Bijbeltekst: Psalm 8; Hebreeën 2:1-9

Gemeente van Christus, Er zijn drie redenen die mij voor de tekstkeuze van Psalm 8 hebben geleid. In de eerste plaats is het de zondag na Pasen, en graag zou ik vanmorgen verder gaan met Pasen, er eigenlijk iets van laten zien hoe groot de opgestane Heer is, de laatste Adam, zegt de apostel Paulus, de nieuwe wortel van de boom der mensheid. Hij trekt vissen, dieren, vogels, een hele nieuwe schepping achter Zich aan. Zo lees ik Psalm 8. De tweede reden waarom ik Psalm 8 koos is de actualiteit: het schaap Dolly. Het lijkt een hele sprong, maar het eerste heeft met het tweede te maken. Schapen, runderen altegader, alles hebt Ge onder zijn voeten gelegd. Mogen we er dus mee doen wat we willen? Dat is mijn tweede interessepunt. De derde reden om Psalm 8 te kiezen is het moment hier van deze morgendienst. Er is gedoopt, wij allen zijn verbonden. Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. Wat is daar nu mee bedoeld? Ik begin bij dit laatste, dan ga ik naar het tweede, schaap Dolly, en tenslotte kon ik uit bij het eerste, het hoofdpunt, en dat is een voortzetting van het eigenlijke, van het opstandingsevangelie. Punt 1: er is gedoopt.

Een weerloos klein mensje werd aangesproken, bij name genoemd en een teken gegeven. Ze heeft niet gehuild, dat had ik gehoopt, want dan had ik nog klemmender die vraag kunnen stellen: wat betekent dat nu, uit de mond van zuigelingen. enz hebt Gij sterkte gegrondvest. Maar de vraag dringt zich toch wel op, zo direct uit de lezing van Psalm 8. Wat betekent dat nu: uit de mond van zuigelingen en kinderen hebt Gij sterkte gegrondvest? Dat begrijp je alleen als je let op het contrast tussen twee dingen. Het contrast tussen sterkte, gegrondvest op zwakte. Dat is hier het eigenlijke punt. Sterker nog, zuigelingen en kinderen hebben in hun geluid en gekraai en -nog ontroerender-, in hun eerste stamelende kinderliedjes iets ontzaglijk kwetsbaars, iets weerloos. Het zijn geluiden van diepe afhankelijkheid en heel direct spontaan vertrouwen, wetend: er wordt voor mij gezorgd. Nu zegt Psalm 8: dat doet God iets. Dat drijft Hem tot actie, Hij bouwt daar iets op, want het is taal uit de bouwwereld. Het heeft daarop sterkte gegrondvest. God bouwt een groot bouwwerk op het fundament van weerloze afhankelijkheid.

En hoe meer wij met lege handen staan, en ons heel diep afhankelijk weten, kinderlijk afhankelijk en kinderlijk vertrouwend, des te meer kan God doen. En kinderen gaan ons hierin voor, dat zei de Here Jezus al: "Als je niet wordt als de kinderen dan zal je het Koninkrijk der hemelen niet binnengaan." Dat is dan blijkbaar dat bouwwerk, dat Koninkrijk wat Hij bouwt op dat andere, die oprechte, spontane, weerloze afhankelijkheid. Daarom zet ik boven deze dienst die tekst uit Corinthe waar de apostel Paulus schrijft: als ik zwak ben dan ben ik juist sterk. Kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Dat is ook Psalm 8. Zelfs vijand en wraakgierige moeten terugdeinzen voor weerloze, kwetsbare mensen, daar hebben ze geen weerwoord op. God zal Zijn machtige Koninkrijk niet bouwen op brallende, wraakgierige, sterke, stoere mensen in hun kracht. Maar Hij zal het uiteindelijk bouwen op al die mensen die leerden weerloos afhankelijk te zijn als een kind. Zo weerloos als de gekruisigde. En daar bouwt Hij sterkte uit. Dan ga ik van hier uit naar punt twee. Dit moeilijke vers in de psalm, direct aan het begin, ik zie dat toch eigenlijk als de sleutel tot het verstaan van de hele psalm.

