Gemeente van Christus, Ik begin met een verhaal dat ik eens in de krant las en wat me altijd getroffen heeft. Na de oorlog lagen overal alle grote gebouwen, kathedralen en kerken in puin. Een journalist die de mensen wilde informeren over de wederopbouw van het land, ging langs bij een grote kathedraal die hersteld werd. Er was een bouwput, overal was men aan het timmeren, vloeren aan het leggen en muren aan het oprichten. Hij interviewde de arbeiders die bezig waren. Eerst een timmerman die grote draadnagels in een balk sloeg. Hij vroeg: "Mijnheer, wat bent u aan het doen?" De timmerman: "Dat kun je toch zelf zien? Ik sla hier de hele dag spijkers in balken. En schiet nou op, ga weg, je staat in mijn licht." De journalist ging naar een tweede werker, een metselaar. Hij vroeg: "Mijnheer, wat bent u aan het doen?" De metselaar zei: "Dat is nogal logisch, ik sta hier geld te verdienen voor mijn vrouw en kinderen, waarom anders dacht je dat ik hier bezig was?" De journalist ging verder, zag een technisch tekenaar rondlopen met grote vellen papier. Hij vroeg hem: "Mijnheer, wat bent u aan het doen?" De tekenaar zei: "Ik zet een traditie voort.
Mijn vader was architect, ik hoop dat mijn zoon het ook wordt, en ik geniet van mijn vak." Zo ging de journalist bij al die mensen langs. Een glazenier die glas in lood stond te zetten zei: "Ik ben hier iets heel moois aan het maken!" Tenslotte kwam hij bij een kruier die de hele dag stenen versleepte van grote stapels naar diegenen die de muren metselden. Hij vroeg de kruier: "Wat bent u aan het doen?" De man gaf hem een heel eenvoudig antwoord: "Ik bouw hier een huis voor God." Dit verhaal heeft me altijd getroffen. Al de mensen die daar werkten aan de kathedraal deden hetzelfde. De één met deze gave, de ander met andere gaven, maar op de een of andere manier waren ze allemaal bezig met het weer opbouwen van die kathedraal. Allemaal zagen ze hun werk heel plat en onbeduidend, ook heel ontnuchterend.
De eerste man: "Ja, wat doe ik hier eigenlijk, ik sla spijkers in een balk." Een ander: "Ik leg tegels", en: "Ik verdien mijn geld", of: "Ik zet een traditie voort, je moet toch wat?" Een realist zegt: "Ik verdien geld voor vrouw en kinderen" en misschien zit er nog één bij die wat idealistischer is en zegt: "Ik dien de kunst met mijn glas in lood." Er is er maar één die zegt: "Ik bouw hier een huis voor God." Dat wil zeggen, geen van allen, behalve die ene, zien hun kleine werk in het ware perspectief. Ze zijn het eigenlijke wat ze aan het doen zijn helemaal uit het oog verloren. Niet één die zijn bijdrage ziet in het licht van het hogere plan. Daar wil ik het nu over hebben, en waarom we hierbij de brief van Petrus hebben opgeslagen. Want deze brief is geschreven -dat kunt u lezen in vers 1 van hoofdstuk 1- aan de christenen in de verstrooiing. Uit die brief blijkt wel dat dat veel dieper gaat dan dat ze alleen als kleine minderheden over heel -toen nog- Klein-Azië verspreid waren.
Nee, ze waren ook echt verstrooid in de betekenis van: niet meer geconcentreerd op dat ene nodige, afgeleid door secundaire doelen, niet meer echt geconcentreerd op dat eigenlijke waar ze toe geroepen waren, het eigenlijke werk waar God ze daarvoor had neergezet. Daarom dringt hier de apostel bij de gemeente aan om het hoofddoel in de gaten te houden. Hij vertelt in hoofdstuk 1 met nadruk wie ze eigenlijk zijn: geroepen heiligen. Apart gezet met een bijzondere roeping. Wat ze eigenlijk doen: ze bouwen aan het huis van God. Dat lezen we hier. Waar ze eigenlijk toe geroepen worden is om de grote daden van God te verkondigen, God die hen geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Dat is het doel van gemeente-zijn. Dat is zo belangrijk dat dát ook ons vanmorgen als het ware voor ogen gezet wordt, nu ouderlingen en een diaken aantreden, hun werk in de gemeente beginnen. Bij al het werk in de gemeente kun je precies het zelfde vragen: wij zijn ook een huis in opbouw, de gemeente is nooit af. Aan iedereen die hier in de gemeente bezig is kun je vragen: "Waar bij je eigenlijk mee bezig?" Dan krijg je soortgelijke antwoorden als de arbeiders in de kathedraal.
