Uit de serie: Medisch-ethische vraagstukken, deel 3

Gemeente van Christus, Deze week zijn de verkiezingen geweest en we weten dus waar we aan toe zijn. Het ligt voor de hand dat in de komende regeerperiode van 4 jaar de wetten over euthanasie die nu al als ontwerpwet klaar liggen, zullen worden aangenomen. En in die ontwerpwetten is dit de grote verandering, dat wat voorheen stond in het wetboek van strafrecht: euthanasie nee, tenzij..., dat wordt nu omgekeerd, in de toekomst wordt dit uit het wetboek van strafrecht genomen en is het dus: euthanasie ja, mits... Een wending in de geest. Euthanasie betekent letterlijk: een zachte dood. Eu thanatos is een 'zachte dood' in het grieks. Het is iemand zacht en pijnloos doen inslapen wanneer een mens in een uitzichtloos lijden terechtgekomen is. Vanouds heeft de medische stand zich heel terughoudend opgesteld in zulke situaties, tenslotte: de dokter is er om het leven te genezen of leefbaar te maken. Maar niet om het leven weg te nemen. Maar er zijn omstandigheden waarin een mens heel erg moet lijden. Mag je zo iemand dan niet zacht laten inslapen? Wat zou u willen dat met u gebeurde als u in de laatste fase van een dodelijke ziekte bent, of zo oud dat de lust tot leven u vergaan is?

U voelt het verleidelijke in de gedachte om dan te zeggen: Dan hoeft het voor mij niet meer, laat dan de dokter mij maar uit mijn lijden verlossen. En zo denken vandaag heel velen. Vandaar een verandering in de wet. Maar we staan hier, ook wij, in de toekomst wel voor een enorme keus. Ik neem in zo'n geval mijn leven in eigen hand en ik beslis zelf over het einde. Hoe moeten we hierover denken vanuit de bijbel? Welke bijbelse normen moeten hier gelden? Het woord van de apostel uit 1 Corinthiërs 6 werpt hierop wel een heel bijzonder licht. Hij stelt een gewetensvraag: "Maar weet u niet dat u een tempel bent van de Heilige Geest? En dan voegt hij er dat kleine zinnetje aan toe: "en dat u niet van uzelf bent?" En in dat kleine zinnetje schuilt een wereld van gedachten. Gedachten die ons ook zullen mogen leiden bij zo'n moeilijk en teer onderwerp als euthanasie. Hoe te handelen bij uitzichtloos lijden? We zien na elkaar drie punten, en die knopen zo aan bij de drie zinnen uit de tekst. Eerst wil ik het hebben over dat dit eigenlijk een heel diep geheim is, dat ge niet van uzelf zijt. En in de tweede plaats wil ik toch vooral het licht laten vallen op hoe diep dat ons mag bemoedigen!

En het derde punt is wat we daaruit mogen afleiden voor ons gedrag. Deze drie stappen doen we in de uitleg. Geheim Wat ik al zei, wat mij in de eerste plaats diep heeft getroffen toen ik die tekst weer las is dat kleine vlijmende zinnetje. We hebben het er enige tijd geleden al over gehad over het lichaam als een tempel van de Heilige Geest, maar dat Paulus dan in een zinnetje eraan toevoegt: "En weet ge niet dat ge niet van uzelf zijt?" Wij zijn niet van onszelf, dat wil zeggen er is Iemand die zich over mij gedachten heeft gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat ik het 'project' ben van een Ander. Ons lichaam, en voor de bijbel is dat ons lichamelijk bestaan, onze persoonlijkheid, ze is een tempel van de Heilige Geest. Ja, bij de geboorte van een kind, met hoeveel schroom en bewondering staan we niet iedere keer bij de geboorte van een nieuw kind? En er is in dat hele proces van dat groeien van zo'n kind eigenlijk niets wat je zelf kan doen. Je kan veel in de war sturen, maar de groei is een wonder van God, een kunstig borduurwerk, zeggen de psalmen (psalm 139), wat God geweven heeft in de schoot van onze moeder. Zo zijn wij dus een maaksel van God.