Sterkte gebouwd op weerloze afhankelijkheid, kracht uit zwakheid. Psalm 8 valt namelijk in twee delen uiteen, het is een psalm die prachtig is opgebouwd, de eerste en de laatste zin is gelijk, dat is een lofprijzing aan God: hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde. En dan volgt dat sleutelvers, vers 3, maar dan vers 4 en 5, die vormen een contrast met vers 6 t/m 9. Dat zijn de twee hoofddelen van de psalm, en ze worden als het ware onderbroken door dat sterke woordje toch. Vers 6 het eerste woord. Dus voor dat woordje toch invers 6 gaat het over de kwetsbare mens, en daarna gaat het over de glorieuze mens: Toch hebt Gij hem met heerlijkheid gekroond. En daarvoor, dat moet je je zo voorstellen dat de dichter van de psalm zich in de avond onder de oosterse donkere lucht begeeft, nergens zie je sterren en een eindeloos heelal zo duidelijk als in het oosten, toen en nu nog, als er geen verdere lichten zijn. En dan kijkt hij naar de hemel: aanschouw ik het werk van Uw vingers. Bijzonder, de vingers, nog niet eens Zijn hand of Zijn arm, maar Zijn vingers. Sterrenstelsels, melkwegen, lichtjaren, het is dichtbij als het 130-miljard lichtjaar is, bij wijze van spreken.

Het is een ongelooflijke afstand. En dan zegt de dichter: "Maar wat is dan de mens dat Gij hem gedenkt?" Dat is de mens in zijn kwetsbaarheid. Wat is de mens? Een stofje op een stofje in het universum. En toch, wat is zijn grootheid. Daar kom ik straks op terug. Dan zegt de psalmist in de tweede helft: En toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt. Die kleine mens hebt Ge tot grote hoogte verheven, alles hebt Ge onder zijn voeten gelegd, hij is de onbegrensde heerser van de natuur, U doet hem heersten over de werken van Uw handen. Op dit tweede punt ga ik nu nader in. Die laatste woorden zijn eigenlijk de woorden waarmee met name de westerse mens aan de haal is gegaan. Want er is geen boek over de mens en de natuur, of de mens en het dier, of de mens en het milieu, of dit soort beschrijvingen kan je erin aantreffen. De mens als de heerser over de natuur, -wij zeggen rentmeester, maar vergeten vaak het woordje rent-, kroonstuk van de schepping, de mens als de heer over schapen, runderen dieren, vogelen, alles wat de paden der zeeën doorkruist.

Eigenlijk past Psalm 8 bij de Renaissance, de Europese Renaissance, toen voor het eerst in Europa dat bewustzijn ontwaakte van wat wij niet allemaal kunnen. En Michelangelo maakte een beeldhouwwerk van David, zo groot dat het in deze kerk niet eens kan staan. Zo groot is de mens. En dichters en filosofen bezongen het. Deel twee van Psalm 8 losgemaakt van deel een. En christenen hebben er heel vaak aan meegewerkt om zo de grootheid van de mens te bezingen. Adam, koning, heer, meester, regeerder over de natuur. Alles heeft God onder zijn voeten gelegd. En dat stempelt tot vandaag toe onze cultuur: een uit elkaar gerukte Psalm 8. Want dacht u nu echt dat God ooit bedoeld of gewild heeft dat we schapen of andere dieren zouden gaan klonen? Er is een hele discussie over opgelaaid, men is daar vandaag ook in een grote internationale conferentie mee aan de gang. In Engeland heeft men voor het eerst een levend schaap gekloond. Dolly is voor 100 % een kopie van haar moeder. En overmorgen kan hetzelfde gedaan worden met paarden en koeien en -de mens is ook een zoogdier- met mensen! Waar ligt de grens? Wat is er hier eigenlijk aan de hand? Dat kan ik met behulp van Psalm 8 laten zien.

Men las alleen nog maar deel twee, over de grootheid van de mens. En, zeiden ze: dat staat al in Genesis. Ze vergaten even de zondeval, maar in Genesis 1 daar staat het: de mens wordt aangesteld tot heerser over de natuur. Aan u het beheer, lees het maar in Genesis 1: 28. Maar men vergat dat de Here God uitdrukkelijk uitlegde wat dat betekende, want in Genesis 2, in dat tweede scheppingsverhaal, wordt precies uitgelegd wat het eerste bedoelde. Zo moet u het maar eens lezen: in Genesis 2 wordt uitgelegd wat in Genesis 1 heel kort wordt aangeduid. In Genesis 1 staat: Aan u het beheer. En dan gaat God dat in Genesis 2 uitleggen en dan zegt Hij: Wat betekent dat? Verzorgen en bewaren, Genesis 2: 14. En dan dat prachtige verhaal dat de Here God al die dieren, schapen, runderen, dieren van het veld, in een parade aan Adam laat voorbij gaan. En dan zegt Hij heel kwetsbaar, zoals een kunstschilder dat kan doen als die je voor het eerst iets laat zien wat hij net gemaakt heeft: "Wat vind je ervan? Nu moet jij het een titel geven." Zo zegt de Here God ook tegen Adam: "Wat vind jij ervan? Nu moet jij het een naam geven." En Adam staat daar, en al die dieren gaan aan hem voorbij.

