Bijbeltekst: Mattheüs 13: 44-46 — Uit de serie: Het Koninkrijk, deel 6

Gemeente van Christus, Voor ons huis wordt de oude brug van de Pausdam gerestaureerd. Ik kijk daar op uit, en zie dus precies hoe ze dat doen. Ze doen dat door de eerste muur met een drilboor helemaal af te breken, en dan verschijnt een tweede muur, een oude, middeleeuwse muur, die laten ze onaangeroerd. Daarna zag ik hoe een oude binnenmuur bloot kwam te liggen, en daarin verscheen bij het blootleggen een steeds groter gat met daarin een prachtige deur, een poort. Toen gingen de arbeiders daardoor naar binnen, en ik dacht: "Dat wil ik meemaken!" Ik ging naar buiten en zag hoe ze met zaklampen naar binnen gingen en daar een hele tijd bleven. Toen ze eruit kwamen ging ik direct naar ze toe en zei: "Wat bijzonder! Heb je nog wat gevonden?" De rest van het verhaal is door mij gefantaseerd. Dus stel je voor dat ze tegen mij gezegd hadden: "Ja, we liepen daar door een donkere gang, en kwamen in een deel van de kelder van het huis van die overbuurvrouw, dat kon je van boven af zien, en wat zagen we? Een kist met gouden, middeleeuwse munten, dukaten. Maar niks zeggen, we gaan aan het werk!" Ik vroeg me af wat ze gingen doen, maar ik heb niks gezegd.

Een week later kom ik mijn overbuurvrouw tegen op straat en die zegt: "Moet je horen! Er komt een makelaar bij me, en die zegt tegen mij: je huis is wel niet in de verkoop, maar ik heb iemand gehad die er een groot bod op doet: 2 miljoen!" Ze vroeg aan mij: "Wat moet ik nu doen?" Ik zei: "Natuurlijk altijd doen!" Ze ging verder: "Ik kan er een veel mooier huis voor terug kopen!" En ik natuurlijk knikken! Zo dacht ik me dat allemaal in. Het had maar zo vlak voor mijn huis kunnen gebeuren. Jezus beschrijft het hier in die kleine gelijkenis van de schat in de akker. Want of het nu een akker is of een herenhuis met een kelder, het punt waarover het gaat is: Wat gaat er gebeuren als iemand daar ineens onverwacht een schat in ontdekt? Dit gebeurde in het oude Palestina heel vaak, want ze hadden geen brandkast en ze hadden geen bank, dus als er maar wat gebeurde, stopten de mensen hun schatten in de grond. En dan vergaten ze de plek waar ze het hadden verborgen, of ze sneuvelden in de oorlog, en dan vond een ander later die schat! Jezus neemt dat als voorbeeld voor wat er gebeurt als wij in aanraking komen met Zijn boodschap.

En Zijn boodschap was altijd weer: het Koninkrijk: nu is het Koninkrijk heel dichtbij gekomen. Dat was Zijn boodschap. En waar Hij ook kwam, bij zieken, of bij aangevochtenen, bij vromen en farizeeën, overal bracht Hij diezelfde boodschap. In de voorgaande preken heb we daar meer bij stilgestaan en deze gelijkenis bevat alle kleuren, alle facetten van wat we de laatste weken met elkaar hebben gezien. Met deze twee kleine gelijkenissen kan ik alle punten weer eens opnieuw helder voor de geest roepen. In de eerste plaats: Met deze twee gelijkenissen, de schat in de akker en de koopman met zijn parel, wordt iets wat heel moeilijk is heel eenvoudig en duidelijk gemaakt. Want het moeilijke is: het Koninkrijk wat Jezus verkondigde is er al, en het is er nog niet! Dat is eigenlijk heel moeilijk voor ons te begrijpen. Het is er al en het is er nog niet. De Here Jezus zegt: "Het staat midden onder u, en de krachten kun je zien! Ik heb het met eigen ogen gezien: lammen wandelen, blinden worden ziende, aan de armen wordt het evangelie gebracht, dat is het Koninkrijk!" Dat zei Hij tegen Johannes de Doper.