Hij heeft zich er gedachten over gemaakt, over ieder van ons persoonlijk, hoe die hem zou maken. Hij is een ontwerper, een groot kunstenaar, die talloos veel ontwerpen op zijn tekentafel heeft liggen, zo stel ik me dat voor, en die met dat enorme scheppingswerk bezig is. Dat is en blijft een zaak van grote bewondering. Iemand heeft mij gewild! Er is Iemand die wanneer Hij aan mij denkt zegt: "Dat is Mijn project!" Juist in het bijbels onderwijs over de tempel valt dat op. Want ik ben gaan bladeren in het oude testament, wat zegt: God woont in Israël in de tempel. En als je dan ziet hoe God die tempel gemaakt heeft, het is heel opvallend dat zowel bij het maken van de tabernakel door Mozes, Exodus 25, als ook later bij de bouw van de tempel door David, 1 Kronieken 28, bij beiden staat er heel uitdrukkelijk: en Mozes maakte de tabernakel naar het ontwerp -er staat letterlijk naar het model- dat de Here hem getoond had op de berg. En van David staat precies hetzelfde: hij bouwde de tempel naar het onderricht wat de Here hem daarover gaf. Dat geldt in nieuw-testamentische tijden toegepast voor iedere christen.

Want wat in het oude testament de woonplaats van God in Israël was, de tempel, dat is in het nieuwe testament eigenlijk in diepste zin Jezus, die de vervulling is van heel die tempeldienst. Hij zegt ook in Johannes 2: "Breek deze tempel af en in drie dagen zal hij worden opgebouwd", en Hij sprak hier over zijn lichaam. U kent dat verhaal bij de tempelreiniging. Maar Paulus zegt: "Maar Christus, die woning maakt in de harten van de mensen, vormt ons om tot een levende tempel." Zoals in het oude verbond God woonde in een gebouw van hout en steen, zo woont Hij in het nieuwe verbond in levende mensen. Levende mensen die een woonplaats van God zijn door de Heilige Geest, een tempel van Hem. De tempeldienst is zo vervuld in ieder mens in wie de Here door zijn Geest woont. En nu mag je die lijnen verder doortrekken, ook die zijn gemaakt naar hemels model. Wij worden omgevormd naar het model wat God heeft, en dat is: Jezus Christus. Zo zijn wij een project van God. Hij woont in ons door zijn Geest. En over ieder onderdeel heeft Hij zijn gedachten en bij ieder onderdeel wil Hij wonen.

Ik denk nu even aan die preek van een paar weken geleden: het hart, zetel van alle beslissingen, daar wil Hij wonen, in het uitgangspunt van al mijn handelen. En zo gaat de schrift verder: Hij spreekt tot ons in de nacht, psalm 16, de nieren, het geweten: dan onderwijzen ons de nieren. Hij neemt onze bitterheid weg en verzacht zo de gal. Hij is het die ons beweegt en ontroert tot in onze ingewanden toe, zo maakt Hij mij barmhartig. In het hebreeuws is 'ingewanden' hetzelfde woord als 'barmhartig'. En we hebben in die eerste preek gezien hoe nauw lichaam en ziel samenhangen in de bijbel. Hij maakt onze voeten vaardig en bereid om te rennen voor het evangelie, en onze heupen maakt Hij los, Hij omgordt me met de waarheid, Hij geeft glans in de ogen door de hoop, onze keel maakt Hij los zodat we Hem kunnen prijzen, en Hij geeft ons kracht in onze armen om Hem te gehoorzamen. Zo woont Hij in ons naar lichaam en ziel. We zijn zijn project en ik vind dat heel bijzonder. En waar ik mee begon zien we heel erg sprekend als een kindje geboren wordt, dan staan we allemaal verwonderd.

En soms ervaar je dat ook heel in het bijzonder midden in ons leven, als je gezond bent en het lichaam als het ware in alle onderdelen functioneert, maar geldt dat nu ook aan het eind van het leven? Het bijzondere is dat de schrift zegt: Het geldt van de eerste tot de laatste ademtocht. Hij werkt in ons, woont in ons door zijn Geest. En dwars door alles heen, tot de laatste ademtocht, werkt Hij aan onze persoonswording, boetseert Hij ons naar zijn beeld. En dat gaat door, ook bij verval van krachten. En dat is een voor ons oog ondoorgrondelijk proces. God blijft werken in de mens, soms langs wegen die we niet begrijpen, maar straks zal de uitkomst duidelijk zijn. Dat is het eerste, het grote geheim waar Paulus hier de aandacht voor vraagt, als een soort fundering voor heel onze visie op menszijn, op lichaam en geest. We zijn het maaksel, het model, het project van God en van jong tot oud, ook als mijn lichaam in verval raakt, dan zijn daar die open handen: "Heer, schijn door mij, woon in mij, en ook als ik niets meer kan, wilt U me dan dragen." Kortom, punt een is: we zijn dragers van een diep geheim, beelddragers van Christus, tempel van de Geest.

Nu ga ik op twee manieren daar verder op door. Ik wil eerst de troost en het bemoedigende van dat evangelie benadrukken, en dan daarna waartoe het ons oproept. Bemoediging Is het niet in de eerste plaats een heel bijzondere dragende en bemoedigende kracht, dit te weten? Dat we in alles wat ons overkomt niet van onszelf zijn? "Weet u dat niet?", zegt Paulus. Als Jesaja het volk Israël in ballingschap voert, -dus Paulus kan zeggen weten jullie het niet, want daar staat het al-, als Jesaja het volk in ballingschap aanspreekt, dan is dat ook het eerste wat hij tegen hen zegt: "Maar nu, zo zegt de Here, uw Schepper en uw Formeerder, o Israël, -dus uw Architect-: vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb uw naam geroepen, -en dan komt het-: gij zijt Mijn. En daarom, wanneer u door het water trekt, Ik ben met u. En gaat u door rivieren, ze zullen u niet wegspoelen. Ja zelfs als u gaat door het vuur, zal de vlam u niet verbranden, want Ik de Here ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser." Dat was de belofte waarmee Jesaja Israël al bemoedigde als ze door de vuurproef heen moest, en dat moeten we allemaal, vroeg of laat. Dan zegt God: "Je bent niet van jezelf, je bent van Mij.

En daarin ligt de garantie dat Ik je trouw blijf en met je verder ga." En zo moeten we aankijken tegen perioden van grote pijn en moeite. Nergens zegt de bijbel: "Neem je leven in eigen hand en maak er een eind aan." Nee, wat het evangelie ons voorhoudt is veel dieper. Zelfs als rivieren u overspoelen en het vuur u verteert, je bent van Mij en Ik laat je nooit los. Ik heb u in mijn handpalmen gegrift. Dat is een woord, vier hoofdstukken verder in Jesaja. Ik heb het daarom ook boven het informatiebulletin als welkomsttekst gezet. Dat zegt de Here tegen Israël in diepe nood. Ik heb je naam in mijn handpalm gezet. En de handpalm is de holte van Zijn hand, en daar heb Ik jouw naam gegraveerd. Uw muren staan bestendig voor me. Dat doet me weer denken aan dat project, God heeft voortdurend dat beeld van Israël voor ogen en dat vervult zich in het nieuwe testament voor ieder van ons. Hij heeft voortdurend in zijn handpalmen de namen gegrift. En gegrift betekent getatoeëerd, onuitwisbaar daar neergezet. Zoals een minnaar dat doet als hij altijd aan zijn geliefde denkt.

Maar ook zoals een man doet die zich totaal heeft vastgelegd op een ontwerp, en zegt: het staat voortdurend in mijn hand, hier werk ik aan, hieraan blijf ik trouw. Het is onuitwisbaar in de holte van mijn hand gegrift. En dat is een bijzondere dragende kracht, ook bij het ouder worden en bij ernstige ziekte. Nee, dat betekent niet dat het ons voor pijn behoedt. Soms is er een heel diep en onherstelbaar verval. Maar het is een valse suggestie die vandaag opklinkt dat je dan moet kiezen tussen òf uitzichtloos lijden òf zelf je leven in de hand nemen. Dat is een typisch Nederlandse leugen. Want er zijn vandaag bijzonder goede middelen om de pijn te bestrijden. En door alle tijden heen hebben de mensen hun stervende zieken vertroost en verzorgd, hun lijden verzacht, met een diep geloof dat vaak de moeilijkste momenten in ons leven vaak ook de momenten zijn waarop God in ons werkt op zijn wijze, en laat Hem dat doen, in het lijden. Euthanasie is eigenlijk een vlucht voor het lijden, en ten diepste een vlucht uit het leven, het lijden afwijzen. Hitler is ermee begonnen, met het doden van wat hij noemde onwaardig leven. En ik denk dat wij moeten oppassen.

Anders krijgen we zoiets van: zolang ik geen plezier meer heb hoeft het voor mij niet meer. Het is eigenlijk hedonisme ten top gevoerd. Maar de schrift leert ons: God houdt ons vast, ook in het lijden. En ook dan zijn we een woonplaats van God in de Geest. En het dilemma is dus niet uitzichtloos lijden òf euthanasie, het dilemma is vluchten uit het leven in de dood, òf in het leven moedig biddend, huilend, het samen volhouden, en het evangelie onder onze voeten hebben, en ons laten aanspreken door het troostboek van Jesaja die zei: "Vrees niet, Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij." En dat komt weer terug in het nieuwe testament, ook bij die lezing uit de Romeinenbrief, waar de apostel zegt: "Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf, want als we leven: het is voor de Here, en als we sterven: het is voor de Here. Hetzij we leven hetzij we sterven, we zijn van Hem". En dat is ons houvast, we zijn van Hem. Hij staat daarin naast ons, Hij leeft in ons, vereenzelvigt zich met onze pijn en draagt ons erdoor.