Dat betekent allereerst dat de Here God van Adam heeft verwacht dat hij zich zou verwonderen, en dat heeft hij natuurlijk ook gedaan, hij heeft verwonderd gestaan om al die dieren, die oneindige variëteit, hij heeft ze gestreeld, gevoeld hoe ze waren, want je kan iets geen naam geven als je niet tot het wezen van dat dier bent doorgedrongen. Dan kun je zeggen: zo is dit dier ten voeten uit. En zulke namen gaf hij aan ieder dier. Zo was daar eerst de verwondering, en het invoelen en het respect, en het begrijpen en het strelen, en pas dan, ja dan mocht de mens het ook gaan verzorgen. Eerst strelen en dan mocht hij het ook gaan verzorgen en bewaren. Dat is de opdracht geweest. Maar nee hoor, wij werden torenbouwers -Genesis 10-, hemelbestormers: doe maar wat je wilt, alles ligt onder je voeten. Alles moet kunnen, en alles wat kan, mag. Net als Icaros, u weet wel, die Griekse held, die zich vleugels aanpaste, en ondanks alle waarschuwingen naar de zon wilde vliegen. Dat is ook zoiets, het geheim van de Schepper willen kennen. Het loopt slecht met hem af, de zon verschroeide zijn vleugels en hij stortte in zee. Zo vond hij onverhoeds de dood.

Het klonen van dieren, om maar niet te spreken van het klonen van mensen, is een absolute grensoverschrijding. Net die ene stap te ver. En zulke stappen, och, eigenlijk doen we ze allemaal. Want het zit ons in de botten dat we doen wat we zouden willen. Dat is de westerse mens, hij doet wat hij wil. De natuur, het water, de lucht, ze zijn van mij! De schapen, de runderen, de dieren van het veld, de vogels aan de hemel, de vissen van de zee, wat de paden der zeeën doorkruist, ze liggen onder onze voeten! Psalm 8 deel twee, het staat er. Maar wat een ramp als zo deel twee van die psalm wordt losgemaakt van deel een, als zo Genesis 1 wordt losgemaakt van Genesis 2. En dan kom ik weer bij die sleutel uit die ons toch zo nadrukkelijk in vers 3 werd aangereikt. Het ware geheim van de mens, en zijn eigenlijke rijkdom. Dat is niet zijn grootheid, het is niet wat ik denk van dat, van de ander. Het is niet de grootheid van wat de mens denkt, kan en doet, nee, het is juist zijn kleinheid, de psalm zegt: wat een Ander denkt van mij. Het wonder van die kleine, onder de sterren staande miezerige mens, is dat hij zo'n kostbare plek heeft in het hart van God. Dat is zijn geheim.

Laten we dat nog eens een keer beluisteren en meebeleven zoals die dichter dat onderging onder die zwarte oosterse sterrenhemel: Aanschouw ik de hemel, het werk van uw vingers, maan en sterren, die Gij bereid hebt, wat is dan de mens? Wat is dan dat stofje op een stofje? En dat Gij hem gedenkt! Dat God gedachten heeft over ons! Ga naar buiten in de nacht, besef de omvang van het universum, sterrenstelsel na sterrenstelsel, en ineens voel je je ineenschrompelen tot niets, tot een minuscuul wezentje. En dan dat wonder: aan dat stofje wordt gedacht! En dan heb je het geheim van de mens in de kern geraakt. Aan dat kleine stofje wordt gedacht! Aan u, aan mij wordt gedacht! Sterker nog, zegt de tweede zin, dat kleine mensje wordt door God opgezocht: wat is het mensenkind dat U naar hem omziet, dat U hem opzoekt? Als je dat tot je door laat dringen, de Schepper van hemel en aarde, die sterrenstelsels uit Zijn vingertoppen doet flitsen en wat doet Hij? Eigenlijk is Hij is alleen met Zijn hart bezig met de kinderen van Adam. Aan hen gaf Hij Zijn belofte, hen heeft vastgehouden, hen heeft Hij opgezocht. Dat is je eigenlijke waarde.

