Bijbeltekst: Mattheüs 27: 46 — Uit de serie: De Kruiswoorden, deel 4

"Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" Op de zondagen van de lijdenstijd voor Goede Vrijdag stellen wij ons op aan de voet van het kruis. Dit jaar laten wij ons aanspreken door de zeven kruiswoorden. In ieder kruiswoord komt één facet van de betekenis van het kruis naar voren. Vandaag luisteren wij naar het vierde kruiswoord. Uitgeroepen in de drie uur diepe duisternis, waarin Jezus door God verlaten werd. Dit kruiswoord is misschien wel het meest bekende van allen. Velen in de concentratiekampoen van de 20e eeuw hebben deze woorden in de mond genomen. Is Jezus in dit lijden gewoon een van de velen die door die diepste pijn van alle pijnen zijn heengegaan of is er hier iets aan de hand van een geheel andere orde? Het psalmwoord dat Jezus citeert wijst ons de weg. In het kort gezegd wat wij zullen zien: Ja, zeker, als onze Trooster vereenzelvigt Hij zich met ons (zie Filippenzen 2: 7), maar als onze Redder komt Hij hier onder ons (vergelijk Deuteronomium 32: 11). De diepte waarin wij zouden wegzinken zonder Hem zijn nu voorbij. Het vierde kruiswoord geeft ons de kracht om psalmen te zingen zelfs in de nacht!

Verkondiging: Gemeente van Christus,

Met dit vierde kruiswoord worden we heengevoerd naar het diepste dieptepunt van Jezus' lijden. We naderen hier het Heilige der Heilige van Golgotha. Het valt op dat Jezus onder het lijden, op die lijdensweg tot dan toe, althans over zichzelf en zijn gevoelens, gezwegen heeft. Als de oversten van het volk Hem afwijzen en voor het Sanhedrin veroordelen, zwijgt Hij. Als het volk roept: "Kruist Hem!", en Hem laat vallen, zwijgt Hij. Als zijn eigen discipelen Hem in de steek laten kijkt Hij alleen maar bij het kraaien van de haan naar Petrus, maar Hij zegt geen woord. Maar dan, als Hij aan het kruis geslagen is, als de hemel verduistert, roept Hij met luider stem: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?" Dat is het diepste dieptepunt van Jezus lijden. Vlak daarvoor lezen we: 'Van de zesde ure af tot de negende ure -dat is tellend vanaf het eerste uur van de zonsopgang 's middags vanaf 12 uur, als de zon op het hoogst staat, tot 's middags 3 uur, het moment waarop men rekende dat de avondschemer inviel en het avondoffer, het lam, werd geslacht, om 3 uur in de tempel- die drie uur midden op de middag ontstond er -we weten niet hoe- diepe duisternis over het gehele land.

Nu hebben we daarbij Amos 8 gelezen. Jezus was vertrouwd met de Schrift. Daar staat: 'op de dag van het gericht over deze wereld, te dien dage, zal het geschieden dat de Here op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. Dan zal ik uw feest in rouw verkeren. -Het was het Paasfeest dat begon die dag.- En er zal rouw zijn als over de dood van een eniggeborene'.

Dat is wat Jezus hier ondergaat. De zon trekt zich terug en een zwarte nacht spreidt zich over het hele land. En Hij weet het: 'Dit is het uur van de diepste duisternis, nu verbergt God zijn aangezicht, Hij trekt zich terug'. Als er iets bitter is is het dát. Als er iets hard is en wat ons leidt tot in de diepste nood dan is het dit wat Jezus nu overvalt: dat God Hem verlaat. Er is een lijden en er is een lijden in het lijden. Het is heel erg als, zoals bij Jezus, je lichaam verminkt wordt en je levenskracht uit je wegvloeit, dat mensen je bespotten en verlaten, zelfs tenslotte je geliefden je verlaten, maar als je God niet meer kan bereiken, als Hij zwijgt en alles de taal spreekt van zijn afwezigheid, dan stort onze wereld in elkaar. Dat is gericht, dat is wat Jezus hier ondergaat. Als ik dat lees en overdenk wordt ik overvallen door dubbele gevoelens.