Maar aan Zijn eigen discipelen leerde Hij te bidden: "Laat Uw Koninkrijk komen!" Dus is het er blijkbaar nog niet. Het is er alreeds en het is er nog niet. In een vorige preek zei ik: zoals de zomer aanwezig is in de winter. Dat is het geheim van het Koninkrijk. En dat wordt ons nu in deze gelijkenis duidelijk gemaakt met die schat en die parel. Zodra die arbeider de schat gevonden heeft, heeft hij hem, en toch heeft hij hem niet. Want waar of niet, hij heeft hem! Hij is getroffen, aangeraakt, verwonderd, bewogen. Wie dat meemaakt wordt nooit meer wie hij vroeger was. Er is iets in zijn leven binnengekomen, wat hem totaal uit zijn baan getrokken heeft. De aanblik van die gouden muntstukken zal hij nooit vergeten, en dat plotselinge gevoel van: nu ben ik rijk! En dan de blijdschap die in hem opvlamde! Maar tegelijk weer met twee voeten op aarde teruggekomen beseft hij: Maar ik heb hem nog niet! Hij heeft hem en hij heeft hem niet. Voelt u die spanning? Nu zegt Jezus: "Zo is het nu met het Koninkrijk der hemelen. Je krijgt er deel aan, je ogen worden geopend, maar je hebt het nog niet!" Je bent gedoopt, daar is je in feite die schat getoond.

Maar je moet hem je nog helemaal toe-eigenen. Je hebt al het heil in Jezus ontvangen en toch... je strekt je er naar uit alsof je het nog krijgen moet. Hoort u de apostel Paulus, in Filippenzen 3? Op het ene moment zegt hij: "Wij dan die volmaakt zijn, laten we ons uitstrekken naar..... enz, de roeping die van boven is, omdat we al in Christus gegrepen zijn. Want denk niet dat we al volmaakt zijn." Het duizelt je. "We zijn volmaakt", en tegelijk: "Denk niet dat we al volmaakt zijn". In die spanning staan we in het Koninkrijk van God. Sommige christenen hakken de knoop door naar de ene kant: ze doen net of de schat van het Koninkrijk al helemaal hebben, ze zijn overgeestelijk. En ze komen nauwelijks meer met twee voeten op aarde terug in de realiteit. Andere christen hakken de knoop door naar de andere kant, in tegenovergestelde richting en ze zeggen: "Die schat is helemaal niet van ons! We hebben geen enkel houvast. Je kunt eigenlijk nergens zeker van zijn." Zij hebben het algemeen betwijfelde christelijk geloof, het is alles nog toekomstmuziek. Pinksterbeweging aan de ene kant en modernisme, humanisme aan de andere kant.

Maar wie bijbels wil denken en handelen moet eerst dit moeilijke geheim van het Koninkrijk verstaan. Het is er en we hebben het. We hebben het Goddank, er is absolute zekerheid mogelijk. Want we zijn aangeraakt door die kostbare parel van de genade van God en er is geen weg terug. We zullen los van die kostbare schat nooit Gods vrede meer kennen. Maar tegelijkertijd is waar: we hebben hem nog niet! "Heel de schepping zucht nog", staat er in de Romeinenbrief, "en wacht op het openbaar worden van de zonen van God." Het Koninkrijk is er en het moet ons nog geworden. Geloof dat het u gegeven is en het zal u geworden. Om dit eerste punt af te sluiten: we moeten er dus oog voor krijgen en ontwikkelen, om achter de wirwar van de feiten en dagelijkse beslommeringen de geheime werking van het Koninkrijk te zien. Je kent die afbeeldingen wel, waar je op het eerste gezicht in zwart-wit een wirwar van lijnen ziet, maar als je goed kijkt, en je kijkt in plaats van naar de witte lijnen naar de zwarte, of omgekeerd, dan ontdek je er iets in, een naam of gezicht.

Ineens licht het op, en zo is het ook met de schat in de akker, en met de parel van grote waarde, dat is het geheim van de Zoon, Hij is het Koninkrijk in persoon. Het is niet meer uit onze aardse geschiedenis te verwijderen, het bewijs van de genade-heerschappij van God, en het belooft totaal herstel. Dat is het eerste punt. Geloof dat je het ontvangen hebt, en het zal je geworden. Maar nu het tweede punt: Dat gaat niet automatisch! Daar hebben we ook al eerder bij stilgestaan. De weg van het gevonden hebben naar het krijgen is een heel belangrijke weg, en het is een riskante weg! Je kunt het op die weg nog weer verspelen, het is een gevaarlijke weg, een kostbare weg. Nee, wij verdienen die schat niet door wat voor iets we ook doen op die weg. Dat is in dit beeld ook volkomen duidelijk. Die schat werd om niet gevonden. Daar heeft die arbeider niets aan gedaan. En die koopman ook niet, daar kom ik straks nog op terug. Het is ondenkbaar dat de man na zijn vondst zijn armen over elkaar deed en ging wachten. Integendeel, toen ging hij heen en verkocht al wat hij had en kocht die schat. Hij eigende die zich toe.

