten hebben, over het geheim van het Koninkrijk, met zijn fascinerende belofte, maar ook met zijn onontkoombare eisen. Bij dat woord 'geheim' wil ik vanmorgen beginnen.

We hebben daarvan gezongen in lied 63: De Heer verschijnt te middernacht, nu is nog alles stil. Aan de komst van God gaat een incubatietijd vooraf. Daarmee bedoel ik een rijpingstijd. Erwten leg je in de week, zaad moet groeien. Dat noemden de Joden in Jezus' tijd al het rijk of de tijd van de Messias. Om Jezus' boodschap goed te begrijpen moet u dit als een soort schema altijd weer goed voor ogen houden. Aan komst van God als Koning gaat dus de Messiaanse tijd vooraf. In de geschiedenis ziet u dat als een lijn vanaf de schepping, met de zondeval, maar daarin ook steeds weer van God uit Zijn beloftes, Zijn profeten, Zijn verbonden die Hij sluit met Israël, en later met David, en dan komt de Messias, en dan breekt de Messiaanse tijd aan. En die tijd kondigde Jezus aan, Hij zegt: "Dat is nu aangebroken." In de synagogen in Nazareth zegt Hij: "Heden is dit schriftwoord in uw oren vervuld." En dan leest Hij uit Jesaja van de Messiaanse tijd. Wat is kenmerkend voor die Messiaanse tijd? In de Messiaanse tijd is het Koninkrijk van God, dat straks universeel aan zal breken, nu al beperkt en in het verborgene aanwezig.

Dus wat straks universeel is -de Koning rijdt binnen, het Rijk gaat beginnen, de psalmen spreken er al van-, dat is hier nog particulier, dat wil zeggen beperkt tot een groep: Israël, de gemeente. En wat straks algemeen is, dat is hier heel bijzonder. Wat dan publiek wordt verkondigd voor allen, dat is hier nog verborgen en je hebt er de ogen van het geloof voor nodig. Straks als Jezus terug komt zal Zijn zeggenschap openbaar worden voor ieders oog. En aan de intocht van dat Rijk gaat nu een tijd vooraf. Noem het een rijpingstijd, een groeitijd. Eigenlijk is de natuur een prachtig beeld van die Messiaanse tijd. In die Messiaanse tijd wordt de komst van de Koning voorbereid. We worden erbij betrokken, u en ik, zoals Jezus zegt in de taal van de bruiloft: "Zodat de bruid klaar is als straks de bruidegom binnenkomt." Of, in de taal van de gelijkenis: Straks komt de laatste nodiging, zijn we er dan klaar voor? Blijkbaar is het een grote misvatting dat het Koninkrijk van God ons zomaar als een rijpe vrucht in de schoot valt, zonder dat wij ons er op hebben ingesteld, zonder dat we er ook maar iets voor hebben opgegeven, zonder dat we er ook maar iets voor hebben gedaan.

Dat is een grondige misvatting, en alle evangeliën spreken dat ook tegen. Maar blijkbaar leefde die vrome misvatting in Jezus' dagen ook al onder de gelovige Joden, want daar begint dit verhaal, waar ik nu naar over ga. Lucas 14, vers 15: "Ja", verzucht één van de disgenoten die met Jezus aanzit aan de maaltijd, "zalig zijn we als we straks het brood zullen eten in het Koninkrijk van God." Dat moment moet je eigenlijk eerst even proeven om de invalshoek van de gelijkenis te begrijpen. Het is een soort vroom moment: zalig wie aanzit en brood eet in het Koninkrijk van God. Maar er zit een vals toontje in. Daarvoor vertel ik u even de setting. Jezus is uitgenodigd in het huis van één van de hoofden van de Farizeeën. Dat wordt verteld in vers 1. Maar daar zegt Hij en daar doet Hij een paar dingen die niet leuk zijn. Eerst geneest Hij iemand op de Sabbatdag, dat zag de Farizeeër als werk en dat mocht niet op de Sabbat, het irriteerde dus de vromen, ze zeiden: "Dat had U toch net zo goed morgen kunnen doen?" En daarna ziet Jezus dat iedere gast die binnenkomt spontaan de beste plaats kiest die er dan nog open is. En Hij zegt daar iets van.

Dat laatste is opvallend, want Hij was zelf ook gast. Dat maakt de sfeer er niet beter op, maar het getuigt wel van moed. Wij zien zulke dingen wel, maar wij zeggen ze niet. En tenslotte oefent Jezus kritiek op het soort mensen dat de Farizeeër heeft uitgenodigd. Stel je voor, je komt ergens als gast, en Jezus zegt tegen de gastheer: "Zo, zijn dat je gasten?" Hij oefent daar kritiek op uit. En dat zegt Hij ze recht in het gezicht: "Het zijn allemaal mensen die het jullie morgen weer terug kunnen doen. Ze kunnen je later zelf terug betalen. Je zou beter bedelaars kunnen uitnodigen, en gehandicapten, die kunnen het je niet teruggeven. Dan handel je in de stijl van het Koninkrijk." Daar komt voor het eerst het Koninkrijk naar voren. En dan, op dat moment, onderbreekt één van de gasten dit gesprek, hij denkt: laat ik het op een beetje hoger niveau krikken. Hij gaat geen seconde in op het zere punt dat Jezus aansnijdt, maar hij zegt alleen: "Ja, Heer, zalig wie brood zal eten in het Koninkrijk van God." Een vroom woord, hij denkt: het is Sabbat, -wij zouden zeggen het is zondag, na de dienst-, laten we een vroom gesprek beginnen. Een voorspiegeling van de eeuwige Sabbat.

Kom, laten we de discussie eens even wat op geestelijk niveau brengen! En dan vertelt Jezus deze gelijkenis, en dan zegt Hij: "Je hebt gelijk, ingaan in het Koninkrijk is echt het meest fantastische, dat is het allerbelangrijkste in het leven. Maar heb je dat verhaal gehoord van wethouder Cohen?" En dan vertelt Hij een verhaal dat pas daarvoor gebeurd was. Die wethouder had een luxe diner belegd ter ere van het jubileum van de stad, en alle genodigden hadden ja gezegd. Want in Israël, in het oude oosten gaf je twee uitnodigingen, eerst één een paar maanden van te voren, en dan, op de dag zelf als alles klaar was, nog even een kaartje. Op de eerste uitnodiging had iedereen ja gezegd. Prachtige uitnodiging, ze voelden zich zeer vereerd, natuurlijk, het waren dan ook veelal de vrienden van de wethouder, de burgemeester, directeur A. van de bank, topchef B. van de plaatselijke winkelketen, rector C. van het stedelijk gymnasium, en een paar professoren natuurlijk. Dominees hadden ze in die tijd niet, dus ik kom er mooi van af. Maar moet je horen wat er toen gebeurde.

Toen het diner voorbereid werd, en de gasten naar het gebruik van die tijd de kaartjes kregen, de tweede herinnering, waarop stond: Morgen om 4 uur, daar en daar, hartelijk welkom!, toen ineens liet iedereen het afweten. Het regende afzeggingen, en bij iedereen waren het heel begrijpelijke dingen. De directeur van de bank had net een afspraak over de aankoop van een stuk land. Sorry! En grootgrondbezitter B, die 25 hectare land in bezit had, kreeg net die middag een nieuwe tractor binnen, en hij moest bij de aflevering zijn om alles te controleren, anders zou hij later nooit meer kunnen reclameren. Sorry dus, ik kan niet komen, het spijt me erg! Een derde verontschuldigde zich niet eens maar zei: "Ja hoor, ik ben net getrouwd, de groeten!" Alsof hij dat een maand tevoren niet wist. En zo regende het afzeggingen. Erg is dat, irritant. Van te voren heb je als gastheer mensen uitgenodigd, en als het moment daar is, heeft iedereen iets anders. En het zijn geen foute dingen, het zijn allemaal heel reële dingen: landaankoop, controle van je materieel, je vrouw en je kinderen.

Maar tegen hun belofte in laten ze al die dingen voorgaan, terwijl ze die natuurlijk ook best hadden kunnen uitstellen. Het land wacht, het materieel kan met een beetje moeite ook een dag later ook wel gekeurd, en die pasgetrouwde vrouw loopt heus niet weg. Maar de eigenlijke reden was natuurlijk, toen puntje bij paaltje kwam, dat niemand eigenlijk zin had in die maaltijd. Ze wilden er hun gewone plichten niet voor opgeven. En dat was natuurlijk een klap in het gezicht van de gastheer. Natuurlijk, die werd kwaad! En hij nodigde eerst de junks uit, zo van de straat. De bedelaars en de uitvallers, de blinden en de armen. In een tijd zonder sociale zorg waren die op straat te vinden. En ze kwamen van alle kanten. En toen het huis daarmee nog niet vol was zei hij: "Ga dan maar buiten de stad, want de landwegen en de veldpaden die vind je allemaal buiten de muren van de stad, rond de boomgaarden en de wijngaarden. Dring -dat is beter vertaald dan dwing, wat de kerk er van gemaakt heeft-, dring ze om in te gaan. Dring ze om in te gaan want mijn huis moet vol! En zo eindigde Jezus Zijn verhaal.

"Zo kwam het dat het huis toch vol raakte, maar alle eerstgenodigden ontbraken." Wat doet zo'n verhaal nu? Wat deed het hen en wat doet het ons? 1) Het eerste wat het mij doet en zeker ook de mensen toen gedaan heeft: het schokt mij in mijn zelfbeeld. Om nog eens even terug te gaan naar die vrome opmerking in vers 15 waarop Jezus reageerde, de man die dat zei had echt het idee: als er straks één groep in het Koninkrijk van God zal aanzitten, dan zijn wij het wel! Dat dacht hij echt. Het was nog behoorlijk ver in de toekomst, dus redelijk veilig, maar er is geen greintje twijfel. "Zalig als wij daar straks samen brood zullen eten in het Koninkrijk van God. Heerlijk, natuurlijk horen wij daar bij!" En dan deze reactie van Jezus, die eigenlijk alles ondersteboven keert! "Als puntje bij paaltje komt laten die eerstgenodigden het allemaal afweten", zegt Jezus. Wat een schok in ons zelfbeeld, in onze zelfgerustheid! Een heilzame schok. 2) Het tweede wat opvalt zei ik al: "Als puntje bij paaltje komt". Zolang de uitnodiging heel algemeen blijft, zeggen allen ja, let maar op. Zolang het algemeen blijft, het kost je niks, dan zing je van alles.

Delf vrouw en kind'ren 't graf, neem goed en bloed ons af, het maakt ons alles niks uit, zegt Luther, wij gaan ten hemel in. En we zingen het van harte allemaal mee, want dat kost niks. Maar zodra de grond onder onze voeten heet wordt? Het is een appèl voor ons hier en nu: ga ervoor! Door een goede keus in het heden: laat je werk, laat je bezittingen, laat je vrouw ook op dat moment achter, kom helemaal alleen en ga ervoor. En op dat moment haken allen af. En dat brengt God de tranen in de ogen. Erg is dat, een algemene uitnodiging die niets kost, ons zelfs iets oplevert, een stukje eerbetoon, een stukje bevestiging, een veilig gevoel dat mag worden opgestreken, daar zeggen we ja tegen. Maar dan als het moment daar is, als de concrete keus gevraagd wordt, en dan denk ik heus niet bij het doodgaan, nee, dan denk ik hier en nu, straks komt in het heden de grote nodiging tot het feest, en dan geven allen werk, carrière, bezit en gezin de voorrang. Hoe herkenbaar is dat. Wij jagen voort in werk, bezit en huwelijk. Allemaal heel concrete zaken.

Maar als het er op neer komt om heel concreet los te laten, de Here door Zijn Geest in mij te laten werken, al is het iedere dag tien minuten, al is het één keer per maand één Avondmaalsviering, al is het één keer per week een bijbelstudieavond, als het daarop aan komt, dan hebben alle andere dingen voorrang. Daaraan herken je de mentaliteit. Die duikt al op in het heden. 3) Het derde wat ik leer is: hoe moeilijk is het om het moment te onderkennen, het 'momentum' waar alles om draait. Zo te leven dat we midden op de dag, midden onder ons werk, 's avonds op onze vrije avond, ineens denken: dit is de roepstem van de Heer! En je dan te laten storen en echt met Hem te rekenen. Geen excuses te bedenken maar daadwerkelijk te gaan. Een vriend belt je op, een bedelbrief ligt op je bureau, een kerkenraad nodigt je uit, een overspannen iemand spreekt je aan: God roept je, heel concreet. En als Jezus terugkomt zal het publiek zijn, maar even concreet. Maar nu, we leven in de Messiaanse tijd, nu moeten we ons trainen, nu in het verborgene zonder dat iemand het ziet. Om ons te trainen en te testen. Zou ik gaan of laat ik het afweten? Zou ik het doen of ga ik mij verontschuldigen?

Zo is de Heer met ons bezig. Hij roept, Hij test, Hij trekt, Hij nodigt, Hij daagt uit. En wij? Ja, als we als blinden door het leven gaan merken we niets. Dan zeggen we: "Echt, ik heb daarvan nooit iets gemerkt!" Wij letten alleen op de eendimensionale wereld van land, ossen en de vrouw. Maar als Jezus ons de ogen opent voor het Koninkrijk, dan gaan we het verborgen karakter van het werk van God hier en nu al herkennen. En van daar uit gaan we dan steeds sterker uitzien naar die doorbraak straks. Dit was een klein onderdeel uit het onderwijs van Jezus. Het ging over het geheim van het Koninkrijk. Ik ga aan het slot weer terug naar het begin. Jezus' Messiaanse tijd gaat als een verborgen rijpingstijd vooraf aan de publieke komst van het Koninkrijk. Dat is een groot wonder. Het is een genade dat Hij ons deel geeft aan Zijn Rijk. Maar die Messiaanse tijd, die verborgen tijd, is ingelast om ons te trainen. Om ons te doen rijpen, om ons te doen groeien als zaad in de akker wat er dan ineens uit zal springen. Daarom ligt achter heel deze stekelige gelijkenis toch eigenlijk een heel diep bewogen hart.

Hier wordt ons de spiegel voorgehouden om ons er toe te drijven om te zeggen: "Maar dit zal mij nooit overkomen!" En als we dat zeggen na deze gelijkenis, dan heeft Jezus Zijn doel bereikt. Maar dat betekent dan wel: 1) Je zelfbeeld corrigeren, 2) Leren loslaten. 3) Steeds dat moment zien en daar een antenne voor krijgen, Ik denk dat we er onze prioriteitenlijst nog eens op moeten nazien. Amen. Reageren op de inhoud? Email naar Wim Rietkerk! Direct reageren? Schrijf je opmerkingen in het gastenboek! Reaktie op de redactionele en/of technische kant van deze site? Email de Webmaster Doorpraten? Bezoek een dienst of meld je aan voor de eerste virtuele preekbespreking, binnenkort live op deze site! ©1997 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht