Bijbeltekst: 1 Korinthiërs 6:20 — Uit de serie: Medisch-ethische vraagstukken, deel 1

Gemeente van Christus, Deze week kwam bij mij het woord 'Verheerlijk dan God met uw lichaam', uit de Corinthe-brief steeds weer naar voren. Ik kreeg, waarschijnlijk net als u allemaal een brief van de overheid over de donorregistratie, waarin ik moet aangeven wat er met mijn lichaam moet gebeuren als ik plotseling zou komen te sterven. Mogen uw organen er uit genomen worden, of uw huid, uw ogen? Of kan dat niet? Merkwaardig genoeg zie je, vandaag meer dan vroeger, een soms belachelijke overwaardering van het lichaam. Plastische chirurgie moet ieder ouderdomsrimpeltje weghalen, aerobics garanderen fitheid, alles in mode en voeding draait om de lijn, het figuur, de 'look'. Wij leven echt in een lichaamscultuur. Het is een wonderlijk verschil met vroeger, want als je teruggaat in de geschiedenis van ons eigen land, naar de Middeleeuwen, naar de tijd van de Reformatie, toen draaide alles om de ziel: Wat moet ik doen om behouden te worden? Het lichaam werd gezien als iets lagers, als het stoffelijk omhulsel, een madenzak. Maar in de twintigste eeuw is het omgekeerd. En als in een pendelbeweging slaat het helemaal door naar de andere kant. Alles draait nu om het lichaam. Maar de ziel?

De meeste mensen geloven niet eens meer dat een mens een ziel heeft! En dan heb ik het niet alleen over wanneer we dood gaan, dan zeggen we: dood is dood, het lichaam is dood, alles is weg. Maar de mensen geloven niet eens meer dat we een ziel hebben voordat we sterven, terwijl dat nu juist de hoogste waarde is van ieder mens! Daarom koos ik als welkomsttekst voor deze dienst dat woord van Jezus: "Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? (Mattheus 16:26). De bijbel is in de boodschap en het onderwijs over het lichaam opvallend modern. Eigenlijk is de bijbel altijd de tijd ver vooruit, ook nu weer. Want wat lees je midden in het nieuwe testament? Ver voor de middeleeuwen, ver voor de twintigste eeuw staat er dit uiterst evenwichtige hoofdstuk over de betekenis van het lichaam. En heus niet in de taal van de middeleeuwen: het lichaam is een stoffelijk omhulsel, of: het lichaam hoort bij het lagere aardse leven, of in de taal van deze tijd: als we sterven laten we het lichaam achter als een afgevallen trap van een raket. Helemaal niet!

De schrift spreekt uiterst respectvol over het lichaam: geschapen door God, geweven als een kunstwerk in de schoot van de moeder, een wonder werk van God. En op deze zondag na pasen vieren we de wederopstanding van het lichaam. Daar geloven we in. Dat staat letterlijk in vers 14, in de tekst: God heeft niet alleen de Here Jezus opgewekt, maar Hij zal ook ons opwekken door zijn kracht. Paaszondag ging over de opstanding van de Here Jezus, en nu zegt de schrift: niet alleen Hij is opgewekt, maar ook wij worden precies als Hij opgewekt. Daarom citeer ik zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus, het leerboek van de kerk, dat vertelt dat de betekenis van de Christus' opstanding is dat die voor ons een zeker onderpand is van onze toekomstige opstanding. En wij belijden iedere zondag: Ik geloof in de wederopstanding des vleses. Dat zeggen we heel plechtig, maar dat betekent: de opstanding van het lichaam, van mijn lichaam, zoals Job daarover spreekt: "Dit, mijn lichaam zal worden opgewekt, zoals het lichaam van Jezus werd opgewekt." En dat noemt de catechismus een onderpand. Een prachtig beeld. Als je een auto huurt moet je je paspoort geven als onderpand.

Dan weet de verhuurder zeker dat je de auto terugbrengt. Zo moet je je voorstellen dat God de opstanding van Jezus gegeven heeft. Hij is echt opgestaan, en daardoor weten wij zeker dat God ons ook zo zal opwekken op de jongste dag. En dat kan je je niet plastisch genoeg voorstellen: dit, mijn lichaam. Job zei: "Nadat mijn huid aldus geschonden is -hij zat daar onder de zweren- zal ik uit dit mijn vlees toch God mogen zien." Reëel ziet hij uit naar de opwekking, de opstanding, de redding, ook van het lichaam. Even een zijspoor, want het is schitterend als je bladerend door de bijbel ziet wat die nu zegt over het lichaam. De bijbel spreekt in het oude testament niet over de mens die een lichaam heeft, maar dat hij een lichaam is. En dan komen alle organen naar voren: de nieren, de lever, de gal, het hoofd, het hart, de voeten, de handen. Het zijn geen onderdelen van een machine, nee, ieder van die onderdelen ben ik, maar dan naar een ander facet. De bijbel spreekt als het ware 'in stereo' over het lichaam. Wij in mono: het is vlees, een machine en een aantal organen.

Maar de bijbel zegt: mijn nieren verlangen; mijn lever wordt met smart doorboord; mijn gal is bitter; mijn hart weent; mijn bloed roept; mijn hals verlangt; mijn keel looft; mijn ingewanden zijn met ontferming bewogen; mijn voeten huppelen. Ik vind dat zo bijzonder dat ik het op een rij heb gezet. Psalm 16:7: ?Zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. De nieren zijn in de bijbel de zetel van het geweten. Klaagliederen 2: 11: ?Ter aarde gestort is mijn lever. De lever is de zetel van smart. Als ik doorboord wordt door smart, dan gaat dat door mijn lever. Jesaja 52: 7: ?Hoe lieflijk zijn de voeten van de vreugdebode. Het zegt helemaal niet dat het mooie voeten zijn, maar de voeten zijn een beeld van mij in mijn snelle bereidvaardigheid. Spreuken 4: 23: ?Uit het hart zijn de oorsprongen van het leven. Het hart is de zetel van de wilsbeslissing. Ook bron van gevoel en verlangen, maar vooral zetel van de beslissingen: vandaar uit worden alle beslissingen genomen. Genesis 43: 30: ?Zijn ingewand ontstak jegens zijn broeder. Daar wordt mee bedoeld dat Jozef met ontferming bewogen werd. De ingewanden zijn in de bijbel zetel van erbarmen.

Het woord 'barmhartigheid' is eigenlijk het meervoud van 'ingewanden '. Job 20: 14: ?Ze wordt addervenijn, gal, in zijn binnenste. De gal is zetel van verbittering. Dit is een bloemlezing uit het oude testament, er zijn nog meer voorbeelden. Ik vind het heel bijzonder dat de schrift zo spreekt over het lichaam in zijn waardigheid, over zijn eenheid met de hele persoonlijkheid. Lichaam en ziel zijn één en de organen zijn dragers van heel diepe gevoelens, ze horen helemaal bij mij. Ik zelf word er mee aangeduid. Mijn nieren, dat ben ik in mijn geweten. Dit besef heb je nodig om weer terug te komen bij die tekst: verheerlijkt dan God met uw lichaam. Dat zegt Paulus. Zie dat lichaam dus niet als iets bijkomstigs. Het is niet maar een stoffelijk omhulsel. Nee - en dan komt het hoofdonderwijs van Paulus - dit lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Daar wil ik het in het bijzonder over hebben. Ik zei al: "De schrift is onze tijd vooruit". Ze valt niet in de fout uit de middeleeuwen, waar alles draaide om de ziel en het lichaam deed er niet toe. Maar de schrift valt ook niet in de fout van de twintigste eeuw, waar het lichaam alles is. Paulus zegt: "Nee, het lichaam is niet alles.

Maar het is een tempel waar een Ander, de Heilige Geest, in woont." Ik ga eerst wat dieper in op dit evenwichtige onderwijs van de schrift. En daarna pas ik dat toe op een aantal concrete problemen van vandaag. Het precaire evenwicht. Het is schitterend om te zien dat de apostel Paulus hier twee dingen tegelijk zegt. Dat komt naar voren in dat ene beeld. Het eerste is: het lichaam is heel belangrijk. Het andere: maar als het niet bewoond wordt? Wat is een tempel zonder bewoning en zonder aanbidding? Dat zei hij tegen de Corinthiërs die misleid werden. Er waren in die gemeente van Corinthe christenen die zeiden: "Je kan rustig sexualiteit consumeren zoals de maag voedsel tot zich neemt. God doet toch beiden teniet. Je lichaam is maar een tijdelijk omhulsel, straks verdwijnt het in de aarde en is weg. Zolang je in deze aardse tent woont en je maag verzadigt met eten, zo heeft het menselijk lichaam ook behoefte aan sex, en dat is geen probleem, er zijn legio manieren om die te bevredigen. Juist een christen doet daar niet moeilijk over, want straks vergaat het toch allemaal tot stof en as en stijgt je ziel op tot God." Je hoort die geluiden eigenlijk tot vandaag toe.

Paulus verfoeit die visie. Hij zegt: "Je vernielt jezelf ermee. Iedere andere zonde gaat buiten je lichaam om, maar niet hoererij, sex met iemand die je niet publiek trouw hebt beloofd. Je vernielt er jezelf mee en je beledigt God. Want je lichaam is maar niet een stoffelijk omhulsel, iets minderwaardigs, nee - en dan komen die uiterst hoge omschrijvingen van het lichaam -: je lichaam is een tempel van de Heilige Geest, en het is een lid van het lichaam van Christus!" Een hogere omschrijving van ons lichaam is moeilijk te geven. Om je dat beeld voor te stellen zou ik u mee moeten nemen naar de griekse en romeinse steden uit die tijd, daar rees de vaak wit geschilderde tempel uit boven alle gebouwen. Van alle gebouwen is de tempel het mooist, midden in de stad, wit uitstralend. Zo beschrijft Paulus ons lichaam, het is een tempel, een plek die God gemaakt heeft om in te wonen. En al die gevoelens die aan mijn organen vast zitten, zoals boven omschreven, zijn allemaal gevoelens, realiteiten van de ziel waarmee de mens de Here God eert, want Hij heeft ons naar zijn beeld gemaakt.

Direct trekt Paulus hieruit praktische conclusies: gebruik het dus niet voor hoererij, voor sex zonder trouw. Maar gebruik het voor die gevoelens die God ons zelf gegeven heeft en waarmee Hij ons vervullen wil. Maar, dan komt daar dat tweede bij om de hoek kijken, en dat lijkt nu weer de decentralisatie, of beter nog de relativering van het belang van het lichaam. Want ook al ben ik mijn lichaam, en ook al is mijn lichaam een schepping en straks een herscheppingswerk van God, tegelijkertijd is het ook niet van mij; ik ben van een Ander! Ik krijg mijn lichaam, ik heb mijzelf niet gemaakt, en het blijft ook van die Ander. En dat zit ook in dat beeld van die tempel opgesloten. "Weet u niet dat u een tempel bent van de Heilige Geest?" vraagt Paulus. Er zit een ondertoon in die vraag: "Je kan er maar niet mee doen wat jij wilt, het is de tempel van de Heilige Geest!" En een tempel zonder die bewoning is inderdaad een lege dop, een hopeloos ding. Die gedachte strijkt regelrecht in tegen de haren van de moderne mens. Wat? Zou iemand in het universum mij kunnen en mogen voorschrijven hoe ik moet omgaan met mijn eigen lichaam? Dat is toch de toon vandaag?