Aan de ene kant: juist dáár komt Jezus ons zeer nabij in Godverlatenheid. Er is een boek verschenen in de vorige, de 20e eeuw wat eigenlijk de hele geest van die eeuw heeft getypeerd, geschreven door een joodse filosoof, Martin Buber, in 1957, en dat boek noemde hij: 'Gottesfinsternis', Godsverduistering, als typering van een hele eeuw. Het is ook de 20e eeuw die voor het eerst gesproken heeft: God is dood. Sommigen noemen de 20e eeuw wel het Golgotha van de westerse geschiedenis. Maar ook persoonlijk, daar waar Jezus wegzinkt in de nacht van Godverlatenheid, daar kunnen wij ons persoonlijk heel dicht bij voelen. Maar tegelijkertijd, als je daar nader naar luistert en de bijbel er bij openslaat komt er tegelijk een moment waar bij ons de vragen opkomen en waar we grote afstand bespeuren en iets heel vreemds ondergaan. Precies dát punt, het vreemde van Golgotha, voert ons nu juist heen naar het diepste geheim van Golgotha: wat God ons geeft door Hem aan het kruis.

Zo wil ik u vanmorgen deelgenoot maken met deze uitleg van de Schrift, in drie stappen. De eerste is die nabijheid; dan gaan we over naar dat tegelijk heel vreemde aan wat hier gebeurt, tenslotte eindigen we bij dat dát nu juist de boodschap is tot onze redding. Dus eerst het herkenbare, dan het vreemde en tenslotte het reddende van het kruis.

Juist bij dit vierde kruiswoord moest ik denken aan het grote woord van de apostel uit 1 Corinthe 1 en 2 waar hij zegt: Het kruis van Christus is voor Grieken een dwaasheid, voor Joden een aanstoot, maar voor ieder die gered wordt kracht en wijsheid van God. Dat zien we denk ik met name hier in dit vierde kruiswoord. Ik begin bij: hoe herkenbaar is het. Ik zei al: er is een lijden in en onder alle lijden. Ziek worden is erg, oud worden is soms heel zwaar. Maar zolang je in je moeiten de dragende hand van God mag bespeuren en zijn stem hoort houd je het vol. Maar als je bidt en je krijgt geen contact, en als je klopt en er wordt niet opengedaan, dan is het ontzettend, dan is het niet om uit te houden. Dan spreidt zich over ons leven de nacht van de Godverlatenheid en alles wordt verstikkend, zonder uitzicht. Dat gebeurt ook collectief, als machten van haat en dood in volle kracht losbreken. De verschrikkingen van Szebrenica die deze week in de krant stonden, dat heeft me diep aangegrepen. De Dutchbatters verslaan wat ze hebben meegemaakt. Een korporaal 1e klasse vertelt hoe hij op 12 juli met enkele andere Nederlanders de situatie buiten hun veilige kamp ging verkennen.

In één van de fabrieksgebouwen zag hij een verschrikkelijk tafereel. Sommige moslims hadden zich verhangen, ze gebruikten daar van alles voor, touwen, kleren, andere dingen. De andere moslims hadden de lijken gewoon laten hangen. Ze waren in een shocktoestand. Ook zag de korporaal hoe Serviërs granaten in de huizen gooiden. Hij hoorde een vrouw schreeuwen. Het verslag gaat verder. Ik lees uit de krant van deze week. Als ik dat lees denk ik: het is niet opgehouden bij Auswitsch, het gaat vandaag nog verder in Tsjetsjenië waar gemarteld en gedood wordt, waar roet de hemel kleurt. Waar huizen afbranden en kinderen kermen. Daar roepen mensen uit: God waar bent U? Daar lijden we aan Godverlatenheid. Vanaf de zesde ure kwam er duisternis over het hele land. Het heeft iets universeels. Hier als het ware geconcentreerd in drie uur diepe duisternis, wat door de tijd steeds weer in kracht over deze aarde losbreekt. Hier voltrekt het zich over Jezus. Als dat gebeurt, dán uit Jezus zijn klacht, dan voor het eerst. Als nergens tevoren wordt Hij hier Eén van ons.

Daarom begonnen we de dienst met het lezen van Filippenzen 2: Hij doorvoelt alle angsten, alle smarten die Godverlatenheid met zich meebrengt. In zijn uiterlijk als een mens geworden heeft Hij zich vernederd, is gehoorzaam geworden tot aan de dood van het kruis, dat is van God vervloekt. Er kwam duisternis drie uur lang over het hele land, toen Jezus daar hing. Inferno, helse angsten. Want wie echt door God verlaten wordt gaat door de hel. Drie uur hels lijden. Zo heeft Hij zich met ons vereenzelvigt. Maar tegelijkertijd, als we ons hierdoor laten aanspreken en ons daar bevinden, aan de voet van het kruis in die drie uur diepe duisternis, beginnen daar bij ons ook de vragen omhoog te komen. Aan het kruis? Door God vervloekt? Hij, die nooit anders gedaan had dan mensen zegenen, Hij vervloekt? Hij die tot aan het kruis toe nog bidt om vergeving voor wie hem dat aandoen? (het eerste kruiswoord), Die de moordenaar genadig is (het tweede kruiswoord), Die Maria een zoon geeft (het derde kruiswoord). Waarom spreidt zich dan híer de duisternis? Hoe kan God zich nu híer verbergen? Als ergens, dan zou God toch híer zijn zoon moeten redden.

Dat zeggen de omstanders dan ook: als dit de Zoon van God is, dan zou Hij Hem toch moeten redden! Of ze spotten met zijn woord en maken ervan dat Hij Elia geroepen heeft: laat die Hem redden! Maar wat gebeurt: God zwijgt en verbergt Zijn aangezicht. Alsof Hij Hem laat vallen. Hebt u wel eens een goede daad gedaan voor een vriend om daarna te ervaren dat hij je laat vallen, voor de ogen van iedereen? Zoiets gebeurt hier. Dat is ook voor Jezus op dat moment onbegrijpelijk. "Waarom?", roept Hij uit. En waarom het voor ons toch weer vreemd is wat daar gebeurt is dat bij ons, wanneer het ons overkomt ergens nog sprake is van gevolg en oorzaak. Serviërs en Bosniërs, Szebrenica, ze hebben elkaar gehaat. Dan zie je de verschrikkelijke gevolgen en God trekt zich van zo'n haatplek terug. Als wij mensen persoonlijk ziek worden en sterven, zegt de Bijbel: ja, we zijn samen in Adam gevallen. Op de een of andere manier is er bij alle Godverlatenheid onder de mensen die wij onder elkaar ervaren toch iets van schuld. Wij zijn geen heiligen. Wij zijn zondaars en bespeuren daar terecht iets in van gericht. Soms denken we: het is maar goed dat God zich verbergt als mensen zijn zaak zo verraden.

Maar hier op Golgotha hangt een rechtvaardige, een onschuldige die nooit en te nimmer één haatdragende gedachte zelfs maar gedacht heeft. Dat maakt Golgotha voor ons tegelijk zo onbegrijpelijk. Dat maakt dat we wat zo dicht bij ligt, Godverlatenheid, hier toch ook weer als heel vreemd beleven. Hoe kan God dit doen, een rechtvaardige verlaten? Iemand die zijn Naam beleden heeft loslaten? Eén die mensen zegende, vloeken? Dat begrijpen we niet. Daar geeft Jezus ons nu in dit kruiswoord een antwoord op. Daar helpt Hij ons op weg, wanneer Hij daar aan het eind van die drie uur diepe duisternis dit uitroept, die psalm citeert, psalm 22. Bij Markus, die het ook vermeldt, wordt het in het Aramees weergegeven. Jezus heeft dat in zijn nood in zijn eigen moedertaal, het Aramees, gezegd. Maar Mattheüs geeft het weer in het Hebreeuws. Het is of Mattheüs wil zeggen: het is de Mazorethische tekst van de Hebreeuwse bijbel. Zien jullie het? Het is een citaat uit psalm 22. Hij onderstreept dat nog extra. Jezus citeert de schriften en dan nog wel psalm 22. Waarom is dat nou een antwoord op die vreemdheid die ik net schetste?