De één zal zeggen: "Ik schenk koffie", een ander: "Ik organiseer de kindernevendienst", een derde: "Ik leg bezoeken af, ik ben ouderling", een vierde: "Ik ondersteun mensen met een leefprobleem, ik ben diaken". Zo kunnen we allemaal ons werk omschrijven. Misschien ook een iets wijder doel aangeven: het houdt de kinderen bezig; het voedt ze op; het versterkt de onderlinge band; het geeft je vriendschap. Maar is dat niet allemaal vlak en banaal haast? Zijn we daar nu gemeente voor? Petrus houdt ons met apostolisch gezag, met grote klem voor waar we samen aan bouwen. Dat is uiteindelijk ook niet een aardig sociaal gebeuren, ook niet opvoeden, niet meeleven, fijne vrienden, dat is allemaal goed en mag er allemaal bij, prima, maar Petrus zegt: "Waar het uiteindelijk om gaat is je als levende stenen te laten gebruiken bij de bouw van een geestelijk huis. Dat is waar we voor zijn, nergens anders voor." Wat gebeurde er in het huis van God? Dat wist iedere Israëliet die je er naar vroeg: "Offeren." Als je naar de tempel ging zag je dat dat was wat daar gebeurde. Dat is dan ook de boodschap die het huis van God uitstraalt: de zelfopofferende liefde van God. Waar is dat huis op gebouwd?
Daar is ook steeds sprake van in dit hoofdstuk. Op één fundament, één hoeksteen, dat is het offer van Jezus Christus, eens voor al gebracht op Golgotha, in het midden van de geschiedenis. Zo heeft Hij als het ware de verzoenende liefde van God in deze wereld binnengebracht. Dat is een onderdeel van een serie van grote daden van God. Zo spreekt Petrus er hier over: wij zijn geroepen om de grote daden van God te vertellen. Grote daden die daaraan vooraf gingen en daarna: hoe Hij volkeren leidde, Israël uitkoos, zijn Zoon zond en daar die Ene het heil deed bewerken, toen een stroom van zegen, van levend water uit de tempel naar alle volkeren deed stromen, de uitstorting van de Heilige Geest, we zijn als gemeente gebouwd op de ene fundament, Jezus Christus en Hij alleen. Hij wordt hier in de eerste plaats de levende steen genoemd. Een beetje een vreemd beeld, want als er iets dood is, is dat wel een steen. Ik denk dat Petrus gefascineerd was door stenen. Petrus, de rots, dat was zijn naam tenslotte: op die steen zal God zijn gemeente bouwen, met hem als hoeksteen. Wij zeggen: een steen is zo dood als een pier, hoe kun je dan spreken van een levende steen?
Dat is nu juist de aardigheid van het beeld. Dat komt uit de woestijntijd, een periode waarin Israël dorst leed, jammerde en klaagde en zei: "Notabene, nu hebt U ons uit Egypte gered en hier gaan we dood van de dorst!" Dan zegt de Here God tegen Mozes: "Sla op de steen, sla op de rots." En als Mozes dat doet dan komt er water uit. Daar zit iets in van: er moet wel iets eerst opengebroken worden, zelfs die keiharde steen en wat er dan gebeurt: er stroomt water uit. Het meest levengevende wat je bedenken kan uit het meest dode wat je bedenken kan. Zo werd die rots beeld van Christus: gestorven en opgestaan. Het tweede verhaal uit het oude testament wat ik bij die levende steen wil betrekken is dat kleine onderdeel van het fascinerende visioen van Nebukadnezar, uit het boek Daniël. Nebukadnezar had in zijn droom gezien hoe er een groot beeld stond, dat was hij zelf. Toen rolde er een klein steentje uit de bergwand los. Terwijl dat steentje het dal in rolde werd het groter en groter, het zwol aan, verpletterde het beeld en werd tot een berg die de hele wereld vervulde. Dat is ook een beeld van een levende steen.
Een groeiende steen kan eigenlijk niet, maar dat dubbelzinnige, dat paradoxale, dat is het nu juist, dat is het wonder van Jezus. Een klein steentje, losgemaakt in de geschiedenis en tot bron van genezing en vergeving geworden. Dat is allemaal op Golgotha gebeurd door zijn offer, zelfovergave in liefde. Uit Golgotha is een beweging voortgekomen, een stroom van mensen, die vormen nu samen de geestelijke tempel. In het oude testament had je de letterlijke tempel, met letterlijk offers, dieren die gedood werden, maar in het nieuwe testament heb je een geestelijk gebouw, deze mensen door Jezus bezield, vormen samen een levend huis, ze zijn geroepen en apart gezet om dat door te geven, zelf op hun beurt levende stenen te worden. Dat kan natuurlijk alleen als ze zelf eerst tot die levende steen komen. Kom tot de levende steen en laat je dan als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis. Over wat dat betekent maak ik nog twee opmerkingen: dragen en offeren. Dragen Een steen draagt, daarom leg je hem neer, opdat hij anderen draagt. Maar als die steen zelf niet gedragen wordt hangt hij in de lucht, dan valt hij in een gat en kan niet meer dragen.
