Bijbeltekst: Psalm 121 — Uit de serie: Psalmen

Gemeente van Christus, Psalm 121 is eigenlijk een parel onder de psalmen, in vorm, in opbouw en in inhoud, één van de allermooiste. Maar tegelijk is het ook een psalm die ons voor de allermoeilijkste vragen stelt. Want wat zou u zeggen als je die psalm gelezen hebt in het ziekenhuis, in een zaal vlak voor een operatie, wat mij een keer is overkomen, en de patient sterft onder het mes? Wat moet je er dan op zeggen, achteraf? Hij zal u bewaren voor alle kwaad. Wat is dit voor een psalm? Wat wil deze psalm ons meegeven? Geeft deze psalm ook houvast als mijn voet wel wankelt en het kwaad me hevig treft? Met die vragen in ons hoofd gaan we die vragen stap voor stap door, om hem goed te begrijpen. In de eerste plaats, wat is dit voor een psalm? Er staat boven: het is een bedevaartslied, net als psalm 84 die we vorige week overdachten. Ja, maar toch is er een groot verschil, want psalm 84 en eigenlijk alle andere bedevaartsliederen, zijn liederen die gemaakt zijn voor als je optrekt naar Jeruzalem, als je gaat naar de tempel, we hoorden vorige week dat verlangen, en hoe de dichter de tempel in de verte zag liggen en wat er dan allemaal door hem heen ging.

Maar deze psalm 121 is de enige -en hij springt er dus uit- die niet gemaakt is voor als je naar de tempel optrekt, maar als je van de bedevaart weer naar huis teruggaat! Dat is het typerende van psalm 121. Hij is gemaakt voor de weg terug. Al die andere bedevaartspsalmen zijn gemaakt voor de heenreis, psalm 121 droeg de pelgrim mee voor dat moeilijke moment als hij weer terug moet. Wonderlijk dat God daarvoor zorgt, voor die momenten. Denk je eens even de dichter in. Hij is in Jeruzalem geweest op één van de hoogtijdagen: pasen, pinksteren of het loofhuttenfeest, maar nu is de tijd voorbij, hij heeft daar heel bijzondere dagen gehad. Hij heeft gezongen, gedanst, gevierd, maar nu is de tijd voorbij en hij moet weer terug. En dan op de avond van zijn terugreis, valt alles weer zwaar op hem neer. Ik denk me zo in dat hij daar loopt op de muren van Jeruzalem, hij denkt aan thuis, de zorgen drukken op hem. Hij moet zijn werk weer beginnen, z'n stokoude moeder woont bij hem in, z'n zoon kan geen werk vinden en ontwikkelt zich zonderling, zelf tobt hij met zijn gezondheid en denkt: Wat moet er ooit van komen als ik straks zelf in bed kom te liggen?

En dan nog de politieke spanningen in die tijd, conflicten met de buurlanden en nu ook nog die zware terugreis! Ineens worden de bergen die hij daar vanaf die muur zo rondom Jeruzalem ziet voor hem tot een beeld van alle dreigende gevaren die er voor hem liggen, en zo moeten wij het begin van die psalm lezen. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar moet mijn hulp komen? Wie zal mij bewaren? Is er één die daar mij behoed? Er zit een stuk eenzaamheid in die beginvraag en ook een stuk aanvechting en radeloosheid. De bergen zijn hier niet de plaats vanwaar hij de hoogste bijstand verwacht, dat is een fout in de oude berijming. Nee, de bergen hier zijn de plaatsen waar je wordt overvallen door onheil, denk maar aan de hoofdpersoon in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Die man daalde af vanuit Jeruzalem, door het judeese bergland, en daar werd hij overvallen door een rover. Misschien had hij vlak daarvoor wel psalm 121 gezongen. Bergen zijn plaatsen waar je om kunt komen onder rovershand of door dorst of -toen nog- door wild gedierte. "Ik hef mijn ogen op naar de bergen", zegt de dichter, "en mij overvalt benauwdheid en angst".

Het wordt voor hem ineens een beeld voor alles wat hem benauwd. De operatie die hem wacht, of die onoverkomelijke moeiten die niet te ontwijken zijn, je kunt er niet omheen lopen, je moet erdoor. "Wie zal me daarbij helpen?", vraagt de dichter, "Sta ik er alleen voor?" En dan komt vers 2. Er is veel gesproken over vers 2. Moest er niet staan: Uw hulp, want alles staat verder in de tweede persoon, in de aanspraak, maar nee, er staat echt mijn hulp. Dus het lijkt alsof de dichter ineens vanuit zijn eigen hart dat antwoord voelt opwellen wat hij toch ook toen al in de tempel zo vaak heeft gehoord: Mijn hulp is in de naam van de Here, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. En dat echoot na en hij zegt dat tegen zichzelf: Mijn hulp is van de Here, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Maar als hij dat heeft gezegd, dan komen de vragen pas goed bij hem naar boven, precies dezelfde vragen waarmee we begonnen. Wat betekent dat? Zal de Here dan echt kunnen helpen? Bewarend, behoedend aanwezig zijn als het gevreesde werkelijkheid wordt? Als rovers me overvallen? Als ik straks op bed kom te liggen? Als ik geen werk vind?

Als alles fout loopt, als de zon steekt des daags en de maan des nachts? Is Hij er dan ook? En dan lijkt het of de priester nog eens even voorbij liep op de rand van de muren van Jeruzalem en hem antwoord geeft. Want het dan volgend gedeelte is een antwoord. Het lijkt wel alsof daar die priester dat zegt wat hij eigenlijk alle wegreizenden meegaf, want hij zegt tegen hem: "Ja, wees niet bang." Met grote klem zegt hij tegen de twijfelvragen van deze persoon: "De Here is uw bewaarder, Hij zal uw voet voor wankelen behoeden, Hij zal uw voeten niet geven tot wankeling". Dat staat er, en: "Hij is de bewaarder van Israël, Hij sluimert noch slaapt. En Hij zal u niet door de zon laten steken en niet door de maan in de nacht, Hij zal u bewaren voor alle kwaad, van nu aan tot in eeuwigheid." In die lijn antwoordt dan de priester. En wij gaan dat antwoord nog eens even na. Het is in de Nederlandse vertaling niet zo duidelijk, maar er staat zes keer niet in het Hebreeuws, en er staat zes keer bewaren. Dat vind ik heel bijzonder. Zes keer staat er niet, en het staat in het Hebreeuws telkens voorop. Dus niet pas achteraf, Hij zal het niet doen, maar: niet zal Hij het doen.

Ik proef daarin een antwoord. In vers 3a, 3b, 4a, 4b, 6a, 6b staat in het Hebreeuws het niet voorop. Het wordt haast tot een roep: Nee, dat zal Hij niet doen! U denkt: maar de Here God laat me vallen. "Nee", zegt de priester, "Hij zal uw voet niet geven tot wankeling." En u denkt: Hij slaapt en Hij sluimert, ik merk niets van hem, Hij laat toch alles op z'n beloop. En de priester zegt: "Nee, dat doet Hij niet. Niet zal Hij sluimeren, niet zal Hij slapen." Dat staat er twee keer. Ja, de vegetatiegoden, de Baäls in die tijd, die slapen in de wintertijd. Maar de God van Israël sluimert noch slaapt, er is niets wat zijn oog ontgaat, en waar Hij niet met heel zijn hart bij betrokken is. Zie, de bewaarder van Israël sluimert noch slaapt. En dan weer: "Straks steekt de zon op me in, de hitte van de dag, en als ik 's nachts wegschuil dan word ik gebeten door de maan", zegt de dichter angstig. Overdag een zonnesteek en 's nachts een maanziekte, want men dacht in die tijd dat je dat 's nachts aan de maan opliep. "Nee", zegt de priester, "De Here is uw bewaarder, niet zal de zon u steken overdag, en niet de maan bij nacht.