Niet het stofje dat we zijn, maar dat we zijn in de gedachten van God, dat we voorwerp zijn van oneindige zorg, we zijn voorwerp van oneindige liefde. En het ging al aan ons leven vooraf. Dat is gedenken. Gedenken bevat eigenlijk alles: wat is de mens dat Gij hem gedenkt? In gedenken zit ontwerpen, we zijn het ontwerp van God. In gedenken zit noemen, zoals bij de doop de naam wordt genoemd. In gedenken zit een appèl, Hij roept ons tot een antwoord. En in gedenken zit vasthouden. Geen nood is te groot of Hij houdt je daarin vast. Gedenken staat hier in vers 5 tenslotte parallel met dat woord omzien naar. Wat is het mensenkind dat Gij naar hem omziet. De Almachtige heeft naar ons omgezien. Hij is voor ons tot de Goede Herder geworden, die zelfs Zijn leven voor ons gegeven heeft. Zo kostbaar is dat stofje mens. Zijn kracht ligt in zijn zwakheid. Zwakheid dan niet als zieligheid, maar zwakheid als sterke, kinderlijke afhankelijkheid. Kwetsbaar, en zo je voorwerp weten van Gods bemoeienis. Dat is mens-zijn. En alleen zo -want dan pas komt het tweede-, alleen zo mag hij koning zijn. Onderkoning onder God.

Verzorgen en bewaren, schapen, runderen altegader en wat de paden der zeeën doorkruist. Here, onze Here, eindigt de Psalm dan, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde. Zo zijn we vanmorgen door deze Psalm heengegaan. We hebben het bij het moment betrokken, we hebben daarbij gedacht over de actualiteit, en tegelijk is het vandaag de eerste zondag na Pasen. ik zei al aan het begin, lezend en herlezend kan ik deze psalm geen moment losmaken van Jezus Christus, die Paulus de laatste Adam noemt. Los van Hem is deze psalm ondanks alles toch te hoog gegrepen en te hoog gestemd. Maar in het licht van Pasen komt alles op zijn plek. Want in Jezus heeft God ons opgezocht! Dat is gewoon feit geworden. Jezus is de weg. Maar ook: in Jezus is deze psalm vervuld, want Hij is het model, Hij is de laatste Adam. Hier zien we eigenlijk het profiel van de tweede Adam. De eerste Adam heeft het verprutst, dat zijn wij, en de laatste Adam heeft het volbracht. Hij is de weg er naar toe, en Hij is het doel. En dat zien we in deze psalm aan het slot. Eigenlijk ben ik daarin versterkt bij het lezen van de Hebreeënbrief. Want precies zo leest de Hebreeënbrief Psalm 8.

Als je Psalm 8 leest en je leest verder naar Hebreeën 2, dan staat daar: dit is Jezus ten voeten uit. Toen Hij daar verscheen op het bordes bij Pilatus, bebloed, gebroken, geslagen, toen zei Pilatus: Is dat de mens? Wat is de mens... Daar is het diep kwetsbare aangegeven. Maar God heeft aan Hem gedacht, en Hem in Zijn weerloosheid als het ware gebruikt ten overstaan van vijand en wraakgierige. Hij heeft Hem opgewekt uit de doden en Hem als mens goddelijke status bevestigd, gegeven, en toen heeft Hij heel de schepping aan Zijn voeten onderworpen, en die mag weer opveren, de hele schepping mag weer opveren nu Jezus Christus verschenen is. De laatste Adam. De opgestane Heer trekt als de Morgenster de nieuwe aarde achter Zich aan. Schapen en runderen altegader. Dieren op het veld, vogelen aan de hemel, alles wat de paden der zeeën doorkruist, het is door God aan de voeten van Jezus gelegd. Want Hij is die Adam. En Hij zal er zo voor zorgen dat het straks alles verzorgd en bewaard, niet gekloond, maar wel voldragen en vervuld voor God mag voortbestaan. Psalm 8 is ten diepste een Messiaanse psalm. Zo leert ons de Schrift in de Hebreeënbrief.

Er zitten best veel vragen in die brief, daar ga ik nu allemaal aan voorbij, maar het mooie ervan is als de schrijver zegt: Maar uiteindelijk zien wij alleen Jezus, die vernederde Jezus, met heerlijkheid en glorie gekroond. O wondere liefde, o wijsheid van God, toen zonde ons het licht benam, hebt Gij het verlossende pad gebaand. Een tweede Adam kwam. Alleen in Zijn voetspoor wordt Psalm 8 ook in ons leven een beetje waar. En zo leert ons Psalm 8 in het licht van de Hebreeënbrief. Eigenlijk een bevestiging van de punten die we zagen, die ik nog even herhaal. Het leert ons allereerst te worden als een kind. En in de tweede plaats, het bevrijdt ons van de overmoed, de overmoed van de westerse mens. En ten slotte, het maakt ons mede-erfgenaam van Christus, samen met Hem onderkoningen over de schepping, waarvan we zeggen: Here, u bent de Heer, onze Here. Hoe heerlijk is Uw naam over de ganse schepping. Amen.