Zo zijn er twee dingen reëel bij dat dragen. Een levende steen zit niet los in de muur. Hij kan niet gemist worden omdat hij draagt. Trek je die ene steen los, dan vallen de anderen er uit. Maar als het een levende steen is, kan die alleen dragen omdat hij ook rust. Dragen en rusten horen bij elkaar, rusten op de steen eronder en ten diepste op het fundament. Dat zijn twee dingen die wezenlijk zijn voor alle werk in de gemeente maar ook voor het werk van ouderlingen en diakenen, die twee dingen samen. Dragen zonder rusten wordt sjouwen, daarna ploeteren, tenslotte wordt het inzinken. Het omgekeerde, rusten zonder dragen, wordt het een solotrip, religieuze diepgang zonder bewogenheid voor de mensen. Allebei verschrikkelijk. Samen beelden ze uit wat we mogen doen: dragen in liefde en in een reële relatie tot die stenen naast mij, ieder op eigen wijze met eigen gaven, en zelf gedragen worden en dat in Hem en door Hem die DE levende steen is.
In de gemeente geven we dus ten diepste maar niet puur onze talenten, onze spierkracht, onze wijsheid, maar we geven dat toch altijd weer door in een houding wat wij weer gekregen hebben door op Hem te rusten en Hij ons gaven geeft, daarmee dienen we elkaar. "Doe dat en het gaat altijd goed, je zal niet beschaamd uitkomen", zegt Petrus, "alleen dan zal je vrucht dragen, water geven." Offeren Van hier uit is het maar een klein stapje naar het tweede wat ik wil zeggen rond het woordje offeren. Dat krijgt hier in de tekst wel een grote nadruk. 'Laat u als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen -het beeld verspringt- tot het brengen van geestelijke offers die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.' Een ijzeren regel: 'in het huis van God wordt geofferd', dat zal altijd zo blijven. Eeuwen en eeuwen heeft de tempel gestaan in Jeruzalem, en wat zag je als je die tempel naderde? Rook, en dichterbij gekomen offerdieren, je zag bloed stromen, mensen er omheen. Daar draaide het allemaal om. Dat is nu nog precies zo. Natuurlijk niet letterlijk alsof er bij ons bloed stroomt en offerdieren zijn.
Een offer brengen is altijd iets offeren van jezelf. Je biedt iets aan. Maar offeren zoals Jezus gedaan heeft is niet iets offeren van jezelf, maar jezelf offeren. Ten diepste heeft God ons niet iets van zichzelf gegeven, maar Hij heeft zichzelf gegeven, zelfs meer dan zichzelf. Want wie het liefste wat hij heeft, zijn enige Zoon, geeft, geeft meer dan zichzelf, dat is de betekenis van de kern. Dat is ons ten deel gevallen en in die navolging leren wij niet iets van onszelf, maar onszelf te geven. Alsof de Heer zegt: "Ik heb me aan jou gegeven, nu jij." Ons offeren wordt hier dus in de eerste plaats door bepaald: ik geef mezelf en niet iets van mezelf. Of als ik iets van mezelf geef, geef ik daarin mezelf, en in de tweede plaats: het is een reactie, en dat maakt alles anders, ons offeren is niet offeren als plicht of om de weg van verzoening open te breken, maar het is juist omgekeerd, het is een echo op wat Hij ons gegeven heeft. Daarom is het ook een offeren in vreugde, in dankbaarheid. Psalm 118 eindigt daar: nu wordt het offer van onze vreugde op zijn altaar aangericht. Ik denk dat dat ook waar is.
Ik spreek dan uit eigen ervaring, maar ik denk dat er niets is dat je zoveel vreugde geeft als jezelf te geven. Jezelf te kunnen geven is vreugde, geen plicht. Daar geniet je van. Dat mijn kleine leven, mijn stukje werk in de gemeente, dat dat onderdeel mag zijn van zo'n groot geheel waaraan ik mij verlies. Dragen en offeren, ze verspreiden een geur. Ze bepalen de sfeer in het huis van God. Ze wijzen boven zichzelf uit naar de Bouwheer, ze bouwen voort op de Bouwsteen, de grondsteen. Ons kleine werk, het is niet niets. Daarom: laat je niet ontmoedigen, val niet in die valkuil van het trivialiseren wat vandaag overal de ronde doet, wat betekent dat je alles banaal maakt. Je maakt het grote klein, en je ziet het kleine niet meer in een groter perspectief. "Nee", zegt Petrus hier, "weet dat je levende stenen mag zijn voor de bouw van een huis van God midden in een wereld die God zo nodig heeft.
In die wereld ben je geroepen als een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, om zo de grote daden van God door te geven, die zich offerde en die ons droeg, die ons nu geroepen heeft tot zijn licht om die ontferming van God weer zichtbaar te maken in de wereld." Dat grote hebben we vanmorgen weer mogen zien. Houdt dat vast voor ogen, zodat wij ieder voor zich, als iemand aan ons zou vragen: "Waar ben jij toch eigenlijk mee bezig in de kerk?", je zal zeggen: "Waar ik mee bezig ben? Ik bouw aan het huis van God!" Amen ©2000 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.