Het is of Jezus zegt: er is al heel lang geleden een uitleg gegeven van wat hier gebeurt, een commentaar geschreven bij dit feit. Dit is niet totaal zinloos of raadselachtig of absurd, nee, hier vervult zich de raad van God en dat is een hoofdmotief in heel de schrift. Wat staat geschreven in psalm 22: hoe één Rechtvaardige de schuld van heel de wereld draagt. Eén Rechtvaardige bezwijkt onder geweld. Eén rechtvaardige klaagt in psalm 22: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Maar in die klacht valt licht, licht in de donkerte. Hier gebeurt iets wat niemand voor mogelijk of voor nodig hield, hier ontlaadt zich nu in alle kracht de toorn van God over het hoofd van de rechtvaardige. Dat is nu precies die beker waar God over sprak in Gethsémané, waar Hij tot drie keer toe gebeden heeft: Heer, laat toch deze beker, dit lijden aan mij voorbij gaan. Hij weet hoe erg h et is om de volle gramschap van God te moeten dragen en te moeten wegdragen. Eén keer moet deze beker tot op de bodem toe gedronken. Dat is het wat Jezus hier doet. Dat hoor tin de bijbel onlosmakelijk bij de integriteit van God. God kan nooit het kwaad en de zone verdragen.

Daar is maar één antwoord op en dat is gericht. En hier ontbrandt het op het hoofd van die ene Rechtvaardige. Daar hebben heel vaak ook theologen in onze tijd grote moeite mee waarom dat nu nodig is, die beker tot het einde toe drinken. Het kan best zijn dat er in de loop van de geschiedenis soms te rationele uitleggingen van gegeven zijn, of te oppervlakkige, of dat mensen het toch weer voor hun denken rond wilden krijgen, dat willen we dan. Dat daar kritiek op is is allemaal prima, alleen het feit dát is wel het hart van het evangelie. Voldoening, verzoening door plaatsvervanging is het hart van het evangelie. Jesaja 53, de lijdende knecht. En als we vragen: waarom wilde God dat dan, dat die beker één keer werd uitgedronken tot op de bodem? Dan geeft de Schrift een heel praktisch antwoord: opdat ik, u, wij, voor altijd ervan bevrijd zouden worden. Een heel nuchter antwoord. U en ik, wij, in de 20e eeuw, wij danken de zekerheid, niet het vermoeden, maar de zekerheid van de overwinning van de liefde van God alleen aan het lijden van Christus aan het kruis, aan dit kruiswoord.

In een drie uur durende diepe duisternis heeft zich voor eens en voorgoed de toorn van God over het hele menselijke geslacht en haar boosheid ontladen. Hij werd verlaten opdat wij nimmermeer verlaten zouden worden. In 2 Korinthiërs 5 lezen we dat letterlijk, het is de toepassing die de apostel Paulus geeft als hij zegt: Hij werd voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigd voor God, vrijspraak door Hem. Ja, in zeker opzicht is het waar dat we hier aan het kruis God zien in tweevoud. We zien Hem als degene die als de Schepper, de Heilige God troont en het kwaad niet kan verdragen. En we zien tegelijkertijd ín die ene Rechtvaardige, want het is zijn Zoon die in Hem alles die voor ons doorlijdt en die straks zal zeggen: het is volbracht. Hierin alleen, in dat vreemde, ligt nu onze redding. Daar wil ik in de derde plaats bij stilstaan. Dat eerste punt, die vereenzelviging, geeft ons grote troost. Het tweede, die vreemdheid, is de basis van onze redding. Over die vereenzelviging nog even een toepassing. Filippenzen 2, we zongen het ook: hoe is Hij ons nabij gekomen.