En Paulus zegt heel rustig: "Ja, inderdaad, er is Iemand in het universum en Die heeft het te zeggen, ook over je lichaam." Want als je christen bent is je lichaam een tempel van de Heilige Geest, en dus vraag je wel wat Hij er mee doen wil. En ben je geen christen, dan blijft het altijd nog een schepping van God, want je hebt jezelf niet gemaakt! God gaf het ons met de gebruiksaanwijzing erbij. Dat trekt het lichaam weg uit het centrum, en dat is in de twintigste eeuw heel revolutionair. Want in de consumptie-industrie, in de mode, in de film, de beeldindustrie, in de medische zorg en zelfs bij filosofen wordt het lichaam vandaag gezien als de bron van alles. De bron van zingeving, zo noemt de bekende filosoof Michel Foucault het lichaam. Ja natuurlijk, een atheïst houdt niets anders dan het lichaam over, en alles draait dan ook om het lichaam. Eerst viel God weg, toen de onzichtbare wereld, de engelen en demonen, toen de ziel, en wat overblijft is een ontzield lichaam. Maar dat moet dan ook drager worden van alles wat het leven zingeeft. Het lichaam en alles wat het voelt met tientallen organen, wordt drager van zin.

En is daar één orgaan bij wat alles zingevend stuurt en richt, dan wordt dat mijn afgod. De één kiest de maag, en loopt het gevaar het lichaam te mishandelen, het wordt vet. De ander het hoofd, aanbidt de wetenschap en loopt het gevaar het hoofd te mishandelen. Een derde de voeten, en hij wordt een sportfreak. Een vierde de genitaliën, en hij wordt porno-verslaafd. En zo rijzen de afgoden op in de twintigste eeuw en ze rijzen allemaal op uit het lichaam. En wat doet Paulus? Hij laat met één bijlslag Dagon op zijn gezicht vallen. "Dat lichaam, hoe centraal het ook is, wordt een lege dop als het geen bewoner heeft. Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint maar schade lijdt aan zijn ziel." Als het lichaam niet meer is dan dat uiterlijke zonder die invulling, dan mist het die adem van God, waarmee de bijbel begint. Toen God ons zijn adem inblies werd de mens een levende ziel, lichaam en ziel. Alleen die aandacht voor de Geest van God zet het lichaam op zijn plaats. Het is niet de schatkamer van het menselijk bestaan. Het is niet de drager van zin, het is niet de vechtmachine, niet het lustobject, niet de genotsgenerator.

Kortom, niet de schatkamer van alles wat de mens aan rijkdom bezit. Onzin. Het is 'slechts' een tempel. "Slechts een tijd, een plaats van God", zegt de dichter Agterberg. "Houdt geen gelijkteken meer iets bijeen, dan wordt het afgeschreven op een steen." Dat is ook het lichaam. Het is een bijzondere evenwicht wat de apostel Paulus aanbrengt bij het beeld van het lichaam. Lichaam, tempel van de Heilige Geest: verheerlijkt dan God met dat lichaam! Dan moeten we dat ook gaan toepassen. Wat voor conclusies mogen we hier nu tenslotte uit trekken voor onze omgang met het lichaam? Hoe doen we dat, God verheerlijken met ons lichaam, als we denken aan orgaantransplantatie, en het codicil wat we moeten ondertekenen, en als we denken aan voedsel en kleding, consumptie en mode? Het bijzondere van de schrift is dat we die conclusies zelf moeten trekken. Paulus geeft geen receptenboek, geen codex met allemaal mooie gedragsregels voor iedereen gelijk. Nee, hij geeft ons in dit onderwijs een kompas in de hand, met basiswaarheden. En de één neemt het kompas en loopt naar het reisdoel via de ene weg, een ander neemt het zelfde kompas en gaat langs een andere weg.

Dat is niet erg, dat is goed, want het kompas wijst de weg. Als je je maar door het kompas de weg laat wijzen, dan kom je tenslotte toch goed terecht. Dat is de eerste conclusie: het kompas wijst de weg. De Here dienen met mijn lichaam betekent de totale zeggenschap van Hem over mijn lichaam erkennen. Eten dat mijn lichaam niet goed doet laat ik staan. Roken, dat de gezondheid schaadt: weg ermee. Sex zonder trouw aan die ene: fout. Kleren die niet eerzaam zijn: weg ermee. Tatoeëren: we lazen erover in vers 19. XTC-pillen breken de tempel af: nooit doen. Je moet je lichaam behandelen als een tempel van God, en je ziel en je geest voeden met woorden van eeuwig leven. Dat betekent ook dat je met je lichaam rust zoekt, evenwicht, een fijne sfeer schept, de Here in je laten werken. Het is allemaal veel praktischer dan je denkt. Het is een soort levenswijsheid voor iedere dag. Breng die discipline op om je lichaam te openen, met al die gevoelens en met al die organen, voor de werking van de Heilige Geest van God.

En Hij wacht daarop als een gentleman, op onze nodiging, maar als Hij dan wordt toegelaten, dan raakt Hij ook letterlijk mijn nieren aan, Hij geneest mijn lever, hij verzoet en verzacht mijn gal en mijn ingewanden doet Hij rommelen, mijn voeten doet Hij huppelen, en mijn handen maakt Hij vaardig tot alle goed werk. Dat is de eerste conclusie. Weg dus met die lichaamscultuur. De tweede conclusie. Dus ook geen orgaantransplantatie? Of wel? De tijd is gelukkig voorbij dat enige dominee zou voorzeggen wat er moet gebeuren. Maar ik zie vanuit dit bijbels onderwijs een tweeledige nadruk en geef dat aan u mee. De eerste is: Hoe kan je God beter verheerlijken met je lichaam dan wanneer je sterft, en soms ervoor, er iets van te geven aan wie dat nodig heeft? Bloed bijvoorbeeld, en na de dood je organen? Het is denk ik een uiterst nobel geschenk. Jezus gaf zijn lichaam voor ons aan het kruis. Dan mogen wij wel onze nieren of ons netvlies geven. Maar tegelijkertijd, en dat is dat andere, er zijn grenzen.

Zodra het gebruiken van organen leidt tot plunderen - dat woord las ik - van het lichaam alsof het geen eigenaar zou hebben, dan is daar weer die godverlaten geest van die autonome moderne mens aan de gang. Het lichaam als een grote machine waarvan alle onderdelen uit elkaar vallen zodra de dood intreedt. Kan dat zomaar, naamloos alle onderdelen opslaan in de diepvries? Dat is naar mijn inzicht respectloos en ik kan er niet in meegaan. Het moet een gave blijven die ik, of mijn nabestaanden namens mij, uit liefde aanbiedt. Maar recyclen? Nee. Het zijn moeilijke vragen waarvoor de moderne tijd ons stelt: wat ik moet invullen, wanneer sterft een mens eigenlijk, mag je eindeloos reanimeren, de vragen rond het laten inslapen? Het is hier niet de plaats om daar op in te gaan, maar we moeten twee dingen vasthouden: Ten eerste: We moeten blijven geloven in dat bijzondere beeld van het lichaam als een tempel van de Heilige Geest. Het lichaam is heel mooi, en tegenover de middeleeuwen zeggen we: het lichaam is net zo belangrijk als de ziel, maar tegenover de twintigste eeuw zeggen we: het lichaam is niet de drager of de vindplaats van de zin van het leven.

Ten tweede: Tegelijk zeggen we ook: het lichaam raakt in verval, ze wordt, als de Heer niet op tijd terugkomt een ruïne en tenslotte stof. Verheerlijkt dan God met uw lichaam zolang u het hebt, zolang u het kan, zo ver als u kan en zo breed als u kan in alles wat we hebben en doen. "Een levend dankoffer", dat zegt de Romeinenbrief over het lichaam. Een levend dankoffer voor Hem die ons met ziel en lichaam tot zijn eigendom heeft gemaakt. En die, als het lichaam in verval raakt, tegen ons zegt: "Denk dan aan Job die zei: ik weet dat mijn Verlosser leeft, en Hij is opgewekt, en daarom heb ik zijn lichaam als een zeker pand voor mijn opstanding in heerlijkheid." En als mijn organen, en zelfs het speeksel in mijn mond drager zijn van mijn identiteit, zouden die dan niet veilig zijn bij God? ?????? Amen ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.