Maar de Here zal u bewaren." Tot zes keer toe gebruikt de priester dit ene woord uit de zegen. Het is precies hetzelfde woord als er staat in Numeri 6: De Here zegene u en Hij behoede u. Daar is het met behoeden vertaald, maar in het Hebreeuws is het hetzelfde woord als hier in psalm 121 staat: Hij beware u. Dat woord neemt hij eruit, en dat neemt hij zes keer op. Hij zegt: "En de Here is uw bewaarder, Hij zal u bewaren." Ik vind dat een heel bijzonder woord, en ik denk dat het ook om die reden is dat de Here Jezus daarom bidt in het hogepriesterlijk gebed, Als Hij bidt voor allen die door zijn woord in Hem geloven bidt Hij eigenlijk maar voor één ding: dat God hen zal bewaren, niet wegnemen uit de wereld maar bewaren. In dat bewaren zit eigenlijk alles wat de God van Israël kenmerkt. Want bewaren dat doet een vader, bewaren doet een koning, bewaren doet een wachter op de muur, bewaren gebeurt door een herder, bewaren dat doet een vriend. Je kunt dat woord 'bewaren' laten aansluiten bij al de prachtige beelden die de schrift van de God van Israël, van de Vader van Jezus Christus, geeft. Want bewaren is: de wacht houden.

Terecht komt het woordje herder in onze berijming voor, daar doet het aan denken, zoals een herder de wacht houdt. Maar bewaren is ook: zorg dragen zoals een vader die alles geeft voor de kinderen die hij heeft. Zorgdragen is het, maar ook beschermen, zoals een goede koning dat doet bij zijn onderdanen. Een strijdbare koning beschermt zijn volk, dat is ook bewaren. En bewaren is waken. De wachter die daar op de muur van Jeruzalem liep en waarschuwde als er gevaar was. En tenslotte, denk eens aan die uitroep van Kaïn: ben ik de bewaarder van mijn broeder? Daar staat datzelfde woord weer, bewaarder. De bewaarder van Israël is het tegenovergestelde van Kaïn, het is als een vriend die zich betrokken voelt op de ander, zich voor de ander inlaat, zoals een vriend dat doet. Ja, daarom staat dit er zes keer. Tot zes keer toe wordt dit hèt beeld van wat God doet ten opzichte van hen die Hem vertrouwen. Calvijn voegt er nog iets aan toe, hij vraagt zich af: Waarom toch tot zes keer toe die herhaling? En dan antwoordt Calvijn zichzelf: "Hoe moeilijk is het om van je wantrouwen tegen God genezen te worden.

Daarom herhaalt de profeet zo dikwijls wat hij duidelijk genoeg in één woord had kunnen uitdrukken". Calvijn zegt: Ja, zelfs na zoveel herhalingen gebeurt het ons toch nog dat we bij het vallen van alleen maar een blad van een boom al sidderen en beangst zijn alsof God ons had vergeten. En omdat we dus in veel twijfel en wantrouwen verstrikt zijn, daarom wil de psalm door die herhaalde betuiging van Gods aanwezigheid ons verzekeren van zijn bescherming". Dat is de uitleg van Calvijn die hier bij aansluit. Inderdaad, we moeten steeds weer van dat diepe wantrouwen tegen God verlost worden. Bij het minste of geringste wat er in ons leven gebeurt laait ons wantrouwen tegen God weer op, en daarom dit zo vaak herhaalde: Hij zal u bewaren. Het antwoord op de twijfelvragen van de dichter beantwoordt de priester hiermee precies omgekeerd als wij het doen. Wij gaan -ik heb me daar toen in dat ziekenhuis zelf ook op betrapt- op zulke twijfelvragen beknibbelen. We gaan een beetje God zitten verdedigen en we zeggen: "Ja, Hij redt soms wel, maar ja, andere keren niet". En we zeggen: "Hij redt uit de ene nood wel en uit de andere niet". Er staat hier in vers 7: "Hij zal uw ziel bewaren".

Er was een gelovige man op die zaal die dat zei, hij dacht: "Gelukkig, dan kun je dat nog volhouden als iemand op de operatietafel bezwijkt, daar helpt het dan niet, maar voor die ziel dan toch wel, die wordt bewaard". Maar dat staat er niet. Dat woord ziel dat hier staat, dat is echt oud-testamentisch die hele persoon: lichaam, persoonlijkheid, de hele mens. En daarom hoort het ook als een parallel-zin bij die andere zin: Hij zal u bewaren voor alle kwaad. Wat een ongelooflijke royaliteit. Er zit een climax in die psalm. De Here zal uw ziel bewaren, dat is een climax. Geen stap terug, maar een stap vooruit. Alles, je persoonlijkheid, je relaties, je verstand, je gezin, je geest, er is niets uitgezonderd. Wonderlijk dat de priester dat zo antwoordt op die twijfelvragen, van waar mijn hulp vandaan zal komen. Is er echt iemand die mij straks, als de bergen op mij vallen en de heuvelen mij bedekken, is er dan echt iemand die mij bewaart? Op die angstige vragen neemt de priester absoluut geen gas terug. Hij antwoordt met een uitbundigheid en een royaliteit die verbijstert. Hij zegt: Want de Heer is uw bewaarder en Hij zal u bewaren en Hij slaapt noch sluimert, wees niet bang.