Het eerste is het herkenbare, zelfs in de diepste Godverlatenheid is de Zoon van God neergedaald en Hij weet wat het is, dat is ons tot grote troost. Als je in ziekte of depressie of in rouwverwerking momenten hebt waar je werkelijk niets meer kunt met je geloof, en de bijbel spreekt je niet meer aan en bidden lukt niet, en ineens herken je: dit is die duisternis van Godverlatenheid!, dan weet je dat daarin Iemand naast je staat. Hij was er Zelf in totale Godverlatenheid. Probeer dan maar te doen wat Hij deed: Hij zong psalm 22. Hij zong een gat in de nacht, Hij begon bij het begin en natuurlijk is die hele psalm doorgeklonken. Ik roep des daags en Gij antwoordt niet, en des nachts en ik kom niet tot stilte, nochtans zijt Gij de Heilige die troont op de lofzangen van Israël. Is dat niet bijzonder? Het is vertrouwen zonder te zien. Ook Jezus zag niets maar Hij roept en rust in de heiligheid van God en zegt: Nochtans zijt Gij de Heilige en vestigt Uw troon op de lofzangen van Israël. Dat is het eerste. Dus Jezus komt in zijn Godverlatenheid ons heel nabij en biedt ons daarin troost. Maar wonderlijk is het: die redding ligt in het vreemde van deze drie uren diepe duisternis.

Ik zei: Hoe kon God dat een rechtvaardige aandoen? Daar komt de afstand. Want niemand van ons kan zeggen dat hij een rechtvaardige is. Hier is een vraag die ons stelt voor het grote geheim van de verzoening. Zo heeft het God behaagt ons mensen te redden. Zo wordt het ons verkondigd, door één Mens tot zonde te maken. Eén Rechtvaardige krijgt alle schuld aangewreven. Eén Lam, weerloos en onschuldig voor ons gedood. Ik begrijp dat niet. Maar ik geloof het en het is uw en mijn redding want nu ben ik zeker van mijn toegang tot de Vader. Daar op Golgotha en nergens anders is wat tussen Hem en ons instaat verwijderd. Daarom scheurde daarna dat voorhangsel in de tempel. God heeft het zelf in zijn Zoon voor ons verwijderd in die drie uren van diepe duisternis toen dit kruiswoord weerklonk: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten. Waarom hebt U Mij verlaten. Inderdaad, onbegrijpelijk. Maar in zijn vreemdheid en onbegrijpelijkheid onze redding. Want zo kan niemand wegzakken in enige schuld of in enige nood, of de Redder ging dieper en dook eronder. In die vreemdheid besef ik dat er drie momenten liggen. Ik besef, zo staande aan de voet van het kruis drie dingen.

Dat kruis laat ons hier zien hoe erg de zonde is. Dat Jezus daarvoor aan het kruis moest gaan. Veel liederen zeggen dat: ook om wat ik deed hing Hij daar. Maar het laat ons ook dat tweede zien: hoe groot de heiligheid van God is. Hij kan geen kwaad verdragen, het moet worden verzoend. Maar wat we natuurlijk boven al zien is hoe diep zijn ontferming is, want Jezus is zijn geliefde Zoon, die kon het aan, dat wist Hij. In Jezus heeft God zelf onze schuld weggedragen. Zo heeft Hij in Christus de wereld met zichzelf verzoend. Zo is het gebeurd. Dat is de basis van ons geloof, dat moeten we dan ook met twee handen aanpakken. Daar ligt onze boodschap aan een 20e eeuw. Ik begon met te zeggen: die is getypeerd met een boek van Martin Buber over Godsverduistering. De 20e eeuw, Goede Vrijdag in de westerse geschiedenis. Maar laten we dan ook dit evangelie verkondigen, zo ook die Goede Vrijdag uitleggen: God is er wel degelijk en Hij is naast ons komen staan in de diepte van Godverlatenheid, maar meer dan dat: Hij heeft wat tussen Hem en ons instond weggedragen aan het kruis. Laat Jezus niet opnieuw gekruisigd worden doordat we dat geschenk niet met twee handen zouden aannemen.

Want dan komt een duisternis waarin geen licht meer doorbreekt. Ontvang dan die genade van God in Jezus, zijn Zoon, en de dag die bitter was wordt goed. Daar gaan we van zingen: die dag, zo bitter en zo goed, dag waarop de Heer van God verlaten aan Hem vast hield mij ten bate, zie het was zeer goed. Gezang 194.