En die weg, die noemt onze traditie de toe-eigening des heils, die is onmisbaar en absoluut! Ik noemde dat de radicaliteit van het Koninkrijk, en ik omschreef die als de radicaliteit van zelfvergeten overgave. Denk maar aan de toen gebruikte voorbeelden van de trapeze-kunstenaar en van de parachutespringer. Hier in deze twee kleine gelijkenissen wordt een ander beeld gegeven, in beide precies hetzelfde. Die koopman en die arbeider, ze gaan heen en laten alles los wat ze hebben, en ze kopen die ene schat. Zo diep laten ze zich in die gang van het Koninkrijk betrekken. De inwoners uit de geboorteplaats van Jezus in Nazareth weigerden dat, en die kregen de schat dan ook niet. Gedoopt zijn is niet genoeg. Je moet de schat wel kopen. Stel je voor dat de arbeider en de koopman niet alles hadden ingezet, ze hadden de schat niet gekregen. "Alles doe ik," zegt de apostel Paulus later, "om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding." En Jezus geeft er hier en in andere gelijkenissen Zelf het voorbeeld bij van mensen in de wereld, die om puur uiterlijke winst bereid zijn heel hun aardse hebben en houden ervoor in te zetten.

"Nu", zegt Hij, "zo is het ook in het Koninkrijk van God." Je moet loslaten je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, ja, je moet alles wat je hebt loslaten, en anders krijg je het niet! Trouwens, als je het zelf niet loslaat wordt het je op een ander moment uit je handen gewrongen. Alles loslaten en verkopen, zoals die arbeider en die koopman. Ze lieten er alles voor los en iedereen dacht: "Die zijn niet goed bij hun hoofd! Daar staat hij op de markt en verkoopt zijn bed, z'n tafel, z'n huis met z'n tuin, en dat voor die ene transactie!" Die transactie waardoor hij straks die schat in eigen bezit krijgt. Wonderlijk. Ja, het is wonderlijk gesteld met de radicaliteit van het Koninkrijk der hemelen. Zeer doordacht, en tegelijkertijd ook een beetje vreemd. Ze is ook uiteindelijk alleen te begrijpen -daar ging de derde preek over- als we een streep zetten onder vier kleine woordjes uit die gelijkenis. Dat is het derde punt. Er zijn exegeten die zeggen: Die vier kleine woordjes dat is de kern van de zaak. En dat is: in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft. En dat is de kern van alles.

Die arbeider en die koopman van de parel verkochten hun huis en hun bezittingen dus niet omdat ze het moesten. Ze moesten niets! Er was niemand die hen ertoe verplichtte om die schat ook te kopen. Het zou dom geweest zijn als ze het niet gedaan hadden, en jammer, maar plicht? Nee, er was niemand die hier zei: "En nu moet je!" En hier ligt heel subtiel het verschil tussen wettisch christendom en echte navolging. In de wettische orthodoxie is de blijdschap verdwenen. En daarom heb ik twee keer stilgestaan bij de vreugde van het Koninkrijk. Hoe blij was de vrouw die haar verloren penning terugvond! Dat was de schat van de liefde van haar man, want het was een deel van de bruidstooi die ze op haar voorhoofd had. Hoe blij was ze toen ze die terugvond. En hoe blij waren de bruiloftsgasten, toen bleek dat deze bruidegom in Kana de beste wijn tot het laatst bewaard had. Dat is de vreugde van het Koninkrijk, dat kan alleen het Koninkrijk in ons verwekken. De wet en de plicht kunnen wel wat, maar niet veel. Wat de zweep van de wet met veel moeite bewerkt, gebeurt in ijltempo door de vreugde van het Koninkrijk.

Want zoals ik al zei: "Je vergeet het niet meer als je één keer door deze schat bent aangeraakt. Je raakt er nooit meer van af, het is eigenlijk bloedlink om in de kerk te zitten onder het evangelie. Want als die vreugde daarover toeslaat, dan moet je voor de rest wel je hart vasthouden. Alles komt op het spel te staan. Je laat los en je zet alles in, want je wilt die ene schat hebben. Je gaat ervoor. Er is maar één ding waar mensen onbeheerst hebzuchtig mogen zijn, één ding waar ze onbeheerst inhalig mogen zijn, zo inhalig als we maar zijn kunnen, en dat is oog in oog met de genade van God. Dat Hij er echt is en dat Hij ons liefheeft. Wie de parel van die liefde één keer gezien heeft en één keer gevoeld heeft, die geeft er alles voor. Wie deze wijn geproefd heeft die wil geen andere, die raakt die smaak niet meer kwijt, die wil altijd meer. Dat is eigenlijk, met een beeld gezegd, de toe-eigening van het heil. Het is de radicaliteit van de overgave, en van het loslaten. Daar heb ik dan ook vaak over gesproken. Punt vier is de kern van de vorige preek, en dat is: onder dit alles ligt de genade van het Koninkrijk.