En soms zien we niet hoe, maar het is wel zo dat de uitkomst vast ligt en dat we er aan vasthouden omdat de schrift zelf het ons zegt. Gedrag Daar vloeit ook een houding uit voort die heel diep anders is dan de houding van: ik beschik zelf over mijn leven. Ik ga nu over op het derde punt, wat voor gedrag hier uit voortvloeit. Beslissend in alle vragen over euthanasie is heel diep dat punt van het zelfbeschikkingsrecht. Beschikt een mens zelf over zijn eigen leven? Is mijn lichaam van mij? Mag ik er mee doen of laten doen wat ik wil? Ben ik mijn eigen maker? Is mijn lichaam mijn project? Als dat zo is dan kan ik begrijpen dat euthanasie een van de mogelijkheden is. Ik besluit in mijn soevereine zelfbeschikkingsrecht er zelf een eind aan te maken. Of ligt het anders? Heeft mijn lichaam bij leven en bij sterven een hoger doel? Leef ik, zoals we zongen, voor Hem die mij geschapen heeft? Dit geloof lijdt niet tot passiviteit, zo van laat maar gebeuren wat er gebeurt. Integendeel, het maakt ons juist actief, creatief en ook heel verantwoordelijk. In iedere gave, dat geheim, ligt ook een opgave.

Paulus zegt: "We zijn gekocht en betaald, Christus heeft ons met het offer van zijn lichaam vrijgekocht van vreemde machten, verheerlijkt dan ook God met uw lichaam." Vorige keren heb ik dat toegepast op de lichaamscultuur, in de bloei van het leven, en ik zou dat tenslotte ook willen toepassen op het eind van het leven, en op de tempel in verval. Wie echt gelooft dat ieder mens een project van God is, een schepsel van Hem in wie Jezus zelf woont, die zet zich tot het uiterste in om medearbeider van God te zijn bij het zegenen van de mensen. Dat is onze roeping, medearbeider zijn van God in zijn project. En zo zijn we medearbeiders van God als we gehandicapten een zelfstandige plaats in ons midden geven, als volwaardige medemensen. En we zijn medearbeiders van God als we demente bejaarden verzorgen. De adeldom van een cultuur kan je afmeten aan de mate waarin die cultuur zijn eigen zwakken en zijn eigen geesteszieken verzorgt. Wij zijn medearbeiders van God op zijn best als we als wijkverpleegster mensen helpen met wassen en aankleden, van de een naar de ander, en je moet het vandaag nog snel doen ook, want je moet een heleboel tegelijk doen. Dat is een koninklijk werk van God.

En als we, zoals bijvoorbeeld in de stichting Kuria gebeurt, onze stervenden helpen om zonder pijn en in vrede te sterven, dan is dat medewerker zijn van God. Nederland doet het minst van alle Westeuropese landen aan palliatieve zorg en roept het luidst over het veranderen van de wetgeving. Dat is heel erg. Daarom is het heel belangrijk dat we vandaag horen: er is een andere weg. En eigenlijk bindt de schrift dat ons op het hart. En die andere weg is: stervenden troosten, pijn bestrijden en daar creatief mee omgaan, hopelozen moed geven, gehandicapten een menswaardig leven verschaffen. En dat kan omdat -en dan keer ik natuurlijk weer terug naar kern waar we ook mee begonnen-, om wat ik het diepste geheim noem van het leven, en dat is: ons leven is een onderdeel van een Ander zijn verhaal! Wij zijn een project van God. Hij heeft ons gemaakt en niet alleen gemaakt, maar Hij heeft ons ook grote beloften meegegeven. Hij maakt dat project af. Hij heeft ook de volle verantwoordelijkheid voor die scheppingsdaad op zich genomen toen Hij in Jezus onder onze moeiten bezweken is. Hij heeft ons zo gekocht naar lichaam en ziel. En dat geheim is onze enige troost.

Zoals de ouderen zeker nog uit het hoofd weten, zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat is dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet het eigendom ben van mijzelf maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Hij heeft mij gekocht met zijn kostbaar bloed, en Hij bewaart mij zo, dat zonder mijn Vader zelfs geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja dat zelfs alles dienen moet tot zijn heil. Dat belijden we en daarvoor heeft Hij ons zijn Geest gegeven om ons zeker te maken van het eeuwige leven. Daarvoor ontvang ik zijn Geest. Die Geest maakt mij bereid om alles te doen, om de pijn te bestrijden, in lijden mij door Hem te laten dragen, en het oog gericht te houden op de Goede herder, die de zijnen bij name kent en die hen ook draagt in het uur van de dood. Amen. ©1998 Nederlands Gereformeerde Kerk - Utrecht.