Hij is onafscheidelijk van u. En dan gebruikt hij dat beeld van de schaduw aan uw rechterhand, een prachtig beeld van wat de Here wil zijn. Want er is niemand die, al is het maar voor een seconde, zijn eigen schaduw kan verwijderen. Loop maar eens in de zon, je kunt geen seconde bij je eigen schaduw vandaan! Dat heb je helemaal niet voor het zeggen, die schaduw blijft. En dan zegt de priester: "Zo onafscheidelijk blijft de Here met je meegaan, als je schaduw aan je rechterhand". En waarom die rechterhand? Dat was omdat men in die tijd vaak letterlijk handtastelijk strijden moest met de vijand, dan had je een zwaard in je rechterhand en dan was die rechterkant wel je kwetsbare plek. Dus zit er iets in: Hij is onafscheidelijk aan je verbonden, juist op die plek waar je jezelf niet verdedigen kunt daar staat de Here en daar is Hij altijd, onafscheidelijk als de schaduw aan je rechterhand. En wat doet Hij daar? Daar is Hij aan het bewaken, bewaren, beschermen, behoeden, de wacht houden, trouw blijven, in verzekerde bewaring houden, al deze betekenissen zitten in dit woord opgesloten.

En Hij bewaart daarbij uw voet voor wankelen en uw hoofd voor de zonnesteek, ja, Hij bewaart u voor alle kwaad, niets uitgezonderd, naar lichaam en ziel, totaal, zo is God, dat doet Hij. Zo gaat Hij met u mee. En zo zegent de priester de aangevochtenen: de Here zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid. In die laatste zin blijkt het allerduidelijkst dat deze psalm dus een afscheidszegen was. Uw uitgang, maar ook: uw ingang. Hij waakt over u. Nu gaat u over de donkere bergen, maar God zorgt ervoor dat u ook weer thuiskomt: De Heer is uw bewaarder, Hij zal u bewaren voor alle kwaad. En daar zit in: Geloof het en je zult het merken. Geloof het en het zal u geworden. Zo is de psalm bedoeld. En als de dichter vraagt: "En als mijn voet dan wankelt, is het dan ook waar?" Dan zegt de priester: "Dan zal de Heer u bewaren!" En als de psalmist zou vragen: "En als ik dan sterf?" Dan zegt de priester: "De Heer is uw bewaarder, Hij zal u bewaren voor alle kwaad." Zo wonderlijk gaat het in het geloof. Het wordt waar langs de weg van geloof en vertrouwen. Eigenlijk verbazingwekkend hoe de priester, of beter hoe de schrift, antwoordt op aanvechting, op angstvragen.

Wij hebben de neiging om bij angstvragen te minimaliseren, dat zei ik al. Wij zeggen: "Misschien wel, misschien niet, bij sommigen heeft God het gedaan bij anderen weer niet, of je moet het geestelijk zien, de ziel zal Hij redden." Maar de priester van psalm 121 doet dat niet, die stort zijn hart uit en zegt: "Man, vrouw, wees niet bang!" Hij is voor 200 % zeker dat de Here met u meegaat, want dat is zijn Naam! Zo zult gij mijn Naam op de gemeente opleggen en Ik zal hen zegenen! Snap je wat de priester hier aan het doen is? Hij is eenvoudig gehoorzaam aan het naspreken wat God gezegd heeft. Zo zal je mijn Naam aan de gemeente opleggen: De Heer is uw bewaarder, en Ik zal hen zegenen. En dacht je dat God het ooit niet deed? De priester is er voor 200 % zeker van en hij zweert het: dit is Zijn Naam. Ik denk dat daar ook misschien wel het diepste antwoord ligt op de vraag hoe je dit zo kunt volhouden. De priester spreekt hier niet over de voorzienigheid, over de almachtige die ons wel zal beschermen, nee, hij heeft het over die ENE, die heel bijzondere, die unieke, die Israël droeg door de Rode Zee, over Hem heeft hij het.

Die zijn Zoon zond en voor ons op Golgotha heeft doen sterven en doen opstaan, over die God spreekt hij. Die God die weet wat het is om aangevochten te zijn en die ook weet wat het is om te vallen, die zelf onderging in de meest verschrikkelijke dood die denkbaar is, en die zo alle lijden op zijn schouders nam. Die Heer, daar wordt hier van gesproken, die bewaart en redt uit alle nood. "Zelfs als dood en hel ons aangrijnzen" zegt Luther in dat lied 'een vaste burcht': "Al wordt de wereld ook een hel en het leven niets dan lijden, wij vrezen niet, Immanuël zal stellig ons bevrijden". En nu pas begrijp ik ook hoe de psalm bedoeld is. Deze psalm is bedoeld als een belofte die ik mij mag toe-eigenen door er op te vertrouwen: geloof het en het zal geschieden. Zo kom ik aan het slot tot een samenvatting van wat we zo uit deze psalm hebben gezien. We lazen psalm 121. Een parel onder de psalmen, noemde ik hem, in opbouw en kracht. Maar ook een psalm die je ineens voor allerlei moeilijke vragen stelt. Wat kun je met deze psalm als je voet wel wankelt, en als de zon wel steekt? We zijn de psalm woord voor woord gaan doorlezen en we deden de ene ontdekking na de andere.

De eerste is wel dit, dat deze psalm niet uit triumf is geboren, maar juist uit aanvechting. Het begint niet met zekerheid, maar het begint bij radeloosheid: Ik hef mijn ogen op naar de bergen, hoe kan ik daar ooit doorkomen, wie zal mij helpen? En hoe beantwoordt de psalm dat? Dat is het tweede, we zagen het in het licht van Numeri 6: door te zegenen. In psalm 121 wordt uitgerekend aan die angstige mens, die aan torenhoge bergen zijn vragen stelt, een zegen meegegeven, die krijgen u en ik mee, de zegen die de priester uitgesproken heeft, en die dus als een spoor door de eeuwen is gegaan. Hier spreekt de bewaarder van Israël, de Here zegent je, Hij behoedt je zesvoudig. En we zagen wat dat allemaal inhield, dat Hij onze vader wil zijn, onze koning, onze herder, onze wachter, onze vriend. En dan het derde: het is dus helemaal geen toekomstvoorspelling die, wat ik ook maar doe, of ik mij er wat van aantrek of niet, waar wordt. Dat is het niet, het is geen waarzeggerij, het is een zegen! "En zo", zegt de Here tegen de priesters, "Zo moet je mijn Naam op het volk opleggen". En dat doet de priester dan ook heel eenvoudig en heel trouw.

Als het harde leven na het vertrek uit de tempel zich weer opdringt, dan geeft hij u en mij het grote wonder mee van de God van Israël. De God van Israël die door de diepten met ons meegaat, die gezegd heeft: "Ik ben er voor jou!" Dat is zijn Naam, wist u dat? Jahwe betekent: Ik ben er voor jou, en Ik keer het alles ten goede. En er is geen seconde in je leven of Ik ben je schaduw aan je rechterhand. En Ik zal je bewaren voor alle kwaad. Zo staat het er. In dat licht vind ik het wel heel opzienbarend dat psalm 121 maar één keer in het nieuwe testament terugkeert. Daar wil ik ook mee eindigen. We hebben het gelezen in Openbaring 7. Daar staat, als de bevrijde gemeente aan het eind van de geschiedenis voor de troon van God bijeen komt, thuiskomt uit de grote verdrukking, dat ze dan onder andere psalm 121 zingen. Ze zullen niet meer hongeren en dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, want het Lam zal hen weiden, zoals Hij eigenlijk altijd al gedaan heeft. En dat zal dan overduidelijk worden, want wie thuiskomt bij God, die zal pas goed zien hoe Hij eigenlijk altijd al onze voet voor struikelen behoedde. Amen. Terug naar de de verkondiging van deze preken .

Voor reacties: mail naar Wim Rietkerk. Meer info over de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht op Internet: gjkole@knoware.nl