En daar gaat natuurlijk uiteindelijk ook in deze gelijkenissen alles op terug. God geeft die schat en die parel om niet. Wij voegen dus niets aan onze wezenlijke redding toe, zeggen de theologen, of zoals we vorige keer zagen: Zonder toedoen van mensenhanden raakte die steen van het Koninkrijk der hemelen los en rolde de wereld in om alle beelden van menselijke grootheid te verpletteren. Allemaal beelden, hier dit: de werklui die de schat ontdekten, ze waren nergens op uit, ze vonden hem gewoon bij toeval. En ineens stuitten ze op die kist met goud. Wie had dat gedacht dat zoiets hun ten deel zou vallen. Puur geluk. En dat is genade: puur geluk. Dat kun je zeggen van de genade van God. Zijn er dan ook niet die er naar zoeken? Al die zoekers, mensen die echt naar God zoeken, zoals goudzoekers naar goud? Juist vandaag komt dat weer op, denk maar aan de boekenweek, helemaal gewijd aan het zoeken naar God. Daarom heeft Jezus twee gelijkenissen verteld over dezelfde zaak. Je vraagt je misschien af: wat heeft die tweede gelijkenis nu te betekenen, is in die eerste niet alles gezegd? Nee, de ene zocht, de ander niet.

De eerste zocht niet, die arbeider, die vond het, zou je kunnen zeggen, bij toeval. Maar die ander zocht wel. De arbeider zocht niet, de koopman zocht wel, dat is het verschil. En wij zouden denken: dan zou de één dus gevonden moeten hebben en de ander niet. Die zocht, vindt, en die niet zocht, vindt niet. Maar dat klopt niet, beiden vinden. Ook de koopman die zocht, stuit door puur geluk op die uitzonderlijk kostbare parel. Wij blijven ergens denken dat juist voor het vinden van die schat van het Koninkrijk van God de mens toch wel erg zijn best moet doen. Maar Jezus snijdt dat radicaal af. Het Koninkrijk zelf is puur genade. Voor alle mensen: seculiere - ongeïnteresseerd, of religieuze - zoekend. Voor God maakt het geen verschil. De koopman was even verrast, even stomverbaasd toen hij deze parel vond, als de arbeider toen hij daar ineens die schat met gouden munten vond. Bij beiden geldt: de genade van God is om niet. En daar wil ik ook deze serie over het Koninkrijk van God mee besluiten. Het grote wonder dat God ons Zijn genade gegeven heeft, geïnvesteerd heeft in deze wereld om niet, voor allen. Voor allen, voor u voor mij, om niet.

Dat is het grote wonder in de geschiedenis van de mensheid, dat God daar in is ingetrokken, ingedaald, in is verschenen in Jezus Christus. En dat God Zelf daar het heilswerk heeft volbracht, in Zijn Zoon, op Golgotha. En dat toen de Geest is uitgezonden. En zo is het het wonder van uw en mijn leven in het klein, dat de Here God daarin is binnengekomen, en dat Hij ons heeft aangeraakt en ineens zagen we het, en we waren verwonderd en verheugd. De Heer heeft ons gezien en onverwacht zijn we opnieuw geboren en getogen. Hij heeft Zijn licht ontstoken in onze nacht, gaf ons een levend hart en nieuwe ogen. (Lied 487) Dat is ten diepste onze schat, die persoonlijke liefde voor u en voor mij, door Jezus Christus, en daarin ingevouwen belofte op belofte op belofte. Belofte voor de volkerenwereld, belofte voor het herstel van de schepping, belofte voor de wederoprichting van alle dingen. En als we dat zien, gaan we in blijdschap daarover heen, de nieuwe week in, waarin het vakantiebijbelfeest in de kerk gevierd wordt, een feest waar het evangelie gezaaid mag worden, we zullen bidden dat ook de kinderen deze schat mogen ontdekken. En we geven wat we hebben, en we laten los wat ons deert.

Zo eenvoudig is het. Amen. Reageren op de inhoud? Email naar Wim Rietkerk! Direct reageren? Schrijf je opmerkingen in het gastenboek! Reaktie op de redactionele en/of technische kant van deze site? Email de Webmaster Doorpraten? Bezoek een dienst of meld je aan voor de eerste virtuele preekbespreking, binnenkort live op deze site! ©1997 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht